terug  begin  verderprepost
[p. 56]

[6]

Vlimmen staat in de gang, gereed om uit te gaan en spreekt door de openstaande deur tot Dirksen, terwijl de wethouder reeds enige tijd geduldig en ongemerkt achter hem staat te wachten:

‘... heeft die noodslachting gedaan op Somme, die ik nou ga keuren, en als ie wéér geen schietmasker bij zich heeft gehad, laat ik proces-verbaal maken, al zit-ie honderd keer in de gemeenteraad... Die slager is een vuile hond, weet je!... Zelfs de boeren ergeren zich over hem. Bartje van Campenhout vertelt me dat Van Heusden bij hem laatst een paar varkens heeft geslacht en hij had ze nog maar amper gestoken, of hij begon ze al met kokend water te begieten... De varkens gingen zó te keer, dat de boeren, die toch heus niet kleinzerig zijn, het niet konden aanzien. ‘Wàcht nou toch eventjes!’ riepen ze... Maar de schoft zei: ‘Ik voel er niks van. Gij soms?’ en goot gewoon door... ‘'t Was krek of ie d'r plezier in had,’ zegt Bartje... Ik heb hem al eens gewaarschuwd, omdat hij beesten slachtte zonder schietmasker, en nu is het de laatste keer, want - pardon, uh - meneer - meneer. Van der Kalck.’

‘Dag, meneer Vlimmen, geloof ik?... U kent mij zeker al van zien. Hoe maakt u het? Aangenaam u eens te ontmoeten.’

Vlimmen heeft een hoofd als een tomaat, geeft een schutterig handje en vraagt zich af, hoe lang de vent daar al stond. Ook Dirksen heeft een ogenblik verstijfd

[p. 57]

in zijn stoel gezeten.

‘En daar hebben we de directeur ook! Hoe is 't met u?’

‘Nou ik ga maar!’ kondigt Vlimmen aan, in het wilde weg.

‘Gaat u als veldwachter of als veearts?’ lacht de wethouder.

‘Ik denk als allebei,’ antwoordt hij met een poging om ook zo gemoedelijk te zijn.

Onderweg gaat hij het treffen met den wethouder, dien hij daar voor het eerst ontmoette, in alle onderdelen na... U kent mij al van zien!... Was dat een steek onder water? Op dit ogenblik kent hij hem al negen jaar ‘van zien’ en heeft nooit gelegenheid gevonden zich eens voor te stellen.,. En van dezen wethouder moet het uitgaan, dat hij benoemd wordt tot onderdirecteur van het slachthuis met halve dagen dienst. 's Morgens ambtenaar ten slachthuize, na twaalven vrij man en practijk. Deze benoeming ligt voor de hand en de; gemeente is er niet duurder mee uit, want er is te veel werk voor één dierenarts. Dirksen is een persoonlijkheid op slachthuisen keuringsgebied, wordt in alle denkbare commissies benoemd en is dus vaak afwezig. Vlimmen vervangt dan en wordt betaald per dag, per keuring en per kilometer. Het salaris, dat hij bedingt voor een vaste aanstelling is weinig hoger, dan de rekeningen, die hij thans declareert, terwijl hij na een benoeming toch regelmatig iedere voormiddag in dienst is.

Dirksen is er vlak voor.

Ofschoon het geen beduidend geldelijk voordeel be-tekent, hangt er voor Vlimmen toch veel van af en in de toekomst wordt het zelfs een levenskwestie. Is hij eenmaal in deze ondergeschikte functie aangesteld, dan moet het al heel gek lopen, of hij volgt Dirksen op, zodra deze met pensioen gaat. Wordt er nu een ander tussengescho-

[p. 58]

ven, dan is de kans van Dombergen, zijn beste kans, verkeken.

En dat is heel erg. Met hard werken is er in de practijk een behoorlijk bestaan te verdienen. Maar er blijft niet veel over; voor den ouden dag zullen slechts weinigen in den lande iets behoorlijks opzij kunnen leggen. Dierenartsen met een praxis aurea zijn ver te zoeken; misschien zit er in de grote steden een enkele, die naam heeft gemaakt in de behandeling van zeer dure juffershondjes. De legende zegt, dat een dergelijke kunstenaar vlot duizend gulden kreeg van een kostbare maitresse voor de succesvolle behandeling van haar even duur hondje, dat zich de kaak had laten verbrijzelen, en wel - om in dure stijl te blijven - door een vliegtuigschroef...

Het werk van den gewonen veearts is zwaar. Als hij de vijftig gepasseerd is, gaat het niet meer van harte. De directie van een gemeentelijk slachthuis, of, ten platten lande, de vleeschkeuringsdienst vormen zijn enige hoop op een ‘menswaardig bestaan’, zodra de botten te stijf worden voor het gesjouw door de wildernissen, bij nacht en ontijd, van stal naar stal, door weer en wind, en het gebeul van verlossingen, klauwsnijden, prolapsus uteri, embryotomie...

Voor Vlimmen komt er dan nog bij, dat deze benoeming hem enigszins zal reclasseren, hem wat meer gevoel van eigenwaarde zal bijbrengen, en dat is het enige, wat hij voorlopig te kort komt.

En daar stond dus de man, van wien zijn benoeming geheel afhankelijk is, als een schaduw achter hem, terwijl hij aan het uitpakken is over een slager, die een vuile hond is, en gemeenteraadslid. Vlimmen heeft niet het geringste begrip van de plaatselijke politiek, hij weet alleen, dat wethouders en raadsleden zo ongeveer hetzelfde soort dieven moeten zijn. Even zoveel handen op één buik. Nu gaat hij iemand er bij lappen, die hoog-

[p. 59]

nodig op zijn nummer moet gezet worden, en die misschien over een half jaar zijn benoeming zal moeten stemmen, of niet stemmen. Zoveel verstand van dorpspolitiek heeft hij nog wel, om te kunnen bevroeden, dat dit niet de gangbare methode kan zijn.

Hij rijdt nu door een binnenweg, die zoo smal is, dat de takken van het hakhout langs de ramen van de wagen schuren. Een gezellig, dik, bruin paard staat te glanzen in de zon, steekt de zware peinzende kop over een hek en als Vlimmen er even naar kijkt, ziet hij de lieve zachte oogen met vriendelijke belangstelling op zich gevestigd. Hetzelfde oogenblik bijt hij op; zijn kiezen en maakt zich wijs, dat het hele slachthuis en de hele gemeenteraad hem geen bliksem kunnen schelen.

Bij het boerderijtje trekt hij met een krijgshaftig gebaar de twee blinkende keuringsmessen uit het nikkelen foedraal. Het afgeslachte dier hangt in het schuurtje aan de balk. De boer komt toegeschoten en is vriendelijk. Vlimmen loopt dadelijk op de gevilde kop af... Precies! Géén schotwond midden op het voorhoofd. Het dier heeft de lange, diepe snede gevoeld en is bij volle bewustzijn langzaam leeggebloed.

‘Wie heeft er geslacht?’

De boer begrijpt het al en antwoordt; langs een omwegje, tastend en aarzelend, op de veiligste manier. De slager wil het beest kopen, als het goedgekeurd wordt. Voor een prikje, natuurlijk. ‘Jè! Vruger hadden we Huiskens, mar die doe-g-'et nie mir, en Van Heusden is 't dichtst bij de haand -’

‘En hij heeft niet geschoten?’

‘Da hedde zeker al wel gezien, meneer dokter,’ dekt zich de boer.

‘Was je d'r bij?’

‘Ah jao! En m'nen buurman hier op den hoek, Van Himmert, en onze Jan en onzen Dorus.’ Zijn boeren-

[p. 60]

voorzichtigheid wil niet, dat hij ‘de-n-enige’ is.

‘En je hebt hem maar zijn gang laten gaan?’

Dit is de beslissende stoot. De boer komt los... Ja, hij zal voor dieje vergimmesse slachter nog gezanik mee de politie krijgen, ook nog! Ah nee!... Hij is nu opeens even ijverig als hij daarjuist sloom was, en geeft een pijnlijk nauwkeurig relaas, als stond hij reeds onder ede voor den Kantonrechter... Hij had het den slachter immers nog gezegd, maar die ging zó te keer over die flauwe fratsen! Wat kan 'nen boer daar tegen doen? Het beest moest toch dadelijk geslacht worden?... Zijn voornamen?... Hij heet Johannes Bartholomeus, en wanneer hij geboren is, weet hij niet krek, maar de vrouw zal het trouwboekske eventjes pakken... Of hij er zelf ook nog kwaad mee zou kunnen?

Vlimmen stelt hem gerust.

Ja, dieje slachter is 'nen onterik, alle boeren hebben het land aan hem, maar ge kunt niet hendig iemand anders krijgen. Ge moet blij zijn, àls er ene wil komen...

prepostterug  begin  verder