Truus is dicht bij de dertig en Dacka zegt dat er gauw iets moet gebeuren, of ze gaat lelijk verzuren.
Onverbiddelijk en heerszuchtig heeft ze het taaie karweitje aangepakt en is er ook in geslaagd een imitatiegezin te vormen met haar enigszins verwilderden broer en haar kleinen Dop.
Dop is het bindmiddel.
Er wordt zelden over gesproken, maar als ze eens vertelt, heeft ze de datums nauwkeurig gesorteerd: Ze was juist één jaar en twee maanden getrouwd, toen Paul ziek werd.
Paul Dautzenberg was tandarts en een ouder studiegenoot van ‘de Vlim’. Zijn huwelijk met Truus was het gevolg van een dier theepartijtjes in L'Europe, waar de vriendjes werden voorgesteld, toen ze eens in Utrecht op bezoek was. Dautzenberg stond in Utrecht bekend als een aardige kerel; het huwelijk duurde te kort om niet bizonder geslaagd te zijn, en Vlimmen sprak toen altijd graag en een beetje overdreven onverschillig over ‘m'n zwager de tandenpeuter’.
De vreselijke griep-epidemie van 1918 was ongemerkt aan Paul voorbijgegaan, en als er over gesproken werd, zette hij een hoge borst op en vroeg: ‘Wat voor griep?’... Maar toen de tweede, zachte griepgolf kwam, stond hij in zijn veelbelovende practijk ergens in Limburg de hele dag met zijn neus boven de opengespalkte monden. En op de avond van de dag, dat hij dus juist één jaar en
twee maanden getrouwd was, had hij veertig graden en sprak hoofdzakelijk over de Kemalisten, die toen de aandacht trokken. Hij was ervan overtuigd, dat Kemalisten betekende: kameelruiters...
Een paar dagen daarna stierf hij; het was even na middernacht, dus juist op de dag, dat Dop drie maanden oud was en tevens op het ogenblik dat Truus voor goed tot de overtuiging kwam, dat er geen God bestond.
De oplossing lag voor de hand. In Dombergen werd een groter huis gehuurd, Truus vulde het met haar huisraad en het was tijdens deze verhuizing, dat Jan Vlimmen respect kreeg voor zijn zuster, de blaag waar hij, zes jaar ouder, steeds hoog overheen gekeken had. Met hete, droge ogen in een hard, verbitterd gezicht, stond de jonge weduwe in het nieuwe huis, het kind in de armen, en hield scherp toezicht. Wanneer het tijd werd, voedde ze tersluiks den Meinen Dautzenberg onder de plooien van de zwarte mantel, die ze los om de schouders had geslagen, en gaf tegelijkertijd nog haar orders aan de verhuizers, die de meubels aansjouwden. Niets ontging haar; alles stond dadelijk op de juiste plaats. Dehele dag liep ze zo van kamer naar kamer en wiegde het slapende kind in haar armen. Vlimmen kon het niet goed aanzien en stond onbeholpen zorgzaam rond haar heen te drentelen, bang voor haar wit, onbeweeglijk gezicht, tot ze hem de deur uitjoeg, naar zijn boeren, met verbod om vóór zeven uur thuis te komen.
En toen hij 's avonds thuiskwam, was de huiskamer geheel kant en klaar ingericht, ongeveer zoals deze er nu nog uitziet. Een koud avondmaal was gedekt, geheel in de puntjes, met zilveren ringetjes om de vingerdoekjes, zodat hij het gevoel kreeg, alsof hij bij zeer keurige mensen logeerde. De loodgieter was al aan de badkamer begonnen, er was overal licht, en het voornaamste wat mankeerde was de telefoon, doch die kwam morgen. Dop lag
fris opgebed in zijn wieg, toonde een tevreden tuitlip en balde de vuisten tegen zijn hangwangen. Jan Vlimmen stond er een hele tijd naar te kijken en vond het nieuwe gezin opeens erg prettig, totdat hij zei: ‘Z'n vingers zijn net gepelde garnaaltjes’, en Truus hem uitvoerig vertelde, waarop zijn eigen vingers zoal geleken.
Zo begon de eerste avond reeds de taaie strijd, die pas na een jaar of drie ophield, toen ‘meneer dokter’ bijna volmaakt gedresseerd was. Op 't ogenblik heeft ze hem zo ver, dat hij zich iedere dag baadt, scheert, smetteloze nagels vertoont en zachtjes mopperend al haar bevelen opvolgt.