terug  begin  verderprepost
[p. 73]

[9]

Meester Floris Dacka houdt zich bezig met het gewone aantal pro-deo-zaakjes, waarop een werkloos advocaat recht heeft, en leeft van een inkomen, dat op de kop af drie honderd gulden per maand bedraagt. Deze rente, het oude deftige huis naast de pastorie in de Eikenstraat en een manke huishoudster heeft hij geërfd van de rijke, eigenwijze tante, die hem vanaf zijn vijfde jaar heeft opgevoed op een manier, die alle zelfstandigheid in hem moest doden, en die hem daarna - op deze drie legaten na - onterfde met de bedoeling hem wat meer zelfstandigheid bij te brengen.

Er is weinig kans, dat hij ooit iets te doen krijgt. Van huis uit protestant, staat hij in Dombergen als een schurftig schaap buiten de gemeenschap, ofschoon men er uiterlijk niet veel van merkt. Zijn gedistingeerde verschijning wordt overal met lawaaierige vriendelijkheid tegemoet gekomen, zoals de gemoedelijkheid van het land dat wil, doch maar juist tot op het grensje waar zijn ‘Zwarte Terreur’ geniepig de onzichtbare muur optrekt. Hij stoot er zich niet eens meer aan, geoefend als de blinde, die voelt dat hij enkele centimeters verder zijn neus gaat bezeren.

De enige sociale gebeurtenis, waarbij zijn medewerking wordt geduld, is de straatcollecte op de zondag voor Sinterklaas, wanneer de heilige man door de stad trekt. Baron van Neerwetten, die nog met Dacka bij de huzaren heeft gediend, verzamelt dan steeds enkele ruiters, die de stoet

[p. 74]

begeleiden en hun rinkelende collecte-zakjes opsteken naar de toeschouwers, die uit de bovenramen hangen. Dacka krijgt van den baron een paard te leen, kleedt zich onberispelijk in rok, de nauwe rijbroek met sous-pieds tot op zijn zilveren sporen gespannen, en laat dan Dombergen eens zien hoe een heer te paard zit. Hij is een van die geboren ruiters, die een paard tussen de knieën houden met dezelfde elegante verstrooidheid, waarmee een oude kantoorklerk zijn penhouder achter het oor draagt. En op deze ene dag van het jaar voelt hij zich bijna aanvaard als lid van de Dombergse gemeenschap...

Maar overigens zijn alle mogelijkheden degelijk en keurig voor m afgesloten; alle commissietjes, verenigingen en politiekerigheidjes, waarin de jonge advocaat zich meer druk dan verdienstelijk pleegt te maken om een practijk bijeen te azen, kan hij gevoegelijk afschrijven. Buiten zijn gratis-zaken en de kleine faillissementen, waarmee een jong advocaat blij gemaakt wordt, krijgt hij af en toe enkele ingevreten querulanten, die zelfs bij de gemakkelijkste plaatselijke confrères reeds ter deure verwezen zijn. Hij aanhoort dan geduldig het lange verhaal, rekent niet eens een adviesje en zegt: ‘Ga maar naar je tegenpartij en zeg, dat ik het voor hèm gratis zal behandelen!’

Ieder jaar is hij van plan om te vertrekken en het komt er nooit van; het huis houdt hem vast. Kort na zijn drie legaten was hij bijna ontsnapt uit Dombergen. Vast besloten zich te verbinden bij de Rechterlijke Macht in Indië, vernam hij op het Departement, dat juist veertien dagen tevoren de uitzending van juristen was stopgezet.

Zo zal zijn talent voorlopig nog wel een poosje in Dombergen gesteriliseerd blijven. En hij heeft aanleg! Uit de gratis zaken die hem worden opgelegd, haalt hij sportief alles, wat er voor zijn cliënt inzit. Hij is zelfs niet alleen boekenwijs. Wanneer hij eens pleit, blijft zelfs de Hagen-

[p. 75]

bergse Officier wakker; in schermutselingen slaat hij snel en raak terug.

Soms is hij bewonderenswaardig: Zo was hem eens bijna een gratis strafzaakje ontglipt. De politierechter was pas ingevoerd en Dacka was nog niet gewend aan de nieuwe, korte termijnen. Hij kreeg het papiertje, waarbij hij aan den verdachte als raadsman was toegevoegd en keek even het dossier in. De zaak was van geen belang: een jongen uit een woonwagen, die met veters en schoensmeer den boer op ging, zat in Hagenburg gedetineerd en had het feit bekend. Diefstal van drie gulden en centen uit de buffetla van een buiten-café. Een van de duizenden snertzaakjes, die met twee regels in de plaatselijke blaadjes komen. Dacka besloot volgende week eens een bezoek te brengen aan den jongen misdadiger in: het Huis van Bewaring; moest nu naar Dombergen terug. En een paar dagen later bekijkt hij toevallig nog eens het papiertje, schrikt zich lam en komt 's morgens om negen uur tot de ontdekking, dat de jongeman vandaag tegen tien uur is gedagvaard. Rent naar het station, vangt op het nippertje de trein, bestormt om 10.15 de trappen van het Paleis en duikt zwetend in zijn toga.

De zaak is nog niet uitgeroepen en dat is maar gelukkig, want de heren achter de groene tafel, die betaald worden, kunnen hopeloos hun humeurtje verliezen over een advocaat, die er geld op toelegt, maar te laat komt. De verdachte wacht al in het gebouw en Dacka kan drie minuten met den jongen praten, dan komt de marechaussee hem halen.

Er is één getuige, de bestolen herbergierster. De jongen bekent vol ijver en Dacka staat er bij als een jachthond, de wenkbrauwen strak, de grote, wilde ogen vastgegloeid op het grote olieverfportret van; H.M. De zaal heeft hij met één blik opgenomen, voor zoover ze van belang is. Er zitten twee aardige jonge meisjes in de ge-

[p. 76]

tuigenbanken, die alle aandacht trekken, zonder dat ze het -weten; verder twee nonnen, die komen getuigen in een zaak van schoolverzuim... De politierechter is een somber, langzaam man, die eerst dromerig nadenkt, voordat hij twee woorden zegt.

Dacka begint te liegen, maar hij liegt groot. Hij gaat de woonwagen beschrijven, alsof hij er pas vandaan kwam.... En hij doet het goed! Hij heeft een prettige, rustige stem, spreekt vooraan in de mond en werkt iedere letter af zonder er op te drukken. Zijn geluid is zeer gevoileerd, maar dringt toch duidelijk door, zooals dat ook het geval is met een saxophoon, en reeds na zijn eerste zin is de volle, warme zaal onwerkelijk stil. Zijn woorden vloeien gezapig, overtuigend hartelijk... De jongen moet zorgen voor zijn moeder en voor een jongeren broer. De moeder ligt star van rheumatiek op een voddenbed, het broertje heeft een blaasziekte (dat heeft hij drie minuten geleden gehoord) en zit wezenloos in een hoek (veronderstelt hij). De toestand, die hij beschrijft, schijnt toevallig zo juist, dat de beklaagde begint te snikken, en dat was dan ook de bedoeling...

Dacka zegt het niet, maar iedereen is er nu van overtuigd, dat meneer de verdediger de woonwagen heeft bezocht en er eerlijk voor wil uitkomen, dat hij nog onder de indruk is van dit bezoek. Zelfs de Officier vliegt erin, onderbreekt en vraagt geïnteresseerd, waar 'die woonwagen op het ogenblik staat. Het antwoord komt vlot, een beetje verbaasd zelfs, wijl de aanklager dat niet eens weet.

‘Als u dit alles zag, meneer de Politierechter, het zou u aan het hart gaan.’

Eenvoudiger kan het niet; ieder woord valt als een kuise harptoon in de gespannen zaal. Er zit een verdoken complimentje in, en daarom volgt er een sober gebaartje, zoals men maakt, wanneer men iemand gelukwenst.

[p. 77]

Dan kijkt de glorieuze leugenaar verstrooid half om en heeft snel gezien, dat de knappe meisjes schreien. Juist! Het zijn lieve meisjes, en ze weten niet, hoe kostbaar hun traantjes zijn voor een verdediger, die nog volstrekt niet weet, wat hij het volgende ogenblik gaat zeggen. Zelfs de Hollandse Politierechter, die zich heus niet veel laat wijsmaken, wil - misschien onbewust - niet onnodig den beul uithangen ten aanschouwe van een paar aardige meisjes, die schreien van oprecht medelijden. De sfeer van sympathie wordt voelbaar smeuïg, een paar neuzen worden gesnoten.

Nu ophouden! Zoiets moet je hier niet overdrijven. In de Rechtzaal slaat het sentiment gauw over tot irriterende komiekerigheid. Dus: hij durft op de uiterste clementie van meneer de Politierechter aan te dringen, omdat hier duidelijk genoeg vaststaat, dat deze diefstal niet gepleegd is om sigaretten en bioscoop, zooals we dat hier van dergelijke jongelui gewend zijn.

Dit is af... Even erop gezinspeeld langs een tactisch omwegje. Niet om sigaretten en bioscoop. Het versleten clicheetje Honger-Ellende-Noodzaak pakt al niet meer sinds onheugelijke tijden en ieder rechter, die zich respecteert, zet reeds de stekels uit, wanneer hij het in de verte voelt naderen. Onbesuisde tribunepleiters, die er nog wel eens op steunen, lopen gevaar, dat de Officier, die er steeds half en half op voorbereid is, tussenbeide komt met de inlichting, dat de hongerige dief bij huiszoeking in het bezit bleek van een koket sommetje, of dat hij zich de avond tevoren in Café Buitenlust op zegge achtentwintig potjes bier heeft getracteerd...

Als meneer de Politierechter wordt bedankt, snuiten zich de neuzen bij wijze van applaus. De rechter zit even te staren met een lelijk gezicht en vraagt, hoelang de verdachte nu in voorarrest zit... Vijf dagen!... Nu, dan straft hij dezen verdachte heel kordaat met een ge-

[p. 78]

vangenisstraf van vijf dagen onder aftrek van den tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Een dikke verzamelzucht suist door de zaal. De meisjes huilen nu eerst recht vlijtig; de officier, die ook niet de beroerdste wil zijn, ziet af van appèl en schrijft reeds het ontslagbriefje voor het Huis van Bewaring. Om alle vergissing uit te sluiten, moet de verdachte nog eens hier komen en de rechter doet nu ijselijk streng: Heeft hem voor deze keer een zeer lichte straf opgelegd, een straf, die eigenlijk geen straf is, omdat hij nu dadelijk naar huis kan, maar als het nog eens gebeurt, dan... ja dàn!

Even later zweeft Dack door de gang, laat zijn toga fladderen op de maat van de slepende wals, die hij door zijn neus jubelt, en vergeet een ogenblik, dat hij de enige is, die erbij verliest, want niemand betaalt zijn spoorkaartje.

prepostterug  begin  verder