Wanneer ze terugkeren van de stallen, komen er opeens enkele lome klokslagen van de toren gevallen, en in deze wijde stilte is het om te schrikken. Dacka wil dadelijk weten of er brand is.
‘Dat is voor de Vespers’ zegt Gervaas.
‘De wie?’
‘Jij met je mohamedaans geloof hebt er natuurlijk geen verstand van, maar als je niet te veel lawaai maakt, mag je wel even komen kijken.’
Door een klein zijdeurtje komen ze in het voorportaal van de kerk, vandaar klimmen ze langs een wenteltrap naar het zangkoor. Ze lopen op hun tenen; bij ieder torenraampje vlekt er wat groen licht op de ruisende toga van Gervatius. En als ze over de balustrade kijken, staat hun adem stil. Daar beneden ligt een ongerept stukje middeleeuwen voor hun voeten. Gehuld in wijde, witte koormantels, staan daar een twintigtal monniken, achterovergeleund in hun eigen gothische vakje als in een gebeeldhouwde doodskist. Er zijn enkele prachtige ascetenkoppen bij, en Dacka moet een beetje onwillig toegeven, dat er niet één dikkerd aanwezig is. Een mat licht blinkt op de kale en kortgeschoren schedels, op de hoekige, blauwe kaken. Van onderen zijn de gezichten kuis en rustig verlicht door de reflexen der reusachtige koorboeken. Op schuine lessenaars, een arm lang, staan daar de folianten, een overdaad van heerlijk perkament vol ronde, diepzwarte koeienletters en notenbalken. Vroom
gloeit het scharlaken der kapitalen...
Vergeefs trachten de twee vrienden het beeld te omvatten. Dacka haakt zich telkens vast aan een onderdeel, dat hem dan niet weer los wil laten. Opeens ziet hij, dat hij de letters zelfs vanaf het hoge koor kan lezen. Hij zal er aanstonds een vinnigheidje over plaatsen, maar dan valt hem op, dat zelfs de oudste koorheren, die al spierwitte wenkbrauwen hebben en ingevallen tandeloze monden, geen bril dragen... Ja, een bril zou het effect bederven, haast even grondig als een sigaret... Dus het is duidelijk, dat brillen geweerd worden uit het koor... Theater?...
Maar de sfeer heeft hem vast en ondanks zichzelf moet hij welwillend veronderstellen, dat de geweldige boeken een traditie zijn uit een tijd, die geen brillen kende.
Door de kerk zoemt het dromerige gemummel van een gebed, dat haast op fluistertoon wordt gereciteerd.
Amen! Tegelijkertijd worden de reusachtige bladen omgeslagen en het klinkt als de dikke druppels van een zwoele regenbui op de stenen. Daar beneden wordt het al wat schemerig, maar langs de gewelven spelen de late zonnestralen door de toppen der smalle boogvensters en halen allerlei zotte streken uit met de bonte kleurtjes van het brandschilderwerk, als kinderen die niet naar bed willen.
Dan loopt het de twee wereldlingen koud over de rug. Een rijke basstem heeft opeens de ruimte gevuld. Rustig, zonder enige inspanning, stuwt de zanger zijn ronde, dreunende klanken vanuit de schaduwen op naar het speelse licht onder de gewelven. Licht zoemt een enkele, strakke orgeltoon voor de stem uit.
Magnificat anima mea Dominum... In hevige spanning leest Dacka de ver uiteenstaande syllaben der Mariahymne onder de notenbalk en vertaalt... Mijne ziel verheft den Heer... Het klinkt ernstig, mannelijk, en diep
overtuigd. Hier houden alle grapjes op; dit geluid gaat verder dan hun gedachten, die ze wild voelen opstijgen naar iets geheimzinnigs, waarvan ze toch weten, dat het onbereikbaar is.
In beheerste jubel trekt het lied voorbij. Ieder woordje komt in waardige eenvoud naar voren en maakt plaats voor het volgende, na een sierlijke buiging ter ere der Moeder Gods.
Quia respexit humilitatem ancillae suae... Voor een ogenblik vergeten ze hun alledaagse zorgjes en ligt de wereld aan scherven. Hij zag de nederigheid zijner Dienstmaagd Maria, en dat was genoeg om Haar door alle geslachten te doen prijzen...
Bij de laatste strofe maakt een lange, witte gedaante zich los uit het donkere eikenhout der koorbanken. Geruisloos als een spook deint de slepende koormantel naar het altaar en staat stil onder de rode vonk der godslamp. Een wijde mouw strekt zich naar het onzichtbare klokketouw en zodra de stem zwijgt, klept buiten het blijde klokje van het Angelus. Voor enkele ogenblikken valt nu alle werk stil op het grote domein en is het vandaag de laatste maal, dat de eeltige handen zich vouwen tot het eeuwenoude gebaar om te gedenken, dat het Woord is Vleesch geworden en onder ons heeft gewoond...
Het slaperig gemummel gaat nu verder; Dacka wordt wakker en nijdig... Dit is je zuiverste hypnose, waarmee ze misschien onnozele boerenjongens kunnen vangen, maar hèm toch zeker niet!... Ongemerkt bespiedt hij Vlimmen's gezicht en ziet dat zijn voorhoofd sterk gerimpeld staat. Dan Gervaas. Deze is neergeknield op het bankje voor de balustrade en heeft de spitse vingers gevouwen. Op zijn gezicht is niets te lezen als de genoeglijke zorgeloosheid van iedere dag...
Hij probeert zich driftig te overtuigen: Nee, heren monniken! Het is een affaire zoals iedere andere. Geld
en macht! Er hebben wel eens andere klokken geluid, toen de kruimels je begonnen te steken van al je geld en macht. Toen heb je die witte schaapsvachten uitgetrokken om je te pantseren in stalen maliehemden. Ter ere Gods heb je de schedels gekraakt van de arme drommels, die hun have en goed, hun vrouwen en dochters probeerden te verdedigen tegen de opgeruide wilden van West-Europa, die onder jullie leiding moordend en rovend naar Jeruzalem togen, waar je niets te maken hadt. Bij de belegering van prachtige, welvarende Moorse steden in Spanje hadt je de liefelijke gewoonte om met je houten artillerie de koppen van afgemaakte gevangenen in de stad te schieten, opdat ze zouden gevonden worden door de nagelaten betrekkingen, die tot een anderen God baden: Van de kruistochten, verlos ons Heer!...
Dan kijkt hij nog eens naar de magere koppen daar boven het perkament, naar Gervaas, en weet dat hij een dwaas is, en dat zij aan het langste eind trekken, omdat ze zich zo verfoeielijk veilig voelen in een overtuiging, die hij niet kan peilen, en die hij geen streep kan verwrikken... Zelfs buiten in het zachte zonlicht geeft hij toe, dat het niet alleen geld is, dat er iets vervaarlijks en geheimzinnigs in deze macht steekt, waarvan hij de beangstigende greep zo juist duidelijk heeft gevoeld op een verborgen hoekje in zijn wezen, waar zijn nuchter verstand niet kan doordringen.
Op hetzelfde ogenblik zegt Gervaas, dat ze nu een glas bier van hem krijgen, omdat ze zo zoet hebben stilgezeten in de kerk.