Op honderd schreden afstand herkent Vlimmen de slanke gedaante en schrikt er hevig van. Gelukkig is hij juist het ziekenhuis voorbij en loopt nu gauw in een houding, alsof hij werkelijk een doel heeft. Dacka laat hem niet lang in twijfel, komt in rechte lijn op hem af van de overkant.
‘Hallo! Hoe is 't nou met 'm?’ vraagt Floor en heft even de kin in de richting van het gebouw. ‘Is er nog nieuws?’
‘Nog precies hetzelfde... Ik kom er juist vandaan.’
‘O,’ zegt Dacka en staat er even van te duizelen. ‘Hoge koorts zeker?’ vraagt hij dan snel.
Vlimmen probeert zijn verstijfde mondhoeken zorgelijk naar beneden te trekken en knikt.
‘Kom-kom!’ zegt Dacka en dreunt weer zijn lesje op van de kleine kereltjes, die zo taai zijn... Vlimmen moet er zich nu wel in schikken, dat ze met een levendig vaartje naar huis lopen. Op de stoep hoopt hij zelfs een beetje, dat er maar niet opgebeld is, anders heeft Dacka dadelijk in de gaten, dat hij helemaal niet in het ziekenhuis is geweest...
Wat dit betreft kan hij gerust zijn; aan het gezicht van Truus ziet hij met één oogopslag, dat er nog steeds geen nieuws is. Bij de haard staat hij een poosje hevig te rillen en voelt nu eerst hoe door en door koud hij is geworden in de natte sneeuw.
Maar je kunt nooit weten: ‘Is er nog opgebeld?’
‘Er is wel tien keer opgebeld. Kijk daar maar 'ns!’ en ze wijst met de ogen naar de bloc-notes. Hij neemt waarachtig zijn zakboekje en schrijft de adressen op. Bijna achter ieder bericht staat: ‘Spoed!’ en nu begint zijn geweten toch te tikken. Truums geeft een nadrukkelijk knipoogje en Dacka zegt terstond, dat hij meegaat. Voordat hij er zich geheel rekenschap van kan geven, loopt Vlimmen weer in het oude gareel.
Er zijn twee noodslachtingen, die nu toch onverwijld moeten gekeurd worden, anders keuren zij zichzelf af. Gelukkig dat het nogal koud is geweest. Dan nog een koortsige koe met een verdacht kwartier en slechte melk. Een staaltje van de melk uit het gezwollen kwartier neemt hij in een flesje mee.
De boerderijen liggen ver uiteen en het is al zes uur, wanneer ze overleggen, of ze vóór het eten nog naar de Seefhoek zullen gaan voor een prolaps. In prolapsus voelt Vlimmen zich sterk en denkt nog wel op tijd thuis te zullen zijn.
Bovendien ligt de koe er al van deze ochtend.
Het weer wordt er niet beter op; de sneeuw wordt vinniger, blijft hier en daar al liggen. De stemming is er bij Vlimmen intussen al zoveel op vooruitgegaan, dat Dacka voor den dag durft te komen met het ‘denderende’ verhaal over Pietje Peereboom en den kapelaan uit de Koningstraat, je weet wel, met die dikke boerenkop. De moeder van Peer is er nog helemaal overstuur van... Nog niet gehoord? Nee, zeg, dat is de moeite waard! Peer heeft het hem zelf verteld en Dacka heeft het uit de eerste hand:
We weten allemaal, dat Ma Peereboom zich zware zorgen maakt over de ziel van haar zoon. Dat gaat fris en levenslustig van Zaterdag op Zondag - soms zelfs Maandag - naar Antwerpen of Brussel en dat komt thuis
in een zeer verfomfaaide houding, die het ergste te denleen geeft. Slechts met veel moeite krijgt ze hem 's Zondags naar de kerk; hij gaat alleen met Pasen ter communie, of niet, want zelfs daarvan is zij niet geheel zeker. Ze heeft hem lid gemaakt van Vincentius, van de Heeren-Congregatie, van Hooger Leven (Pickwick-Club) en alle andere devote onderonsjes, die met Peer's stand overeenkomen en waar hij zich zeer slecht thuis voelt. Ofschoon hij zeer katholiek is opgevoed en zelfs een blauwe maandag op het Klein-Seminarie is geweest, heeft deze ontaarde zoon een goddeloze weerzin tegen dergelijke katholieke versnaperingen.
Ja, Peer heeft heel wat te stellen met die goeie ziel. Ze loopt de kerk plat en thuis hult zij zich in een zwarte wolk van eerwaarde heren, die sigaren roken en port drinken en het hoofd schudden. Maar Pietje is erop gespitst, weet precies wanneer de huiskamer onveilig is en glipt dan op de hielen van zijn laatsten patiënt de deur uit...
Hij heeft haar met hel en verdoemenis gedreigd als ze het waagt in zijn werkkamer te komen, wanneer er een patiënt is, en dat doet ze dan ook niet; zou al te gek zijn... Maar dan hoort ze wel eens vanuit de dokterskamer het zeer misplaatste gegiechel van een of andere meid-van-niks en slaan haar de vlammen uit. Een kantoorjufke van de kunstzij - en nog wel 'n bekende! - is er goedgeteld acht keer geweest, maar een rekening heeft Mevrouw Peereboom nooit kunnen ontdekken... Waar moest dat in godsnaam naar toe? En hij heeft zó veel klanten van de kloosters! Ze ziet al aankomen, dat het mis loopt. Die jonge Haverstroo, die nu ruim een jaar in Dombergen gevestigd is, legt het wel verstandiger aan. Die is netjes getrouwd en doet zijn kerkelijke plichten en Mevrouw van Aerschot heeft zelf gezien, dat er op een keer vijf nonnen tegelijk bij Haverstroo op de
stoep stonden.
Het aantal nonnen, dat Mevrouw van Aerschot ziet, stijgt bij ieder sermoen; vorige keer waren het er drie... Maar als ze zover gekomen is, wordt Peer driftig: ‘Och ma, zeur toch niet zo! Zit ik op zo'n patiënt te wachten? Laat Haverstroo zijn kost verdienen; ik kan immers niet meer afwerken, dan ik nu doe. Vorige week heb ik nog 'n paar van m'n lastigste klieren naar hem gestuurd, omdat ik tjokvol zat. En die hysterische nonnen mag hij allemaal van me cadeau hebben!’
O-o! Stel je voor, dat iemand het hoorde: hysterische nonnen!
Er moest iets gedaan worden. Ma stortte haar hart uit bij den kapelaan met het dikke boerenhoofd uit de Koningstraat en meneer kapelaan moest nu toch bepaald eens met Piet praten, eens degelijk met hem praten, hem op zijn plichten wijzen en hem het goeie voorhouden.
De kapelaan was volstrekt niet begeesterd; hij voelde Peer op de juiste zwaarte aan en twijfelde sterk, of zoiets wel op zijn weg lag. Maar toen hem een klein-gevouwen briefje van vijf en twintig in zijn palm was gedrukt, werd hij bereid gevonden het taaie karweitje aan te pakken.
Nu moesten ze de ontmoeting met hemelse list in elkaar zien te steken, want Pietje is zo vlug als water, wanneer er geestelijke overheden in de buurt zijn. Daarom zou de kapelaan komen nà het spreekuur en vóór de eerste bestelde patiënt.
Ma zou hem dan pardoes in Peer's werkkamer loslaten...
Dat was eergisteren. De list was gelukt; Ma zat met popelend hart in de huiskamer te wachten en zette reeds de port en de sigaren gereed. Het duurde ruim drie kwartier, vooraleer ze de deur hoorde opengaan, en toen ze in de gang kwam, viel de staatdeur al achter meneer
kapelaan dicht, terwijl Pietje kwam aanbenen en vroeg, of hij nu dadelijk kon eten.
Ma vond het verschrikkelijk vreemd en kon zich geen tien seconden bedwingen:
‘Wat uh-wat zei uh-wat had meneer uh -’
‘Huh!’ zei toen Peer. ‘Nooit gedacht, dat zo'n grote lummel zo bang zou zijn. Hij -’
‘Bang?!’... Ma gilde bijna.
‘Erger dan 'n kind. Zo gauw hij binnen was, had hij al spijt en kwam met de zotste uitvluchtjes voor den dag. Maar ik het hem niet uitpraten en zanikte zo lang tot hij in de stoel zat. Kwartier geredeneerd vóór ik hem zover had... En 'n bek! Zelden zo'n kolenhok gezien. Twee van z'n rotste kiezen heb ik maar meteen getro -’
En hier had Ma Peereboom een flauwte gekregen.
Het tafereel staat Vlimmen levendig voor den geest: Peer, de bloedzuiger, van de tongreep gesneden als geen ander, zijn overstelpend geratel, dat op je zenuwen trommelt en je verlamt... En die hulpeloze kapelaan, die ten slotte wel moet toegeven om nog iets van zijn figuur te redden. Néé!
Maar midden in zijn harde lachbui schrikt hij zich weer koest. Een koppig bijgeloof waarschuwt hem, dat de pret zou kunnen opbreken, èn lelijk! Straks moet hij weer naar huis en op Truus' gezicht trachten te lezen, wat ervan is...
Even later proest hij zich toch weer overeind.
‘Had Peer het dan al dadelijk in de gaten?’
‘Welnee! Tenminste, hij zegt van niet. Naderhand is zijn moeder door de mand gevallen... Kijk nou wat 'n rotweer!’
‘We zijn er haast,’ zegt Vlimmen. ‘'t Is 'n fris karweitje, maar we zullen proberen het in 'n half uur op te knappen.’
‘Wat is 't?’
‘Baarmoeder-prolaps.’
‘Kun je dat opeten?... Prolaps à la Meunière?’
‘Als je 't gezien hebt, zul je d'r waarschijnlijk voor bedanken... Je hebt al eens 'n kalf zien geboren worden, is 't niet? Nu, zo'n kalf zit in een grote zak, genaamd baarmoeder. Dat ding is in normale omstandigheden zo groot als twee knakworstjes, maar bij de verlossing is het opgezwollen en uitgerekt tot een omvang van-laten we zeggen twee hoofdkussens.’
‘Tjonge!’
Ja, dat is 'n wonderlijk verschijnsel... Als het kalf geboren wordt, glijdt het in gunstige gevallen met een soepel gangetje uit die zak; begrijp je?
‘Ik probeer het te volgen,’ knikt Floor.
‘Als je je hand uit je broekzak trekt - je doet het niet te wild en de zak is niet te nauw - dan blijft de zak op z'n plaats. Maar als er geen ruimte genoeg is en je doet het te ruw, dan keert de zak zich binnenste-buiten. Kijk, dàt is nou baarmoeder-prolaps. Het kalf is te groot, de boeren hebben te woest getrokken, of de koe heeft te hard geperst en de baarmoeder komt mee. Ook gebeurt het wel, dat de koe het hele geval na de verlossing op eigen gelegenheid naar buiten perst. Dan heb ik de eer en het genoegen om alles weer op z'n plaats te brengen.’
‘Lijkt me nogal eenvoudig.’
‘Wacht even tot je 't gezien hebt.’