terug  begin  verderprepost
[p. 315]

[36]

Kees van Bemmel is op zijn manier slim geweest. Hij heeft Mina bijtijds naar de Vroedvrouwenschool in Heerlen gestuurd, zoals dat meestal gebeurt met de ongehuwde moeders uit het gewest.

En verder heeft hij er zorgvuldig over gezwegen... Want als ze hèm willen bekachelen moeten ze vroeg opstaan. Geen slapende honden wakker maken! Laat dieje smerlap maar denken, dat er geen vuiltje aan de lucht is, en dat ons Mina hem niet verraden heeft, zoals ze heeft moeten beloven. Dan moet de vuilik zelf ook z'ne mond houden, begrijp-te, kan hij niet de zaak in de gort proberen te sturen, al voordat het kind er is. Want ge moet ze kennen; als 't tegen den minderen man gaat, trekt heel 't groot volk één lijn. Eerst moet dat jong er zijn; dan ligt het zuiverste bewijs in de wieg. Kees van Bemmel begint niet gauw, maar àls hij begint, komt hij beslagen op 't ijs en hebben ze aan hem ‘ginne gemakke’. Ze hoeven hem niks te vertellen van de sosjaole wetten; hij weet de weg...

Het heeft hem zeer veel moeite gekost het opzienba- rende nieuws zolang onder zich te houden, maar ten slotte komt toch de lang verbeide dag, dat in Heerlen alles goed is afgelopen en. hij zijn campagne kan aan- vatten. Hij heeft een dag vrij af genomen van de boter- fabriek, zijn zondags pak aangetrokken en nu gaat hij naar de Voogdijraad in Dombergen - ja, daar moet hij zijn, dat weet hij allang - waar de bom zal barsten.

[p. 316]

Sinds maanden heeft hij zijn waardige houding ingestudeerd, het verloop van de sensationele onthulling ontelbare malen thuis gerepeteerd en met zichzelf afgesproken, hoe ze daar bij de Voogdijraad zullen pafstaan. Hij is opgewonden en begeesterd, voelt een plezierige kitteling rond zijn hart in het vooruitzicht iedereen op zijn hand te hebben en hoogst belangrijk te zijn...

De secretaris van de Voogdijraad in Dornbergen is Mr. Stein, een bejaard advocaat, die er een vergeten en in- gedut kantoor op na houdt, een dorre verschijning, mager en debiel) maar bovenal zuur. Hij is van goede, verarmde familie. Verbitterd door de ongunst van de bevolking, die hij door zijn eigen bullebijtersmanieren voor goed heeft afgestoten, klampt hij zich hooghartig vast aan de starre ideeën van de vorige eeuw, toen het de familie beter ging en de naam Stein klonk onder de besten van de streek. De wetgeving van 1909, die hem aan het zeer welkome bijbaantje van de Voogdijraad hielp, beschouwt hij als de grootste razernij en daar maakt hij geen geheim van:... Wil hij u eens wat vertellen? Nu dan, in zijn jonge tijd, toen er van deze prachtwetten nog geen sprake was, wist de domste boerenmeid, dat ze haar portemonnaie dicht moest houden, zolang ze niet héél zeker was van haar vrijer, en daarmee uit!... Tegen- woordig is het de eerste vijf minuten al gebeurd - kijk zijn dossiers maar na - en als je vraagt, wie de vader is, zeggen ze: ‘Da weet ik nie, maar hij hàd 'nen hoed op’... Laatst nog zo'n meid uit de noodwoningen op het Laareind: Om kwart over zes stapt de jongen van de fiets, omdat ze tegen hem staat te lachen achter de heg. Om kwart voor zeven zegt hij: ‘Nou saluut, ik zie oe nog wel 'ns!’ Gelukkig hééft ze hem nog gezien, een paar maanden later in de stad, en is ze hem nagelopen om te kijken waar hij woonde... En dan moet zulk vee wel gaan denken, dat ze nog iets heel verdienstelijks hebben

[p. 317]

gepresteerd, want nu staat iedereen gereed om ze te bedienen: een hele Voogdijraad en een Kantonrechter en een Rechtbank (als 't daarmee afgelopen is) en twee advocaten en kilo's papier... Maar het is 'n goeie wet, weet-je, o zo'n goeie wet. En resultaten! Daar val je van om... Wie denkt, dat het er nu beter op geworden is, moet maar eens met hèm komen praten. Als er niet getrouwd wordt, als het hard tegen hard gaat, komt er zelden of nooit iets van de onderhoudsgelden terecht. Geregelde betalingen zijn hoge uitzonderingen: als het toevallig een ambtenaartje is, of iemand van de spoor, die vastzit aan z'n baantje. Maar de rest betaalt nooit. Hoe kan het ook? Procedures in zake Doodarm contra Straatarm, stuk voor stuk. Als de eis wordt toegewezen, trekt zij 'n gezicht, of ze daarmee in haar eer en deugd her- steld is, en hij verdwijnt, gaat werk zoeken over de grens, zo gauw er beslag wordt gelegd op zijn loontje...

Kees van Bemmel komt op het spreekuur en loopt hard van stapel. ‘Jè meneer, nou koom ik oe iets vertellen, daor zul-de van - ’

‘Hoe's je naam?’

‘Uh... Cornelis van Bemmel... Da zit zo: 'n moand of vijf-zes geleje - ’

‘Waar woon je?’

Zo gaat het verder en zo moet ook Kees van Bemmel wel van de kook raken. Hij doet nog een poging om in- drukwekkend te zijn, wanneer hem zonder verdere franje de naam van den vermoedelijken vader wordt gevraagd. Mèt de voornamen...

‘Meneer, da raoj-de in gin duzend jaor, da zul-de nie kunne ge - ’

‘Ik zit hier niet om raadseltjes op te lossen. Het kan me geen bal schelen wie het is. Je doet er me heus geen plezier mee.’

In de overtuiging, dat hij ‘dat ouwe lijk’ nu toch eens

[p. 318]

even zal laten springen, noemt Kees quasi-terloops de naam, leunt achterover en wacht met stralende ogen op de uitwerking...

Maar als Mr. Stein zich nog ooit over een nieuw geval gelieft te verwonderen, is dat zijn zaak... Die aangeklede proleet met z'n ‘glanseeje’ handschoenen - zoals hij die nauwelijks zelf kan betalen - zal er in ieder geval geen plezier van hebben. Gaat waarachtig nog groot op zo'n meevallertje, dat is duidelijk. Moet even grondig afgekoeld worden, besluit Stein, en hij schrijft de naam op met een onverstoorbaarheid, die den ander half gek maakt.

‘Mar ik bedoel de veearts! Uit de Beukelaon! Dokter Vlimme!’

‘Schreeuw niet zo, ik ben niet doof... Weet je zijn voornamen? Zijn huisnummer?’

Het is een bittere teleurstelling voor Kees van Bemmel, die zo slim is geweest en met zoveel moeite al die tijd heeft gezwegen. Bot er boven op krijgt hij een standje, omdat hij zolang gewacht heeft, wat helemaal niet slim schijnt te zijn, want voordat het kind er is, bestaat er al een vordering, en bij de Voordijraad alleen zijn er al zoveel formaliteiten te vervullen, dat ieder kind allang geboren is, voordat de eigenlijke procedure kan beginnen.

‘Tenminste, als het niet van een olifant is, want bij olifanten duurt zoiets langer.’

- Wat 'ne steenezel, diejen ouwe, denkt Kees... Die doe net of ie 't over beesten hee. Zo'n ouw geraomte... Hijzelf is pas 41 jaar en weet, dat hij er niet eens naar uitziet, doet zich graag jong voor.

‘Dus jij bent de gróótvader van dat kind?’

Het komt als een troevend antwoord op het ‘oud geraamte’, dat nog in zijn hoofd hangt, en nu verliest hij zijn fiere houding. Daar heeft de jeugdige Kees van Bemmel, die voor de spiegel gaat staan om zijn zondagse hoed

[p. 319]

zwierig op één oor te zetten, nog in het geheel niet aan gedacht... Sakker-de-ju! Gróót-vader, anders maar niks... Daar moet hij toch even aan wennen, daar staat zijn adem bij stil... Het is alsof hij opeens tien jaar ouder is geworden!

Met die bestudeerde onvriendelijkheid van oude mensen, die niet méér wensen te worden lastig gevallen, dan strikt nodig is, vraagt Mr. Stein de namen, voornamen en geboortedatums, schrijft langzaam en secuur, lettertje voor lettertje, en doet nijdig ‘Ssst!’, wanneer de ander één woord meer zegt, dan hem gevraagd wordt. Kees, die gekomen is met een verhaal, dat op poten staat, en bijna barst van woordenrijkheid, zit hevig te worstelen met het verlammende gevoel van kleinheid, dat hem nu overvalt. Hij besluit dan maar te wachten, tot die flauwe cpschrijverij van verjaardagen helemaal afgelopen is en dan zal hij -

‘Geboorte-akte!’, hoort hij den steenezel commanderen.

‘Wablief?’

‘Het afschrift van de geboorte-akte van het kind. Van je kleinkind, bedoel ik.’

‘O, da lee thuis.’

‘Was dan zelf ook maar thuis gebleven. Zonder uit- treksel-geboorteregister kunnen we niets beginnen.’ Meteen legt Stein het vel met aantekeningen al in het nieuwe dossier en slaat het met een definitieve klap dicht.

‘Jao mar da gaot er zó nie!’, barst Kees nu los. ‘Moete gullie dan nie percies beschrijve, hoe dat allemaol in z'n weirk is gegaon? Ik ben expres van Hulshout gekome en ik heb 'nen helen dag verlet om - ’

Hij houdt verschrikt op, nu de oude Stein hem voor het eerst eens goed aankijkt met die bleke, koude ogen vol walgende verachting.

‘Was je d'r bij, toen 't gebeurde?’

[p. 320]

‘Nee, mar ons Mina - ’

‘Dan is alles wat je te vertellen hebt voor ons van geen belang... Ben je bereid om op te treden als bijzondere vertegenwoordiger van je kleinkind?’

‘Wablief?’

‘Zeg nou maar ja of nee’, hijgt Stein in een beledigende zucht. ‘Als 't nee is, zoeken we iemand anders. Het is van géén belang.’

‘Ik weet nie eens wa da te betekene hee!’

‘Luister, ik zeg het maar één keer: Het kind procedeert tegen den vermoedelijken vader, maar het is natuurlijk te jong om in rechte op te treden. Daarom benoemt de Kantonrechter een bijzonderen vertegenwoordiger, die namens het minderjarige kind de procedure voert.’

Procedures voeren! Optreden in rechte! Daar moet Kees van Bernmel bij zijn.

‘O, da's goed!’, roept hij onvervaard. ‘Dà wil ik wel doen!’

‘Je hèbt niets te doen. Alleen je naam komt op de stukken te staan. Voor de rest moeten we je dochter hebben. Ze wordt opgeroepen en gehoord op de volgende vergadering van de Voogdijraad. Dat wil zeggen: als ik voor die tijd het geboorte-bewijs heb. Doe er 'n enveloppe om en steek het hier in de brievenbus. Je hoeft niet aan te bellen; we vinden het wel. En kom maar niet terug voordat je geroepen wordt. We hebben geen adviezen nodig. Weten precies wat we te doen hebben. Goeien dag en vergeet je hàndschoenen niet!’

Intussen heeft hij den klerk al gebeld en Kees staat op straat, voordat hij het weet. Hij is volkomen uit het nest gevallen, voelt een schrijnende behoefte aan sympathie en zoekt reeds naar een andere autoriteit, niet een, die alleen maar voornamen en verjaardagen wil weten... Als hij eens naar den commissaris van politie ging? Net

[p. 321]

doen of hij nog niet bij dieje steenezel is geweest en kwansuis bij de politie gaan vragen, waar hij met zo'n gevalleke zijn moet?...

In de huiskamer vertelt Stein het nieuws aan zijn vrouw en zijn schoonzuster, voorlopig onder geheimhouding... Eerstdaags is het wel algemeen bekend, maar je kunt nooit weten. De vent kon geen extract-geboorte-register overleggen. Best mogelijk, dat het 'n soort zenuwlijder is, die zich eens interessant wil maken. Zag er wel naar uit. In tijden, dat de losse sjouwer met de glanseeje handschoenen aan bij je komt om te procederen van den arme, en de rijksveearts met de meid slaapt, kun je àlles verwachten...

prepostterug  begin  verder