terug  begin  verderprepost
[p. 394]

[45]

Maar de volgende dag is hij verhinderd en eerst drie dagen later staat hij bij den President ‘op het matje’.

Hij komt niet eens aan het einde van zijn praatje.

‘O nee, meneer Dacka!’, dreunt de zware stem. ‘Hou maar op! U komt juist 'n dag te laat. Die cliënt van u, die Van Bemmel, is gisteren bij me geweest en ik heb hem ter deure verwezen.’

‘O’, zegt Dacka dom.

‘Jààà! Die léé-lijke kerel kwam me daar met allerlei verdachtmakingen aan uw adres -’ De witte snor gaat omlaag, de wenkbrauwen in de hoogte. ‘Maar hij kwam niet ver!... Nu begrijpt u wel, dat ik er niets voor voel om op m'n standpunt terug te komen. Dat zou gelijk staan met u te disqualificeren tegenover zo'n praatjesmaker.’

Het gladde hoofd blinkt van voldoening en de snor komt omhoog onder een vaderlijke glimlach. Dacka voelt de situatie zeer goed aan: De president is óók soldaatuh-advocaat geweest en weet dus precies, hoe vereerd een broekje van vijf en dertig jaar nu wel moet zijn. Het is moeilijk geworden, maar hij doet nog een poging.

‘Ik vind het buitengewoon aardig van u, meneer de president, maar ik heb andere motieven voor m'n verzoek. Deze zaak ligt me zo zwaar op de maag, dat ik er met plezier twee andere beurten voor in de plaats wil nemen.’

[p. 395]

‘Het zou helemaal niet aardig van me zijn om dat te accepteren, meneer Dacka!’

‘Buiten de confrères is Doctor Vlimmen daar in Dombergen de enige intellectueel waarmee ik conversatie heb. Zoals ik u al zei, we zijn dikke vrinden, spreken elkaar dagelijks en -’

‘Een intellectueel behoort zo intelligent te zijn dat hij personen van zaken weet te onderscheiden, meneer Dacka! Uw vriend zal zich toch wel kunnen verheffen boven de simpele formaliteit dat u bent aangewezen als advocaat van de tegenpartij?’

‘Dat is het juist, meneer de president! Hij kan zich daar zo goed boven verheffen, dat ik er bang van word. Hij verwacht er namelijk te veel van, vrees ik.’ Nu ziet hij de wenkbrauwen omlaag gaan en weet bij ondervinding, dat het onderhoud is geëindigd.

‘Hoor 'ns meneer Dacka, met zulke dwaasheden kunnen we geen rekening houden. De rechtbank vertrouwt u volkomen en ik zie geen enkele reden waarom ik u in zo'n formeel zaakje zou laten vervangen.’

Dacka maakt zijn buiging en rechtsomkeert op het matje.

- - - - - - - - - -

 

Bij zijn thuiskomst vindt hij Kees van Bemmel in de wachtkamer.

‘Juist, ik ben aangewezen om je bij te staan in de pro -’

‘Jao mar da gao nie deu-eur!’, grijnst ae ander. ‘Wa zoude gullie lache, is 't nie, gij en dieje goeie vriend van oe?’

‘O, je ziet van de procedure af?’, vraagt Floor hoopvol en vouwt het dossier al dicht. ‘Dat is 'n pràchtidee! Ga dan maar even op de voogdijraad vertellen, dat je de zaak liever intrekt.’

[p. 396]

‘Jao, dà kun-de begrijpe!... Nee, ik mot alleen mar 'nen aanderen avvekoat hebbe.’

Dacka krijgt er plezier in. ‘Dat kan ook! Er zitten hier heel geschikte advocaten in de stad en ze willen allemaal graag 'n paar duiten verdienen. Zeg maar wie je hebben wilt, dan zal ik hem de stukken toezenden.’

Kees van Bemmel vliegt er in. ‘O, da zou ik ok zegge! Nou verstao ik oe beter!’, zegt hij triomfantelijk en staat met een dartel rukje op. ‘As ze mijn wille neme, dan motte ze vruug opstaon!’

‘Dat zag ik dadelijk aan je gezicht’, prijst de deugniet.

‘Dan neem ik Stolse’, beslist Kees.

‘Meester Stolz?!’ Dit is een van de oudere advocaten, die aan het hoofd staat van twee medewerkers en veruit het grootste kantoor heeft van Dombergen. ‘Nou, dat is helemaal geen slechte keus, hoor! 'n Eerste-klas advocaat, meester Stolz. Zeg hem maar, dat de stukken voor hem gereed liggen.’

‘Kan ik die stukke nie achter-mekaar meeneme?’, vraagt Kees nog, zijn hand al aan de deurknop.

‘Néé-ee! Met stukken zijn we altijd zéér voorzichtig, dat begrijp je wel, Van Bemmel. Ik moet wachten op het bericht van meester Stolz, dat hij als jouw advocaat optreedt, dan stuur ik hem de stukken en dan krijg ik 'n briefje terug, dat hij ze in goede orde ontvangen heeft. Gesnopen? - Dan wens ik je het beste!’

Kees van Bemmel vertrekt met het lepe, beschermende lachje van iemand, die het geboefte veel te slim af is, en Dacka doet zijn best om er uit te zien als een bedrogen dief, die evenwel zijn nederlaag sportief weet te aanvaarden... Hij zou er een lief ding voor over hebben, als hij het tafereel op het drukke kantoor van den potigen heer Stolz kon bijwonen...

Een uur later wordt hij opgebeld.

[p. 397]

‘Zeg Dacka! Wat zijn dàt nou voor flauwe grappen? Stuur je me daar 'n volslagen idioot op m'n dak -’

‘Bedoel je meneer Van Bemmel?’ Hij zegt het zo naief mogelijk, ofschoon hij zit te schudden.

‘Menéér van Bè-?!’ Stolz is er van buiten adem.

‘Ja-ja, de bizondere vertegenwoordiger in die kinderzaak... Nou, de man zei dat hij 'n eigen advocaat wou nemen en daar had ik natuurlijk geen bezwaar tegen. Hij zei trouwens dadelijk, dat hij naar jou zou gaan. Zal ik je de stukken sturen?’

‘Stukken sturen?!... Die vent is gevaarlijk krankzinnig! Ik begreep er eerst geen lor van, totdat ik hem 'n voorschot vroeg en toen bleef hij halsstarrig beweren, dat ik door het rijk betaald werd voor zulke grapjes! Ik betaal me verdomme blut aan het rijk! En als extra-belasting krijg ik precies evenveel prodeaten als jij, dus als je me 'n plezier wilt doen, hou dan asjeblief je eigen rommeltje bij je.’

‘Gunst, ik dacht dat hij je -’

‘Jij bent een doortrapt schoffie en dat heb ik altijd wel gezegd. Je hebt die vent 'ns willen verneuken en daar ben ik het volkomen mee eens, zolang het maar niet op mijn kantoor gebeurt.’

‘Dat is de schaduwzijde van den roem! Hij aarzelde geen ogenblik: Stolse moest hij hebben en géén ander.’

‘Weet je dat hij bij de president is geweest om je te wràààken? En hij heeft hier even een boekje over je opengedaan, waarde! Nou ken ik je beter en ik zal je voortaan in de gaten houden. Saluut en veel plezier met die zaak!’

Dadelijk na het gesprek, meldt de typiste-voor-halvedagen, die alleen 's namiddags in functie is, de terugkomst van meneer Van Bemmel.

‘Laat hem even uitrusten, juffrouw; ik zal wel bellen.’

[p. 398]

Kees begint al, voordat hij goed en wel binnen is. ‘Nou zónder flauwe kul; worde gullie dur 't rijk betaold vur zo'n proces, jao ofte nee?!’

‘Nou moet je niet zo schreeuwen, want dat staat zo onopgevoed. En ik heb van het rijk nog nooit één cent gehad voor al m'n procedures. Maar als jij kunt zorgen, dat het wèl gebeurt, houd ik me aanbevolen.’

De ander kijkt hem donker aan. ‘Waorom hedde me dan vur lauw naor Stolse gestuurd?’

‘Ik heb helemaal niets gestuurd, als je je goed herinnert. Je zei, dat je meester Stolz als advocaat wilde nemen en daar heb ik me bij neer te leggen.’

‘Mar die mot betaold worre, zee-t-ie!’

‘Dat spreekt nogal vanzelf, zou ik zo zeggen. Werk jij soms voor niets?... Vertel me nu eerst 'ns wat je van plan bent. Moet ik aan die procedure beginnen, ja of nee? Je hebt maar te commanderen. De president heeft mij aangewezen en ik ben er helemaal niet blij mee, dus -’

‘Da weet ik nog niet zo krek!’

‘Laten we dan afspreken, dat ik er dolgelukkig mee ben, ook al goed. Mag ik dan asjeblief beginnen te procederen, meneer Van Bemmel?’

Kees is wat uit het lood geslagen en zit een poosje op zijn lippen te bijten, Hij heeft zo juist nog ondervonden, dat hij een beetje voorzichtiger moet zijn in zijn besluiten en hij krijgt nu werkelijk het vage vermoeden, dat het manneke hem stiekem en vriendelijk voor den zot houdt..

‘Nééje!’, beslist hij dan opeens. ‘Ik mot 'nen aanderen awekaot hebbe en daormee uit! Daor zijn nog wel hogere manne dan dieje president in Haogenburg. Ik heb giestere achter-mekaar naor de minister geschreve en de-n-brief is al op de post en nou zal 't gaaw genog afgelope zijn mee die komedie.’

‘Schitterend! Dus voorlopig heb ik niets te doen, dat is

[p. 399]

al heel gemakkelijk. Wil je dan maar even een briefje tekenen, waarin jij als bizonder vertegenwoordiger van het kind me de opdracht geeft de procedure uit te stellen?’

‘Jao, dà zoude wel wille’, grijnst Kees. ‘Nou motte me nie vur zo'ne stommeling verslijte, want ik -’

‘Dat is toch niets meer of minder dan hetgeen je verlangt?’

‘Mar ik gao hier niks tekene!’

‘Goed, maar dan begin ik dadelijk te procederen, of je dat nu plezierig vindt of niet.’

‘Om de boel van het begin af aon in de war te sture, zeker?’

‘Dat zal de rechtbank uitmaken... Ik ben nu eenmaal belast met de procedure en ik ben niet verantwoord, als ik de zaak laat slingeren. Tenzij je dat briefje tekent... Anders zou je hier kunnen zeggen, dat ik moet wachten, en over 'n tijdje zou je naar Hagenburg kunnen gaan met een klacht, omdat ik niets uitvoer in die zaak van jou. Dààr trap ik niet in, Kees van Bemmel!’

‘Jao mar dà doe ik natuurlijk nie!’

‘Ik vertrouw jou precies evenveel als jij mij en geen haar minder. Jij bent 'n ontzaglijk geleerde kerel, dat is duidelijk te zien, maar nergens is uitgemaakt, dat ik stommer zou moeten zijn dan jij.’

‘Mar de minister zal toch -’

‘De minister zal niets, om de eenvoudige reden dat hij niets kàn. De president is onafhankelijk en heeft van niemand ter wereld orders af te wachten, zelfs niet van de minister.’

‘Dàn gao ik naor de koningin!’

Aanvankelijk heeft Dacka enig plezier beleefd aan zijn kat-en-muis-spelletje, maar nu begint het hem danig te vervelen... Het is laf; de vent is geen partij voor hem, veel te stom...

‘Dat helpt je evenmin.’

[p. 400]

‘As dà nie helpt, dan schrijf ik mor de volkenbond!’ Kees slaat hard op zijn dij en richt zich fier op.

‘Dàt is-misschien-'n idee,’ zegt Floor in een krampachtige geeuw. ‘En nou ga je d'r uit’, laat hij er droog op volgen.

Het komt zo onverwacht, dat Kees een ogenblik zit te gapen. ‘Zo-dus ik wor hier weggejaogd?!’, roept hij uitdagend.

‘Ja, en als je niet gauw gaat, bel ik de politie op.’ Floor spreekt zonder enige stemverheffing, maar zijn beweeglijk gezicht staat nu zeer gespannen en zelfs Kees van Bemmel moet wel voelen, dat het ernst is. ‘Nu je die verklaring niet gelieft te tekenen, heb ik voorlopig niets meer te bespreken en ik weet wat me te doen staat. Dat ik gratis voor je moet procederen, is tot daartoe, maar dat wil niet zeggen, dat je hier kunt blijven logeren, is 't wel?’

‘Da zulle we dan toch wel 'ns efkens zien!’ Van Bemmel loopt dreigend naar de deur in de vaste overtuiging, dat hij zal worden teruggeroepen.

En dat is voor vandaag zijn laatste vergissing.

prepostterug  begin  verder