In de ontwikkeling van het moderne natiebegrip in Nederland vervulde de verzuiling een cruciale fase. Deze zoog in de loop van de negentiende eeuw allerlei traditionele identiteiten in zich op en transformeerde deze tot een nieuwe structuur van de samenleving: eenheid in verdeeldheid. Elke zuil waande zich een volk te zijn, maar de samenhang werd gewaarborgd door de wederzijdse erkenning van het recht op een eigen identiteit. Binnen elke zuil gold een strak sanctie- en beloningssysteem, tussen de zuilen werden zorgvuldige omgangsregels gehandhaafd door de overheid. De ontzuiling, die halverwege de jaren zestig van de twintigste eeuw zo verbluffend snel plaatsgreep, zette dit alles op losse schroeven. In die periode werd de gedachte overheersend dat ‘Nederland’ een land was waar zestien miljoen mensen hun eigen individualiteit konden beleven. Immers: ‘die moeten niet het keurslijf in, die laat je in hun waarde’, zoals het refrein luidde in een commercial voor de Postbank uit 1996. De blijmoedigheid die hier nog sprak, is inmiddels verdampt: rond de millenniumwisseling is een nieuw debat geopend over ‘Nederland’: wat is het, waar staat het voor, wie hoort erbij en wie niet.
Het laatste decennium van de twintigste eeuw kwam internationaal bekend te staan als the roaring nineties: alles ging goed en alles kon. Dit gold ook voor Nederland. In 2000 was tachtig procent van de bevolking tevreden over de manier waarop de democratie functioneerde. Niets wees op naderend onheil, tenzij men een aantal rampen en tegenslagen als Egyptische plagen zag: de
Bijlmerramp in 1992, de evacuaties als gevolg van overstromingen in Limburg, Brabant en Gelderland in 1993 en 1995, de varkenspest, de bse, de genocide in Srebrenica in 1995, de Herculesramp in 1996, de legionella-uitbraak in 1999, de explosie van een vuurwerkfabriek in Enschede, de brand in café 't Hemeltje in Volendam op nieuwjaarsmorgen 2001 en de mond- en klauwzeercrisis in de loop van datzelfde jaar. Het was een donkere onderstroom die zo nu en dan aan de oppervlakte kwam: de onbedwingbare natuur, het menselijk tekort, de boze buitenwereld. Maar het bleef een onderstroom, want in de Nederlandse samenleving functioneerde het poldermodel, dat op zijn minst een aanhoudende economische voorspoed bracht. De polderbewoners begonnen zelfs te denken dat deze vorm van overleg tot de meest wezenlijke traditie behoorde van Nederland en daarmee een bijna vanzelfsprekend gegeven was. Deze mythe werd gelegitimeerd met verwijzingen naar een studie van de historicus Simon Schama over de Gouden Eeuw, The Embarrassment of Riches uit 1987. Maar de Nederlandse vertaling van de titel, Overvloed en onbehagen, had al kunnen doen vermoeden dat er geen rozen zonder doornen zijn. En dat onbehagen groeide langzaam, maar gestaag: over het stagneren van openbare voorzieningen, groeiende criminaliteit, maar vooral over buurten en wijken die onherkenbaar veranderd waren door de instroom van migranten.
Vooral dat laatste punt nam snel aan gewicht en betekenis toe. Volgens onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau heerste er aan het begin van de jaren negentig weinig enthousiasme over al die nieuwe gezichten en men verwachtte bovendien geen wonderen van hun aanpassing. Toch was een meerderheid er niet voor om Nederland ‘op slot’ te doen en gezinshereniging werd zelfs vrij algemeen aanvaard. Men had kortom liever geen allochtonen in de eigen buurt, maar wenste niet tot discriminatie over te gaan.
De omslag was voor een deel een reactie op het toenemend aantal asielzoekers. Dit leidde in 2000 tot nieuwe wetgeving, op grond waarvan de instroom sterk werd beperkt. Het was echter niet eens zozeer de omvang die zorgen baarde, als wel de aanwijzingen dat de integratie niet vorderde: het opleidingsniveau van de allochtonen nam slechts langzaam toe, ouderen werden de taal niet machtig, jongeren braken relatief vaak hun opleiding af, met werkloosheid en criminaliteit als gevolg. Daar kwam bij dat de mannen hun echtgenotes vaak uit het land van herkomst haalden, waardoor de voortgang in integratie voordurend geneutraliseerd werd. Daarmee won de gedachte veld dat het niet alleen om erg veel mensen ging (het aandeel van niet-westerse allochtonen steeg in het laatste decennium van iets meer dan acht naar ruim negen procent van de totale bevolking), maar vooral dat zich - in een verder zo homogeen geworden cultuur - ontoegankelijke eilanden aan het vormen waren. Aarzelend werd de historische ervaring van de verzuiling aangeroepen: toen was het zelfgekozen isolement de vorm geweest om deel uit te maken van de natie. Maar al snel bleek dit model hier niet op te gaan; daartoe was het organisatiepatroon onder de allochtonen te zwak en te verbrokkeld. Ze integreerden niet zozeer, maar ontwikkelden parallelle levens.
In deze situatie deden de grote veranderingen in de wereld zich vervolgens met volle kracht in Nederland gelden. De Binnenlandse Veiligheidsdienst had reeds vroeg in de jaren negentig gemeld dat met de migratiestromen ook de elders uitgevochten conflicten mee zouden komen (Koerden en Turken; Pakistaanse sjiieten en soennieten, Afghaanse communisten en islamisten). Dat deze conflicten ook de westerse samenleving onder sterke druk konden zetten, was ook al gebleken bij de publicatie van Satanic Verses van Salman Rushdie in 1988. In diverse Europese steden waren er demonstraties van moslims, waarbij om de dood van Rushdie werd
geroepen. Een politisering en radicalisering binnen de islam zou niet alleen in Nederland uitgevochten kunnen worden, maar zich dus ook tegen de Nederlandse samenleving kunnen keren. De aanval van 11 september 2001 op New York en Washington maakte vervolgens onmiskenbaar duidelijk dat zich een anti-westers ‘occidentalisme’ had ontwikkeld, zoals Ian Buruma en Avishai Margalit dat in 2004 hebben geanalyseerd. Dat zich dit ook in Nederland zou manifesteren was slechts een kwestie van tijd. Onacceptabel gedrag van allochtone jongeren in een aantal stadswijken kon gezien worden als de voorbode van home grown islamistisch terrorisme. Daarop verloor het multiculturele ideaal zeer snel aan kracht en groeide de steun voor de politicus Pim Fortuyn, die luid en duidelijk verklaarde dat de islam ‘een achterlijke cultuur’ was (onder meer in de Volkskrant van 9 februari 2002). Bij de daaropvolgende verkiezingen voor de gemeenteraad (6 maart) behaalde hij in zijn woonplaats Rotterdam meer dan eenderde van de stemmen. Het moet niet uitgesloten worden geacht dat hij na de op 15 mei te houden landelijke verkiezingen minister-president was geworden, als hij niet op 6 mei was doodgeschoten. Er heerste enige opluchting toen bleek dat Fortuyn niet vermoord was door een islamitische allochtoon, maar door een autochtone dierenactivist. Desondanks kreeg de politieke elite bij die verkiezingen een zware klap, aangezien zij verantwoordelijk werd gehouden voor het verval van de natie. Voor Nederlandse verhoudingen was dat een revolutie. De druk op de moslimgemeenschappen om nu - vrijwillig als het kon, onder dwang als het moest - te integreren nam snel toe. Tegelijkertijd werd steeds nadrukkelijker vastgelegd wat ‘Nederland’ was: een land waar iedereen gelijk was en elke mening geuit moest kunnen worden. De term ‘integratie’ bleek in toenemende mate ‘assimilatie’ te betekenen. Toen op 2 november 2004 een in Nederland geboren Marokkaan de columnist
en cineast Theo van Gogh - die moslims had aangeduid als geitenneukers - vermoordde, leken de somberste vermoedens alleen maar bevestigd te worden. Er was een gemeenschap van ongeveer één miljoen mensen in de Nederlandse samenleving aanwezig, die daarin eigenlijk niet paste en wellicht zelfs niet wilde passen. In brede kringen heerste nu het gevoel dat het vertrouwde Nederland verloren was gegaan.
Een dergelijk gevoel had zich in de loop van de geschiedenis van Nederland al eerder gemanifesteerd, zij het minder heftig en urgent. Zoals de ‘nationalisering’ van Nederland tot grote aanpassingsproblemen had geleid, zo stelde de ‘globalisering’ deze nu opnieuw. Maar de ervaring om met grote verschillen om te gaan was inmiddels verdampt, zoals Piet Hein Donner nog eens vaststelde in een interview met nrc Handelsblad (28 december 2004). En hij vervolgde: ‘Integreren is daarom niet assimileren, maar de basis vinden om met elkaar te communiceren. Integratie is veeleer omgaan met onze verschillen dan zorgen dat we allemaal hetzelfde worden.’ Democratie, zo legde hij uit, was dan ook bovenal een mechanisme om met verscheidenheid om te gaan. Dat was de opvatting van een man, die leefde vanuit een sterk historisch besef, die wist dat zijn familie twee eeuwen geleden uit Pruisen was gekomen en wiens identiteit wortelde in de Afscheiding van 1834. Zo moesten ervaringen worden opgeroepen uit tijden die nog vóór de verzuiling lagen, om een houding te bepalen tegenover de nieuwe scheidslijnen in de natie.
Haarlem, januari 2005