2den stilstant: de wapenstilstand; zo meermalen in het stuk; naar uw voorschrift: op uw verlangen; Eneas is weliswaar aan de winnende hand - hij staat op het punt Latinus' stad te bestormen -, maar hij is krachtens Latinus' belofte diens aanstaande schoonzoon en dus aan de oude vorst gehoorzaamheid verschuldigd.
8't woedent lot: het toornende noodlot; op zijn tocht van Troje naar Latium had Eneas met talloze moeilijkheden te kampen gehad.
10Daar: waar; aldus wordt het woord herhaaldelijk gebruikt.
11vader Tyberyn: Tiberinus, de riviergod van de Tiber, die Eneas na zijn aankomst in Latium in een droom verschenen was en hem hulp beloofd had (Aeneïs, VIII).
13vyandtlyke: het accent valt op de eerste lettergreep.
16Priaams ryksstadt: Troje, waarover Priamus koning was, toen de Grieken het belegerden en verwoestten.
21ladders: stormladders om de muren van de stad te beklimmen.
37prins: vorst; Evander: Euander, koning van Pallanteüm, gelegen op de plaats van het latere Rome; vader van Pallas.
39brave: dappere; zo herhaaldelijk in het vervolg; in 't byzonder: afzonderlijk, stuk voor stuk.
44Askaan: Ascanius, zoon van Eneas uit zijn huwelijk met Creüsa (Kreüze).
46't opperste besluit: het noodlot, dat bepaald had dat Ascanius stamvader zou worden van het Romeinse keizerlijke geslacht waartoe Julius Caesar en Augustus behoorden.
136d'yzre poort des oorlogs: in vredestijd was de tempel van de oorlogsgod Janus gesloten; wilde men oorlog gaan voeren, dan opende de koning de tempelpoorten; op: open.
262(Priaams) afkomst: Eneas' vrouw Creüsa was een dochter van Priamus, Ascanius derhalve zijn nakomeling; sint zyn zoon het ooft aan Venus gaf: bij de twist om de appel van Eris had Paris, zoon van Priamus, de prijs ‘voor de schoonste’ toegekend aan Venus met voorbijgaan van Juno.