Ongaaf Nederlands


auteur: Gerlach Royen


bron: Gerlach Royen, Ongaaf Nederlands. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam 1942 (tweede druk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Ongaaf Nederlands
door Gerlach Royen.

Naar de achting, die iemand heeft voor zyn' Moedertaal, kan men oordeelen van zyn' achting voor zyn' Vaderland.’
J.J. Mauricius (1692-1768).

Er zijn in ons land twee verenigingen die zich tot taak hebben gesteld, onze moedertaal van vreemde smetten te zuiveren en daarna zuiver te houden. Het genootschap ‘Onze Taal’ keert zich in het gelijknamige maandblad vooral tegen germanismen; de ‘Taalwacht’ van het Algemeen Nederlandsch Verbond meer tegen uitheemse woorden en zegswijzen1). Maar zowel de ene als de andere groep neemt elke gelegenheid waar, om opmerkingen te maken over alles en nog wat, wat ze in strijd achten met hèt Nederlands, met zuiver Nederlands. En nu denk ik ineens aan het woord charivarius, een latinizering van het franse charivari, dat wirwar en ketelmuziek betekent. Charivarius is meer dan een persoon, het is een verschijnsel, een besmettelijke ziekte. Vooral de laatste tijd wordt er in ons land gecharivariust tegen de klippen aan. En dat alles onder de leuze: liefde voor de moedertaal. Ik wil die liefde niet in twijfel trekken: ook de moeder die haar ziek kind bekwakzalvert, is overtuigd uit zuivere liefde te handelen.

Wanneer men de potsierlijkheden leest, die dagbladen - uit louter liefde voor onze taal! - intermitterend uitkramen, zou men zich verbazen, als de voorlichting die ze op andere gebieden verstrekken, niet evenzeer uit achttienkaraatse liefde

[p. 2]

voortkwam. Wèl schijnt het nog steeds niet tot alle journalisten te zijn doorgedrongen, dat er naast taalgeliefhebber ook taalwetenschap bestaat, al blijft het uiteraard waar dat de dilettant, hij zij dan schrijver of lezer, met zijn gevestigd oordeel over taalgebeurlijkheden heel wat vlugger en radikaler pleegt klaar te komen, dan de linguist dat ooit zal vermogen. Zo al aanstonds bij de vraag: wat is zuiver Nederlands? waarop schrijver dezes het antwoord liever schuldig blijft. En toch zal die vraag ons geen ogenblik met rust laten bij hetgeen ik naar aanleiding van een aantal barbarismen wilde zeggen.

Wie op woorden stoot als überhaupt, unverfroren, weltfremd, heeft Duits voor zich, geen germanismen. Of de nederlandse tekst er door zo'n woord op vooruitgaat, is natuurlijk een tweede: wat in het ene geval doel treft, kan op een andere plaats een misgreep zijn. Ik had ook franse of engelse woorden als voorbeeld kunnen kiezen, latijnse of griekse, en dan achtereenvolgens moeten verklaren, dat die uitheemsigheden geen gallicismen, geen anglicismen waren, geen latinismen en geen graecismen. Het was nodig dit vanzelfsprekende voorop te stellen, omdat de genoemde termen niet door iedereen in dezelfde zin worden gebruikt. Ik versta onder gallicismen, germanismen1), anglicismen woorden of wendingen naar frans, duits, engels model, die zich voordoen als rasecht Nederlands, maar in waarheid tegen het nederlandse taaleigen indruisen.

Dat kan op meer dan één manier gebeuren. Nu eens zullen die ismen klakkeloze vertalingen zijn met behulp van goednederlandse woorden; alleen wordt de verbinding van die woorden iets volslagen onnederlands: iemand in fout vinden (trouver quelqu'un en faute). Dan weer worden uitheemse woorden mechanisch in nederlandse klanken getransponeerd, met als uitkomst òfwel een woord dat onze taal te voren niet kende: vernalatigen (vernachlässigen), begeestering (begeiste-

[p. 3]

rung); òfwel een woord dat wèl tot de inheemse taalschat behoort, maar dat plompverloren voor een verkeerd karretje wordt gespannen: ‘De verkoopers zijn verplicht bonnen in te nemen’ (Utr. Cour. 6 III '41)1). Intussen lopen ‘innemen’ en ‘einnehmen’ niet parallel, evenmin als ‘uitvinden’ en ‘to find out’ dat doen: ‘er is geen medelijden.... met den samenzweerder, die uitgevonden wordt.... en het is de taak van den Führer om mij uit te vinden, voordat ik eenige schade heb kunnen veroorzaken’ (Roberts, Het huis dat Hitler bouwde 120). Deze drie typen van barbarismen weet men op allerlei manieren te variëren.

Anderen verstaan onder barbarismen iets anders; zij spreken bijv. ook van gallicismen, wanneer woorden van franse herkomst zijn, zoals type, manier, variëren in de vorige zin. Wat daarvan zij, zeker vertonen zulke ontleningen een geheel ander karakter dan de pseudovernederlandsingen, die wij uitsluitend met de termen gallicismen, germanismen, anglicismen zullen aanduiden. Deze ismen komen op een of andere wijze in botsing met ons taaleigen; vreemde woorden laten het Nederlands als zodanig onaangetast, ook dan wanneer men beter had gedaan het niet-nederlandse te vermijden. Terwijl ontleningen bij al hun uitheemsigheid dikwijls een aanwinst zijn voor een taalgemeenschap2), zijn al die barbarismen ondanks hun inheems

[p. 4]

uiterlijk meestal een geniepige ondermijning van het nederlandse taalsysteem1). De belangstellende lezer neemt deze scherpe tegenstelling wel voor lief, al mocht bij een uitvoeriger onderzoek blijken, dat in werkelijkheid èn inzake purisme, èn inzake barbarismen alles minder eenvoudig is. Dat wij bij onze bespreking over gallicismen, germanismen en anglicismen ons uitermate moeten beperken, is duidelijk voor iedereen die ‘Nederlands’ kent. Mocht het ons gelukken, om dat wat op het eerste gezicht een opeenhoping lijkt van losse feitjes, met één of meer dieper liggende oorzaken in verband te brengen, dan is misschien tegelijk de weg gevonden, die kan leiden tot het verkrijgen van meer gaaf Nederlands.

A. Gallicismen.

Wie een lijst wilde opmaken van de gallicismen, die in de noordelijke Nederlanden voorkomen, zou zeker gauw uitgeteld zijn. Daarentegen is elke opsomming van aldaar voorkomende germanismen zeker onvolledig, al laat men ze met honderdtallen op honderdtallen volgen. Dat opmerkelijk verschil kan niet tot een geografische kwestie worden herleid; en al evenmin kan het daaraan liggen, dat de Noordnederlander beter Frans dan Duits, of beter Duits dan Frans zou kennen. De auteur die het geringe aantal gallicismen in Nederland aldus verklaarde: ‘Daarvoor kent men hier het Frans te slecht of te goed’2), zei het zoals gemeenlijk wel aardig, maar wàt hij zei raakte weer kant noch wal. Juist in de zuidelijke Nederlanden, waar de ontwikkelden toch zeker meer vertrouwd zijn met het Frans dan in het noorden, is het aantal gangbare gallicismen vrij groot.

[p. 5]

Zou die veelheid dan toch haar oorzaak in de franse nabuurschap vinden? Ik meen nog altijd van niet. Dat landen die aan elkaar grenzen bij een intens verkeer over en weer woorden binnenhalen - al gaat geven en nemen zelden gelijk op - wordt over de hele wereld door bewijzen gestaafd. Maar verkeer, vooral geestelijk, kultureel verkeer is ook mogelijk tussen gebieden, die geen gemeenschappelijke grenzen kennen.

Ik kom terug op de zuidelijke Nederlanden. Volgens mij moet dè oorzaak van de massa gallicismen aldaar in de tweetaligheid van de toonaangevende Vlamingen worden gezocht1). Tweetaligheid moge men dan ooit als een groot voorrecht hebben geprezen, kultureel bezien zou het wel eens een groot nadeel kunnen zijn. Ongetwijfeld weten van-huis-uit tweetaligen zich vlot van hun twee talen te bedienen, maar met dat al is hun taalgevoel in beide richtingen minder vast geworteld, dan bij personen uit een eentalig gebied. Als ik het wat kras mag formuleren: de zuidnederlandse tweetalige spreekt Vlaams met franse, en Frans met vlaamse woorden. Anders uitgedrukt: zijn Frans wemelt van vlamismen, zijn Vlaams van gallicismen. Dat die gallicismen ook hun weg vinden naar de landgenoten die geen woord Frans verstaan. spreekt van zelf. In het noorden is immers het vertrouwd raken met allerhande germanismen evenmin een bewijs, dat de gebruikers die zelf rechtstreeks uit het Duits haalden; of anglicismen eigenhandig uit het Engels.

Men weet dat W. de Vreese door het schrijven van De Gallicismen in het Zuidnederlandsch (Gent 1899), een nederlandse daad stelde van het grootste belang, al toonde Van Ginneken in een lijst van meer dan 350 gallicismen zich terecht ‘veel toegeeflijker’ (Handboek der Nederl. taal I, Nijmegen 1913, blz. 130 vv.). Voor verdere literatuur en uitvoeriger gegevens verwijs ik naar Const. H. Peeters, Nederlandsche taalgids. Woordenboek van belgicismen (Antwerpen 1930), het aan

[p. 6]

de deskundige lezer overlatend deze zeer verdienstelijke studie kritisch te gebruiken.

Het is voor elke Noordnederlander een klein kunstje bij de lektuur van vlaamse schrijvers op te merken, dat die auteurs herhaaldelijk van het noordelijk spraakgebruik afwijken; maar alleen de man van het vak is in staat, die verschillen taalwetenschappelijk te beoordelen. Het Vlaams toch heeft zeer veel wat goed Nederlands is, alhoewel men die woorden en zegswijzen in het noorden niet kent. Laat me tot besluit enkele gallicismen vermelden: ‘de opene deur die uitgaf op een achterkamertje’ (Streuvels, Stille avonden2 75); ‘De zaal.... die met twee hooge vensters op den tuin geeft’ (: donner sur le jardin; Tony, Ernest Staas15 71); ‘Tante weet met wat uitdenken om de vacantiedagen te vervroolijken’ (: ne savoir que +infin.; 60); ‘Hij deed mij teeken met de hand om mijnen ijver in te toomen’ (:faire signe à qn.; 122); ‘Hij.... gelukte er in zijnen maat te leeren lezen en schrijven’ (: y réussir; C. Gezelle, Guido Gezelle 2); ‘Twee kinderen, twee meiskes, vielen ziek’ (: tomber malade; H. Verriest, Regenboog uit andere kleuren5 11); ‘dat niets daaraan kan vergeleken worden’ (: comparer à; H. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen2 I 104); ‘het gebaar van die plotse groote beweging op 't land, geleek aan een machtigen zang’ (: ressembler à; Streuvels, De vlasch aard6 158); enz.