terug  begin  verderprepost
[p. 200]

VIII De Eerste Wereldoorlog

Nederland was tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. De verschrikkingen van deze oorlog zijn aan Nederland voorbijgegaan. Maar de schok die de waanzin van deze massale en technologisch gevoerde oorlog veroorzaakte, is wel in zijn volle omvang tot ons land doorgedrongen. Zoals vijftig jaar later de Vietnamoorlog in Nederland aanhoudend in het nieuws was, iedereen tot een mening dwong, tot veel demonstraties leidde en zelfs de onaantastbaar geachte reputatie van navo-bondgenoot Amerika ernstige schaadde, ondanks dat deze oorlog zich aan de andere kant van de wereld afspeelde - zo, maar tegelijk veel directer, moet de Eerste Wereldoorlog destijds op Nederland ingewerkt hebben. De wereld was niet meer hetzelfde na deze oorlog, ook in Nederland niet. Idealen als culturele synthese, gemeenschap en pacifisme, die vóór de oorlog hier met kracht beleden waren, hadden een flinke deuk opgelopen, zo ze niet hun geloofwaardigheid verloren hadden. Tal van romans, toneelstukken, gedichtenbundels en essays die na de oorlog verschenen, gaven uiting aan een ernstig geschokt vertrouwen in de waarden van een cultuur die tot zo'n catastrofe had geleid. De ontnuchtering uitte zich in de vorm van sterk uiteenlopende, maar heftige cultuurkritiek, die gaandeweg het interbellum alleen maar zou toenemen.

Terwijl in Brabant en Limburg het dreunen van de kanonnen te horen was, werd in Den Haag een binnenlandse, ideologische oorlog - de schoolstrijd - beeindigd door de zogenaamde Pacificatiecommissie, die tevoorschijn kwam met een compromis dat definitief zou blijken te zijn. De inmiddels meer dan tachtigjarige schoolstrijd werd in 1917 dan ook afgesloten met een gewapende vrede in de vorm van een grondwetswijziging, waarin geregeld was dat het bijzonder en neutraal onderwijs voortaan in gelijke mate door de overheid gesubsidieerd zou worden. Met dezelfde grondwetswijziging werd het algemeen kiesrecht voor mannen en het systeem van directe verkiezingen ingevoerd. Hierdoor raakte de verzuiling gestabiliseerd en was de democratie voor een aanzienlijk deel verwerkelijkt. In de praktijk had dit tot gevolg dat men probeerde om aan de basis van de zuilen een hechte groepsidentiteit te scheppen, die met rituelen en symbolen werd vormgegeven en door middel van allerlei goed geregisseerde, publieke manifestaties

[p. 201]

in het openbare leven ‘getoond’ werd. Resultaat was dat in het dagelijkse leven van school, werk en vrije tijd een ware apartheidscultuur ontstond. De sfeer in het Nederlandse interbellum was grimmig en werd gekenmerkt door tegenstellingen. Tegelijkertijd trachtten de politieke elites van de zuilen op pragmatische wijze compromissen met de andere zuilen te sluiten. Lijphart heeft dit mechanisme, dat het verzuilingsproces vanaf 1917 kenmerkt, in 1968 uitvoerig beschreven.1

Dat in de socialistische, katholieke of christelijke jeugdbeweging, vak-, school- en sportverenigingen fanatiek werd gewerkt aan de consolidatie van respectievelijk de rode familie, het rijke roomse leven en de parade der mannen-broeders, terwijl politici van de diverse zuilen aan de top de noodzakelijke compromissen sloten, leidde tot spanningen, die door de meer non-conformistische en ontwikkelde jongeren uit de diverse groepen scherp geregistreerd werden. De literatuur fungeerde als ‘terrain vague’, waar deze spanningen verwoord werden.

De literaire tijdschriften uit het interbellum zijn verzuild of vrijzinnig. In beide soorten literaire tijdschriften is men geobsedeerd door het thema ars et vita.

Het getij (1916-1924), De stijl (1917-1928), De vrije bladen (1924-1932) en Forum (1932-1935) zijn vrijzinnige tijdschriften. De gemeenschap (1925-1941), Opwaartsche wegen (1922-1940), Nu (1929-1930) en Links richten (1932-1933) zijn de tijdschriften van respectievelijk de katholieke, de protestants-christelijke en de socialistische zuil. In de vrijzinnige literaire tijdschriften schreef men à titre personnel voor een ontwikkeld publiek van gelijkgezinden en men bewoog zich binnen de moderne kunstopvatting sinds Tachtig. Men beschouwde zichzelf als ‘calenders’2 en men schreef niet voor een achterban, maar voor elkaar, voor ‘vrienden’. In de verzuilde tijdschriften lag dit anders; deze waren het literaire gezicht van een zuil. De redacteuren en medewerkers van zulke tijdschriften balanceerden voortdurend op het snijpunt enerzijds van hun individuele opvattingen aangaande kunst en samenleving en anderzijds van de normen van de zuil. Auteurs van deze periodieken bewogen zich dus in het mijnenveld van elite- en massacultuur.

Forum is het duidelijkste voorbeeld van een vrijzinnig modern literair tijdschrift, waarin ‘de besten’ schreven voor ‘de besten’, op basis van een sceptische wereldbeschouwing, waarvoor niets heilig was dan de integriteit van de persoonlijkheid. De gemeenschap is het duidelijkste voorbeeld van een verzuild tijdschrift. Het had in het literaire leven van de gedemocratiseerde en verzuilde samenleving in het interbellum een veel gecompliceerder functie. 1. Het was de luis in de pels van het establishment van de katholieke zuil en raakte dan ook veelvuldig in conflict met de behoudende clerus; het waakte over de authenticiteit van de katholieke waarden, niet alleen waar het de literatuur betrof, maar ook op politiek, sociaal en religieus gebied. 2. Tegelijkertijd trachtte het de achterban op te voeden, veelal

[p. 202]

bestaande uitweinig ontwikkelde, traditioneel denkende en clerus getrouwe katholieken; het deed dit door hardhandig in te gaan tegen de benepenheid van de low culture in de eigen zuil; daartoe confronteerde men de achterban met de normen van de vrijzinnige, moderne literatuur en cultuur. 3. Naar buiten toe echter, tegenover het nihilisme van de vrijzinnige, moderne literatoren, zette het sterk apologetische accenten en bracht het met kracht de waarden van de ‘gebonden’ literatuur naar voren.

De schok van de Eerste Wereldoorlog heeft als gevolg gehad dat men over de hele linie opnieuw op zoek ging naar authenticiteit. Wat rondwaarde, was de Nederlandse variant van het dada-moment, dat in Cabaret Voltaire te Zürich op z'n schrilst te horen was geweest. Er was iets grondig misgegaan in de verhouding van mensen tot elkaar en tot de gemeenschap. Oude waarden dienden dus terdege herzien te worden. In de literatuur van het interbellum heeft deze schrikreactie globaal twee posities opgeleverd. Wars van franje, van pretenties en mooie woorden zocht men ofwel naar een nieuw gemeenschapsideaal ofwel naar een standpunt dat zó sceptisch was dat de kans op een nieuwe misrekening minimaal zou zijn.

De laatstgenoemde positie overheerste bij de vrijzinnige literatoren. Zij huldigden een sterk cultuurpessimisme en waren doorgaans behept met afkeer van en angst voor de massa, een houding die in de jaren dertig - bij het opkomen van de fascistische dreiging - alleen nog maar toenam. Toen de idealen van vóór de Eerste Wereldoorlog - een harmonische cultuur voor allen in een vreedzame wereld - onherstelbaar beschadigd waren, trokken deze kunstenaars zich terug op de forten ‘individualiteit’ en ‘autonomie’. De auteurs van Het getij en De vrije bladen en van Forum bewaakten respectievelijk de autonomie van het kunstwerk en de hoogstpersoonlijke individualiteit van de kunstenaar, zij het dat dit een defensief soort autonomie en individualiteit was. Het was autonomie en individualiteit als een negatieve keuze, als de frustrerende uitkomst van de mislukte poging om leiding en vorm te geven aan de massa. Voor deze sceptici vormde de verhouding tot de gemeenschap een angstaanjagend probleem. Bij de confrontatie met de collectiviteit dreigde voor hun gevoel altijd het gevaar dat het individu zijn persoonlijke identiteit zou verliezen. Scepsis en individualisme waren voor deze kunstenaars geen positieve idealen, maar de laatste zelfverdedigingswapens tegen de aanslagen van de oprukkende massa. Het vorm-of-vent-debat is, zo beschouwd, een ars et vita-polemiek onder sceptici. Avant-garde-ideeën hebben in dit kamp weinig kans.

Maar de oorlog leidde tevens tot een heel andere reactie in de literatuur, tot de internationale opleving namelijk van de antimoderne cultuurkritiek van de katholieken. Deze beweging was zowel geëngageerd als antimodern. Ze werd

[p. 203]

aangetrokken door avant-garde-ideeën, maar wilde deze gebruiken om er iets mee te herstellen. Deze ambivalente, religieus georiënteerde cultuurkritische beweging beschouwde de oorlog als de uitkomst van een hele keten van ‘historische vergissingen’. Deze vergissingen heetten Renaissance, Reformatie, Verlichting, individualisme en liberalisme. Ze streefde de reconstructie na van het voormoderne, ongedifferentieerde gemeenschapsleven, maar dan in aangepaste en moderne vorm. Deze beweging, waarin ‘la spiritualité des Saints’ de norm was, vond in Nederland haar uitingsvorm in het literaire tijdschrift De gemeenschap. Ook in dit blad worden aanhoudend ars et vita-debatten gevoerd, maar dan onder idealisten. De katholieke jongeren interesseerden zich in het geheel niet voor het vorm-of-vent-debat,3 maar zij hadden wel veel aandacht voor avant-garde-ideeën.

Forum en De gemeenschap vormen de twee polen in het literaire leven tijdens het interbellum. Opmerkelijk is dat de invloedrijke groep literaire sceptici rond Forum veelal bestond uit afvallige protestanten (zoals Ter Braak en Greshoff), terwijl de groep rond De gemeenschap vooral werd aangedreven door bekeerde protestanten (internationaal: Jacques Maritain; in Nederland: P. van der Meer de Walcheren). Er zijn in het interbellum uiteraard allerlei tussenposities mogelijk geweest. Het bekendste voorbeeld hiervan levert Marsman. Deze van oorsprong hervormde vitalist legt gedurende het interbellum een voortdurende aarzeling aan de dag, niet in staat als hij was te kiezen tussen enerzijds de nuchterheid van het Forum-denken en anderzijds de bedwelmende vormen en de spirituele traditie van de katholieke cultuur.

Het is opvallend dat het katholicisme zich na de Eerste Wereldoorlog in ons land zo'n relatief belangrijke plaats kon verwerven. In landen als Frankrijk, Spanje of Italië, die altijd homogeen katholiek waren geweest, is deze heropleving van traditionele waarden na een collectief trauma misschien begrijpelijk. Maar in Nederland, waar het katholicisme eeuwenlang een geïsoleerd bestaan had geleid, is dit minder makkelijk te verklaren.

Tot in de jaren tien van deze eeuw vormden de katholieken in Nederland inderdaad, meer dan de protestanten, de liberalen of de socialisten, een aparte groep. De protestantse, liberale en socialistische cultuur waren onderling enigszins compatibel. Het liberalisme en het socialisme stootten elkaar, als twee loten van de tak der Verlichting, zeker niet af en lagen soms zelfs in elkaars verlengde. Ook het protestantisme met zijn nadruk op individuele verantwoordelijkheid, zijn oorsprong als rebellie tegen het katholicisme en zijn neiging tot persoonlijke vrijheid had met het liberalisme en het socialisme gemeen dat het een product was van het moderne denken.

De katholieke cultuur had tegenover deze moderne culturen in Nederland lange tijd een nogal afgescheiden positie ingenomen, die pas met Rerum novarum

[p. 204]

(1891) enigszins was verlaten. Tegenover de drie min of meer moderne leef- en denkwerelden vertegenwoordigde de katholieke cultuur, ook lang na het aantreden van Leo xiii, de logheid van de traditie en van het voormoderne. Daarbij kwam dat ‘katholiek’ tot aan het begin van deze eeuw in Nederland niet alleen synoniem was met ‘traditioneel’ (en dus met ‘ouderwets’), maar ook met ‘achterlijk’, en dit zowel in economisch als in cultureel opzicht. Het katholicisme was daardoor in die tijd ‘anders’, en dat in vrijwel uitsluitend negatieve zin. Kon men aan het begin van deze eeuw bij voorbeeld met een zeker gemak als protestant liberaal zijn of socialist worden, voor katholieken gaapte bij zulke culturele sprongen een veel grotere kloof.

Tot aan de jaren twintig blijft de katholieke cultuur in Nederland behept met deze apartheid in negatieve zin. Maar dan vindt er een curieuze transformatie plaats in het culturele landschap. In de vroege jaren twintig, vlak na het debacle van de Eerste Wereldoorlog, vindt de héle jonge generatie dat de naïeve culturele gemeenschapsbeweging van de liberaal-socialistisch-protestantse elites van rond 1900 mislukt is en ontstaat er grote behoefte aan iets dat anders, wérkelijk anders is. En dan weten de katholieken de nood van voorheen om te zetten in een deugd. Juist omdat de katholieke cultuur in Nederland tot en met de Eerste Wereldoorlog zo diepgaand had verschild van de andere drie geestesstromingen, kon zij zich in de jaren twintig presenteren als een alternatief voor de tot dan toe dominante moderne cultuur, die naar algemeen gevoelen zo schromelijk gefaald had. Liberalen, protestanten en socialisten konden zo'n alternatief niet bieden. Het individualisme en het laissez-faire waren in een kwade reuk komen te staan, de parlementaire democratie stond zowel van links als van rechts onder grote druk en het socialisme had sinds ‘Troelstra's vergissing’4 in 1918 bij menigeen alle krediet verspeeld.

Omdat de katholieke leef- en denkwereld niet alleen ‘anders’ was dan die welke tot dan toe gedomineerd hadden, maar ook op de oudste culturele traditie kon bogen, wist zij zich, juist toen, te profileren als iets dat in haar antimoderniteit ultramodern was. Deze ommezwaai werd bevorderd door het feit dat de katholieken bij de verkiezingen van 1918, de eerste na de grondwetsherziening van 1917, een grote overwinning behaalden. De confessionelen behaalden toen een meerderheid van vijftig zetels, waarvan dertig voor de katholieken. ‘Vanaf dat moment - zo zou achteraf blijken - was de sociaal-democratie in sterke mate afhankelijk van de luimen van de katholieken.’5 Maar voor de katholieke jongeren was deze politieke winst zeker niet het belangrijkste, eerder iets dat zich ergens ver weg afspeelde, in de ‘burgerlijke democratie’. Zij legden de volle nadruk op de cultuurkritische potentie van ‘de katholieke zaak’. Met de Eerste Wereldoorlog nog vers in ieders geheugen slaagden de jong-katholieken erin zich in de loop van

[p. 205]

het interbellum met verve te presenteren als de dragers van een cultuur waar nu eens écht uit een ander vaatje werd getapt. Juist de traditionele katholieke cultuur krijgt na de Eerste Wereldoorlog wonderlijk genoeg een subversief elan.

De houding van de jong-katholieken had ontegenzeggelijk invloed. Men ziet dan ook hoe de katholieke cultuur in de jaren twintig en dertig sterk aan nationaal prestige wint en hoe de katholieke reconstructie-idee gaandeweg aantrekkingskracht begint uit te oefenen op protestanten, liberalen en socialisten. Het aantrekkelijke van De gemeenschap was dat het ondanks zijn uitgesproken reconstructieve ideeën openstond voor de invloed van de seculiere, moderne cultuur en literatuur, allereerst voor datgene wat de moderne literatoren in Nederland hadden laten liggen: de avant-garde.

Exkurs: cultural travellers

Het opmerkelijke chiasme in de Nederlandse cultuurgeschiedenis dat we hierboven beschreven hebben, valt uiteraard niet een-twee-drie aan te tonen. Wel is het mogelijk het in kort bestek te illustreren. Wij doen dat door beknopt de Werdegang te bespreken van enkele personen, die zich in de periode 1900-1940 ontpopt hebben als cultural travellers in het verwarrende landschap van de vroeg-twintigste-eeuwse cultuur in Nederland.

Onder de cultural travellers treffen we twee typen aan. Representanten van het eerste type starten in een nog slechts zwak geprofileerde zuil en ontwikkelen zich tot sceptische individuen ‘terzijde de horde’ (Marsman); dit type komt in het volgende hoofdstuk (‘Het interbellum I: de aristo-modernisten’) uitvoerig aan bod. Het tweede type cultural travellers beweegt zich in omgekeerde richting. Vertegenwoordigers hiervan starten juist in een vrijzinnig klimaat en kiezen uiteindelijk welbewust voor de gebondenheid van een zuil. Van twee vertegenwoordigers van dit laatste type zullen we in dit excurs beknopte intellectuele biografieën geven, namelijk van Otto van Rees en Pieter van der Meer de Walcheren. Zij raken - de één komend vanuit een uitgesproken vrijzinnig klimaat en de ander uit een gematigd hervormd klimaat - in de jaren tien beiden in de ban van socialistisch-religieuze idealen en voelen zich na de Eerste Wereldoorlog als niet-katholieken sterk aangetrokken tot de katholieke idee, die op dat moment voor hen de onweerstaanbare charme heeft van het subversieve.

Van Rees (1884-1959)

De schilder Otto van Rees stamde uit een geslacht van geleerden. Zijn overgrootvader Rijk van Rees (1797-1895) was hoogleraar in de wiskunde; zijn grootvader Otto van Rees (1825-1868) was hoogleraar in de economie en pleitte in tal van publicaties rond

[p. 206]

de jaren zestig van die eeuw al voor verbetering van sociale misstanden; zijn vader was bioloog, promoveerde in 1878, mocht vervolgens als een van de weinige Nederlanders werken op het Zoölogisch Station te Napels en was van 1899 tot 1924 als hoogleraar verbonden aan het Physiologisch Laboratorium te Amsterdam. Otto van Rees ontwikkelde zich van vrijdenker (rond de eeuwwisseling) via kubistisch en dadaïstisch kunstenaar (in de jaren tien) tot nauw bij De gemeenschap en De nieuwe gemeenschap betrokken, streng-katholiek kunstenaar (in de jaren twintig en dertig). Om Van Rees' curieuze ontwikkeling inzichtelijk te maken is het van belang zijn route wat nader te beschrijven.6

Otto van Rees' vader (prof. dr. Jacob van Rees) neigde tot een humanitaire levensbeschouwing, waarvoor zijn wetenschappelijke studies in de biologe de basis vormden. Hij werd gegrepen door de vrije ‘Terug naar de natuur’-opvattingen van William Morris. Professor Van Rees was gekant tegen de dwangbuis van maatschappelijke conventies, hij bepleitte de vrije ontplooiing van het individu, was sterk antikapitalistisch, omhelsde het vegetarisme, was anti-militarist, rookte niet, dronk niet en was tegen vivisectie. In 1893 ontwikkelde hij het ‘Heideplan’: de opzet voor een landbouwkolonie, waarvan de samenlevingsvorm een blauwdruk moest zijn voor de toekomstige ideale maatschappij. Professor Van Rees hield zich intensief bezig met de ideeën van Tolstoj, die de christelijke liefde tot maatschappelijk uitgangspunt verhief. Nog in 1924 zou hij in het Haarlemsch dagblad verklaren het alternatief voor de maatschappij te zien ‘in de kleinere en grootere gemeenschappen op communistische grondslag, liefst internationaal, om daarmee de broederschapsidee onder de menschen aan te kweken’. Het broederschapsidee was bij de bioloog Van Rees organisch van aard: ‘[...] de mens is van nature goed en de verhoudingen van de mensen onderling zijn net zo harmonisch als de cellen van het menselijk lichaam tot elkaar: zij hebben een eigen bestaansgrond en identiteit, maar zijn afhankelijk van elkaar en vormen in deze vrijheid en afhankelijkheid zo een hogere orde.’7

In 1893 trad hij toe tot de Nederlandse Onderwijzers Propagandaclub van Drank-bestrijding en tot een aantal andere ideële organisaties met hetzelfde doel. In 1899 kreeg de door hem bedachte landbouwkolonie te Blaricum daadwerkelijk gestalte. Meer dan bij Van Eedens Walden (gestart op 7 juni 1898) lag bij de kolonie van Van Rees' Internationale Broederschap de nadruk op de verwerkelijking van een gemeenschap op tolstojaans-religieuze grondslag.8 In 1905 stichtte prof. Van Rees als uitvloeisel van de landbouwkolonie de Humanitaire School, vlak bij en zelfs gedeeltelijk in, zijn eigen grote huis, dat hij in het begin van de jaren negentig door Berlage te Hilversum had laten bouwen en waarvan de katholieke kunstenaar Der Kinderen de allegorische interieurdecoratie had verzorgd. In dit huis werden rond de eeuwwisseling volksavonden georganiseerd ten behoeve van de arbeiders uit de omgeving. Professor Van Rees gaf Domela Nieuwenhuis eens toestemming om in zijn tuin een vergadering van vrije socialisten en werklozen te houden, een bijeenkomst die overigens uitliep op een vechtpartij. Doordat

[p. 207]

de landbouwkolonie politieke acties ondernam tegen de stakingswetten van ministerpresident Abraham Kuyper uit 1903, prikkelden de kolonisten de eenvoudige landbevolking uit de directe omgeving tot gewelddadige aanvallen en pogingen tot brandstichting, wat meteen het einde van de kolonie betekende.

Het is in dit milieu dat de jonge Otto van Rees zich rond de eeuwwisseling tot schilderen geroepen voelde. Hij kreeg geen officiële artistieke scholing, maar ontving wel les uit de eerste hand: van Heyenbrock en Toorop. In 1904 ging Otto van Rees een vrij huwelijk aan met een links-libertijnse Rotterdamse schilderes, die aan de Brusselse Academie tekenen gestudeerd had. In 1904 vertrokken zij naar Barbizon, waar zij samenwoonden met Kees van Dongen en zijn vrouw. Vervolgens woonden Otto en Adya van Rees bij Picasso te Parijs, waar zij omgingen met onder anderen Cendrars, Apollinaire en Chagall. Ze raakten verzeild in de beroemde Zwitserse kunstenaarskolonie te Ascona aan het Lago di Maggiore.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog moet Otto van Rees opnieuw in dienst. Zijn vader heeft dan net een manifest gepubliceerd, waarin hij oproept tot dienstweigering. De ondertekenaars krijgen de steun van Henriëtte Roland Holst, die haar brochure ‘Waarom ook sociaal-democraten het Manifest der Dienstweigeraars onderteekenden’ in oktober van dat jaar publiceerde. Professor Van Rees en Henriëtte Roland Holst zaten als gevolg hiervan tien dagen hechtenis uit. Meteen daarop ontsloeg men dienstplichtige Otto van Rees uit de dienst. Deze keerde onmiddellijk terug naar Ascona, waar hij Hans Arp leerde kennen. Zijn vrouw Adya van Rees bekeerde zich onder invloed van Léon Bloy en in navolging van Pieter van der Meer de Walcheren tot het katholicisme. Zij ontmoetten Jacques en Raïsa Maritain te Parijs. Otto van Rees aarzelt nog, maar zal weldra volgen. Via Arp ontmoette hij in Zürich Tristan Tzara en Hugo Ball, en zo raakte hij als enige Nederlander intensief betrokken bij de dada-avonden in Cabaret Voltaire te Zürich.

Na de oorlog woonde het echtpaar bij Pieter van der Meer de Walcheren en zijn vrouw, enkele jaren later bevonden ze zich weer te Ascona. In 1924 komen Albert Kuyle en Albert Helman (Lou Lichtveld), op doorreis naar Italië en Noord-Afrika, in Ascona op bezoek. In 1925 werd De gemeenschap opgericht en stierf professor Van Rees, die bij zijn overlijden bewierookt werd als ‘de tweede Domela Nieuwenhuis’. Otto en Adya van Rees' dochter Magda trouwde met Albert Kuyle. Otto van Rees werkte veelvuldig mee aan De gemeenschap en ontwikkelde zich steeds meer tot een verticale katholiek. Hij volgde zijn schoonzoon in diens ‘volkse’ afzwenking naar de onverbloemd fascistische afsplitsing De nieuwe gemeenschap, waaraan hij ook veel bijdragen geleverd heeft.

[p. 208]

Van der Meer de Walcheren (1880-1970)

Een even grillige culturele zigzagbeweging doorliep in dezelfde periode een andere cultural traveller: Pieter van der Meer de Walcheren. Vóór de Eerste Wereldoorlog raakte ook Van der Meer de Walcheren verzeild in de draaikolk van de socialistische en mystiek-religieuze bewegingen. En ook hij kwam daarna, onder invloed van de oorlog, tot een hartstochtelijk engagement met de katholieke zaak, zij het dat hij zich altijd consequent aan het spirituele aspect van het geloof heeft gehouden.

Van der Meer stamde uit een oud adellijk geslacht, in de zijtakken waarvan ook de naam van de contrareformatorische dichter Stalpart van der Wielen voorkomt. Zijn protestantse vader was wijnhandelaar te Utrecht. Het gezin verhuisde naar Maastricht, waar Van der Meer in contact kwam met Alphons Diepenbrock, die hem voor het eerst confronteert met moderne katholieke muziek, met de muziek van Wagner en met het werk van de Tachtigers. Diepenbrock stoomde Van der Meer klaar voor het staatsexamen gymnasium en Van der Meer ging vervolgens, in 1897, klassieke talen studeren te Amsterdam, waar hij onder de invloed kwam van Frank van der Goes en Henriëtte van der Schalk. Daar hij Amsterdam te benauwd vond, vertrok hij naar Brussel, waar hij zich ophield in het Socialistische Volkshuis ‘Maison du Peuple’, ‘tussen studenten, artisten, arbeiders en elegante dames - het socialisme was immers mode geworden!’9 Daar leerde hij zijn vrouw kennen, Christine Verbrugghe, die samen met haar vriendin Adya van Rees te Brussel aan de academie tekenen studeerde. Van der Meer publiceerde in 1903 de dikke, driedelige vitalistische roman Jong leven en in 1904 de socialistische roman Van licht naar duisternis. In 1907 volgt de roman De jacht naar het geluk, waarin de keuze tussen nietzscheaanse levensverheerlijking, sociaal engagement en overgave aan de spiritualiteit van het geloof wordt gedramatiseerd. Een reis naar Italië opende hem de ogen voor de schoonheid van de katholieke kunst uit de Middeleeuwen en Renaissance, maar hij wenste geen keuze te maken tussen ‘de heilige liefde van Sint Franciscus’ en ‘de eenzaamheid en onverschrokken durf van een Nietzsche’.10 Maar in 1909 raakt hij in Parijs onder de invloed van Léon Bloy en bekeert hij zich, net als Jacques Maritain, met wie hij te Parijs veel omgaat, en net als Adya en Otto van Rees en zovele anderen. Maritain schrijft een inleiding bij Van der Meers verslag van zijn bekering: Mijn dagboek (1913).

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog werkte hij mee aan Van onzen tijd en De Maasbode. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij oorlogscorrespondent voor de Nederlandse katholieke pers te Parijs en werd hij dus meer dan de gemiddelde Nederlander geconfronteerd met de waanzin van deze wereldbrand. Na de oorlog werd hij redacteur van de rubriek ‘Kunst en Letteren’ van het weekblad De nieuwe eeuw. In die hoedanigheid ondernam hij een jarenlange veldtocht tegen de dévotion sucrée in de katholieke cultuur. Hij hekelt week in week uit de bidprentjescultuur van het katholieke volksdeel

[p. 209]

en legde de nadruk op het eigen, esthetische karakter van kunst. Hij nam in deze jaren enigszins afstand van het ‘absolute katholicisme’ van Léon Bloy. In deze periode was hij de inspirator van veel jonge katholieke schrijvers (de beide Brunings, Engelman, Helman, Kuyle, Van Duinkerken) en schilders (Otto van Rees, Joep Nicolas, Matthieu Wiegman, Charles Eijck), die later in De gemeenschap eveneens de relatieve autonomie van de kunst zouden voorstaan en praktiseren.

In 1929 vestigde Van der Meer zich te Parijs en kwam hij, op voordracht van Maritain, aan het hoofd van de uitgeversmaatschappij Desclée de Brouwer te staan. Maar vier jaar later gaat het roer opnieuw honderdtachtig graden om, en wel als gevolg van een serie noodlottige gebeurtenissen in zijn persoonlijke leven. Twee van zijn drie kinderen stierven en hun enig overgebleven kind, een dochter, was al jaren daarvoor toegetreden tot de orde der benedictinessen. Van der Meer en zijn vrouw nemen een drastisch besluit. In oktober van hetzelfde jaar trad ieder in in een klooster. Van der Meer bracht eerst zijn vrouw Christine naar het kartuizerklooster te Solesmes en reisde toen meteen door naar de Sint Paulusabdij te Oosterhout. Het was een radicale beslissing om zich eensgezind, maar afzonderlijk te onderwerpen aan het hogere, dat hun alles afgenomen had. Maar nog geen twee jaar daarna bleek dat zijn vrouw wegkwijnde. De superieuren van beide kloosters beslisten dat beide echtelieden weer samen de wereld in moesten. In 1936 woont het echtpaar weer te Parijs en staat Van der Meer opnieuw aan het hoofd van Desclée de Brouwer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woont Van der Meer, die dan in de katholieke wereld inmiddels een levende legende is geworden en er de status van goeroe heeft bereikt, te Breda, alwaar hij op bescheiden wijze aan het verzet deelnam. Toen na de oorlog zijn vrouw overleed, trad Van der Meer alsnog in in de Sint-Paulusabdij te Oosterhout, waar hij zich in 1956 tot priester liet wijden en in 1970 stierf.

 

Het ideologisch op drift raken is kenmerkend voor het proces van de moderniteit in het algemeen. We hadden ook de ontwikkelingsgang kunnen schetsen van Arthur van Schendel, die als katholiek te Batavia geboren in de jaren negentig in de kring rond De nieuwe gids verzeild raakte, korte tijd revolutionair-socialistische ideeën najoeg, vervolgens een typische Jugendstil-auteur werd en ten slotte uitgroeide tot de grand old man van de Forum -kring, terwijl hij nota bene in de jaren dertig een vijftal beroemd geworden romans schrijft, die alle in de strenge levenssfeer van de protestantse orthodoxie spelen. Ook Ter Braak, Marsman of Greshoff, die in het volgende hoofdstuk aan bod komen, zijn cultural travellers. Ter Braak ontwikkelde zich van domineeszoon tot Nietzsche-adept; Marsman vertrekt vanuit domineesland, maakt opgang als vitalistisch jongerenleider en vindt zijn eindstation tussen tempel en kruis; Greshoff publiceert in de jaren tien, als gereformeerde jongeling, zijn eerste gedichten in het orthodoxe Ons tijdschrift, wordt in de jaren twintig en dertig de spin in het netwerk van vrijzinnig-liberale auteurs

[p. 210]

rond Forum en Groot Nederland, wijkt vervolgens uit naar het culturele vacuüm van Zuid-Afrika en eindigt daar als de machteloze, ontheemde en verbitterde mopperaar, die uit Afscheid van Europa spreekt.

1Lijphart (1990).
2Greshoff (1969). Wat Greshoff onder het aristo-modernistische begrip ‘calender’ verstaat, maakt hij duidelijk op p. 8-9. Eerst geeft hij af op de kleinburgers, de oppervlakkigen, de conformisten, die elk onderscheidingsvermogen missen:
‘Maurras was, vooral in het begin van zijn apostolaat, een onbaatzuchtig man, bezield door onmiskenbaar idealisme. En onder zijn jeugdige volgelingen werd de overgrote meerderheid bewogen door een zuivere, meeslepende geestdrift voor een eerlijk, rechtschapen bestaan. Ik heb verscheidenen van nabij gekend en bewonderd om hun offervaardigheid, om de eerlijkheid en de kracht van hun overtuiging. De oppervlakkige conformisten, die met de linkse wind meewaaien, scheren alles wat tegen hun opvatting indruist over één kam. Zij verklaren wat hen niet aanstaat misdadig; fnuikende vereenvoudigers als zij zijn, blijken zij niet in staat het onderscheid tussen Gobineau en Hitler te zien, daar zij niet weten dat, volgens alle gegevens waar wij over beschikken, de theoreticus van “L'Inégalité des Races Humaines” de ontaarde dwingelanden, die zich op hem beroepen, verloochend en verfoeid zou hebben. Er was voor mij geen sprake van politiek in de vorm waarin die thans haatdragend bedreven wordt. Doch van een geestelijke atmosfeer, van een wijze van denken en doen. De vereenvoudigers, met de botheid die hen tot het vereenvoudigen voorbestemde, kunnen zich geen enkel denkbeeld vormen van de rijke schakering van gevoelens en gedachten die zich toen zocht uit te drukken.’
Daarna contrasteert hij deze botteriken, de massa van ‘vereenvoudigers’, met de calender, de aristocraat van de geest:
‘Zij [de vereenvoudigers] kennen het begrip calender niet. Ik vrees dat zelfs het woord hun onbekend is. Mij, die Gobineau reeds voor de eerste wereldoorlog (in een Duitse vertaling) ontdekt had, was het zeer vertrouwd. En veel later werd het, gelijk uit de brieven blijkt, in onze intieme kring ook door Du Perron en Ter Braak te pas gebracht. Dit calender-begrip vormde voor mij de kern van een levensbeschouwing, welke later eerst door de fascisten, daarna door de nazi's bezoedeld, vervormd en daardoor onherroepelijk onmogelijk gemaakt zou worden [onze cursivering]. De calenders “Fils des Rois”, “voulaient établir que si une évolution historique fatale condamne les élites à être peu à peu submergées dans l'océan de boue du monde moderne, elles peuvent malgré tout résister et retarder, en se maintenant, le plus possible l'universelle décadence.” (Jean Mistler). De ontwikkeling der gebeurtenissen heeft mij de ijdelheid van elke weerstand doen inzien. Wij leven reeds in de “océan de boue”, welke tot onze kin gestegen is. Elite is een scheldwoord geworden. Van de calenders heeft niemand horen roepen.[...] [onze cursivering] De weinige Fils des Rois hebben het, hoe dapper ook, af moeten leggen tegen de legerscharen van Jan Rap.’
3De katholieke literatoren vonden het vorm-of-vent-debat lachwekkend. In de De gemeenschap-aflevering van maart 1931 staat een satire waarin het begin van het vorm-of-vent-debat op niet mis te verstane wijze belachelijk wordt gemaakt. De satire verschijnt niet eens als zelfstandige bijdrage, maar vormt een onderdeel van de rubriek ‘Hagel’, achter in het blad. Doelwit van de spot is een publieke briefwisseling tussen Du Perron en Marsman in De nieuwe eeuw. Du Perron daagde Marsman in zijn openingsbrief uit om Binnendijks inleiding op de bloemlezing Prisma van tekst en uitleg te voorzien. Zoals bekend had Ter Braak de polemiek naar aanleiding van Prisma al eerder ingezet door in zijn artikel ‘Prisma of dogma’ in De vrije bladen Binnendijks bloemlezing af te keuren. In zijn brief aan Marsman in De nieuwe eeuw verklaarde Du Perron zich solidair met Ter Braaks kritiek op Prisma, waarmee het startsein voor het vorm-of-vent-debat gegeven was. Bij De gemeenschap verwekten deze verwikkelingen slechts hilariteit. Men presenteerde een soortgelijke, maar dan fictieve, correspondentie uit eigen gelederen. Na een wervend en dikgedrukt ‘Hier werd op gewacht!’ volgt er een verwarrend web van brieven, antwoorden en naschriften, gesponnen door de dichters Zanger, Reijmer, Van Dichteren en Blazer (auteurs als Esseër, Elysius en Dichtman worden zijdelings genoemd). Met een overdadig dichtersjargon wordt opzettelijk vrijwel niets gezegd. Inzet van de discussie is het verschil tussen ‘vitale creativiteit’ en ‘creatief vitalisme’, een onderscheid dat door de pennenvoerders weliswaar van levensbelang wordt geacht, maar dat zij toch niet duidelijk weten te maken.
Men kan de satire afdoen als een flauwiteit, wat zij natuurlijk óók was. Maar zij laat zich tevens lezen als een symptoom van een diepgaand verschil van mening. De katholieke auteurs vonden dat de grondslag van het vorm-of-vent-debat niet alleen onzinnig, maar zelfs fout was (‘fout’ in de betekenis die in de jaren dertig en veertig aan dat woord wordt gehecht). De kwestie van de autonomie versus persoonlijkheid kon in de ogen van de Gemeenschap-pers alleen belang hebben voor kunstenaars die zij minachtten: kunstenaars die meenden dat kunst nog íets te betekenen kon hebben, als zij was losgekoppeld van religie en moraal, en als de band van de kunst met de gemeenschap was doorgesneden. Aan een debat dat berustte op een in hun ogen zo ‘ontaard’ uitgangspunt, hadden de medewerkers aan De gemeenschap niet alleen geen boodschap, zij voelden zich er zelfs ver boven verheven.
4Toen in 1918, na de grondwetsherziening van 1917, de eerste directe verkiezingen waren gehouden, waarbij alle mannen mochten stemmen, verwachtten de socialisten, die geleid werden door Troelstra, dat zij een klinkende overwinning zouden behalen. Door de grondwetswijziging was het electoraat immers met 50 procent toegenomen en de nieuwe kiezers kwamen overwegend uit het proletariaat. De verkiezingsuitslag was voor de socialisten echter nogal teleurstellend. ‘De sdap steeg weliswaar naar 22 van de 100 zetels, maar dat impliceerde dat het aandeel van de partij in het totale electoraat slechts met 3,9% was toegenomen. Alle luchtkastelen over een aanzienlijk grotere winst belandden met een harde klap in de bittere realiteit’ (De Rooy, Markus, Van der Meer e.a. (1995): 32)
In november 1918 leek de socialistische revolutie echter in Duitsland op te bloeien. Troelstra verwachtte dat deze niet ‘bij Zevenaar zou halthouden’. Even leek het dat ook in Nederland de opstand uit zou breken. ‘Troelstra kondigde op 11 november [1918] tijdens een vergadering in Rotterdam een soort revolutie aan: - “De arbeidersklasse in Nederland grijpt thans de politieke macht” - en herhaalde dat de volgende dag in de Kamer.’ De regering weigerde vierkant om overstag te gaan en daarmee was het meteen ook over. ‘Het proletarische sentiment had opgespeeld en [Troelstra] tot deze “vergissing in de machtsverhoudingen” gebracht.’ (De Rooy, Markus, Van der Meer e.a. (1995): 32) Dit moment in de ontwikkeling van de sociaal-democratie in Nederland, een moment van overmoed waarvoor de socialisten de decennia daarna de politieke tol zouden moeten betalen in de vorm van uitsluiting van de regeringsmacht, staat bekend als ‘Troelstra's vergissing’.
5De Rooy, Markus, Van der Meer e.a. (1995): 32.

6We baseren ons hierbij op Enzinck, Frank en Henkels e.a. (1975).
7Enzinck, Frank en Henkels e.a. (1975): 14.
8Enzinck, Frank en Henkels e.a. (1975): 19.
9Voor gegevens over Van der Meer baseren wij ons op Gerard Knuvelder (1950). Het citaat staat op p. 12.
10Knuvelder (1950): 22.
prepostterug  begin  verder