|
|
|
| |
| | | |
XII De grabbelton van de literaire popart
| |
1 De culturele transformatie
In de jaren zestig werden de regenteske personalisten uit de jaren veertig in
feite op hun wenken bediend. Maar ook werden ze in deze woelige jaren
hardhandig op hun vingers getikt.
Op twee belangrijke punten werden de ideeën van de personalisten
verwerkelijkt. In de eerste plaats vond er in de jaren zestig een snelle
cultuurspreiding onder de massa plaats, iets dat hoog op het verlanglijstje
van de personalisten had gestaan. In de tweede plaats kwam er definitief een
einde aan de hokjesgeest, die de personalisten vóór, tijdens en vlak na de
oorlog zo verfoeid hadden. In de jaren zestig hielden de zuilen op te
bestaan omdat het doel waartoe zij een instrument waren geweest -
emancipatie - zo goed als bereikt was.
Maar de manier waarop cultuur in de jaren zestig in hoog tempo onder velen
werd verbreid, pakte wel heel anders uit dan men zich in de jaren veertig
had voorgesteld. De personalisten had immers een cultuurspreiding voor ogen
gestaan waarbij zijzelf als gids op zouden treden. Zijzelf zouden het zijn
die de massajeugd wegwijs zouden maken in hun eigen, hoge waarden. In de
jaren zestig bleek dat de babyboomers, die vanwege de uitbreiding van de
onderwijsduur een ‘verlengde adolescentie’1 doormaakten, zich niet graag van bovenaf
lieten leiden. De periode kenmerkte zich nu juist door een
culturalisatie-van-onderop, die weliswaar ook al in de voorafgaande periodes
werkzaam was geweest, maar nog nooit op zo'n massale schaal had
plaatsgevonden. De hoge cultuur ging in deze periode zeker niet verloren,
maar zij werd wel gemangeld, gebutst en gerecycled. Ze werd bovendien
uitbundig gemengd met allerlei vormen van populaire cultuur, waarvoor de
jongeren in deze periode een uitgesproken voorkeur aan de dag legden. Voor
de volwassen wordende babyboomers was vulgariteit - en bad
taste in het algemeen - het middel bij uitstek om zich te
onderscheiden van de goedwillende, maar regentesk denkende wederopbouwers
met hun verheven idealen en hun amechtige vernieuwingsretoriek.
Het generatieconflict bracht een jongerencultuur op gang, die in korte tijd
| | | | krachtig uitgroeide toen de industrie inhaakte op de
economische mogelijkheden die zij als afzetgebied bood. De jongeren die deze
tegencultuur droegen, waren afkomstig uit de middenklasse. Er vallen twee
tendensen in hun tegencultuur te onderscheiden. De ene werd het duidelijkst
vertegenwoordigd door wat men de hippies ging noemen. In hun gedrag lag de
nadruk op het cultureel-expressieve vlak. Zij wezen het burgerlijke
arbeidsethos van hun ouders af en zochten naar nieuwe, organische
samenlevingsvormen. In sociologische termen heet het dat zij geporteerd
waren voor het herstel van Gemeinschaft, die door de
consumptiemaatschappij (Gesellschaft) verloren was gegaan.
Seksuele vrijheid en verruiming van het bewustzijn waren de belangrijkste
thema's. De andere tendens werd voornamelijk vertegenwoordigd door de
studentenbeweging. Hier was het rationele, en dus ook politieke, karakter
geprononceerder. De studentenbeweging was in de eerste plaats tegen de
ondemocratische structuren gekant. Zij was antikapitalistisch en haar
maatschappijkritiek was sterk door het marxisme geïnspireerd.
De vooroorlogse jeugdbeweging was, aldus Abma, uit de massamaatschappij
voortgekomen en had zich daartegen afgezet. De tegencultuur van de jaren
zestig was het product van de consumptiemaatschappij en zette zich daartegen
weer af. Net als de vooroorlogse jeugdbeweging revitaliseerde de naoorlogse
jeugdbeweging culturele residuen uit een vroegere tijd. Maar men richtte
zich in de jaren zestig op andere folkloristische tradities dan die waardoor
de vooroorlogse jeugdbeweging zich had laten inspireren. De laatstgenoemde
had zich tegen de massamaatschappij teweergesteld door in de zuilen een
eigen cultuur te scheppen, waarbij religieuze folkore uit de voormoderne
tijd nieuw leven in werd geblazen. De hippies, provo's, kabouters en
studenten keerden zich tegen de consumptiemaatschappij door inspiratie te
zoeken bij de veel kosmopolitischer folklore van le bon
sauvage en de bohémien, en bij de barricadenromantiek van de communards
en anarchisten. Evenals de vooroorlogse jeugdbeweging was de naoorlogse counterculture idealistisch van aard, maar hedonistisch
als zij was, ontbrak het haar volledig aan de puriteinse inslag van de
jeugdbeweging van voor de oorlog.2
De ouder geworden vooroorlogse en de jonge naoorlogse generatie troffen
elkaar in de jaren zestig. De snelle groei van de bevolking, de onverwacht
forse toename van de welvaart, het loslaten van de zuinigheidsethiek, de
verhoging van het opleidingsniveau en de opkomst van nieuwe media hadden tot
gevolg dat vele instituties in Nederland in hun voegen begonnen te kraken.
De politieke cultuur veranderde door electorale verschuivingen, zeker toen
in 1967 d66 en Nieuw Links de steun van de kiezers
kregen. Kennedy beschouwt de indikking van de confessionele partijen tot het
cda als een defensieve reactie op deze politieke
verschuiving. De economische ontwikkeling schiep ongemerkt nieuwe behoeften.
Evenals Abma geeft Righart aan dat de oudere generatie snel met deze
verande- | | | | ringen meeging; de breuk was, zo menen zij, het
onvermijdelijke effect van een tegenstrijdigheid in het proces van
wederopbouw. Tijdens de wederopbouw was immers voortdurend een beroep gedaan
op een ethiek van zuinigheid en gehoorzaamheid, maar de verwerkelijking van
de eenmaal in gang gezette, economische ontwikkeling in de loop van de jaren
vijftig maakte dat deze ethiek op den duur vanzelf overbodig werd en zelfs
als ongewenst zou worden ervaren. Righart spreekt daarom van een dubbele
generatiecrisis als het ‘epicentrum’ van de dynamiek die zich in de jaren
zestig manifesteerde. Kennedy gaat nog een stap verder en betoogt dat de
elites in Nederland er in de jaren vijftig diep van overtuigd waren dat ons
land zich moest moderniseren en dat ‘de jeugd’ daarbij de ruimte zou moeten
krijgen. Als een van de vele voorbeelden van deze vernieuwingsgezindheid
noemt Kennedy de verandering in het pedagogische denken in de jaren vijftig,
zelfs in confessionele kringen. Een van de effecten van deze omslag was de
Mammoetwet uit 1963, die als wetsvoorstel werd ingediend door de kvp-onderwijsminister Joseph
Cals, snel werd aangenomen en aan het einde van de jaren zestig al
werd ingevoerd. De Mammoetwet is volgens Weijers zowel een symptoom van
vernieuwing als van continuïteit, want Cals maakte in 1963 in feite het werk
af dat G. van der Leeuw in 1946 in gang had gezet
met het instellen van zijn ‘Staatscommissie inzake de vernieuwing van het
Hoger Onderwijs’.3
Ongemerkt was de oude elite dus zelf al bezig geweest te veranderen. ‘Zij
leken de bewakers van waarden zonder toekomst te zijn. De oude politiek en
het geloof waren aangetast door de vooroorlogse periode, aangevallen door de
doorbraakideologie, verzwakt door het onvermijdelijke moderniseringsproces,
in de steek gelaten door “de jongere generatie”, overweldigd door de
voorspoed en daarbovenop kwetsbaar gebleken voor karikaturale vertekening.
De oude orde was heel broos, niet in het minst door de wijdverspreide
verwachting dat er geen toekomst in zat.’4 Kennedy betoogt dat de autoriteiten in de jaren
zestig na een periode van grote aanpassingsmoeilijkheden in verbluffend
korte tijd gingen uitmunten in het met de tijd meegaan. Zij waren
toegeeflijk op allerlei punten: de buitenlandse politiek, de moraal, het
godsdienstig leven, de gezagshandhaving en de partijpolitiek. Het is volgens
Kennedy vooral deze toegeeflijkheid van de ouderen geweest die de
veranderingen in een stroomversnelling heeft gebracht en de tegencultuur tot
een succes heeft gemaakt. ‘De veronderstelde bodemloze ideologische kloof
[tussen de ouderen en de jongere generatie] bleek, in elk geval in
Nederland, vaak niet dieper dan een greppel [...] een scherpe
discontinuïteit kan in elk geval geen verklaring vormen voor de opkomst van
de tegencultuur, noch voor haar succes, noch voor de acceptatie door en het
opgaan in de dominante cultuur.’5
Een strijd was het dus wel, maar geen revolutie. Achteraf gezien is zelfs de
| | | | betiteling ‘culturele revolutie’ niet op zijn plaats.
Veeleer ging het om een culturele transformatie die een
breed draagvlak had. Weliswaar kenmerkte de periode zich ook door een grote
mate van polarisatie, maar zowel Righart als Kennedy benadrukken dat de
polarisatie vrijwel uitsluitend lag op het vlak van de ‘lifestyle’, en niet
op het sociale of politieke vlak.6 Beide historici geven een
uitgebreid overzicht van de troebelen die veroorzaakt werden door de
transformatie van de omgangsvormen: tussen levensbeschouwelijke
groeperingen, tussen ouders en kinderen, tussen mannen en vrouwen, tussen
werkgevers en werknemers, tussen overheid en burgers en ook tussen burgers
en kunstenaars.
Ondanks hun nadruk op continuïteit laten beide historici ook zien dat de
Nederlandse samenleving door deze culturele transformatie wel flink van
aanzien veranderde. Zowel horizontaal (afbraak van de zuilen) als verticaal
(verschuiving tussen het publieke leven en het privé-leven) veranderde er
veel. Het arme, enigszins achterlijke, paternalistische en behoudende
Nederland uit de jaren vijftig was in de jaren zeventig veranderd in een
welvarende, open en internationaal georienteerde samenleving. Dat de
Nederlandse samenleving toen ‘een van de meest vrijgevochtene in de
wereld’7 was, blijkt
uit de verruiming van de wetgeving inzake de gezagsrelatie tussen overheid
en burger, die in Nederland verder ging dan in enig ander land in
West-Europa.8 Nederland mat zichzelf toen zelfs
de omstreden status van ‘gidsland’ aan.9 ‘The Dutch have stopped being dull’, zoals een
Britse journalist in 1967 opmerkte.10
| |
2 Burgerlijke antiburgerlijkheid11
De jaren zestig vallen uiteen in twee periodes. De eerste (1964-1970) werd
gedomineerd door veel schermutselingen in het openbare leven: de
televisierellen, de provo-happenings in 1965 en 1966, ‘Het huwelijk’ in
1966, de Vietnam-demonstraties, de Maagdenhuis-bezetting en de
studentenbezettingen in Tilburg, om slechts de
belangrijkste te noemen. De volgende periode (1970-1976) is er een waarin de
transformatie zich stabiliseerde en in nieuwe wetgeving werd vastgelegd -
vooral ten tijde van het kabinet-Den Uyl (1973-1976) -, of waarin deze
leidde tot gewijzigde conventies in het sociaal-culturele verkeer. Dat de
schermutselingen zoveel impact hadden, werd ongetwijfeld in de hand gewerkt
doordat de aanhoudende commotie, met name in Amsterdam, dagelijks werd
verslagen door het nieuwe medium televisie en daardoor zelfs aanstekelijk
werkte op de provincie. De televisie bleek zich in korte tijd een centrale
plaats in de samenleving verworven te hebben en zij had een sterk spreidend
effect. In 1955 werd de verzuilde organisatie van de televisie parlementair
bevestigd; in 1956 zijn er 26.000 toestel- | | | | len officieel
geregistreerd, terwijl er drie uur per week wordt uitgezonden; in 1960 is
het aantal geregistreerde toestellen gestegen tot 585.000 en het aantal
uitzenduren tot twintig per week. Tot 1968 steeg dit aantal verder tot drie
miljoen, wat betekent dat 80 procent van de huishoudens over een tv-toestel
beschikte.12
De overgang van de relletjesfase naar de stabilisatie van de nieuwe
status-quo is opvallend vloeiend verlopen. Volgens Kennedy zijn hierbij drie
factoren van belang geweest. In de eerste plaats richtte de Nederlandse
politieke cultuur zich per traditie niet op het uitsluiten, maar op het
incorporeren van minderheidsgroepen in haar pluralistische consensussysteem.
In de tweede plaats was de Nederlandse tegencultuur - in tegenstelling tot
die in Berlijn, Parijs, San Franrisco, New York en Rome - nauwelijks
politiek geladen. ‘Nederland was een land dat niet zo zeer gerechtigheid,
als wel cultuur miste. In deze omgeving was de tegencultuur minder
bedreigend, omdat zij de politieke geslepenheid miste die, impliciet of
expliciet, inherent was aan de tegenculturele bewegingen elders. Hierdoor
werd de tegenculturele beweging voor het Nederlandse burgerlijke gezag
aanvaardbaarder.’13 In
de derde plaats, en dat acht Kennedy het belangrijkste punt, ‘kon de
Nederlandse tegencultuur munt slaan uit de overtuiging van veel Nederlandse
geestelijken, intellectuelen en politici dat Zo is het en
de provo's, ondanks hun twijfelachtige aanpak, eigenlijk gelijk hadden met
hun kritiek op de Nederlandse samenleving [...] De tegencultuur maakte
gebruik van de zelfkritiek van de dominante cultuur en bouwde daarop voort.
Jonge tegenculturele opstandelingen waren, in dit opzicht,
weinig meer dan radicale incarnaties van de burgerlijke zelfkritiek
[onze cursivering].’14
De tegencultuur trof de dominante cultuur dus in haar zwakke plek: haar angst
om kleinburgerlijk, niet bijdetijds en provinciaal gevonden te worden.
‘Tegen het midden van de jaren zestig was het onder de geletterde leden van
de Nederlandse middenklasse, van jong tot oud, een cliché geworden om hun
eigen burgerlijke gewoonten en gedachten te bekritiseren en zich ervoor te
verontschuldigen. Ze vertoonden vaak een sterke aandrang hun huizen te
ontdoen van de “spruitjeslucht” die daar eens had gehangen.’15 In het eens legendarisch
burgerlijke Nederland ontstond een wijdverbreid gedrag, dat Kennedy
‘burgerlijke antiburgerlijkheid’ noemt. In de burgerlijke wereld begon er
een taboe op burgerlijkheid te ontstaan. Wat afweek van hetgeen voorheen
onder vertrouwde fatsoensnormen viel, verwierf een zeker prestige.
Deze crisis in de culturele oriëntatie van de middenklasse schiep een
vruchtbare voedingsbodem voor de aanvaarding van alles wat ‘ludiek’ was. En
er gebeurde in deze periode nogal veel dat profiteerde van het prestige dat
een ludieke presentatie verworven had: van de acties van Dolle Mina, de
plannen van de kabouters, de vele buitenparlementaire acties, de
intellectueel-artistieke utopieën van | | | | Constant Nieuwenhuis'
Nieuw Babylon tot en met het populair-artistieke gedrag op de rock- en
popconcerten.
| |
3 1890-1960
De transformatie die in de jaren zestig plaatsvond, doet denken aan de
veranderingen die rond 1890 in de Nederlandse samenleving plaatsgrepen. In
hoofdstuk v refereerden we daar al aan. Ook in die
periode onderging Nederland een groeistuip en heerste er allerwege de
ambivalente gelijktijdigheid van crisis en vernieuwing. Ook toen doken voor
die tijd ongekend radicale stromingen op, die aanhoudend speldenprikken
uitdeelden, en werden er allerlei kortstondige gelegenheidscoalities
gevormd, als gevolg waarvan de status-quo onder spanning kwam te staan. De
oude elite van die tijd had zich eveneens geconfronteerd gezien met de
woordvoerders van groeperingen jongeren en had toen ook al verbijsterd vast
moeten stellen dat haar monopolie op het gezag werd aangevochten. Ook de
oudliberale regenten, die rond 1890 het openbare leven domineerden, hadden
te scherp gereageerd op de uitdagingen van de kritische jongeren uit hun
tijd en hadden op die wijze ongewild hun zwakte laten zien. Net zoals
zeventig jaar later escaleerde ook in 1890 de situatie en was er in korte
tijd zoveel onduidelijkheid ontstaan - toen over zaken als het kiesrecht, de
sociale kwestie, het schoolbeleid en de dienstplicht - dat het na verloop
van enkele jaren aan niemand meer had kunnen ontgaan dát er iets belangrijks
aan de hand was. En ook toen was het de aanhoudende sfeer van algehele
beroering geweest, die na verloop van tijd het bewijs had geleverd dat de
omstreden veranderingen al voor een groot deel ongemerkt werkelijkheid aan
het worden waren. Ook voor die transformatie had gegolden dat wat tijdens de
crisis doorbrak, Jong Nederland, zich al zo lang onderhuids had opgehoopt,
dat het verzet ertegen achteraf gezien iets potsierlijks kreeg.
Zoals de jaren zestig van deze eeuw de verwezenlijking waren van het
personalisme uit de jaren veertig, zo was wat rond 1890 gebeurd was, de
voltrekking geweest van hetgeen de ‘kritieschen’ rond 1840 hadden
aangekaart. Ook de oudliberalen rond 1890 waren door de jongeren van hun
tijd zowel op hun wenken bediend als op hun vingers getikt.
En dan is er de overeenkomst dat de vernieuwende jongeren in beide periodes
ook zelf een ambivalente houding aannamen tegenover hun eigen tijd. Rond
1890 waren de radicaal-liberalen, de socialisten en de confessionelen allen
geporteerd voor modernisering. De voormannen van deze nieuwe groeperingen
lieten in verschillende toonaarden hetzelfde geluid horen. Zij vonden dat de
politieke en sociale verhoudingen gedemocratiseerd moesten worden, dat er
ruimte moest | | | | komen voor individualisering en voor politieke en
sociale differentiatie. Maar tegelijkertijd ontstond er in het kamp van de
kritische jongeren een literaire beweging, de Tachtigers, die op een typisch
moderne wijze antimodern was. De Tachtigers waren immers een irrationele,
hedonistische levenshouding toegedaan. Ze bepleitten deze niet, maar leefden
haar voor in een bohémienschap en in gedichten, romans en schilderijen,
waarin een vorm van individualiteit werd geëvoceerd die nu juist ontsnappen
of ontstijgen kon aan de rationaliteit van de modernisering. Bij deze
kunstenaars stond niet regulering, maar ontgrenzing van het leven en van de
persoonlijkheid voorop. Bewustzijnsverruiming, schoonheidservaring,
zelfverlies, extase, spiritualiteit en mystiek, dat waren de antidota die de
Tachtigers en hun navolgers in de Nederlandse literatuur van rond 1890
wilden toedienen aan de cultuur, en zij beschouwden zich als de nieuwe
aristocraten. In de cultuur, die in hun ogen door het proces van
modernisering steeds platter en banaler dreigde te worden, hadden zij zich
opgeworpen als de edelen naar de Ziel. Deze kunstenaars hadden zich vaak ook
aangetrokken gevoeld tot experimenten met terug-naar-de-natuurgemeenschappen
als Van Eedens Walden of Van Rees' Internationale Broederschap.
Een dergelijke ambivalente houding tegenover de veranderingen valt ook in de
tegencultuur van de jaren zestig te bespeuren. Ook de counterculture had moderne en antimoderne trekken. Als modern zijn
die groeperingen te typeren die het openbare leven verder wilden
democratiseren en een verdergaande individualisering bepleitten. d66, Nieuw Links, Dolle Mina en de opstandige studenten
behoorden tot deze factie. d66 had zich de ‘ontploffing’
van het overleefde zuilenbestel ten doel gesteld; Nieuw Links bepleitte
(nog) meer maatschappelijke nivellering en uitbouw van de sociale zekerheid;
Dolle Mina liet zien dat de pil de vrouwen ‘baas in eigen buik’ had gemaakt
en trok daar bovendien de consequenties uit voor de traditionele verhouding
man-vrouw; en de studenten, ten slotte, protesteerden tegen de
technocratisering van het onderwijs, bepleitten hervormingen op dit gebied
en eisten daarbij een grote mate van inspraak. Datgene waarnaar deze
groeperingen streefden, lag ook in het verlengde van de homogenisering die
in de jaren vijftig was ingezet. Waar men zich in de jaren zestig vooral
tegen richtte, was de kille rationaliteit waarmee de homogenisering gepland
was en uitgevoerd werd.
Maar naast deze als modern te typeren stromingen kende de tegencultuur ook
antimoderne facties. De love and peace-attitude van de
hippies, de provo's met hun wittefietsenplan, de romantische code van de
rock- en popmuziek, Amsterdam als ‘magies sentrum’, de stichting Provadya
als zendingsorganisatie voor de verspreiding van dit ‘magische’ in de
provincie, de psychedelische happenings, de hang naar bewustzijnsverruiming,
de experimenten met drugs, de kabouterbe- | | | | weging, de
antiautoritaire opvoeding, de hausse van alternatieve leefgemeenschappen en
de groene sfeer in de terug-naar-de-natuurbeweging zijn daarvan voorbeelden.
Natuurlijk waren er ook groeperingen die modern noch antimodern waren en die
de ambivalentie tussen deze twee belichaamden. Een voorbeeld daarvan is de
beweging rond een messiasachtige figuur als Carel
Muller, die aan het begin van de jaren zeventig meermaals de
voorpagina's haalde, toen hij zich verzette tegen de rationalisering van de
zwakzinnigenzorg in Nederland. Zijn ideaal om de zwakzinnige in de
samenleving te integreren was zowel een radicalisering van de pedagogische
idealen van de Utrechtse School als een protest tegen de wijze waarop die
ideeën in de jaren zestig gemoderniseerd, dat wil zeggen gerationaliseerd
waren.16
In het kader van dit hoofdstuk zijn de verschillen tussen de culturele
transformatie rond 1890 en die uit de jaren zestig zeker zo belangrijk als
de overeenkomsten. De veranderingen rond 1890 waren bewerkstelligd door een
kleine groep kritische jongeren in reactie op een kleine groep oud-liberale
regenten. De strijd om de moderne cultuur werd toen gevoerd over de hoofden
van miljoenen Nederlanders, die nog niet aan de leerplicht waren gebonden en
zelfs nog geen kiesrecht hadden. In 1890 voltrok het proces zich bovendien
in een samenleving waarin de eerste levensbehoeften voor de meerderheid van
de bevolking nog een bron van dagelijkse zorg vormden en die een nog zeer
primitieve openbare communicatie kende. Het dagbladzegel, dat mede bedoeld
was om de massa van kennis verstoken te houden,17 was in 1890 nog maar eenentwintig jaar afgeschaft.
Wat in 1890 op elitaire schaal gebeurde, vond in de jaren zestig in massale
vorm plaats. Door de toegenomen welvaart was Nederland in die jaren een land
geworden dat niet alleen al sinds vijftig jaar het algemeen kiesrecht
praktiseerde, maar sinds een decennium ook de fase aan het ontgroeien was
waarin de zorg om het materiële gedomineerd had. Als gevolg hiervan konden
voor het eerst ongekend grote groepen mensen zich uitvoerig bezighouden met
zaken van postmateriële aard.18 Door het sterk verhoogde opleidingspeil, het wegvallen
van de traditionele hokjes en de komst van tal van nieuwe media kende de van
arbeid, inkomen, sociale zekerheid en vrije tijd voorziene gemeenschap
ineens een weelde aan openbare communicatie. Het zag er bovendien naar uit
dat dit Nieuw Babylon alleen nog maar zou groeien. In 1964 schreef Constant Nieuwenhuis in
Randstad
: ‘De grote non-stop-happening die wij te verwachten hebben wanneer
de creatieve potentie van de hele mensheid eenmaal ontketend wordt, zal het
aangezicht van de aarde net zo ingrijpend veranderen als de organisatie van
de productie-arbeid dit gedaan heeft sinds het neolithicum.’19
De gewijzigde omstandigheden in de samenleving gaven de culturele
transformatie in de jaren zestig een aanzien dat sterk verschilde van dat
van rond 1890. | | | | Dit ondanks het feit dat we in d66 moeiteloos de opvolgers van Jong Amsterdam herkennen,20 dat we in de
revolterende studenten gemakkelijk de aanhangers van Bellamy, de
radicaal-liberalen en socialisten herkennen, dat we in de Dolle Mina's
gemakkelijk de opvolgers van de Vrouwenkiesrechtbeweging kunnen zien, en dat
de ontgrenzingsmanie in de coalitie van hippies, provo's en psychedelici in
menig opzicht doet denken aan de antimoderne revolutie van Tachtig.
Met andere woorden: in het Nieuw Babylon van de jaren zestig keerden vele
problemen terug die zeventig jaar eerder waren aangesneden. Maar toch leken
deze oude thema's nieuw, omdat ze nu aan de orde kwamen in omstandigheden
die sensationeel gewijzigd waren. Ditmaal praatten zeer velen mee en was
iedereen in ieder geval in de gelegenheid toe te kijken. De nieuwe
transformatie was in de eigenlijke betekenis van het woord een populaire aangelegenheid. Was in Nederland rond 1840 het principe
van de politieke democratie ingevoerd en had rond 1890 de praktijk ervan
ingang gevonden, in de jaren zestig vond in ons land pas de culturele
ratificatie ervan plaats.
In de jaren zestig raakten zowel de burgerlijkheid als de subversiviteit
gedemocratiseerd. De burgerlijkheid raakte gedemocratiseerd, omdat iedereen
op een veel uniformer wijze deelnam aan het openbare leven van de
welvaartsstaat, waarin de sociaal-politieke filters van de verzuilde
organisaties overbodig bleken en zo goed als uitgeschakeld waren. En de
subversiviteit raakte gedemocratiseerd, omdat contestatie, afwijkend gedrag
en zelfontplooiing - voorheen de privileges van de critical
few, die hun non-conformisme praktiseerden in de beslotenheid van de
artistieke bohème - nu bij een verhoudingsgewijs breed publiek à la mode waren.
De situatie was zowel vertrouwd als verwarrend. Vertrouwd omdat het ging om
de voortzetting van een in ons land reeds lang bestaand proces van
modernisering en egalisering; verwarrend omdat dit proces nu een ambiance
had gekregen die geen precedent kende. Het voornaamste nieuwe probleem
luidde: hoe moet een gemeenschap met haar cultuur omgaan, als voor het eerst
in haar geschiedenis het hele cultuurgoed voor iedereen beschikbaar is en
als er bovendien - eveneens voor het eerst - geen dwang meer bestaat om er
dít of dát uit te kiezen?
Wat dan ook opvalt aan het culturele leven in deze jaren, is dat er niet werd gekozen. Er werd gegrabbeld in de grote ton van
het culturele erfgoed. Niet alleen waren heel wat remmingen weggenomen, ook
waren tal van oriëntatiepunten komen te vervallen. Men experimenteerde naar
hartelust met alles wat voorhanden was of met alles wat men in handen kon
krijgen. Daartoe hoorde niet alleen de hoge cultuur van het modernisme - dat
in de jaren zestig vanzelfsprekend van zijn beslotenheid werd beroofd, omdat
juist in die tijd een groot aantal jongeren er via het onderwijs kennis mee
maakte -, maar ook de massacultuur, uit eigen | | | | land en uit
andere landen. Vooral de stroom populaire cultuur van Anglo-Amerikaanse
herkomst, waarmee een groot publiek dagelijks via de televisie
geconfronteerd werd, bleek snel ingang te vinden in Nederland.
‘De kunst is dood, maar de creatieve mens ontwaakt [...] Het tijdperk van de
avant-garde is definitief ten einde, en wie zich thans nog avantgardist
durft noemen, is òf een onwetende, òf een leugenaar’, schreef de
Cobra-kunstenaar Constant Nieuwenhuis in 1964 in Randstad.
In het vorige hoofdstuk hebben we erop gewezen dat Nieuwenhuis deze ideeën
al in 1948 in de kleine kring rond het blad
Reflex
had geuit. In de jaren zestig sloten ze pas aan bij de nieuwe
tijdgeest. ‘De rol van de kunstenaar is uitgespeeld,’ scheef hij, ‘zijn
creativiteit zou voortaan het spel van iedereen moeten worden.’ En
inderdaad, de cultuur leek in de jaren zestig veranderd in één grote
verkleedkist, opgesteld in een goedverwarmd en zwaar gesubsidieerd
amateurtheater met een propvolle bühne en een lege zaal. Iedereen kon
graaien naar attributen, waarmee hij zich naar believen een identiteit kon
scheppen. Nieuw Babylon was een vrolijke chaos, een onbezorgde kermis. In
een jaren-zestig-special van
Raster
(1981) schreef Jacq Firmin Vogelaar:
Lekker rommelen was het overal, het was ook de tijd van de
overvloed aan afval, zo stel ik me die jaren tenminste voor. Tot het afval
behoort ook die gigantische productie aan beelden. Die leenden zich ook
gemakkelijker voor geknutsel, voor montage en collage - zaken die nu
grotendeels geïntegreerd zijn als je ziet wat de gemiddelde tv-kijker op één
avond al niet aan elkaar moet zien te lijmen. Lekker rommelen, met alles
tegelijk bezig zijn, daar was toen kennelijk de ruimte voor, dat gaf
waarschijnlijk dat gevoel van vrijheid. Temeer daar de smaak niet vanuit een
of andere autoriteit - de kunst, de
kritiek - gedicteerd werd; alles kon.21
En in hetzelfde nummer zegt J. Bernlef, in een
zelfgeschreven interview: ‘A[ntw.]: Aan de ene kant was het een droom.
Overvloed, rijkdom. Het gevoel van vrijheid; dat alles kon. Aan de andere
kant denk ik een toen niet beseffen van waar het werkelijk om gaat. V[raag]:
Wat is dat dan? A[ntw.]: Wat mijzelf betreft: de notie van stijl. Het
objektiveren van stijl. In die tijd dacht ik dat te kunnen bereiken door zo
stijlloos mogelijk te werken, eclectisch eigenlijk.’22
De explosie van ludiekheid in het openbare leven, die een een ware pophausse
tot gevolg had, was een cultureel carnaval, een massale heiligschennis
zonder angst voor de ban. Ze had iets weg van een orgie in de cultuur, waar
het verbodene voor enige tijd het normale verving; een collectieve rite de
passage, waarbij de oude wereld implodeert onder het geweld waarmee een
nieuwe zich baanbreekt (een nieuwe wereld die vervolgens ongemerkt weer haar
eigen, nieuwe en even heilige waarden zou gaan ontwikkelen). We citeren
nogmaals Vogelaar: ‘Achteraf is het, denk ik, meer een opruimingstijd
geweest dan een nieuw begin. Al met al | | | | is het een vrolijke
begrafenis geweest van de grote avantgardebewegingen van de jaren '20.
Voorspel en naspel tegelijk. [...] Een bevrijding van de artistieke normen,
zo zou je veel van die jaren kunnen typeren, maar tevens een afscheid van
één avantgardeprogram dat pretendeerde te concurreren met de officiële
kunst’ Geimplodeerd was inderdaad de spanning tussen hoge en lage en tussen
elitaire en populaire cultuur.Tussen beide culturele sferen werden nu
allerlei verbindingen gelegd. Verbindingen om traditionele banden door te
snijden en nieuwe aan te knopen.
Van Woodstock of Kralingen ging misschien wel een zelfde soort culturele
opwinding uit als die aan de cafétafels geheerst moet hebben waaraan de Nieuwe gids-redactievergaderingen plaatsvonden. Maar de
massaliteit en proliferatie, die popfestivals kenmerkten, misten
vanzelfsprekend de verfijning en exclusiviteit die de petit cercle rond het
roemruchte literaire tijdschrift gekenmerkt had, terwijl omgekeerd
De nieuwe gids
natuurlijk nooit de impact heeft kunnen hebben die van Woodstock of
Kralingen uitging. Radicalisering, democratisering, ontgrenzing, hedonisme,
schoonheid, extase, mystiek en allerindividueelste expressie: het zijn de
exclusieve bijdragen van Jong Amsterdam en Tachtig aan de moderne
Nederlandse cultuur geweest. In de jaren zestig werd dit alles zonder pardon
massaal verbreid. Maar ongewild werd het in een bepaald opzicht ook om zeep
geholpen. Dat het erfgoed van de moderne cultuur in de jaren zestig
gemeengoed werd, had tot gevolg dat het tegelijkertijd werd ontheiligd. Pas
wat ontheiligd was, kon gerecycled worden. Een hippie in het Vondelpark of
in een van communes, die toen als paddestoelen uit de grond schoten, kan
worden opgevat als de imitatie van een figuur als Frederik van Eeden, maar was vanwege het massa-aspect tevens
diens karikatuur.
Een snelle assimilatie viel in de jaren zestig te beurt aan de grote
schrijvers uit de jaren vijftig: Hermans en Reve. In de jaren vijftig wel voortdurend in
opspraak, maar nauwelijks verkocht, braken zij in de jaren zestig door bij
een groot publiek. Maar Hermans, en aanvankelijk ook Reve, distantieerden
zich al gauw van de tegencultuur, bij de sympathisanten waarvan hun werk
zo'n grote aftrek bleek te vinden. De grote auteurs belandden daardoor in
een vreemd parket. Hun morele moed, het taboedoorbrekende effect van hun
werk uit de jaren vijftig en hun antiburgerlijk non-conformisme maakten hen
min of meer tot de helden van een jongere generatie. Maar de jonge lezers
van deze schrijvers van tegendraadse boeken groeiden op in een periode
waarin zij zelf de bewonderde subversieve houding niet meer hoefden te sublimeren; door de gewijzigde omstandigheden konden zij
deze houding in het gewone leven in sterk verruimde mate praktiseren. De grote auteurs uit de jaren vijftig werden een
decennium later weliswaar massaal verkocht,23 maar zij werden daardoor in zekere zin rijk aan
de teloorgang van | | | | hun culturele functie. Als subversiviteit
gemassificeerd wordt, is de kritische rol van literatuur uit de repressieve
periode vlak ervoor uitgespeeld. Een nog snellere assimilatie viel ten deel
aan het werk van Jan Wolkers. Hij debuteerde met
opzienbarend en als schokkend ervaren werk nog net voordat de culturele
transformatie haar beslag kreeg (in 1961 verscheen
Serpentina's petticoat
, in 1962
Kort Amerikaans
). Toen al na enkele jaren de antiburgerlijke burgerlijkheid
prestige begon te verwerven, verloor Wolkers' werk veel van zijn
aanvankelijke subversieve effect. Maar zijn boeken bleven goed verkopen.
De verbreiding op grote schaal van het modern-culturele erfgoed had tot
onmiddellijk gevolg, dat karikaturalisering en verkitsching ervan tot de
norm gingen behoren. Zodra een schaars cultuurelement ineens voor velen
bereikbaar wordt, verandert het ook kwalitatief; het wordt dan van een
cultuurartikel tot een consumptieartikel. De winst van de cultuurspreiding
als gevolg van de verworven vrijheid vergde dan ook zijn tol. Met het
verdwijnen van de vaste oriëntatiepunten, die de cultuur decennialang hadden
bepaald, waren niet alleen de barrières van culturele hiërarchieën geslecht,
maar was ook een oude waardeschaal ontijkt geraakt. Nivellering dus, maar
ook desoriëntatie. Daarom leidde het massale feest niet alleen tot
tijdelijke dronkenschap, zoals we nog zullen zien, maar ook tot de kater
achteraf toen bleek dat de cultuur wel veel toegankelijker, maar ook een
stuk grauwer was geworden, en dat er maar weinig nieuws gecreëerd was,
hoewel er veel oude dingen gerecycled waren. Het grote probleem uit het
tijdperk van de popcultuur diende zich aan: hoe moet men zich nog
onderscheiden in een genivelleerde cultuur?
| |
4 De jaren zestig en het fascisme
Om vat te krijgen op de betekenis die de jaren zestig hebben gehad, is het
nuttig om, bij wijze van contrast, nog een periode in de beschouwing te
betrekken waarin zowel nivellering als hiërarchisering plaatsvonden en tot
spanningen leidden. We bedoelen de jaren dertig.
In de jaren dertig wonnen enkele nieuwe ideologieën aan invloed binnen de
westerse liberale samenleving. Deze invloed werd groter naarmate de
economische en sociale ontwikkelingen op catastrofale wijze stagneerden en
tot grote werkloosheid leidden. Het socialisme was zo'n moderne ideologie,
zij het dat het in de jaren dertig - althans in Nederland - al een traditie
van een halve eeuw had en politiek al vijfentwintig jaar meedraaide. Een
nieuwe ideologie in de jaren dertig was echter het fascisme.
Modern was het fascisme in die zin, dat heel doortastend leek te reageren op
| | | | de problemen van rationalisering, differentiatie en
domesticering van de samenleving. Aan deze eigenschap van het fascisme wordt
de aantrekkingskracht toegeschreven, die het indertijd op veel
intellectuelen en andere geëngageerden heeft gehad. Maar het fascisme
grondvestte haar daadkracht op een vaag geheel van irrationele
uitgangspunten en het presenteerde haar ideeëngoed bovendien in een vorm die
conservatieve trekken vertoonde. De fascisten legitimeerden hun
moderniseringsplannen met diverse mythische concepten uit de Romantiek: het
Vaderland, het Duizendjarig Rijk, de vitaliteit van het organische principe
in de geschiedenis, het ras, de Untermensch/Übermensch en
dergelijke.
Deze antimoderne concepten zouden zeker niet zo'n grote aantrekkingskracht
hebben gehad als zij niet met behulp van allerlei symbolen in sterk
vereenvoudigde en verkitschte vorm naar voren waren gebracht met
gebruikmaking van juist weer heel moderne communicatiemiddelen en
-technieken, zoals de radio, massabijeenkomsten en nieuwgeorganiseerde
jeugdbewegingen. Deze gewiekste en eigentijds uitgevoerde popularisering van
het - tijdens de depressie hoog opgelaaide - antimoderne sentiment heeft het
fascisme voor de massa aantrekkelijk gemaakt. Er is wel opgemerkt, onder
anderen door Lijphart, dat het fascisme in de jaren dertig in Nederland zo'n
geringe politieke aanhang heeft gehad, omdat de massa hier door de
verzuiling cultureel gebonden was. Het pluralistische, maar hechte
sociaal-culturele organisatiepatroon van de verzuiling, dat de meeste
Nederlanders in die jaren had ingesponnen, zou, zo is de redenering, een
culturele verankering hebben geboden, die hen immuun maakte voor de
verleiding door de mythische concepten van de fascisten. Maar zoals we
gezien hebben in hoofdstuk x, heeft het fascisme op
intellectuelen en schrijvers zowel binnen als buiten de zuilen wel enige
invloed uitgeoefend. Dit gold niet alleen het sociale programma van de
fascisten of nationaal-socialisten, maar hier en daar ook de mythische
concepten, waarmee het werd gelegitimeerd.
In het idee van ‘gelijkschakeling’, dat in de fascistische ideologie te
vinden is, klinkt het gelijkheidsideaal van de Verlichting door, terwijl in
de nadruk op hiërarchie en vitaliteit en de hang naar het irrationele
allerlei romantische ideeën resoneren. Het fascisme is te beschouwen als het
monsterverbond tussen Verlichting en Romantiek. De fascistische retoriek
draaide rond begrippen als zuiverheid, reinheid, gezondheid en kracht, maar
het fascisme zelf was een uitgesproken eclectisch geheel, waarin heterogene
elementen op een ahistorische manier met elkaar verbonden waren. Het
combineerde het antimoderne idee van de elite, de aristocratie en het
superieure individu (geprojecteerd in de Führer of de Duce) met de radicaal
moderne conceptie die wordt aangeduid met het woord Gleichschaltung. Dit betekende dat de fascistische cultuur een
hiërarchie kende die imperiaal was en tegelijkertijd uitblonk in een
vooruitstrevende sociale politiek. | | | | Machtsexcessen, willekeur,
sadisme en geregiseerde uitbarstingen van volkswoede gingen hand in hand met
de invoering van tal van sociale wetten, zoals het verplichte ziekenfonds,
kinderbijslag24 en betaalde vakantie,25 en de planning en uitvoering van grootscheepse technologische
innovaties op het gebied van de woningbouw, het verkeer en de
communicatiemiddelen.
Het irrationele aspect van het fascisme schrok de meeste Nederlanders af en
de gruwelen waartoe het geleid heeft, vervulde hen na de oorlog met diepe
weerzin (een reactie die overigens pas in de jaren zestig bespreekbaar werd,
niet in de laatste plaats door de televisering van de oorlogsgeschiedenis
door dr. L. de Jong).26 Maar
de moderne, sociale opvattingen van het fascisme sloten wonderwel aan bij de
sociale cultuur in Nederland. Het opdoeken van de verzuilde organisaties in
Nederland, waartoe de Duitsers direct na de bezetting overgingen en dat voor
de naoorlogse doorbraak in Nederland waarschijnlijk van groot belang is
geweest, liep parallel aan het verlangen - voor de oorlog in kringen van
intellectuelen, politici en kunstenaars veelvuldig geuit - naar het einde
van de ‘hokjesgeest’. En de naoorlogse kabinetten, waaronder die van de
rooms-rode coalitie, hebben het sociaal-politieke systeem van de geleide
economie, dat de Duitsers na de bezetting in Nederland hadden ingevoerd, na
de oorlog eerst als noodmaatregel overgenomen en vervolgens in wetgeving
omgezet.27 De
handhaving van dit systeem uit de bezetting heeft in het naoorlogse
Nederland voor een sterk toegenomen vermenging van overheid en particulier
initiatief gezorgd, heeft ertoe bijgedragen dat de Nederlandse samenleving
sociaal in snel tempo homogener werd, en heeft de basis gelegd voor de
verzorgingsstaat.
Bij de ambivalente fascistische ideologie hoorde ook een cultureel programma.
Daarin stonden de noties ‘volkskracht’ en ‘gezondheid’ centraal, die het
geestelijke leven van de massa een nieuwe verankering moesten bieden. De
hardhandige, redresserende culturalisatie door de fascisten moest de massa
beschermen tegen twee grote gevaren. In de eerste plaats tegen de
vermaaksindustrie van de massacultuur (jazz, cinema, moderne dans) en in de
tweede plaats tegen de verwarrende moderne kunst, waarvan de ontaardheid,
opstandigheid of wuftheid door de fascisten werden beschouwd als nutteloos
of gevaarlijk en waaraan zij een verloederend effect toeschreven.
Deze zorg om de volksopvoeding, die in die tijd overigens zowel in
fascistische als in socialistische naties bestond, mag in onze perceptie
verwerpelijk lijken, in de jaren dertig was zij als reactie misschien toch
niet zo onbegrijpelijk. De turbulenties waarmee men in de loop van de jaren
twintig te maken kreeg, moeten immers nogal angstaanjagend zijn geweest. De
westelijke wereld werd voor het eerst geconfronteerd met het verwarrende
verschijnsel dat ongekend grote groepen mensen sociaal mobiel aan het worden
waren. Men vreesde een chaos, | | | | indien de voor het overgrote
deel nog zeer matig opgeleide massa op drift zou raken. Tegelijkertijd deed
zich, eveneens voor het eerst, de omstandigheid voor dat deze massa met
moderne communicatiemiddelen bespeeld kon worden. Bij alle massabewegingen
in de jaren dertig - bij de fascistische, maar ook bij de socialistische en
die van ‘vrije’ snit - kan men waarnemen dat de leiders populistische
choreografieën ontwierpen voor de interne en externe communicatie:
massameetings, vlagvertoon, rituele handelingen, uniforme kleding en
gezwollen retoriek. Hieruit spreekt een voor die tijd kenmerkende neiging om
de massa bij publieke manifestaties te kneden als materiaal voor een
politiek-sociaal Gesamtkunstwerk.
De massadressuur in de jaren dertig vond plaats aan de hand van energieke
vereenvoudiging, verkitsching en karikaturalisering van heterogene elementen
uit het moderne erfgoed. In dictatoriaal bestuurde landen werd deze
popularisering van het openbare leven strak geregisseerd. Wie niet
vrijwillig mee wilde gaan met de van hogerhand gemaakte keuzes, werd met
geweld aangepakt of geëlimineerd.
Wat de personalisten in Nederland wilden, kwam in een aantal opzichten dicht
in de buurt van wat zowel de socialistische als de fascistische leiders voor
ogen had gestaan. Zij deelden de obsessie om de massa te leiden, maar in
tegenstelling tot de linkse of rechtse dictatoren wilden zij de massa met zachte hand leiden. Nederlandse personalisten
probeerden in de jaren dertig in Duitsland hun licht op te steken. Zo
publiceerde de sociaal-democratische dominee en sdap-bestuurslid Willem Banning in 1932 het boekje Het
nationaal-socialisme, waarin hij zo onbevooroordeeld mogelijk
probeerde te verklaren waarom het nationaal-socialisme in Duitsland zo'n
succes had, terwijl het christelijk-socialisme in Nederland maar matig
aansloeg. Banning verwierp het nazisme radicaal, maar wilde toch lering
trekken uit de kennelijke vaardigheid van de nazi's om ontevredenen in de
samenleving aan een ideaal te binden. In het vorige hoofdstuk hebben we
laten zien dat G. van der Leeuw zich naar
aanleiding van De Rougemonts Een jaar in het Derde Rijk in
vergelijkbare termen uitliet. Van der Leeuw stelde zich teweer tegen het
paganistische karakter van het nationaal-socialisme. Hem stond weliswaar een
soort binding van de massa voor ogen als in Duitsland gepraktiseerd werd,
maar dan opnieuw met het christelijke ideaal als bindmiddel.28
De personalisten in het naoorlogse Nederland zitten dan ook met het probleem,
dat hun culturele programma sterk lijkt op dat van het door de gruwelen van
de Tweede Wereldoorlog volledig getaboeïseerde nationaal-socialisme. De
poging van het fascisme om op een aantal punten nivellering te forceren door
deze te koppelen aan een uit oude restanten gefabriekte, nieuwe zingeving,
was uitgelopen op een failliet. De naoorlogse Nederlandse personalisten
zochten onverdroten verder naar een homogene samenleving, maar beklemtoonden
dat de zingeving ervan weer in de christelijke traditie haar bedding moest
krijgen.
| | | |
De verzorgingsstaat was het resultaat van dit naoorlogse
moderniseringsideaal. Zij bood de nagestreefde sociaal-economische
veiligheid en homogeniteit, maar verschafte na enige tijd kennelijk ook de
onvoorziene mogelijkheid tot het uitbreken van de vrolijke chaos van ‘de
eindeloze jaren zestig’. De tegencultuur bracht een culturele transformatie
tot stand, die erop neerkwam dat binnen de hechte consensus op sociaal,
economisch en politiek terrein een maximale vrijheid tot expressie, kritiek,
agitatie en participatie werd gerealiseerd.
Zo bezien is de tegencultuur de affirmatie van het verlangen naar
‘gelijkschakeling’, dat in de jaren dertig en veertig op diverse manieren
geuit en gepraktiseerd was. Maar zij was tegelijkertijd ook de belichaming
van hevige kritiek op de eerdere pogingen dat verlangen te verwerkelijken.
De manipuleerbare massa van voorheen was veranderd in het legioen van
individuen, die als consumenten de welvaarts- en verzorgingsstaat van de
jaren zestig bevolkten. De eenmaal gewekte consumptiebehoefte van deze
individuen zou kracht van wet genieten. Bij het scheppen van een identiteit
zou voortaan een persoonlijk consumptiepatroon - zowel van
materiële als van culturele goederen - een instrument tot differentiatie
zijn.
De jongeren uit het legioen, voor wie de welvaartsstaat een gegeven was,
wilden hun eigen cultuur scheppen, of hadden de illusie een eigen cultuur te
kunnen scheppen, en namen daartoe de tijd, de vrijheid en de middelen te
baat die hun simpelweg ter beschikking stonden. Zij hadden weinig oren meer
naar regieaanwijzingen. Een van de opmerkelijkste kenmerken van die jaren is
misschien wel dat het overkoepelende politiek-sociale systeem zo'n regie ook
helemaal niet behoefde, aangezien het juist bleek te gedijen bij de
toegenomen participatiedrift, zolang deze het systeem zelf maar onverlet
liet. En geen van de nieuwe participerende groepen uit de tegencultuur, hoe
ludiek of kritisch ook, heeft in die tijd aan de fundamenten van de
verzorgingsstaat getornd. Integendeel, het opstellen en de buitengewoon
snelle invoering in 1970 van de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming
(wub) bij voorbeeld - de wet waarin de
democratisering van de universitaire opleidingen werd geregeld en die het
meest verregaande juridische resultaat van de jaren zestig wordt genoemd -
was niet zozeer revolutionair ten opzichte van het systeem, als wel de
voltrekking van zijn sociaal-politieke overlegprincipe op de schaal van het
hoger onderwijs.
Het legioen stond eigenlijk voor het probleem dat er helemaal geen regieaanwijzingen werden gegeven. Het ondervond spoedig dat
de samenleving geen niveau, groepering of echelon meer kende dat zich tot
een leiderspositie op het culturele vlak geroepen voelde of bekwaam achtte.
De nieuwe deelnemers aan de cultuur van de welvaartsstaat werd dan ook maar
weinig in de weg gelegd bij de keuzes of combinaties die ze uit het
cultuurgoed maakten. Voor het overgrote deel | | | | waren het
adolescenten, die waren opgegroeid in de nadagen van de verzuiling. Zij
waren in veel gevallen slechts vertrouwd met de beperkte, en soms zelfs
schamele subcultuur van hun zuil. Vogelaars ervaring uit die jaren lijkt ons
tamelijk representatief:
En wat voor mij persoonlijk belangrijk was: die poëzie [van de
Vijftigers] miste de geur van deftigheid en het intimiderende dat veel kunst
leek te hebben voor iemand die uit een kultuurloos milieu kwam, dat je
namelijk pas mocht genieten als je alle regels kende, de kulturele etikette.
Het had inderdaad allemaal iets koortsachtigs in die tijd, dat kwam ook
doordat het overal tegelijk leek te gebeuren [...].
De folk culture en de high culture; de
zogenaamd gezonde en de zogenaamd ongezonde, decadente cultuur; de oecumene,
de mystieke traditie en de pornografie; het nihilistische en het
geëngageerde ideeëngoed, uit het directe of verre verleden, uit Nederland of
elders: dit alles stond een hongerige generatie van cultureel kortgehouden
jongeren min of meer van de ene op de andere dag ter beschikking. Dit was op
zichzelf bepaald geen verrassing, want het hele cultuurbeleid uit de jaren
vijftig was gericht geweest op verbreding van de cultuurparticipatie. Maar
wat wel onvoorzien was, was de wijze waarop de plotselinge
cultuurverbreiding zich voltrok. Niet voorzien was dat de aanblik van het
culturele luilekkerland tot zulk een ongecoördineerde consumptie leidde. Men
deed zich bij wijze van spreken niet eens een servet voor, maar ging zitten
en viel aan. Men dompelde zich onder in een collectief ritueel en probeerde
zich tegelijkertijd individueel te onderscheiden met een zo eigen mogelijke
adaptatie. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat de ‘calender’
Jan Greshoff zich in zijn in 1969 verschenen
memoires
Afscheid van Europa
vol walging afwendt van wat er in deze periode in de cultuur
gebeurt, niet alleen in Nederland, maar in heel de westerse wereld.
In de jaren dertig hadden de leiders met hun choreografieën voor de
massaals-Gesamtkunstwerk déze chaos nu net willen
voorkomen. In zekere zin werden in de jaren zestig hun meest apocalyptische
visioenen zowel bewaarheid als gelogenstraft. Want de wereld bleek in de
ontstane wirwar niet te vergaan, integendeel, nog nooit had men zulke
boterhammen met tevredenheid gegeten.
De relatie tussen het fascisme en de jaren zestig is destijds al gelegd door
Harry Mulisch in
Bericht aan de rattenkoning
(1966) en in
De toekomst van gisteren. Protocol van een schrijverij
(1972)29. Dit laatste
boek bevat de beschrijving van het mislukken van een ander boek. Het
niet-geschreven boek had de geschiedenis moeten beschrijven, zoals die er
zou hebben uitgezien indien Duitsland de Tweede Wereldoorlog gewonnen had.
Mulisch doet er in dit boek verslag van dat het hem überhaupt onmogelijk is
geweest een toekomst voor het fascisme te bedenken, zelfs niet in een
literaire verbeeldingswereld. De schok van de jaren zestig | | | |
bracht Mulisch tot een heel specifieke interpretatie: het fascisme als
negatief van de jaren zestig, als een politieke ideologie die geen toekomst
heeft omdat ze wezenlijk zelfdestructief is. Met andere woorden: Mulisch
creëert een totale tegenstelling tussen de jaren zestig als een moment van
collectieve creativiteit en het fascisme als een moment van collectieve
zelfvernietiging.
Mulisch interpreteerde de situatie heel anders dan wij hier doen. Vanuit het
huidige perspectief bezien is het onderscheid tussen beide fenomenen veel
minder scherp te trekken. In de jaren zestig waren dezelfde problemen aan de
orde als in de jaren dertig. Maar men ging in de jaren zestig heel anders om
met deze problemen omdat de omstandigheden waaronder ze zich voordeden,
sterk veranderd waren.
| |
5 Postmodernisme
Het voorgaande is onmisbaar als kader voor de beschrijving van de
literair-historische ontwikkeling van de jaren zestig en daarna. Schrijvers
en dichters waren immers deelnemers aan de culturele transformatie die zich
in deze periode voltrok. De ontwrichtende culturele nivellering liet de
functie van de literatuur bepaald niet ongemoeid. Ook in de literatuur brak
het carnaval uit. De rage van de antiburgerlijke burgerlijkheid verlegde de
grenzen die lange tijd het burgerschap hadden gescheiden van de artistieke
bohème. Hierdoor kwam de hiërarchische verhouding tussen burger en
kunstenaar onder druk te staan. Het grote prestige dat het ludieke in korte
tijd verworven had, tastte de vertrouwde hiërarchie aan tussen hoge en lage
kunst. En de Nederlandse literatuur zou vanaf de jaren zestig veel
intensiever dan voorheen invloeden ondergaan van de cultuur in het
buitenland.
Als gids in het labyrint kiezen wij het begrip ‘postmodernisme’. Over het
begrip is veel verwarring ontstaan en door een snelle popularisering van het
gebruik dat ervan gemaakt wordt, is het in korte tijd sterk vervuild
geraakt. Maar in 1995 publiceerde de amerikanist Hans Bertens een grondig
overzicht, waarin hij de ontwikkeling beschrijft die het begrip sinds zijn
ontstaan heeft doorgemaakt: The Idea of the Postmodern. A
History. Ondanks het internationale karakter ervan kan Bertens'
overzicht ons goede diensten bewijzen.
Postmodernisme, aldus Bertens, ‘refers, first of all, to a complex of anti-modernist artistic strategies which emerged in the
1950s and developed momentum in the course of the 1960s'.30 Op literair gebied is
postmodernisme ‘een wending naar een wijze van schrijven, waarin het
schrijven zelf becommentarieerd en bespiegeld wordt in teksten die
metafictie (fictie over fictie) worden genoemd, | | | | zoals het werk
van Samuel Beckett, Vladimir Nabokov, John Barth, Donald Barthelme, de
zogenaamde surfictionists, de nouveau romanciers, en een
hele grote groep andere schrijvers’. Maar in sommige andere disciplines, bij
voorbeeld de architectuur, bestaat het postmodernisme er weer in dat men
zich juist afwendt van ‘dit narcistische en technocratische purisme [van de
Internationale Stijl, van Bauhaus, Mies van der Rohe, Gropius e.a.], dat men
zich uit gaat drukken in eenvoudige, ronde taal en dat men zich bezig gaat
houden met geschiedenis, een terugkeer naar het vertellen, dat was
uitgebannen door de Bauhaus-groep en alles wat daaruit voort is gekomen’.
Afhankelijk van de artistieke discipline is postmodernisme dus ofwel een
radicalisering van het zelfreflexieve moment in het modernisme - en dus een
definitief afscheid van het vertellen en van de afbeelding -, ofwel een
nadrukkelijke terugkeer naar het vertellen en afbeelden. Toch hebben beide
richtingen een gemeenschappelijke noemer, aldus Bertens. ‘Ieder op zijn
eigen wijze probeert datgene te doorbreken, wat men beschouwt als de
begrenzingen die het modernisme zichzelf had opgelegd. In zijn zucht naar
autonomie, zuiverheid en tijdloze afbeeldingen met universele waarde had het
modernisme de ervaring aan onaanvaardbare intellectualisering en reducties
onderworpen.’ Sommige kunstenaars proberen weliswaar de pretenties van het
modernisme aan te vechten, maar blijven daarbij toch binnen de grenzen die
door het modernisme aan de kunst waren gesteld. Anderen echter breken
radicaler met het modernisme en vechten het hele idee van
kunst-als-een-institutie aan.
Op weer een ander niveau wordt het postmodernisme echter gedefinieerd als de
attitude van de counterculture in de jaren zestig.
Postmodernisme is dan als het ware een Weltanschauung, die
gekenmerkt wordt door een nieuwe sensibiliteit voor sociale verhoudingen en
voor een ironische opstelling ten opzichte van de artistieke avant-garde uit
het interbellum. Bij deze attitude hoort een onbegrensd eclecticisme, een
radicaal-democratische gezindheid en een aversie tegen exclusiviteit, op
welk gebied dan ook. In deze betekenis is postmodernisme een verandering,
waarbij de aanval op kunst-als-een-institutie breder wordt en een
sociaal-politieke dimensie krijgt. Deze meer intuïtieve, toegankelijke vorm
van postmodernisme - waarvan de periode doortrokken is geweest - heeft
aangezet tot het schrijven van de meest uiteenlopende literaire of
semi-literaire werken. Het werk van veel schrijvers, dichters en columnisten
is op een gewilde manier gewoon, is wars van typisch literaire vormen, is op
een haast gemaniëreerde wijze ongeconcentreerd en laat zich in veel gevallen
nog maar nauwelijks onderscheiden van niet- of semi-literaire genres als
journalistiek, reclame of amusementslectuur. Dit soort literair werk noemen
wij literaire popart.31 Vooral in de
eerste helft van de jaren zeventig verbreidde het zich als een olievlek over
de Nederlandse letteren. | | | | Men kan hierin niet een bepaalde
literaire periodiek of schrijversgroep aanwijzen die als centrum fungeert.
Eigen aan de literaire popart was nu juist dat zij zich overal aan hechtte.
Ze concentreerde zich nergens in literaire reincultuur, aangezien ze het
protest tegen ‘literariteit’ als cultureel concentraat was.
Maar in de loop van de jaren zeventig maakt dezelfde Weltanschauung opgang in de bij uitstek intellectuele sfeer van
het poststructuralisme, waarvan Roland Barthes, George Bataille, Maurice
Blanchot, Jacques Derrida, Michel Foucault en Jacques Lacan de centrale
figuren zijn. Deze schrijvers/filosofen ondernemen, vanuit postmodern
perspectief, een herinterpretatie van het werk van grondleggers van het
moderne denken, zoals Nietzsche, Marx en Freud. Bij Barthes, Bataille,
Blanchot, Derrida, Foucault en Lacan wordt de rol van de taal
geproblematiseerd. Taal wordt beschouwd als een scherm dat de communicatie
en de representatie veeleer bemoeilijkt en verhult dan dat het deze tot
stand brengt (Barthes); alleen in het niet-instrumentele, tegen de
communicatieve rede revolterende gebruik van taal kan nog iets worden
overgedragen van wat in vroeger tijden werd aangeduid met de begrippen
‘sacraliteit’, ‘gemeenschap’ en ‘innerlijke ervaring’ (Bataille en
Blanchot); taal is iets dat alleen maar gedeconstrueerd
kan worden in haar voortdurend aan vaste betekenis ontsnappende werking
(Derrida); taal maakt veeleer de werkelijkheid dan dat ze deze weergeeft
(Lacan); en taal is het middel bij uitstek waarvan mensen zich bedienen om
macht uit te oefenen of om zich aan machtsuitoefening te onttrekken
(Foucault).
Schrijvers die zich tot deze intellectuele vorm van het postmodernisme
aangetrokken voelden en in deze geest literatuur wilden maken, waren er in
de jaren zestig in Nederland veel minder. Zij groepeerden zich in de loop
van de jaren zeventig rond het tijdschrift
Raster; tijdschrift in boekvorm
(vanaf 1977), waarvan onder anderen de reeds geciteerde Vogelaar en Bernlef de
drijvende krachten waren.
De groep rond Raster was niet alleen een kritische
taalopvatting toegedaan, maar had bovendien affiniteit met de
neo-marxistische cultuurkritiek die in de jaren veertig en vijftig door de
Frankfurter Schule was ontwikkeld. In Dialektik der
Aufklärung (1947) hadden Theodor Adorno en Max Horkheimer naar voren
gebracht dat de beïnvloeding van de massa in de twintigste eeuw de vorm had
aangenomen van een ‘cultuurindustrie’. Deze vorm van manipulatie blijft niet
beperkt tot maatschappijvormen die totalitair bestuurd worden, aldus Adorno
en Horkheimer. Ook in democratisch geregeerde landen gebeurt dit. Juist in
het open, kapitalistische systeem is de productie van cultuurgoederen
geworden tot een gestandaardiseerde en geplande industrie, waarin
stereotypen, clichés en andere vormen van vereenvoudiging de overhand
hebben. Het moderne kapitalisme bevredigt volgens Adorno en Horkheimer niet
alleen de culturele behoeften | | | | van de massa, maar creëert deze
ook voor een belangrijk deel. Het publiek heeft niet veel in te brengen en
wordt allesbehalve aan het denken gezet. Echte kunst, aldus de Frankfurters,
is authentiek en uit dien hoofde revolterend. Hoog in hun vaandel staan dan
ook twintigste-eeuwse auteurs die zich opzettelijk onttrokken hebben aan de
gelijkschakelende invloed van de cultuurindustrie, zoals Joyce, Beckett,
Kafka, Proust en Trakl. Het zijn ook deze high
literature-auteurs die in de canon van Raster een
ereplaats innemen.
| |
6 Terugschrijven
Tussen de antiliteraire popart en de intellectueel-literaire
modernismekritiek in Raster bestonden bij alle verschillen
ook belangrijke overeenkomsten. Beide reageerden literair op een gezamenlijk
ondergane periode van culturele transformatie. Uit de citaten van Vogelaar
en Bernlef die wij hiervoor gaven, blijkt duidelijk hoezeer ook zij in de
jaren zestig zijn meegezogen in de wervelwind van losrakende waarden die de
periode zozeer heeft gekenmerkt. Men hoeft bij voorbeeld maar een vluchtige
blik te werpen op de omslagen van de boeken van Vogelaar om te zien dat hij
aan het rituele carnaval zijn deel gehad heeft. Alleen: Vogelaar, Bernlef en
een beperkte groep andere schrijvers van het zogenaamd andere proza kozen
voor een literaire benadering en uitwerking van het postmoderne
levensgevoel, die zich sterk onderscheidde van de veel intuïtiever evocatie
ervan, die door een overweldigende meerderheid werd gepraktiseerd.
Vogelaar karakteriseert zijn kritische, reflexieve wijze van schrijven met de
term ‘terugschrijven’. In dit ‘terugschrijven’ zit behalve een intellectueel
ook een antiburgerlijk, anarchistisch moment: teksten uit een nabij of ver
verleden worden aangepakt, opengereten, binnenstebuiten gekeerd, vertaald en
door hergebruik zowel geüsurpeerd als geliquideerd. De schrijver zelf
verdwijnt daarbij volgens Vogelaar. Anthony
Mertens gebruikt in verband met Vogelaars poëtica de metafoor van de
drempel.32 Vogelaar bedient
zich, aldus Mertens, van de meest uiteenlopende tekstsoorten, maar is
eigenlijk steeds op zoek naar een vorm voor het vormeloze en houdt daarom
voortdurend halt bij het moment van de schrijfact zelf, bij de drempel van
de literaire ervaring als zodanig. In gestileerde vorm omschrijft Vogelaar
dit anarchistische en zoekende ‘terugschrift’ als volgt:
Ik lees zoals ik schrijf en omgekeerd. Ik lees veel, alles liefst,
en indien mogelijk alles tegelijk. Achteraf prijs ik me gelukkig dat ik niet
keurig ben opgevoed aan de hand van het verantwoorde jeugdboek. Ik heb nooit
de kunst van het lezen geleerd, alleen het alfabet, dat is alles. Op de
plaats waar ik me nu als schrijver-lezer bevind ben ik alleen gekomen door
me letterlijk door ber- | | | | gen Schund heen te
vreten. [...] De leeshonger van destijds is nooit echt gestild, misschien
dat ik daarom schrijf, maar geleidelijk aan lijkt de leeshonger omgeslagen
in leeswoede; vraatzucht is wraakzucht geworden. Ik lees zoals ik
schrijf, met de pen in de aanslag. In feite is die enkel het orgaan, opening
en uitgang tegelijk van een machine - van een tekstverwerkingsapparatuur als
het ware die opneemt, verteert en afscheidt [...] Misschien klinkt dit als
de beschrijving van een ziekte; dat is het ook [...] Het zou je reinste
zelfbedrog zijn, dat geloof in de onbevlekte ontvangenis van het woord. Elk
woord blijkt, zodra het in een zin komt, zoveelstehands en door en door
vuil. Je kunt niet het eenvoudigste verhaal vertellen of zelfs maar een ding
benoemen of eerst moet je tonnen onzin verwijderen, noemers die niet de
mijne zijn en evenmin die van de dingen zelf. Elk ding is bedekt met een
korst van betekenissen, elke waarneming getroebleerd door talloze
betekenissen, waarden, schijnverbanden. Niet dat er nu getreurd dient te
worden over iets dat verloren zou zijn gegaan - het zuivere, ongerepte woord
- je moet alleen oppassen dat je niet in woorden gelooft. De beste remedie
is schrijven - terugschrijven.33
Vogelaars begrip ‘terugschrijven’ is echter óók een heel adequate aanduiding
voor de werkwijze van zijn literaire tegenvoeters uit de jaren zestig, de
schrijvers van literaire popart. Als men Vogelaars omschrijving van het ‘terugschrijven’ ontdoet van haar
intellectuele en literair-technische lading, vormt zij een goede typering
van de strategieën van de popartschrijvers uit dezelfde periode: de haast
onafzienbare rij van schrijvers en schrijvertjes, dichters en dichtertjes,
copywriters en columnisten, die de zogenaamde Zeventigers vormen en wier
werk kwantitatief nogal indrukwekkend is.
Ook de popartschrijver legt een grote onverschilligheid aan de dag voor het
verantwoorde lezen en voor de literaire orde. Ook hij is niet vies van Schund en hij wordt eveneens gedreven door cultureel
anarchisme, zij het dat dit bij hem veel intuïtiever zijn beslag krijgt. Ook
hij gelooft niet in de ‘onbevlekte ontvangenis van het woord’ noch in de
mogelijkheid een vaste, laat staan eeuwige betekenis aan zijn woorden te
geven. Ook hij is alleen maar geïnteresseerd in de buitenkant, niet in de
eerste plaats van teksten, maar van de culturele fenomenen die hem in de
welvaartsstaat omringen. Ook hij stelt zich ten opzichte daarvan op als een
verwerkingsmachine. Ook de popartschrijver bestaat slechts uit oppervlakte,
die hij naar de omgeving toekeert zodat deze er de afdruk van háár
buitenkant op achter kan laten. Er mag in de popart geen moment van diepgang
of interpretatie ontstaan, en gebeurt dat toch, dan wordt het ontstane ‘gat’
in de oppervlakte onmiddellijk afgedicht met ironie. Ook de popartschrijver
is in zekere zin een drempelkunstenaar en ook hij ‘schrijft’ dus ‘terug’.
| | | |
Alleen: hij mist de intellectuele behoefte, laat staan obsessie, om zich
voortdurend bewust te zijn van zijn ‘terugschrift’, zoals Vogelaar, Bernlef
en andere schrijvers uit de Raster-groep. De
popartschrijver heeft nu juist de behoefte níet stil te staan bij wat hij
doet, als hij schrijft. Daarom schrijft hij bij voorkeur terug naar
artistieke stijlen die aansluiten bij zijn obsessie met vluchtigheid en
oppervlakkigheid, zoals de Jugendstil, de neoromantiek of het realisme, of
naar schrijvers wier werk ironisch is en elke literaire nadruk mist, zoals
dat van Nescio of Elsschot. Een literaire interesse die omgekeerd is aan die
van Vogelaar, Bernlef en andere schrijvers uit de Raster-groep, wier terugschrijven zich richt op schrijvers die, net
als zijzelf, bij het drempelmoment van de literaire tekstverwerking bewust
stil wilden staan, zoals Flaubert, Beckett, Joyce, Musil en de schrijvers
van de historische avant-garde.
Uiteraard is er in de jaren zestig en daarna nog meer literatuur verschenen
dan de literaire popart en de schrijverij van de Raster-groep. Toch bevond de literatuur van deze periode zich wel in
haar geheel in de ban van het ‘terugschrift’, waarvan de onderscheiden twee
groeperingen de meest extreme verschijningsvormen bieden. Daarom zullen we
hieronder deze twee soorten literatuur nader bezien.
| |
7 Postmodern terugschrift I: literaire popart
Voorspel: de Zestigers
De democratisering van de literatuur begon in Nederland bij de activiteiten
van de Zestigers. Uit hun werkwijze spreekt een allesoverheersende
fascinatie door de niet-literaire media: de ‘happening’, het pakkende,
geïllustreerde ‘magazine’34 en de televisie, en een onwil om op de pretenties van de high art in te gaan. Met betrekking tot de Zestigers dient
er wel een onderscheid te worden gemaakt tussen de groep die zich vanaf 1959
in het van oorsprong Vlaamse literaire avant-gardetijdschrift
Gard Sivik
(1955-1964) manifesteerde (Armando,
Hans Sleutelaar, C.B.
Vaandrager en Hans Verhagen) en de
groep die zich rond het tijdschrift
Barbarber
(1958-1971) schaarde (J. Bernlef, K. Schippers en G.
Brands). De Gard Sivik-schrijvers stelden zich op
een ernstige en soms zelfs verbeten wijze ten doel de werkelijkheid te
intensiveren. Poëzie was voor hen een heel serieuze aangelegenheid.
Met de groep Zestigers rond Barbarber is het anders
gesteld. Zij beschouwden literatuur als teksten onder andere teksten en als
informatie onder andere informatie. Zij wilden vóór alles toegankelijk en
dus ‘leuk’ werk brengen en Bar- | | | |
barber getuigde daarvan. Deze Zestigers waren de grote
vereenvoudigers. Zij vereenvoudigden niet omdat zij te simpel waren om het
discours van de hoge kunst te begrijpen, maar ze lieten zich leiden door een
diepe afkeer van de pretenties ervan. Men zou kunnen denken dat de Zestigers
voor het aanmatigende artistieke discours waartegen zij zich keerden, niets
in de plaats stelden, maar dit was niet het geval. Zij stelden hun afkeer
van artistieke pretenties letterlijk in de plaats van die pretenties en
noemden zich Nul en Zero, in positieve
zin.
De Zestigers zetten de afbraak van de hoge literaire kunst in Nederland in.
Als we naar de ‘Ahnengalerie’ kijken die Bernlef en Schippers geven in hun
Een cheque voor de tandarts
(1967), dan kunnen we waarnemen naar welke soort culturele
voorgangers zij ‘terugschreven’. In dit boek figureren kunstenaars als
Marcel Duchamp, Erik Satie, Kurt Schwitters, Robert Rauschenberg, John Cage,
Marianne Moore en William Carlos Williams. De voorbeelden van de Vijftigers
- tegen wie deze Zestigers zich afzetten - ontbreken volledig in het
voorland van Bernlef en Schippers: kunstenaars als Miró, Dubuffet en Klee.
De Zestigers bleken dus een duidelijke voorkeur te hebben voor kunstenaars
die de kunst-als-medium en de pretentie van kunst problematiseren. (Ter
vergelijking: de Vijftigers wilden het domein van de kunst nog het liefst
uitbreiden tot ‘de ruimte van het volledige leven’ en Hermans schreef in 1965: ‘Alleen dan is het voor een schrijver
de moeite waard geschreven te hebben, als hij de zekerheid heeft hardop uit
te spreken, wat zijn publiek wel heeft geweten, maar altijd heeft verzwegen;
wat het gedroomd heeft, maar bij het ontwaken verdrongen.’)
De Zestigers verweten de Vijftigers niet dat ze de poëtische vorm niet
veranderd hadden - dat hadden dezen namelijk op extravagante wijze juist wel
gedaan -, maar dat ze de levensbeschouwing en de culturele positie van de
kunstenaar ongemoeid hadden gelaten, aldus Kees
Fens.35 Bernlef en
Schippers laten op de omslag van Een cheque voor de
tandarts een foto afdrukken waarop zij in een cafetaria bezig zijn
fastfood te consumeren. Consumptie tot kunst verheven. Kunst is volgens deze
Zestigers een happening, een gebeurtenis onder andere gebeurtenissen. De
werkelijkheid kan behandeld worden als kunst door een kunstenaar die zich
opstelt als een manager of als consument. In de wegwerpmaatschappij was
kunst voor de Zestigers ready made.
‘Tijdschrift voor teksten’, als ondertitel van een literair blad, duidt erop
dat de redacteuren ook de scheidslijn tussen dichters en journalisten niet
meer ten volle erkenden. Schreef Hermans nog: ‘De journalist formuleert wat
de massa denkt, de schrijver bestrijdt wat de massa denkt en brengt aan het
licht wat de massa niet durft te denken’, voor de Zestigers is het
onderscheid tussen journalistiek en literatuur aan het vervagen. K.
Schippers, Armando, Hans Sleutelaar en Hans Verhagen onderhielden dan ook
banden met de pers, met name met het | | | | weekblad
De Haagse post
. Dit had op zijn beurt weer als gevolg dat de stijl van de
journalistiek losser werd. De Haagse post is het eerste
periodiek uit de traditionele pers waarin de brave wederopbouw, en
welvaartsstaatjournalistiek werd aangelengd met een veel literairder wijze
van verslaggeving. Niet alleen tot de schrijvende pers, ook tot het nieuwe
medium van de televisie - en vooral tot de vpro - zochten
de Zestigers toenadering.
Voorzover het subversieve element al aanwezig is in het werk van de
Zestigers, uitte het zich in de speelsheid en ironie, waarmee het naar voren
werd gebracht. Helderheid, luciditeit en geestigheid waren het parool,
radicaliteit en opstandigheid waren verdwenen. De Zestigers epateerden niet
langer de burger, zoals de Vijftigers, en Hermans en Reve, hadden gedaan,
maar ze epateerden de kunstenaar die meende dat hij zich nog als dichter
tegenover de burger op zou moeten stellen. Zij waren apolitiek, voor hen was
zelfs het onderscheid tussen literatuur en reclame gradueel geworden. Zij
daalden af naar de advertentiepagina en afficheerden zich openlijk als
copywriters. Hun bekommernis was niet langer om aan de werkelijkheid
diepzinnige of schokkende waarheden te ontfutselen, maar veeleer: de
werkelijkheid te esthetiseren. In plaats van het schrijverschap-alsroeping
van Hermans, Reve of de Vijftigers claimden zij
een relativerend schrijverschap, dat zich nauwlettend aan de oppervlakte
houdt. Terugblikkend op de poëzie van de laatste vijf jaar verzuchtte Kees
Fens in 1967: ‘Het amusement, het alledaagse dreigt zo vereerd te worden,
dat het wel alle dagen zondag begint te worden.’36
Een tijdschrift als Gard Sivik had echter een gering bereik
gehad en dat gold zelfs voor het veel populairder Barbarber. Belangrijker dan de Zestigers, althans in verband met de
democratisering van de literaire cultuur, is dan ook één historische
gebeurtenis geweest, die op 28 februari 1966 plaatsvond: Poëzie
in Carré. In Nederlands oudste circustheater waren enkele
tientallen dichters en schrijvers bijeen (van Johnny van
Doorn tot Gerard Reve en Adriaan Roland Holst) om uit eigen werk voor te
dragen, en het resultaat was een mediaspektakel met een zeer lage culturele
drempel. De vpro maakte televisieopnamen, de vara radio-opnamen. Poëzie in Carré
markeert het begin van de literaire performance art.37
Een ander gewichtig moment in het proces was het verschijnsel Jan Cremer. De gewaagd-vulgaire roman
Ik Jan Cremer
(1964) - volgens canonieke literaire normen een deerlijk misbaksel
- werd een bestseller. Het boek bevat een opstapeling van avontuurlijke
scènes, die het louter van haar authenticiteit moet hebben. Scherp hiermee
contrasteert de hang naar het echte kunstenaarschap waarvan de auteur/het
gelijknamige hoofdpersonage voortdurend blijk geeft. Ik Jan
Cremer is de eerste popartroman in Nederland. Het begrip
‘bestseller’, dat in Nederland | | | | zijn jarenzestig-gestalte kreeg
in Cremers debuut, duidt op zich reeds op het bestaan van een literaire midcult, die een zwevend bestaan leidt tussen hoge en lage
literatuur. Jan Cremer is de eerste auteur in Nederland die de promotion van zijn werk zelf energiek ter hand neemt en daarbij
publicitaire stunts niet schuwt. Het effect ervan kan slechts gemeten worden
door ook de niet-schriftelijke reacties op het boek op bij voorbeeld de
televisie, die waarschijnlijk het belangrijkste waren, in beschouwing te
nemen. (De traditionele middelen van het zogenaamde receptieonderzoek
schieten hier tekort.)
| |
De Zeventigers: doorbraak van de literaire popart
De jaren zeventig geven de doorbraak van de literaire popart te zien (liever
gezegd: geven de doorbraak te zien van de popart, waarvan de literatuur een
onderdeel was geworden). In de periode 1970-1975 vond er een enorme
uitbreiding plaats van de mediale cultuur. De televisie-uitzendtijd nam
sterk toe, er ontstonden uitgeverijen die zich toelegden op de literaire
popart (Thomas Rap, Loeb & Van de Velden) en er werden nieuwe
tijdschriften opgericht (Soma, Hollands
Diep, Avenue-literair en
Bzzlletin
), die de literaire popart actief bevorderden. Daarnaast had zich in
de loop van de jaren zestig bij de zich ontzuilende dag- en weekbladpers
over de hele linie een vorm van verslaggeving ontwikkeld die subjectiever en
opiniërender was geworden en die duidelijk literaire trekken vertoonde. En
bovendien was er een omvangrijke alternatieve pers van underground-,
popmuziek-, provo- en kabouterbladen ontstaan. Deze pers vormde naar inhoud
een allegaartje van radicale politiek, spiritualisme, zweverig idealisme,
seks, drugs en rock-'n-roll en gaf in haar vormgeving een even
amateuristische als uitbundige mix te zien van alle populaire stijlen sinds
de Jugendstil.38 De vpro verzorgde in de jaren zeventig haar meest extreme
geteleviseerde popprogramma's: de shows rond Fred Haché, Barend Servet en
Sjef van Oekel.
Dit alles had tot gevolg dat in de Nederlandse cultuur van die dagen een
ongekend hoog aantal ‘boodschappen’ werd gepubliceerd, waarvan zowel het
genre als de status onvast waren geworden. Was dit literatuur of
journalistiek, literair theater, politieke propaganda of reclame? Was dit
officieel of alternatief? Serieus of een grap? De indruk die het geheel
maakte, was dat de cultuur haar roer kwijt was. Het culturele leven was zo
informeel geworden, dat het nauwelijks meer begrenzingen leek te hebben.
Er is één nieuw genre dat bloeide als geen ander: de column. De column is de literaire popart in optima forma. Zij is
zuivere ‘wegwerpliteratuur’. De column is niet zozeer een tekst met bepaalde
textuele kenmerken (hoogstens: een maximale lengte), maar vormde - en vormt
nog steeds - een permanente stroom van | | | | dagelijks gepubliceerde
teksten. In sommige van die teksten worden persoonlijke, literair getinte
onderwerpen behandeld omwille van hun publieke waarde, in andere woorden -
omgekeerd - onderwerpen van openbare aard juist op persoonlijke en
semiliteraire toon besproken. De column is ofwel journalistiek waaraan
ongewoon veel literaire zorg is besteed, ofwel literatuur met een
journalistieke omloopsnelheid. Gevoegd bij alle andere semi-literaire
verschijnselen bracht de column een ware vloed teweeg van stukken en
stukjes, verhalen en verhaaltjes, divagaties en betoogjes: alles zonder
pretentie, zonder doel en zonder enige legitimatie, tenzij een publicitaire.
In 1970 verscheen
Het manifest der Zeventigers
opgesteld door Hans Plomp, George Kool en Heere
Heeresma. De eerste negenentwintig van dit eenendertig pagina's
tellende pamflet handelen uitsluitend over geld, dat wil zeggen over de
sociaal-economische positie van de schrijver. De laatste bladzijde is
gereserveerd voor een programma, waarvan de essentie in de volgende zeven
zinnen besloten ligt:
Wij, de ondertekenaars van dit Manifest, hebben het begin gevormd
van een open groep, die vanaf nu De Zeventigers zal heten. Wij willen de
lezer terugwinnen door leesbare teksten te schrijven. Ook de dames en heren
letterkundigen die nu nog de dienst uitmaken zullen wel onsterfelijk worden.
Maar wij en met ons alle aankomende schrijvers in Nederland kunnen daar niet
op wachten. Wij zullen hen rechtstreeks aanvallen. Nu, in het begin van de
jaren zeventig, willen wij schrijven. En wij willen, godbetert, door domme
en slimme en bange en geile mensen gelezen worden!
Dit manifest drukt alles uit wat de literaire popschrijvers bewoog:
onmiddellijke literaire uitdrukking van alledaagse zaken, waarbij
leesbaarheid het enige raffinement vormt, dat nog is toegestaan; literatuur
als berekende consumptie (‘geil’) voor de gewone man, die onderkend wordt
als een geëmancipeerde culturele consument.
Het is in dit klimaat dat de Zeventigers opbloeien:
| Guus Luijters, |
| Heere Heeresma, |
| Hans Plomp, |
| Jan Donkers, |
| Mensje van Keulen, |
| Jan Cremer, |
| Wim Noordhoek, |
| Peter Andriesse, |
| Tim Krabbé, |
| Gerrit Komrij, |
| Maarten Biesheuvel en vele, vele
anderen. |
Hun werk uit die tijd is vrijwel onscheidbaar geworden van dat typische
mengsel van amusement, theater, persoonlijke bekentenis, happening en
ludieke journalistiek, dat de mediale cultuur in het begin van de jaren
zeventig domineerde.
Als representatief voorbeeld kunnen de honderden verhalen en columns gelden
die Guus Luijters in de jaren 1968-1975 schreef. Deze hebben geen van alle
een thema en ze vertonen evenmin diepgang. Ze weiden alleen maar uit en
mijden consequent de constructie van een onderliggende eenheid. Ze willen
niet | | | | het bijzondere onder het gewone tonen, zijn op een
agressieve manier gewoontjes en worden geafficheerd onder de aanduiding
‘nieuwe lulligheid’. De verhalen en columns zijn even vluchtig en vormeloos
als de werkelijkheid, wier banaliteit de schrijver niet verontrust, maar ook
niet enthousiasmeert. Zij dikken de werkelijkheid niet in tot een
transcendentaal punt, waar een traditioneel moment van reflectie of
zingeving ligt, maar vergroten de banaliteit juist uit, met als gevolg dat
het héle universum van dit schrijverschap zich allengs vult met een almaar
uitdijende vlakheid. Omdat de verhalen van de Zeventigers gewild acentrisch
zijn, geven ze de indruk van gelijkvormigheid.
Literaire popart is niet zomaar acentrisch - en gespeend van respect voor
traditie -, zij is het product van een opzettelijk ongeconcentreerde
literaire instelling. De aandacht van schrijver of lezer mag nergens zó lang
blijven hangen dat er een moment van dieptewerking zou kunnen ontstaan.
Evenals veel andere Zeventigers is Luijters bij voorbeeld naar eigen zeggen
een ‘fan’ van het werk van Elsschot en Nescio. Maar deze affiniteit betreft
uitsluitend de buitenkant van deze twee schrijvers. Hun gewoonheid en ironie
worden geïmiteerd, maar dat wat vanuit literair-historisch oogpunt de
essentie van het werk van Elsschot en Nescio genoemd kan worden (de spanning
tussen de bedreigende banaliteit en de gefrustreerde drang zich via Kunst te
verheffen, spanning die juist door de stijl wordt bewerkstelligd) speelt bij
deze imitatie geen enkele rol. Veel Zeventigers maken opzichtige referenties
aan Elsschots of Nescio's werk, maar vermijden angstvallig elk moment van
interpretatie, dat bij hun gebruik van het werk van
deze auteurs zou kunnen ontstaan.39
Uiteraard groeide er in de loop van dit decennium ook verzet tegen deze
literaire cultuur. Deze irritatie is exemplarisch verwoord door Jeroen Brouwers in zijn pamflet ‘De nieuwe revisor’
in
Tirade
(1980). Brouwers spendeerde buitengewoon veel literaire energie aan
een in wezen erg bondig standpunt. Hij verweet de Zeventigers gebrek aan ernst, hij verweet hun programmaloosheid en het daarbij
behorende ‘risikoloze “gewoon doen”’, hij vond hen infantiel, hij vond dat
ze zwelgden in jeugdsentiment en hij was razend over hun relaxedheid. Hij
meende dat de literatuur in Nederland in de jaren zeventig ‘één grote
kinderboerderij’ was geworden. Hij verweet de Zeventigers, kortom, dat ze
geen poëtica hadden. In Brouwers' bezwaren tegen de
Zeventigers klinken echo's op van wat Ortega y Gasset tegenstond in ‘de
hordemens’. De Zeventigers parasiteren volgens Brouwers alleen maar en
scheppen zelf geen nieuwe cultuur, net als de ‘hordemens’ dat volgens Ortega
deed. Ook Brouwers verwijt de Zeventigers dat zij geen historisch besef
hebben, geen standpunt, geen visie.
Maar de Zeventigers lachten Brouwers uit. Ze begrepen simpelweg niet waar hij
zich zo druk over maakte. Uit de tirades die over en weer volgden, bleek dat
| | | | Brouwers sprak vanuit een literaire cultuur die intussen
diepgaand veranderd was. Brouwers sprak tegen dovemansoren. Het bleek
onmogelijk hetzelfde aan te richten als Hermans
twintig jaar eerder met
Mandarijnen op zwavelzuur
had gedaan. Brouwers herhaalde Hermans' procédés zonder ze aan de
gewijzigde literaire omstandigheden te hebben aangepast. Vernietigender dan
Henk Spaans uitval ‘Fascist!’ was diens
gemeenzame toevoeging: ‘Weet je wat je bent, Jeroen? Een gesubsidieerde fluim.’40 Schrijvers van literaire popart waren niet uit op
debat of discussie. Ze waren daarom ongevoelig voor kritiek op basis van
literair-historische argumenten of verwijten. Ze schreven zonder daarbij
veel literaire of intellectuele pretentie te hebben. Ze drukten zich
intuïtief uit en deden dat met wat literair het dichtst bij de hand was. Ze
boden op ahistorische wijze de literaire bevestiging van hun dagelijks
bestaan in de welvaartsstaat.
René Boomkens heeft in een boeiend opstel,
getiteld ‘True stories’,41
uiteengezet dat een van de belangrijkste kenmerken van de popmuziek was, dat
zij de muziek was van de ‘guy next door’. Popmuziek gaf aan toehoorders de
indruk dat zij gemaakt was door iemand die hun buurjongen had kunnen zijn,
ja zelfs dat zijzélf deze muziek zouden hebben kunnen maken. Popmuziek was
egalitaristisch. Ze was de eerste muzikale revolutie die geen pretenties had
en waarvan de uitvoerders zelf als eersten opmerkten: ‘It's trash.’
Popmuziek is muziek-van-onderop. Om die reden had popmuziek een belangrijk
integrerend effect: uit het intuïtieve, gedachteloos tot stand gebrachte
mengsel van lage muzieksoorten (zoals negro, folk, country & western
en blanke rock) rees een nieuwe sfeer op, die een surplus bevatte dat
uitdrukking gaf aan de eigen tijdgeest. In de eclectische connectie van
uiteenlopende populaire muzieksoorten werden de leefwerelden die aan de
diverse muzieksoorten vastzaten, op een ongemaniëreerde en ongeconcentreerde
wijze met elkaar verbonden. Daarbij fungeerde een duidelijke voorkeur voor
muzikale ‘slechte smaak’ (bad taste) als katalysator en
deze zorgde niet zelden voor raffinement
Deze eigenschappen van de popmuziek vinden we terug in de literaire popart,
die in Nederland in de jaren 1970-1975 haar hoogtepunt beleefde. Men heeft
terecht opgemerkt dat jeugdsentiment een prominente plaats
inneemt in het werk van de Zeventigers. Hun werk bestaat uit een stroom van
gewild eenvoudige verhalen, waarin jongeren verveeld terugkijken op hun
jeugd. Die jeugd speelde zich af in de jaren vijftig, toen Nederland in de
laatste fase van de verzuiling verkeerde. Maar toen de Zeventigers schreven,
was Nederland in snel tempo aan het ontzuilen. De verhalen van de
Zeventigers spelen zich dan ook meestendeels af op de drempel - om met Mertens te spreken - van twee
werelden.
De ene wereld is die van de jaren vijftig. De auteurs kijken op deze periode
terug en stellen haar, achteraf bezien, voor als de benauwde en burgerlijke
wereld | | | | van de socialistische, protestantse of katholieke zuil
uit de naoorlogse jaren. De andere wereld is de ontspannen chaos van de
verzorgende, ontzuilende en genivelleerde jaren zeventig. De verhalen van de
Zeventigers kenmerken zich door de opgelegde voorkeur voor de ‘slechte
smaak’ - lulligheid, meligheid - waarmee in de huidige wereld een vorm van
nostalgie wordt geschapen naar de vroegere wereld. Deze nostalgie wordt
opgeroepen en tegelijk van iedere acuutheid ontdaan.
Tegenover beide werelden hebben de Zeventigers een ambivalente houding. Wat
betreft de jaren vijftig openbaart zich in hun verhalen schuldgevoel jegens
de burgerlijkheid en braafheid van hun jaren-vijftig-ouders. Maar er spreekt
ook minachting jegens deze ouders, die immers hoorden tot wat in het
jarenzestigjargon ‘het klootjesvolk’ heette. Wat betreft het heden van ‘de
eindeloze jaren zestig’ geven de verhalen van de Zeventigers uitdrukking aan
trots op hun vrijgevochtenheid. Maar uit de verhalen van deze auteurs
spreekt ook gedesoriënteerdheid en matheid; de lifestyle,
die hen inmiddels zozeer van het ‘klootjesvolk’ onderscheidt, hebben zij
niet hoeven te veroveren, aangezien deze hun zonder veel strijd ten deel is
gevallen. Deze verhalen ontbreekt het dan ook aan heroïek en de daarbij
horende literaire monumentaliteit. Ze tonen de quasi onverschillige
registratie van wat in een aantal opzichten een pijnlijke exercitie is.
In hun werk creëerden de Zeventigers iets nieuws: de jaren-zeventig-perceptie
van de jaren vijftig. Ze beschrijven niet de jaren vijftig, maar uitsluitend
hoe deze periode eruitziet in het licht van de culturele transformatie, die
daarna heeft plaatsgevonden. De schrijvers van literaire popart schreven dus
terug naar het overgangsmoment tussen de jaren vijftig en ‘de eindeloze
jaren zestig’. Ze formuleerden het postmoderne aanzien van de jaren vijftig.
Pas in de terugblik vanuit het roerige heden van rond 1970 kreeg de periode
van de jaren vijftig het karakter toegemeten van stilte voor de storm.
In de jaren vijftig zelf was de periode niet als een windstilte ervaren. Pas
achteraf verwierven deze jaren het odium van grensgebied, waarachter het
onbekende begonnen was. Ten tijde van de roerige jaren zestig werd de
periode van de jaren vijftig literair omgetoverd tot een tijdvak dat zowel
een paradijs van rust als een hel van burgerlijke braafheid was. Op die
manier werd een antipode geschapen voor het heden van ‘de eindeloze jaren
zestig’, dat tegelijkertijd als bevrijdend en desoriënterend werd ervaren.
Nog maar goed en wel in de jaren zestig aanbeland wilden de
ongeconcentreerde, maar sensibele Zeventigers blijkbaar het overgangsmoment
vasthouden tussen de situatie voor en na de schok van de culturele
transformatie. Ze bleken gebiologeerd te zijn, door de jaren vijftig van hun
jeugd, door het heden van de jaren zestig, maar toch vooral door de passage tussen toen en nu.
Dat een nostalgische hausse van jeugdsentiment juist opbloeit in het
epicen- | | | | trum van een ingrijpende culturele transformatie, is
op zichzelf een interessant cultuurhistorisch en -psychologisch
verschijnsel, en laat de complexiteit van culturele transformaties zien. De
veelgesmade literatuur van de Zeventigers vertoont weinig literaire diepte,
maar door haar exuberante oppervlakkigheid stelt zij ons wel in staat om de
vluchtigheid te bestuderen die deze auteurs ervoeren, een vluchtigheid die
door hen indertijd ongewild literair gefixeerd is.
Het ongeorganiseerde, opgelegd anti-esthetische en informele geschrijf en
gecolumniseer van de Zeventigers - deze literaire ‘guys next door’ - heeft
iets vastgelegd, maar ook iets blootgelegd dat cultuurhistorisch de moeite
waard is. In hun weemoedige retroverhalen legden zij gedetailleerd de
sociaal-culturele subculturen van hun jeugd bloot: de low
cultures uit de laatste fase van het verzuilde Nederland, die zij
met een venijnig mengsel van nostalgie en afkeer beschreven.
De literaire popart bracht, kortom, iets opmerkelijks teweeg in de cultuur.
Zij verlaagde niet alleen de toegang tot de bestaande literaire cultuur,
maar produceerde dusdoende ook iets dat er nog niet eerder
geweest was. Literaire popart vertaalde42 ervaringen uit het
recente, verzuilde verleden in een nieuw, ontzuild en collectief register.
Ze deed dit met minimale literaire middelen en legde daarbij, uit angst voor
elke vorm van humbug, een afkeer aan de dag van literaire vormelijkheid. Ze
zette daarmee weliswaar geen nieuwe kleuren op het literaire palet, maar
relativeerde de bestaande en voegde er allerhande culturele tussentinten aan
toe.
Rond 1975 raakte de literaire popart in Nederland over zijn hoogtepunt heen.
Maar door zijn verbreiding heeft hij de literatuur dan al een ander aanzien
en een andere status gegeven. Het zou onjuist zijn te beweren dat de
literaire popart de waarden van de moderniteit of van de modernistische
poëtica aan heeft gevallen. Veeleer heeft zij de ernst en het gebrek aan
betrekkelijkheid aangetast, waarmee deze waarden en poëtica decennia lang
omhuld waren geweest. Literaire popart heeft literair-historisch een slechte
naam, maar zij heeft een belangrijke culturele functie vervuld. De
toegenomen sociale mobiliteit in de periode waarin literaire popart bloeide,
had tot gevolg dat de welvarende Nederlandse samenleving uit de jaren zestig
en zeventig voor het overgrote deel uit culturele emigranten bestond, dat
wil zeggen uit mensen die in de loop van een korte periode waren verhuisd
naar een andere cultuur dan die waarin zij waren opgegroeid. Als gevolg van
deze massaal beleefde cultuurverandering bestond de Nederlandse bevolking in
de jaren zestig en zeventig voor een aanzienlijk deel uit een verzameling
individuen die uit hun vroegere verbanden losgeweekt waren, individuen van
het type dat men in de negentiende eeuw ‘parvenu’ zou hebben genoemd. De
literaire popart uit de jaren zestig was een literatuur van én voor
postmoderne parvenu's. Het was literatuur die een pas op de plaats maakte.
De uitbundige medialisering, die in deze periode op gang kwam - en waarvan
de literaire popart een belangrijk on- | | | | derdeel, zo niet de
katalysator vormde -, voorzag in de communicatie waaraan in de nieuwe
situatie grote behoefte bestond, en zorgde nolens volens voor een culturele
cohesie die niet eerder bestaan had.
Na 1975 is de gewilde eenvoud en afkeer van literaire vormen, die de
literaire popart kenmerkte, bij herhaling in onze literatuur opgeleefd. Er
bestaat op dit punt inmiddels zelfs een zekere traditie. Zo verscheen in mei
1988 de bloemlezing
Maximaal
, waarin het werk van elf jonge dichters was samengebracht. Ze
zetten zich met veel tamtam af tegen de steriele, hyperkeurige stiltepoëzie,
die volgens hen het literaire klimaat van de jaren tachtig was gaan bepalen
en openden vooral de aanval op
De revisor
en
Raster
. Hun adagium luidde: ‘[...] poëzie met schwung, die het burleske
noch de onthechting schuwt. Een poëzie die over de rand van de bezonkenheid
heen kijkt en roept “kiekeboe”, of nog erger. Spot noch zelfspot zijn haar
vreemd.’43
Maximaal werd gepresenteerd op 24 mei 1988 in de
Amsterdamse discotheek Roxy, een mediaspektakel waarbij de elf dichters44 uit hun werk
voordroegen, de vierenzeventigjarige William Burroughs aanwezig was - door
Joost Zwagerman gekarakteriseerd als de
‘grand old rebel without a cause en peetvader van de underground’ - en de
boksschool van de Albert Cuyp acte de présence gaf. Tot de mediacampagne van
de Maximalen, die contacten onderhielden met de groep beeldende kunstenaars
De Nieuwe Wilden, behoorden de ‘huisbezoeken’ die zij aflegden bij critici,
met als doel hen te ‘waarschuwen’ of bij voorbaat de mond te snoeren. De
Maximalen waren gelieerd aan het tijdschrift
De held, tweemaandelijks literair periodiek
, waarvan het nulnummer in 1984 verscheen. Het blad nam veel werk
van Maximalen op en zette zich hartstochtelijk af tegen de ‘tamgeworden tent
waarin de vaderlandse literaire tijdschriften liggen opgeslagen’.45
In het begin van de jaren negentig, ten slotte, kwam de zogenaamde Generatie
Nix op, een groep individualistische auteurs (Rob van
Erkelens, Ronald Giphart, Don Duyns, Joris Moens
en Hermine Landvreugd), die hun boodschap
uitdroegen in het tijdschrift
Zoetermeer
, waarvan het eerste nummer in januari 1994 verscheen. Deze
schrijvers zijn nogal apathisch geworden in de staccatocultuur, waarin onder
invloed van de media en de jongerenindustrie elke twee jaar weer een andere
generatiewisseling wordt geproclameerd. Na de protestgeneratie (geboren
tussen 1940 en 1955) zijn achtereenvolgens onderscheiden:
| de stille generatie, |
| de verloren generatie, |
| de generatie x, |
| de patat-, |
| Benetton-, |
| mtv- en |
| Nintendo- generatie. |
De benaming ‘Generatie Nix’ voor de groep popartschrijvers rond Zoetermeer, is een toespeling op het cultboek van Douglas
Coupland, Generation x (1991). In deze
roman fungeert de term ‘Generatie x’ als paraplu voor
deze generatiereeks, waarbinnen dan weer groepen worden onderscheiden als de
cyberpunks, de ravers, de wiggers, de crusties, de zippies, enzovoorts. De
Zoetermeer- | | | | auteurs laten in hun
hard-realistische verhalen en romans de achterkant van de
vooruitgangsmaatschappij zien. Ze laten zich inspireren door de
contemporaine wereld, die gebaseerd is op eindeloos consumeren, een wereld
waarin alles amusement lijkt te zijn geworden en nog maar weinig dingen in
staat zijn indruk te maken. De personages van deze auteurs geven zich over
aan allerlei extremiteiten. Een van de opstellers van het
Manifest van de Zeventigers
(1970), Peter Andriesse, wees er in het
Cultureel Supplement van het nrc
Handelsblad van 1 juli 1994 terecht op dat de Generatie
Nix in menig opzicht een heruitgave is van de Zeventigers. Zijn kritisch
artikel droeg dan ook de titel ‘Nix nieuws’.
| |
Popart versus camp
De grote bulk van de verhalen en columns der Zeventigers vormt een weliswaar
effectieve, maar ook nogal primitieve soort literaire popart: een massa
teksten waarin het triviale en marginale van de consumptiecultuur op
uitgebreide schaal en zonder onderscheid geëxposeerd wordt. Het relatief
grote bereik dat de literaire popart had, schiep een nieuw probleem. Als
alles vlak en gewoon is geworden, waarin kan men zich dan nog onderscheiden?
Laat popart nog wel toe dat iets of iemand smaakmakend of richtinggevend is?
Het antwoord op dit probleem was camp. ‘Camp is the answer to the problem:
how to be a dandy in an age of mass culture?’46 Camp herstelt binnen de ontstane gelijkheid en
trivialiteit het onderscheid tussen ingewijden en niet-ingewijden. Camp is
een subjectieve, ironische wijze om uit te drukken ‘what's basically serious
to you in terms of fun and artifice and elegance’.47 Camp stelt een nieuwe,
pseudo-aristocratische norm in, maar met de marginaliteit als domein. ‘To be
camp is to present oneself as being committed to the marginal with a
commitment greater than the marginal merits.’48 Camp bedient zich van ‘slechte smaak’. Door de
exploitatie van ‘historical incongruity’49 (nostalgie met een knipoog) wordt opnieuw een
historische dimensie aangebracht, die refereert aan de traditie, maar dan
wel aan de traditie van het marginale. Als alle dandy's deden
campkunstenaars van zich spreken op het moment dat de cultuur in een
overgangssituatie verkeerde en als alle dandy's voerden zij de ambivalenties
van de situatie tot extreme hoogte op. ‘De wederopstanding van het
dandyisme, de herontdekking van overgangsvormen van lichamelijkheid en de
terreinwinst van wederzijds gecultiveerde ambivalentie in het onderlinge
verkeer zijn met niets of niemand beter te illustreren dan met de Andy
Warhol-verering en zijn cultfiguren.’50
De opkomst van popart bracht dus meteen het ontstaan van camp met zich mee.
Popart riep camp op, als noodzakelijke consequentie. Maar camp is op zijn
| | | | beurt ondenkbaar zonder de consumptiecultuur als
materiaal. Verspreidde de literaire popart zich snel, de literaire camp deed
dit eveneens, maar aanzienlijk moeizamer, want camp vergt veel meer
artistieke sensibiliteit. De literaire camp kreeg in Nederland op krachtige
wijze gestalte in het werk dat Gerard Reve in de
jaren zestig ging schrijven. Ook in het werk van de Zeventigers treft men
camp - of campelementen - aan, waardoor het aanzienlijk minder amorf is dan
men geneigd is te denken.
| |
De grote campkunstenaar: Gerard Reve
De invloed van Gerard Reve op de literatuur van de jaren zeventig is groot
geweest. Reve ontwikkelde in deze jaren een wel heel bijzondere manier van
‘terugschrijven’.
Het Ezelproces (1963) markeerde het beginpunt. In het seizoen
1964-1965 werkte Reve mee aan het spraakmakende televisieprogramma ‘Zo is
het toevallig ook nog eens een keer’, en in 1967 wist hij alle
mediaregisters te raken door zich theatraal tot het katholicisme te bekeren.
Dit werd direct gevolgd door de beroemde ‘kus aan minister Klompé’ bij de
uitreiking van de P.C. Hooftprijs op het Muiderslot in 1968, welbewust ten
uitvoer gebracht onder het flitslicht der media. De huldiging in de
voormalige Allerheiligste Hartkerk te Amsterdam werd gemodelleerd als een
televisiegenieke happening, die door de vpro integraal
werd uitgezonden:
De live televisie-uitzending vanuit de Allerheiligste Hartkerk (de
‘Vondelkerk’) is een groots en soms bizar Fellini-achtig spektakel van
vraaggesprekken met Van het vede door Prof. Hans Gomperts en Hans Keller,
optredens van onder andere een jongleur, een fietsacrobaat, een goochelaar,
musici en de Zangeres zonder Naam [...] Hand in hand met zijn jonge vriend
Teigetje verlaat Van het Reve de kerk op de tonen van de koperblazers van de
muziekvereniging ‘Tot aangenaam verpozen en nuttige ontspanning’, die de
hymne ‘Nearer To Thee’ ten gehore brengt.51
De brievenboeken
Op weg naar het einde
en
Nader tot u
uit de jaren zestig kregen in de eerste helft van de jaren zeventig
hun onmiddellijk vervolg in de brieventrilogie De taal
der liefde, Het lieve leven en
Lieve jongens
.
Niet alleen door de keuze van het laagdrempelige genre ‘brievenboek’ werden
de canonieke wetten van de autonomie der literatuur met voeten getreden.
Effectief was zeker ook het feit dat - in het geval van De taal
der liefde - het werk zijn spanning ontleende aan de onzichtbare,
maar overal voelbare ‘medewerking’ van de adressant, Simon Carmiggelt, die in Nederland dé belichaming vormde van het
verband tussen hoge en lage literatuur. Doorslaggevend voor de nieuwe
culturele | | | | waarde van deze teksten was echter dat zij slechts
toegankelijk waren voor wie deelde in de buitenliteraire cultus van het
‘revisme’. Was het werk van Cremer behalve
vulgair van inhoud ook literair gezien nogal plat, van Reves werk kan dat
zeker niet gezegd worden. Reves werk is inhoudelijk vaak even vulgair als
dat van Cremer, maar deze vulgariteit wordt gemengd met echo's van verheven
thema's, waardoor een provocerende ‘polyfonie’ ontstaat, een ‘dialogical
interaction of discourses’, om met Bakhtin te spreken, die in haar
‘heterogeniteit [...] alle klasseverschil tussen talen [...]
ondermijnt’.52
Deze eigenschappen van Reves werk uit de jaren zeventig maakten dat men voor
de lectuur ervan toegerust moest zijn. Het vergde van de lezer niet alleen
dat hij gewend was aan het triviale, maar eiste bovendien van hem dat hij
een ‘connaisseur de la trivialité’ was. Het revisme is een cult, waarin het
triviale en marginale op de troon wordt geplaatst. Reve schreef terug naar
onderdelen van de cultuur uit het onmiddellijke verleden (de jaren veertig
en vijftig) die destijds als cultureel afval, bijproduct, franje of restant
waren beschouwd. Dit materiaal stofte hij af en hij plaatste het na dato
(begin jaren zeventig) onder valse belichting in het centrum.
Reve speelde een literair spel met de ‘discourses’ uit de verschillende
zuilen van weleer. Afkomstig uit de voor hem benauwende subcultuur van de
streng-socialistische zuil van vóór, tijdens en vlak na de Tweede
Wereldoorlog maakte hij in de jaren zestig de literaire overstap naar de
katholieke zuil. Het was een imaginaire overstap, want de
katholieke zuil had inmiddels haar eigen uitvaart beleefd. Reve maakte
literaire camp met als materiaal het Rijke Roomse Leven, dat zojuist was
opgedoekt. Door de ernst waarmee hij zich bij het Ezelproces voor de rechter
verdedigde én door de driedubbele ironie waarmee hij zich vervolgens
publiekelijk onderwierp aan de inmiddels oudmodisch geworden katholieke
riten, legde hij op literaire wijze buitenissige kruisverbindingen in de
Nederlandse cultuur. Reve vertaalde daardoor grote thema's uit het
modernisme en decadentisme in de bewoordingen van de Nederlandse
burgerlijkheid, die net overwonnen, maar nog lang niet vergeten was. Hij
schaarde zich op die wijze in dat wat Kennedy de antiburgerlijke
burgerlijkheid van de jaren zestig heeft genoemd, maar nam er tegelijkertijd
op effectieve en aanstekelijke wijze afstand van.
Momenten waarop de hoge cultuur door schrijvers en dichters inventief werd
geïnjecteerd met elementen uit de lagere cultuur, zijn wel eerder aan te
wijzen. Dadaïsten, surrealisten en futuristen deden dit in de jaren
twintig.53
Kunstenaars als André Breton en Kurt Schwitters maakten bij voorbeeld
gebruik van het objet trouvé om collages te maken, die de doorbraak tussen
verschillende culturele werelden forceerden (J.
Bernlef en K. Schippers deden dat in de
vroege jaren zestig opnieuw). Reve echter sloeg een nieuwe weg in. Hij
maakte geen | | | | gebruik van het objet trouvé, maar van het object
retrouvé.54
Hij hervond oud materiaal. Hij diepte op wat in een net voorbije periode
achteloos als culturele rommel was weggegooid. Het enorme talent waarmee hij
op het spoor wist te komen van typisch Nederlands clichémateriaal, dat als
objet retrouvé kon dienen, en de gave om dat te exploiteren door het met
literair jobsgeduld uit te vergroten, hebben een literaire revolutie in
Nederland teweeggebracht. Reve heeft de literaire popart reeds in een vroeg
stadium aanzienlijk verdiept met buitengewoon krachtige camp.55
Reves werk uit de jaren zeventig is volgens Henk
Pröpper ‘een als een idyllische droomtuin vermomd mijnenveld;
plotseling en onverwachts stuit de lezer op de tekst en loopt de kitsch stuk
op de literatuur’. Reves dubbelebodemkitsch maakt wel de indruk toegankelijk
proza te zijn, maar heeft volgens Pröpper op opvallende wijze een autoritair
karakter:
Een essentiële eigenschap van kitsch is dat hij op zeer
onopvallende wijze autoritair is en stipuleert wat de toeschouwer/lezer erin
moet zien. Kitsch kiest de weg van de minste weerstand. Hij irriteert niet,
daagt niet uit en maakt niet onzeker. Met die conventies speelt Reve in zijn
romans een subtiel spel waaruit blijkt dat de kitsch voor hem geen
‘ontkenning van de stront’ (Kundera) is, geen behaagziek middel om zijn
lezers een onproblematische wereld voor te toveren, eerder een venijnig
middel om gekoesterde idealen te vernietigen. Reve biedt de kitsch nooit
onversneden aan. Hij mengt de kitsch met vreemde elementen om zijn effect te
verstoren. De kitsch is bij Reve bijna steeds heel dubbelzinnig, tegelijk
kitsch en kitsch-pastiche (groteske): een wreed middel om de lectuur te
ontregelen en de lezer tegelijkertijd aan zich te binden. Als de kitsch van
Reve autoritair is, dan is hij dat in zijn dubbelzinnigheid.56
Pröpper brengt het werk van Willem Brakman, die in
de jaren zeventig en tachtig zeer productief is, rechtstreeks in verband met
dat van Reve. ‘Brakman, dol op kitsch, maakt handig gebruik van de op hol
geslagen verbeelding van zijn protagonist om binnen de veilige grenzen van
de literatuur een reeks van kitschbeelden te produceren [...] De kitsch is
een onderdeel van Brakmans strategie (een tweesnijdend zwaard) om de lezer
voor zich te winnen en tevens te wijzen op het literaire gehalte van zijn
tekst. Op het moment dat de kitsch wordt doorbroken, bestempelt [ook bij
Brakman] de tekst zich tot literatuur. Brakman appelleert dus op
verschillende niveaus aan het verlangen van de lezer zich bezig te houden
met het hogere. De vraag is alleen wat het hogere nu eigenlijk is [...] Net
als bij Reve is de kitsch bij Brakman soms een tactische manoeuvre om de
lezer via een omtrekkende beweging met de neus op het allerergste te
drukken.’
Reve gebruikt in de jaren zeventig de dan oudmodisch geworden katholiciteit
| | | | om op literaire wijze de sporen uit te wissen van zijn
communistische jaren-veertig-jeugd in het Amsterdamse Betondorp. Iets
vergelijkbaars doet Brakman in zijn werk. Hij verafschuwt de
kleineluidensfeer van zijn jeugd in de Haagse Bloemen-buurt, maar kan er
toch geen afscheid van nemen. Hij haalt deze sfeer roman na roman terug,
maar wist haar tevens uit door haar steeds weer als uitgangspunt te
gebruiken voor een virtuoos en nostalgisch literair spel. Het spel roept het
pijnlijke verleden op, maar de ingenieusiteit ervan demonstreert de
vreugdevolle sensatie die de auteur ondergaat, als hij het kan bedekken met
zijn terugschrift. Met dit spel van ‘onthechte verkleving’ (of ‘verkleefde
onthechting’) bewijst Brakman steeds weer opnieuw zowel zijn afkomst uit als
zijn ontsnapping aan de verzuilde benauwenis van weleer. Op vergelijkbare
wijze zou men de literaire strategie van een auteur als Louis Ferron in kaart kunnen brengen.
Culminatiepunt van de schijnbare popularisering van literatuur die Reve in
deze periode teweegbracht, was de De Grote Gerard Reve
Show, een televisieshow die in 1974 werd uitgezonden, niet door de
subculturele zendgemachtigde vpro, maar door de
Nederlandse Omroepstichting (nos). Deze hilarische
uitzending illustreert ten volle dat literatuur zich inmiddels gedeeltelijk
ontwikkeld had tot een vorm van performance art, dat wil
zeggen tot een vorm van literatuur die in de eerste plaats aanleiding was
tot succesvolle televisering, met als effect dat ook zij die nog nooit een
letter van de schrijver gelezen hadden of zouden lezen, tóch door hem
geboeid konden worden.
Een doorslaggevende factor in Reves enorme succes bij het publiek was zijn
opstelling in het debat over de sociale positie van de schrijver, dat in de
jaren zestig speelde, mede naar aanleiding van de subsidieregelingen voor
kunstenaars en schrijvers. Onderdeel van de algehele stijlbreuk die in deze
jaren plaatsvond, was dat schrijvers hun verburgerlijking niet meer onder
stoelen of banken staken en zich gingen organiseren in een
schrijversvakbond, die opkwam voor een betere en beter vastgelegde
honorering van de literator. Reve nu zette zich hier sterk tegen af. Gezien
zijn heftige afkeer van zijn socialistische jeugd streek het idee van een
schrijversvakbond - duidelijk een ideologisch residu uit de moderniteit -
hem tegen de haren. Reve eiste nu juist drastisch
zijn economische zelfstandigheid als schrijver op. Hij profileerde zich op
tegendraadse wijze als ondernemer: ‘Ik heb een winkel.’ Hij stelde zich dus
op als kleine zelfstandige, maar wel als een kleine zelfstandige die groot
wilde worden. In de tijd dat Nederland aan zijn kleinburgerlijke imago
ontsnapte, bouwde Reve juist aan het ironische beeld van de schrijver als
een oppassende kruidenier, die nog katholiek was op de koop toe. Deze
verraderlijke pose vormde niet alleen een vast onderdeel van de camp die
Reve vervaardigde, maar werd bovendien in de meest letterlijke zin - dat wil
zeggen: in klinkende munt - verwerkelijkt als een commercieel succesvolle
houding.
| |
| | | |
8 Het postmoderne van Merlyn: literaire
kritiek als terugschrift
Vroeg in de jaren zestig heeft het literair-kritische tijdschrift
Merlyn
(1962-1966) een bijzondere rol gespeeld in de popularisatie van het
literaire klimaat. Het blad heeft grote invloed gehad doordat het de
publieke gedachtewisseling over literatuur heeft gestimuleerd. Aan die
invloed zijn zowel elitaire als populaire facetten te onderkennen. Merlyn wilde een brug slaan tussen de academische en de
journalistieke literaire kritiek. Dus: wél diepgang en kwaliteit, maar ook
toegankelijkheid. Het blad bezat grote affiniteit met en ontzag voor de
pretenties van de modernistische literatuur. Maar aan de andere kant kunnen
de pogingen van de redacteuren Kees Fens, H.J. Jessurun d'Oliveira en J.J. Oversteegen om de ontoegankelijke teksten van
modernistische schrijvers op een gepopulariseerd-academische manier open te
leggen ook beschouwd worden als een symptoom dat een literair-historische
periode afgesloten en in kaart werd gebracht. Merlyn bood
geen kritische begeleiding van de contemporaine literatuur, maar begeleidde
veeleer het proces waarin het literaire modernisme in Nederland werd
bijgezet.
Toch kan men tegelijkertijd zeggen dat juist Merlyn ervoor
gezorgd heeft dat de bezigheid van de literaire kritiek voor velen
toegankelijk is geworden. Van Merlyn ging de inspirerende
suggestie uit dat het bedrijven van literaire kritiek niet iets was waarin
je van nature of van huis uit ingewijd diende te zijn, maar dat je kon
leren, al was het alleen maar door ermee te beginnen het na te doen. Wat Merlyn in de jaren zestig had voorgedaan, werd in de jaren
zeventig aan de universiteiten doorgegeven aan omvangrijke generaties
neerlandici. Merlyn heeft aan de omgang met literatuur en
aan het bedrijven van literaire kritiek een ambachtelijk - en misschien
zelfs wel burgerlijk - tintje gegeven. Het blad heeft dan ook zeker de basis
gelegd voor de professionalisering van de literaire kritiek: de tientallen
snelle en welbespraakte critici die week in week uit mondvoorraad
verschaffen aan de literaire-bijlagenindustrie, waarin het literaire leven
heden ten dage gemanaged wordt. Merlyn
heeft, met andere woorden, een aanzienlijke nivellering van de literaire
kritiek teweeggebracht.
Daar komt nog iets bij. Merlyn demonstreerde voor een breed
publiek een leeswijze waarbij de tekst op haar eigen, literaire merites werd
beoordeeld. Het feit dat de agnosten Oversteegen en Jessurun d'Oliveira
samen met de (ex?)-katholiek Fens de redactie vormden van een
literair-kritisch tijdschrift waarin uitvoerig op literatuur werd ingegaan,
maar waarin de ideologische dimensie van literatuur opzettelijk niet
centraal werd gesteld, was in feite niet minder dan een staaltje van
culturele doorbraak. De keuze in Merlyn voor een meer
technische (maar toch toegankelijke) benadering van literatuur was daarbij
belangrijk. Closereading voorzag bij uitstek in de mogelijkheid tot
literatuurkritiek die van ideologische | | | | storingen gevrijwaard
zou zijn. Merlyn introduceerde dus in Nederland ook een
literaire kritiek die volledig ontzuild was.
Overigens wijst niets erop dat het de opzet van de Merlyn-redacteuren is geweest de literaire kritiek te nivelleren.
Eerder lijkt het tegendeel het geval: zij wilden het heilige, de
diepverborgen betekenis en de vormelijke geheimen van de modernistische
literatuur alleen maar toegankelijk maken voor de geïnteresseerde,
niet-academische lezer. Zij hebben niet kunnen voorzien dat Merlyn door zijn succes ongewild een bijdrage heeft geleverd aan
de ontheiliging van het fenomeen literatuur. Op de ambivalentie van de door
Merlyn geïntroduceerde vorm van literaire kritiek werd
in 1978 hardhandig de vinger gelegd door Karel van het
Reve met zijn rede Het raadsel der
onleesbaarheid. Met veel gevoel voor ‘slechte smaak’ verwoordde Van het
Reve de ergernis over het dubbelzinnige karakter van de
literatuurbeschouwing-sinds-Merlyn - ergernis die
zich, gezien de grote bijval voor Van het Reves rede, minstens zo wijd
verbreid had als dat wat werd aangezien voor de merlinistische methode.57 Maar ook Van
het Reves rede had een ambivalent karakter. Aan de ene kant vernielde Van
het Reve met zijn rede al het werk van de merlinisten: hij vernietigde hun
ernst en hun pretenties. Maar aan de andere kant voltooide Van het Reves
rede het werk dat Merlyn begonnen was: zij vergrootte de
toegankelijkheid tot de literaire kritiek voor eenieder die zich - mét Van
het Reve - uit hoofde van een soort nieuwe simpelheid tot de goede
verstaanders van literatuur rekende en die daarvan in leesbare vorm verslag wilde doen. Van het Reves charge heeft de
aansluiting van de literaire kritiek bij het gemeenzame genre van de column
gesanctioneerd.
| |
9 Postmodern terugschrift II: Raster
Raster
vertegenwoordigde in de jaren zeventig een vorm van
‘terugschrijven’ die radicaal afweek van die welke door de schrijvers van
literaire popart en camp werd gepraktiseerd. Raster
i (1967-1973) vormde het vervolg op Merlyn en stond onder de eenmansredactie van H.C. ten Berge. Het blad
zette de literair-kritische traditie van Merlyn voort,
maar verbreedde zijn aandacht naar de muziek en de taalwetenschap en wilde
daarnaast hoogwaardig scheppend werk brengen. Raster
i was behalve de voortzetting van Merlyn tevens de voortzetting van het driemaandelijke tijdschrift
Randstad
(1961-1966).58
Kouwenaar en Hermans,
Gils, Armando,
Bernlef, Polet en
Verhagen publiceerden bij voorbeeld in Raster. Ook jongere auteurs lieten werk in het blad
verschijnen, zoals Faverey, Vogelaar en Van Marissing. Er
verschenen degelijke themanummers, gewijd aan het werk van Vestdijk en
Hermans.
| | | |
Het is duidelijk dat Raster niet mee wilde gaan in het
literaire carnaval dat aan de gang was. Het wilde er afstand toe bewaren.
Toch wilde Raster niet zomaar de traditie van het
literaire modernisme voortzetten. Het probeerde een antwoord te vinden op de
vraag of de erfenis van de avant-garde nog levensvatbaar was en zo ja, hoe
men deze dan onder de sterk gewijzigde omstandigheden zou moeten beheren.
Jacq Firmin Vogelaar is al in Raster
i prominent aanwezig. Hij is het ook die het gerichtst
zoekt naar een postmoderne vorm van avant-gardisme. In het voetspoor van
Benjamin, Brecht, Adorno, C. Einstein, Marx en Engels zoekt hij naar een
literaire strategie om in het tijdperk van de popart aan de literatuur van
het experiment haar rebellerende of storende functie terug te geven. Hij
kiest voor de werkwijze van de collage en demontage van bestaande teksten.
Doel is schund-, reclame- en literaire teksten door
bewerkingen (‘operaties’) op één niveau te brengen en de lezer aldus te
ontregelen. Dat hij met deze ontregeling van de lezer ideologische
bedoelingen heeft, dat wil zeggen een utopie nastreeft, blijkt uit de
omschrijving ervan die hij in 1971 in Raster
i geeft:
De opgave van een geavanceerde literatuurproducent is dat hij werkt
aan de bevrijding van dwingende burgerlike vormen en vooroordelen, aan de
vernietiging van het burgerlike zelfbewustzijn dat zijn neerslag vindt in
alle vormen van taalgebruik, ook in de literaire retoriek. Dit alles niet om
een nieuwe, weer even onverplichte kunstvorm op te leveren, maar in een
praktiese solidariteit met de massaas.59
In dit citaat klinkt het Kritische Theorie-programma van de
Frankfurter Schule duidelijk door.
De redacteur en medewerkers van Raster
i voelen wel aan dat zij zich in het tijdperk van de
popart in een isolement bevinden. In 1972 brengt oud-Merlyn-redacteur Kees Fens in Raster
i zijn scepsis over het literaire klimaat in de jaren
zeventig naar voren in een bespreking van George Steiners In
Bluebeard's Castle. Steiner voorziet in dit essay het einde van de
literaire cultuur. We geven een lang citaat uit Fens bespreking:
[Steiner] noemt de stereo-installatie de bibliotheek van de moderne
mens, hetgeen een al te gemakkelijke generalisering is. Elders heeft hij de
verschuivingen in de literaire cultuur beschreven vanuit verandering van het
uiterlijk van de bibliotheek: de stabiliteit van de boeken ervan tekende
eens de stabiliteit van de cultuur, zoals [...] de onverwoestbaarheid van de
oude Cisterci-enserkloosters de gelofte van ‘stabilitas loci’ van de monnik
uitdrukte en garandeerde. Met de bibliotheek wordt de cultuur doorgegeven.
Bijna als een vanzelfsprekendheid. De boekenkast is zijn stabiliteit kwijt:
het boek is niet langer monument - al zijn er gelukkig nog ijveraars voor
literaire monumen- | | | | tenzorg - het heeft een heel vergankelijke
vorm gekregen. En uiteraard hebben hier economie en literaire cultuur op
elkaar ingewerkt en wie de sterkste invloed heeft uitgeoefend is moeilijk na
te gaan. In elk geval heeft het boek zich uiterlijk van
monument tot tent ontwikkeld en dat heeft het verschijnsel literatuur
zelf sterk gerelativeerd [onze cursivering]. De wijziging van de
uiterlijke vorm is een teken van een innerlijke verandering. Het lijkt erop
dat het ‘Exegi monumentum aere perrennius’ definitief voorbij is. Het werk,
het boek is niet langer het hiernamaals van de schrijver, hoogstens zijn
aarde, in de slechtste gevallen zijn vagevuur. De literatuur
lijkt, ook op andere dan de hier genoemde gronden, geseculariseerd
[onze cursivering]. De literatuur zelf wordt aan een nog grotere dreiging
van relativering steeds meer blootgesteld. [Fens doelt met de laatste
woorden op de concurrentie door nieuwe, niet-literaire media.60
Gezien de omstandigheden had Fens dan ook meer begrip en sympathie voor de
radicaliteit van de kring rond Raster
i dan voor de literaire popart of camp: ‘Dat er nu
schrijvers zijn, die de literatuur in haar materiaal zelf, de taal [...]
trachten aan te tasten, zoals Jacq Firmin Vogelaar in zijn Kaleidiafragmenten, waarin hij bewust de communicatie verbreekt,
is begrijpelijk: het is de enige mogelijkheid om de kringloop die de
literatuur kenmerkt, te doorbreken en de kleine kring die dat literaire spel
in volle ernst aangaat, te storen.’61 Deze sympathie voor de kleine kring van goede verstaanders
bracht Fens er wellicht toe om naar aanleiding van het commerciële spektakel
rond het verschijnen van Jan Wolkers' roman De kus in
december 1977 op te stappen als literair recensent van de
Volkskrant. Hij hield het blijkbaar niet meer uit in het
postmoderne tentenkamp.
Raster
i
wordt in 1973 opgeheven, het door Fens vastgestelde isolement zal
daar zeker mede debet aan geweest zijn. Maar uit zijn as verrees niettemin
in 1977 Raster, tijdschrift in boekvorm (hierna:
Raster
ii
). De redactie van dit blad, bestaande uit H.C.
ten Berge, J. Bernlef, P. de Meijer en J.F.
Vogelaar, liet zich niet afschrikken door het isolement en kondigde
aan opnieuw aandacht te zullen vragen voor het ‘experiment’, voor ‘werk dat
afwijkt van gangbare of voorspelbare procédés en dat een minder
gebruikelijke verschijningsvorm heeft’. Men stelde opnieuw vast dat ‘het
literaire klimaat in het Nederland van de zeventiger jaren weinig
bevorderlijk lijkt voor het schrijven en onderzoeken van nog niet aanvaarde,
riskante vormen van literatuur’. Daarom nam de redactie zich voor het
scheppend werk dat in Raster
ii zou verschijnen, door literair-kritische beschouwingen
te begeleiden. De band met de avant-garde in Raster
ii bleek uit de verbinding tussen literatuur en
samenleving, die in het redactionele ‘Wat wil Raster?’ expliciet vermeld
wordt. En bovendien: ‘Zoals literatuur en maatschappelijke werkelijkheid
niet los van elkaar gezien kunnen worden, zo is het ook onaanvaardbaar
literaire processen te isoleren van andere artistieke ontwikkelingen.’
| | | |
‘Dit tijdschrift is er om iets voor en iets aan [de avant-gardistische
literatuur] te doen,’ zegt Vogelaar in het omvangrijke redactionele gesprek
over de avantgarde, dat in het tweede nummer staat afgedrukt. Maar in
hetzelfde gesprek stelt Polet vast: ‘We zullen er [...] rekening mee moeten
houden dat het soort literatuur, waar we het over hebben, het “andere
proza”, experimentele poëzie, avantgarde toneel, voorgoed tot de subculturen
gaan behoren en, indien ooit, op heel lange termijn niet meer tot de
dominante cultuur zullen behoren, in de maatschappij niet en op de
middelbare school niet [...] We moeten ons dan maar troosten met de gedachte
dat de onderstromen minstens zo belangrijk zijn als de bovenstromen.’ Men
maakt in het gesprek het voornemen tot een ‘partijdige essayistiek’, die
door Vogelaar als volgt omschreven wordt:
Een partijdige essayistiek moet zich niet uitsluitend presenteren
als de eksplikateur van een stomme film, die in dit geval de avantgarde zou
zijn, maar moet tegelijk de aanval richten op de manier van kunstbeschouwing
die op school en universiteit gegeven wordt [...] Een van de onderdelen van
een partijdige essayistiek zou moeten zijn, een tegenwicht te vormen tegen
een steeds oppervlakkiger wordende kritiek, die de trend volgt van de hele
nederlandse joernalistiek, dat alles steeds meer wordt toegespitst op het
subjektieve. Maar ook hieromtrent hoeft men zich geen illusies te maken.
De redactie en medewerkers van Raster
ii beschouwden zich als de hoeders van een tekstsoort die
met de ondergang bedreigd werd. In een literair ecosysteem dat door
medialisering, commercialisering en popart werd gedomineerd, leek de
voedingsbodem voor deze tekstsoort weggevaagd te worden. Rein Bloem zegt het
in het afgedrukte redactionele gesprek over literatuuronderwijs als volgt:
‘Raster, Schrijver-School-Samenleving, vvl, cpnb, zouden
moeten samenwerken in de redding van alle bedreigde tekstsoorten. De
toestand is werkelijk heel kritiek. Bijna wanhopig zelfs, als je bedenkt hoe
de belangstelling en het kennisnemen van buitenlandse, andersoortige
literatuur tanende is.’ In twee afleveringen zet Sybren Polet zijn poëtica
van ‘het andere proza’ uiteen.62
Anthony Mertens en Jacq Firmin Vogelaar
fulmineren tegen de literaire popart van de Zeventigers,63 waarin gedachteloos al datgene bevestigd werd wat zij
nu juist willen problematiseren of verstoren.
Maar al spoedig bleek dat redacteur Bernlef het oneens was met redacteur
Vogelaar. Hij kon zich niet vinden in de rationaliteit van Vogelaar, in
diens gebrek aan gevoel voor ironie en aversie van mythologieën en
metaforen. In het negende nummer van Raster
ii (1979) publiceerde Bernlef een recensie van een boek
uit de zogenaamde Raster-reeks, Kunst als kritiek, een
door Vogelaar samengestelde bundel vertaalde opstellen van onder andere
Walter Benjamin, Theodor Adorno, | | | | Herbert Marcuse en Karl Marx.
Bernlef uitte bij die gelegenheid onverbloemd zijn kritiek:
laat de lezer mij goed begrijpen: ik ben geen tegenstander tout
court van een ingebouwde kritische refleksie op literaire teksten; ik
bestrijd alleen het monopolie van die refleksie en de mentaliteit de hele
literatuur daaraan af te meten [...] Want met kritische refleksie alleen
wordt men nooit echt verliefd. Misschien is dat wel wat mij het meest ergert
aan Vogelaar's kritiek: de wat harteloze distantie die eruit spreekt. Iedere
spontane reactie wordt onmiddellijk door de kritische refleksie (bijna zou
je zeggen: refleks) geneutraliseerd. Het is kopuleren met
afstandsbediening.64
Bernlef drukte hier iets uit dat menigeen ergerde in Raster
ii en in het bijzonder in het werk van Vogelaar, die zijn
stempel op het blad had gedrukt.65 Maar wie de
indrukwekkende reeks nummers van Raster
ii doorneemt, zal toch vervuld raken van ontzag voor de
ernst, toewijding en vasthoudendheid waarmee dit blad gedurende een lange
periode een afwijkend literair standpunt naar voren heeft gebracht.
Bovendien valt dan op dat Raster
ii in de loop van de jaren tachtig het utopische aspect
van zijn experimentele literatuuropvatting steeds meer relativeert en er op
den duur zelfs over zwijgt. Net als Enzensberger in Duitsland en onder
invloed van vooral de Rushdie-affaire en de val van de Berlijnse Muur ziet
bij voorbeeld een actieve Raster
ii-auteur als Cyrille Offermans het einde van de
avant-garde serieus onder ogen en wordt het programma van het blad zowel
bescheidener als meer literair. Raster
ii volgt in de jaren tachtig in toenemende mate de route
die van utopie naar atopie leidt.66
Maar al met al kan men van Raster
ii toch zeggen dat het dé plaats was in de literatuur
waar voortdurend en hartstochtelijk werd nagedacht over en afstand genomen
van datgene waaraan men zich elders in de contemporaine cultuur zonder veel
nadenken overgaf. Om een voorbeeld te noemen: om Raster
ii heen werd een massa literaire popart en camp
geproduceerd, waarop Raster
ii wel reageerde maar dan enige jaren later in de vorm
van een themanummer over kitsch. Het blad reflecteerde op de kernthema's van
het postmodernisme. De schrijvers/filosofen die frequent in de kolommen van
Raster
ii opduiken, zijn dan ook Nietzsche, Baudrillard,
Foucault, Calvino, Enzensberger, Benjamin, Bakhtin, Barthes, Kojève, Leiris,
Bataille, Blanchot, Beckett en Adorno.
Raster
ii schreef terug en werd daarbij geïnspireerd door
poëtica's van schrijvers als Bataille (1867-1962). Batailles literaire
streven - ontwikkeld en uitgewerkt in de jaren veertig en vijftig, op de
drempel van het postmodernisme - blijkt veel te bevatten van datgene waar
ook Raster
ii op uit is geweest: ‘l'endroit vide’, de grenzen van de
communicatieve orde, de mystiek van de innerlijke ervaring, exta- | | | | se en zelfverlies, de grens als betekenismoment, de vorm voor het
vormeloze, taboe, het onzegbare, het fragmentarische, de verstoring, de
waanzin en het verband tussen heiligheid en geweld. Bataille was geobsedeerd
door de vraag waar het sacrale in de cultuur nog gevonden of ondergebracht
zou moeten worden in de wereld van na de Tweede Wereldoorlog. En welke ‘lege
plek’ gereserveerd moest worden voor de communicatie van de innerlijke
ervaring, van vriendschap en gemeenschapszin.67
In de belangstelling van Raster
ii voor bijvoorbeeld een schrijver als Bataille ligt een
aanwijzing voor datgene waarnaar het tijdschrift terugschreef: waar het in feite naar terugschreef. Bataille werkte vanaf 1939 tot
in de jaren vijftig aan zijn hoofdwerk Somme athéologique,
een filosofisch-literaire studie over de moderne cultuur. De titel is een
rechtstreekse, polemische toespeling op Thomas van Aquino's hoofdwerk Summa theologica. Bataille werkte dus aan een postmoderne
tegenhanger van Aquino's scholastiek uit de dertiende eeuw - en aan een postmoderne tegenhanger van Jacques Maritains moderne
versie van Aquino's ideeën, neergelegd in Art et
scolastique (1919). Met andere woorden: Bataille werkte duidelijk in de
traditie van de katholieke spiritualiteit, hoe tegendraads hij zich daarin
ook heeft opgesteld. Hetzelfde gaat ook op voor Blanchot en Leiris.
De redacteuren en medewerkers van Raster
ii hebben een uitgesproken voorkeur voor ‘ander proza’
aan de dag gelegd en houden er ook een andere canon op na. In deze canon
figureren vrijwel geen auteurs uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. De
schepping van zo'n eigen, ‘andere canon’ diende een polemisch doel. Door
consequent zo'n andere canon te hanteren gaf Raster
ii impliciet, maar continu, aan zich van zeker negentig
procent van de Nederlandse literatuur te distantiëren. Natuurlijk was de
creatie van die andere canon óók een literair program, gericht op het
speuren naar auteurs met een verwante literaire instelling, in welke
nationale literatuur dezen zich ook op zouden houden. Het vasthouden aan die
literaire nieuwsgierigheid heeft tot tal van interessante ontdekkingen
geleid en heeft ertoe bijgedragen dat Raster
ii misschien wel het meest originele tijdschrift van zijn
era is geweest. Maar uit het hanteren van zo'n andere canon spreekt tevens
een tamelijk gewild literair kosmopolitisme, dat zich door zijn
opzichtigheid paradoxaal genoeg vaak op de rand van provincialisme bevond.
Raster
ii nam in het literaire veld dus een nogal excentrische
positie in. Maar als men het tijdschrift zijns ondanks in
literair-historische perspectief beziet, dan valt toch op dat het in een
typisch Nederlands-literaire traditie staat. Dan springt in het oog dat
Raster
ii
, ongewild en ongeweten, teruggeschreven heeft naar een bepaald punt
in het eigen literaire verleden. Dit punt was
De gemeenschap
, de voorganger van Raster
ii in de jaren twintig en dertig, het tegendraadse, en
meest | | | | avantgardistische literaire tijdschrift uit het
interbellum, waaraan wij hoofdstuk x gewijd hebben.
Dat de meeste redacteuren en medewerkers van Raster
ii in een katholieke cultuur zijn opgegroeid is nog maar
een oppervlakkige overeenkomst met de redacteuren van De
gemeenschap. Belangrijker dan dit is de overeenkomst in de positie
die beide tijdschriften innemen in het literaire spectrum van hun tijd. Net
als De gemeenschap in het interbellum deed, munt Raster
ii uit in de vormgeving, roert het onderwerpen aan en
maakt het culturele en literaire keuzes die tegen de stroom van de
seculariserende anderen ingaan (vergelijk Fens' beoordeling in Raster
ii van de literaire popart als een ‘secularisatie van de
literatuur’, zie hierboven). Net als De gemeenschap
indertijd deed, irriteerde ook Raster
ii zijn literaire omgeving, omdat het een vorm van
engagement voorstond die in zijn tijd als passé werd beschouwd. De gemeenschap had daartoe teruggegrepen op de neothomistische
poëtica van de ‘dienstbare schoonheid’ en Raster
ii greep terug op de neomarxistische theorie van de
Frankfurters. De extreme, tegen de Zeitgeist gerichte
positie van Raster
ii komt op belangrijke punten overeen met de
‘ultramoderne’ radicaliteit, waarmee De gemeenschap zich
kantte tegen de Zeitgeist die in zijn dagen heerste. Net
als De gemeenschap in zijn tijd stond Raster
ii veertig jaar later te boek als naïef, wereldvreemd en
zelfs enigszins provinciaal. Maar net als De gemeenschap
boezemde ook Raster
ii veertig jaar later ontzag in bij zijn onverzoenlijke,
wereldwijze, sceptische en veel minder serieuze literaire tegenstanders.
Ontzag vanwege de inventiviteit, de diepgang en de onconventionaliteit die
het tijdschrift aan de dag legde; vanwege de vasthoudendheid waarmee het aan
een eenmaal getrokken, eigen lijn wist vast te houden, en vanwege de
creativiteit waarmee het eigentijdse thema's aansneed en belichtte.
| |
10 De revisor: glossy literature
Raster
ii was niet de enige plaats in de Nederlandse literatuur
van de tweede helft van de jaren zeventig waar de weerzin tegen de literaire
popart hoog opliep. Een andere reactie erop werd zichtbaar in de gedaante
van het tijdschrift De revisor (vanaf 1974). Maar De revisor reageerde veel minder principieel op de
literaire popart dan Raster
ii zou doen. Het trachtte iets te herstellen, maar wat?
Het richtte zich opnieuw op de modernistische traditie, maar had in feite
net zo min een programma als de Zeventigers dat hadden. De
revisor wilde de literatuur opnieuw voorzien van een cachet, dat
verloren was gegaan, en richtte zich vooral tegen het anti-esthetische en
anti-intellectuele karakter van de literaire popart. Het blad | | | |
voorzag in de behoefte het literaire klimaat opnieuw tot een sophisticated
onderdeel van de cultuur te maken. Maar met de literaire popartschrijvers
hebben De revisor-auteurs gemeen dat hun werk gekenmerkt
wordt door de afwezigheid van een poëtica.
Jeroen Brouwers, die zo vergeefs tegen de
publicitaire terreur van de Zeventigers had gebriest, komt de eer toe dat
hij als eerste scherp heeft waargenomen dat de literaire cultuur van
De revisor
zich alleen uiterlijk en niet programmatisch onderscheidde van de
literaire popart. In zijn ‘Brief aan de redactie van “De Revisor”’ van
oktober 1977 veegde Brouwers de redactie stevig de mantel uit, niet omdat
zij geen programma had, maar omdat zij het deed voorkomen alsof dit wél het
geval was.
Het was bovendien in de eerste helft van de jaren tachtig dat zich in de
inmiddels vrijwel volledig gemedialiseerde cultuur een selecte subcultuur
ontwikkelde van literaire cafés, poetry-avonden, centra
van lezingencycli en voorleespodia. Deze subcultuur, waarvoor de slaa (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) model
heeft gestaan, vestigde een nieuwe, geësthetiseerde theatervorm voor de
vrijetijdsbesteding van jonge intellectuelen die met de popart waren
opgegroeid, maar die zich daarvan wilden distantiëren. In deze subcultuur
diende literatuur eveneens slechts als aanleiding, maar nu tot een
geacheveerde vorm van ontspanning, die lang niet voor iedereen toegankelijk
was. In de loop van de jaren tachtig verspreidde deze subcultuur zich in
hoog tempo over andere steden van het land.68
De revisor is exemplarisch voor de tendens om in de cultuur
weer ruimte voor exclusiviteit te scheppen. Het blad bevatte en bevat dan
ook verhalen en gedichten waarin auteurs uitgebreid reflecteren op de
problemen aangaande het schrijverschap, die tijdens het modernisme centraal
stonden. Maar daarnaast bevatte het blad van meet af aan ook essays, waarmee
het voor een belangrijk deel zijn nieuwe literaire positie legitimeerde. De
essays hadden en hebben een hoog intellectueel gehalte, zijn op een
smaakvolle wijze geleerd en willen niet zozeer onderzoeken of onderrichten,
maar vooral verleiden. Deze essayistiek bood een vorm van
entertainment die grenst aan studiositeit. (In de tweede helft van de jaren
tachtig rukt het essay steeds verder op, niet alleen in literaire bladen,
zoals De revisor, maar ook in de krant.)69 De essays van het type Revisor gingen vrijwel zonder uitzondering over de
‘groten’ uit de high literature van voorheen. Ze
behandelden bij voorkeur de buitenlandse modernisten (Joyce, Eliot, Mann,
Proust, et cetera) en brachten later eveneens de grote Nederlandse
modernisten onder de aandacht (Nijhoff, Bordewijk, Ter Braak).
De behandeling die De revisor aan de modernistische auteurs
geeft, smukt het | | | | literaire verleden op met een zekere glamour,
die enigszins doet denken aan de sterrencultus bij massamedia als de film en
het theater. De oude modernisten verkregen een Avenue-achtige glans.
| |
11 Het epos van verzuiling en ontzuiling: 't Hart, Van der
Heijden, Kellendonk en De Jong
Er is een beperkt aantal Revisor-auteurs dat groot succes
heeft gehad en nog heeft: A.F.Th. van der
Heijden, Oek de Jong en Frans Kellendonk. Evenals de snel opkomende en
buitengewoon veelgelezen Maarten 't Hart wisten
zij in de jaren tachtig met hun geschriften een groot en gemengd publiek
blijvend te boeien. De reden van hun succes is wellicht als volgt te
verklaren. Gevormd in Revisor-kring hebben deze auteurs
zich ieder op zeker moment daarvan verwijderd om zich te richten op iets dat
hen dicht op de huid zat. Net als de Zeventigers schrijven deze auteurs
terug naar de drempel die het moderne van het postmoderne Nederland scheidt.
De genoemde auteurs meten in hun werk de cultuurhistorische spanning tussen
hun verzuilde jeugd en hun ontzuilde adolescentie literair uit. De
romancyclus van de oorspronkelijk katholieke, in Brabant geboren en getogen
Van der Heijden is wel het eclatantste voorbeeld: hij weet nu al meer dan
een decennium het literatuurminnende deel der natie in spanning te houden
met zijn vervolgroman. Maar ook de eveneens oorspronkelijk katholieke, te
Nijmegen geboren en getogen Kellendonk, die in
Mystiek lichaam
(1986) zijn verlies van het katholieke geloof beweende, en die in
Geschilderd eten
(1987) regelrecht teruggreep op hét geliefkoosde onderwerp van alle
katholieke emancipatoren sinds het eind van de vorige eeuw, de Vondelstudie,
is in dit verband belangrijk. Hetzelfde geldt voor de oorspronkelijk
gereformeerde, te Maassluis geboren en getogen 't
Hart, en al evenzeer voor de oorspronkelijk hervormde, te Dokkum en Goes opgegroeide Oek de Jong.
Het grote verschil met de Zeventigers is dat deze auteurs het thema van de
culturele emigratie die in de jaren zestig plaats heeft gevonden, behandelen
met veel literair raffinement en met een ontwikkeld gevoel voor de vorm. Van
der Heijden, Kellendonk, De Jong en 't Hart zijn de auteurs van de epossen
over verzuiling en ontzuiling. In tegenstelling tot de Grote Schrijvers uit
de voorafgaande periode zijn het bovendien vier schrijvers met een
uitgesproken regionale (in plaats van hoofdstedelijke) herkomst.
Niet alleen zetten deze auteurs het werk der Zeventigers voort, ook kan men
in hun verhalen de doorwerking waarnemen van de literaire camp die Reve had geïntroduceerd. Behalve een reviaans
gevoel voor ‘slechte smaak’ - dat zeker bij | | | | Kellendonks Mystiek lichaam werkzaam is - verraadt het werk van deze
auteurs de campobsessie met gender, waardoor ook Reves
werk gekenmerkt werd.
Evenals het werk van de Zeventigers en van Reve is het werk van deze vier
auteurs uit de jaren tachtig cultuurhistorisch van belang. Deze literatuur
weerspiegelt niet alleen hét grote culturele drama van het Nederland uit de
tweede helft van de twintigste eeuw (de drempels van verzuiling en
ontzuiling), ze heeft bovendien in belangrijke mate het beeld bepaald dat
van dat drama in de cultuur heeft postgevat.
In 1980 deed Ton Anbeek in
De gids
verslag van zijn teleurstelling over het feit dat het werk van De
Jong en 't Hart jonge Amerikanen niet aanspreekt. Anbeek riep vervolgens op
tot ‘meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur’. Anbeeks uitspraak
getuigde van een verrassende opvatting over hetgeen in de Nederlandse
verhoudingen onder ‘straatrumoer’ moet worden verstaan. Als het culturele
drama van ver- en ontzuiling geen straatrumoer is, wat dan nog wel? Dat
Amerikaanse studenten blijkbaar te weinig affiniteit met de Nederlandse
cultuur bezitten om dit drama spannend te kunnen vinden, is weer een heel
ander probleem.
| |
12 Het postmoderne midden: de akoïsering van de literatuur
Onder invloed van de literaire popart heeft het literaire bedrijf in de jaren
tachtig belangrijke veranderingen ondergaan. Uitgeverijen kwamen steeds meer
in de greep van de commercialisering van het boekenbedrijf. De boekenbranche
verloor veel van haar exclusieve status en werd steeds onverhulder een
commerciële sector, die net als alle andere onderhevig was aan de eisen en
fluctuaties van de markt.
Tot in de jaren vijftig bestonden grote reserves ten opzichte van de
commercie. In de decennia daarna veranderde het boekenbedrijf langzaam maar
zeker in een sector die boeken als een product aan de man
bracht. Boeken kregen een even korte omloopsnelheid als andere
consumptieartikelen. Uitgevers brachten veel titels uit, in de wetenschap
dat het merendeel ervan binnen korte tijd in de ramsj terecht zou komen,
maar tevens in de hoop dat er één of enkele succesvolle titels bij zouden
zitten waarmee alle investeringen terugverdiend zouden kunnen worden. Er
werd gebroken met de solide gewoonte om in de eerste plaats op de literaire
kwaliteit te letten. Men moest ook wel, omdat de boekhandel zijn assortiment
drastisch begon in te krimpen en zich ook steeds meer op de verkoop van
sellers ging richten. Uitgeverijen gingen over tot steeds snellere afstoting
van de nietlucratieve gedeelten van hun fondsen en offerden om te overleven
de stabiliteit | | | | van hun backlist van
leverbare titels op. Eveneens uit de drang tot commerciële overleving vonden
er in de loop van de tijd nogal wat fusies plaats tussen traditionele
uitgeverijen, terwijl talloze nieuwe werden gesticht, die de gewijzigde
zeden in het boekenvak als uitgangspunt voor hun beleid namen. We laten een
insider aan het woord:
Voor de uitgever is de uitwerking van de zg. mediatisering van de
literatuur paradoxaal. Enerzijds weet hij hoe fortuinlijk de media in het
voordeel van auteur en uitgeverij kunnen werken, waardoor hij zich gedraagt
als een toeschietelijke partner, een gewillige aangever, een commercieel
baasje dat grif inspeelt op de bestaande vraag naar ‘groot en nieuw’,
anderzijds beseft hij dat hij op deze manier de omloopsnelheid van elke
titel verkort, de waarde van de backlist vermindert, en dat een deel van
zijn auteurs gefrustreerd raakt, kortom: dat hij zo medeverantwoordelijk is
voor een afvalrace waarvan hij zelf het slachtoffer kan worden. Waar echter
op eigen kracht niet meer verricht kan worden dan op de beperkte schaal van
de uitgever nu mogelijk is, is er weinig keus.70
De marketingmethoden en reclamecampagnes voor boeken, auteurs of (literaire)
tijdschriften, die inmiddels onder uitgevers de gewoonste zaak van de wereld
worden gevonden, hebben grote invloed op datgene wat er verschijnt, wat
besproken en gelezen wordt. De instelling van de ako-literatuurprijs in 1987 was slechts een van de symptomen van de
medialisering en commercialisering die het hele boekenbedrijf decennialang
had ondergaan. De prijs is geheel gemodelleerd naar de Award-, Gouden Kalf-
en Edison-traditie van de amusementsindustrie. De instelling van de prijs,
en van de vergelijkbare prijzen die sindsdien zijn gevolgd, heeft de agenda veranderd van het eens zo terughoudende en solide
instituut van de literaire kritiek. Deze agenda werd in feite al lang niet
meer bepaald door wat de literaire kritiek voorheen placht te doen: het
registreren van nieuwe programma's, manifesten en ideeën, en het uitdelen
van literaire prijzen, die in beginsel vooral een symbolische waarde hadden.
Sinds de instelling van de ako-literatuurprijs wordt de
agenda van zowel uitgevers als literaire critici en televisiemakers voor een
aanzienlijk gedeelte gedicteerd door het commerciële ritme van het
prijzencircuit. Eerst wordt de commissie benoemd, daarna volgt de publicatie
van een zogenaamde shortlist van te nomineren boeken,
vervolgens de nominatie van een handvol kandidaten en ten slotte de
prijsuitreiking.
De akoïsering van de Nederlandse literatuur heeft zelfs die auteurs en
uitgevers geïnfecteerd die zich nog steeds tot de avant-gardepositie voelen
aangetrokken. Zij heeft een literair midden geschapen, waar alle voormalige
literaire uitersten zich gebroederlijk scharen onder de gloed van de
televisielampen. Schrijvers | | | | in de traditie van de literaire
popart zijn van nature niet vies van de commercie, maar ook een auteur als
Jacq Firmin Vogelaar is reeds tweemaal
genomineerd en Anthony Mertens71 heeft al een keer in
de jury plaats genomen. Dat zij in smoking aanwezig zijn, wanneer de
voorzitter van de jury - altijd een gerenommeerd (en gematigd) politicus of
gezien zakenman - in Neerlands oudste grand hotel de prijs uitreikt, wijst
op minstens twee dingen; het wijst niet alleen op een belangrijke
koerswijziging bij de oud-experimentelen. Het geeft ook aan dat het
verzorgde literaire warenhuis uit de jaren negentig intussen wel degelijk
schappen kent waarop naast hebbedingetjes ook moeilijke artikelen smakelijk
liggen uitgestald. Daarmee is werkelijkheid geworden wat Sybren Polet al in 1977 voorzag, toen hij schreef: ‘We zullen er
[...] rekening mee moeten houden dat het soort literatuur, waar we het over
hebben, het “andere proza”, experimentele poëzie, avantgarde toneel,
voorgoed tot de subculturen gaan behoren en, indien ooit, op heel lange
termijn niet meer tot de dominante cultuur zullen behoren [...].’
Door de veranderingen in het literaire bedrijf is de literatuur een
conglomeraat van subculturen geworden, die ieder voor zich op hun public
relations moeten letten.
| |
13 Het postmodernisme als raster
Het postmodernisme is in dit hoofdstuk gepresenteerd als een spervuur van
pogingen om naar het vóórpostmoderne verleden terug te schrijven. De
postmodernisten zijn vooral in de weer geweest het modernisme te vertalen in
termen die bij hun eigen werkelijkheid pasten. Ze blijken in de eerste
plaats geobsedeerd te zijn geweest door hun eigen passage naar de
postmoderniteit en lijken het eens te zijn met Walter Benjamin, die gezegd
heeft dat er maar één houding in de geschiedenis mogelijk is: met je rug
naar de toekomst.
Is de vertaling van een standpunt of houding uit het verleden een versie van
het verleden of is zij iets nieuws? In alles wat vertaald is, ontbreekt wat
onvertaalbaar bleek en is nieuwe betekenis ingeslopen. Vertalen is over- én
herschrijven: het is terugschrijven, in de betekenis die Vogelaar daaraan
gegeven heeft. Afbreuk doen door aaneen te voegen, demonteren door middel
van collage.
De Nederlandse cultuur van de jaren negentig kent geen dominerende posities.
Zij vormt een raster van meningen, poëtica's en
ideologische sporen, dat aan geen enkel nieuw idee meer de kans geeft als
een steekvlam op te schieten. De tijden van consensus en dissensus -
literair, politiek of religieus - liggen achter ons en wat ervoor in de
plaats is gekomen, zouden we aan willen aanduiden als een situatie van parasensus. Parasensus absorbeert alle afwijkende
geluiden, maar | | | | is toch iets anders dan repressieve tolerantie,
een begrip dat in de jaren zestig zo'n populariteit genoot. Parasensus is
ideologisch überhaupt niet meer benoembaar. Alles wat binnen de parasensus
gegenereerd wordt, afwijkend of niet, wordt direct gespreid over het
fijnmazige raster van de media.
De gloed die dit raster produceert, demonstreert wat het postmodernisme is.
Het postmodernisme heeft ten langen leste de burgerlijkheid aanvaardbaar
gemaakt door deze aan te lengen met de nodige antiburgerlijkheid.
|
1De term
‘verlengde adolescentie’ is van Abma (1990).
De Rooy ((1986): 136) geeft de volgende cijfers. De bevolkingsgroei was
in Nederland vanaf 1950 groot, maar desondanks nam de beroepsbevolking
door een spectaculaire vergroting van de onderwijsdeelname maar weinig
toe. In 1950 volgde 27% van de twaalf- tot vijftienjarigen onderwijs, in
1960 was dit gestegen tot 41%, waarna de groei zich gematigd voortzette.
Kennedy (1995): 168: ‘In 1950 waren achtentwintigduizend studenten
ingeschreven, in 1960 waren dat er veertigduizend en in 1970 zelfs
honderddrieduizend.’
6Ook de politieke
polarisatie, zoals Nieuw links of de ppr die
schiepen, was voor het merendeel de uiting van een andere, jeugdiger
politieke stijl en was in wezen een schijnpolarisatie,
die dan ook geen vervolg heeft gekregen. De jonge politici van Nieuw
Links en de ppr zochten veeleer naar een eigen
positie en naar een manier zich te onderscheiden van de oude politieke
garde in hun partijen dan dat zij standpunten verkondigden die op reële
politieke verschillen berustten.
8Kennedy (1995): hfst. 5. Dit geldt
voor de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming ( wub) uit 1970 en voor de wetgeving op het gebied van pornografie,
abortus, euthanasie en drugs.
11Deze
paragraaftitel is ontleend aan het hoofdstuk ‘Homo ludens in opstand’
van Kennedy (1995): 126.
17Wennekes (1995): 74: ‘Het ging hier [het dagbladzegel] om een vorm van
accijns, aanvankelijk door de overheid geheven om de schatkist te
spekken, maar uiteindelijk vooral bedoeld om de verspreiding van nieuws
(en dus stof tot ontevredenheid) onder grote delen van de bevolking
tegen te gaan. [...] In Nederland liepen de kosten van het zegelrecht op
tot 57 procent van de abonnementsprijzen en drukte het dagbladzegel soms
zwaarder op de begroting dan de aanmaakkosten van een krant [...] Het
dagbladzegel had ook in zoverre het beoogde effect, dat leden van de
midden- en werkmansstand zich geen abonnementen op dagbladen konden
veroorloven.’
18Zie voor een
beschrijving van de overgang van de materiële naar de postmateriële fase
in de westerse samenlevingen van na de Tweede Wereldoorlog: Inglehart
(1977).
19Nieuwenhuis (1964): 35. Nieuwenhuis' utopische verwachtingen
doen sterk denken aan die welke Frank van de Goes formuleert in zijn
bijdragen aan het socialismedebat in het begin van de jaren negentig van
de vorige eeuw. Zie daarvoor hfst. vi, de paragraaf
‘Het socialismedebat: Tachtig tegenover de moderniteit’ en in het
bijzonder de subparagraaf ‘De wetenschappelijke egalitarist: Van der Goes’.
20Kossmann heeft al eerder gewezen op de overeenkomst tussen
enerzijds d'66 en anderzijds de Nederlandse
Volksbeweging en ‘de groep progressieve intellectuelen uit de jaren
1880, die zich radicalen noemden en het partijstelsel wilden veranderen
door de politiek los te maken van levensbeschouwing en dogmatiek’.
(Kossmann (1986) ii: 300 e.v.)
21Vogelaar
(1981): 315-316.
23Roegholt
(1972): 211-214.
24Bakels en Opheikens (1986):
298.
27Zie Windmuller (1970): 255. Zie ook
hoofdstuk iii ‘Bezetting en herstel’ (107-145) en
hoofdstuk vii: ‘Het wettelijk en institutioneel kader
van de industriële verhoudingen’ (252-303). ‘Het eerste en
waarschijnlijk op zichzelf belangrijkste wettelijk instrument in de hele
naoorlogse periode op het gebied van de arbeidsverhoudingen was het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen ( bba) van
oktober 1945. Het bba, bedoeld als noodmaatregel voor
een noodsituatie, bracht zowel naar inhoud als in procedures vernieuwing
[t.o.v. de jaren dertig]. Naar inhoud regelde het zulke zaken als het
aantal te werken uren, gegeven en vrijwillig ontslag. Wat procedures
betreft, legde het bij het weer ingestelde College van Rijksbemiddelaars
de uiteindelijke bevoegdheid om, onder ministerieel toezicht, alle lonen
en andere arbeidsvoorwaarden die bij individueel of collectief overleg
waren bepaald, te beoordelen. Zo werd het kader gevormd voor een
landelijke loonbeheersing. En tenslotte bepaalde het bba dat het College van Rijksbemiddelaars overleg moest plegen met
de Stichting van de Arbeid alvorens adviezen te geven of besluiten te
nemen.’ (131) Op 24 mei 1940, nauwelijks twee weken na het begin van de
Duitse bezetting, droeg de Duitse overheid de vier Rijksbemiddelaars
(die in het vooroorlogse Nederland reeds functioneerden, maar een
beperkte bevoegdheid hadden) op ‘gezamenlijk een landelijk college te
vormen. Tegelijkertijd kregen zij bindende loonbepalingen uit te
vaardigen, als collectief onderhandelen spaak liep en bemiddeling geen
succes had. [...] Het College van Rijksbemiddelaars werd na de oorlog
voor de regering het voornaamste orgaan om het gecentraliseerde systeem
ter vaststelling van de lonen te besturen.’ (109-110) De economische
aanpak van de Duitsers tijdens de bezetting werd na de oorlog bij wijze
van nood- en overgangsregeling gehandhaafd. Niemand dacht toen dat een
aantal vragen, dat zij opriep, na de oorlog ‘“onbeperkt” zou worden
uitgesteld en dat het bba de hoeksteen zou worden van
de wetgeving betreffende de industriele verhoudingen’. (255)
28In het voorwoord tot dit boekje van De Rougemont schreef Van
der Leeuw dat er een geestelijk ideaal aan democratie en vrijheid moet
worden toegevoegd, willen deze echt kunnen werken. ‘Wanneer men
daarginds zijn politiek als een religie beleeft, laten wij dit niet
doen, maar laat ons veeleer in onze religie een nieuwe politiek zoeken.
Slechts een beter geloof dan dat uit vrees voor de menschen geboren
werd, kan ons redden.’ (De Rougemont (1939): 6)
30Bertens (1995), ‘Introduction’: 3. De volgende citaten zijn
vertalingen uit Bertens' ‘Introduction’.
31De term
‘popart’ ontlenen wij aan de kunstgeschiedenis. Popart is een vorm van
beeldende kunst die zijn inspiratie put uit de facetten van de moderne
consumptiemaatschappij. Popartkunstenaars, zoals Andy Warhol, Roy
Lichtenstein, Claes Oldenburg en Robert Rauschenberg, zijn gefascineerd
door alledaagse voorwerpen uit de consumptiemaatschappij en door de
advertentietechnieken. Supermarkten, voedsel in blik, huishoudelijke
apparatuur, (televisie)advertenties, strips en filmsterren vormen hun
geliefkoosde onderwerpen. Hun iconografie is koel, gewild oppervlakkig
en objectief. Popartkunstenaars vergroten de banale voorwerpen die ze
uitbeelden. Ze schilderen deze niet - dan zou bij voorbeeld de
penseelvoering een moment van interpretatie kunnen scheppen -, maar
hanteren de gladde druktechnieken (plastic-, acryl- en emailleverven),
waarmee in de reclamewereld wordt gewerkt. Zodoende houdt de
popkunstenaar zijn objecten op maximale afstand. Nederlandse
vertegenwoordigers van de popart in de beeldende kunst zijn onder
anderen Gustave Asselbergs, Woody van Amen, Peter Blokhuis, Rik van
Bentum, Reinier Lucassen, Wim T. Schippers, Daan van Golden, Sam
Middleton en Jacob Zekveld. Zie: Huijbregts (1993).
33Vogelaar (1987): 326-327.
34Het eerste tijdschrift van
het type ‘magazine’ is Twen/Taboe (1960-1961). In 1981
zag een reprint van dit blad het licht (Peter van der Velden,
Amsterdam). Het blad vertoont een merkwaardige mengeling van ouderwets
en ‘hip’. Het is halfliterair (het telde onder zijn medewerkers veel
literaire coryfeeën als Hermans en Campert), maar het heeft tevens
duidelijk commerciële oogmerken. Het deed aan traditionele
‘voorlichting’ van de jeugd, maar gaf tevens voedsel tot opruiing. Het
kent advertenties die zo uit de toenmalige Katholieke
illustratie of Margriet afkomstig hadden
kunnen zijn, maar heeft tevens feeling voor ‘artistieke’ vormgeving,
waarbij avant-gardetechnieken - zoals collage, montage en op groot
formaat afgedrukte close-upfoto's - jongerenfähig worden gemaakt. Twen/Taboe is dan ook het eerste popblad in Nederland.
Het toont hoe elementen van de hoge cultuur stilistisch worden opgewarmd
als ‘appetizers’ voor een breed publiek van jongeren. Voor een
uitgebreide beschrijving van het blad, zie Righart (1995):
151-160.
37Zie Goedegebuure (1993).
38Van Tijen (1991) en Mol (1985a) en
(1985b). Van Tijen onderscheidt in de door hem aangehouden periode de
volgende jeugdstromingen en soorten jeugdbladen: fanclubs, provo,
kabouter, culturele underground, krakers, stadskranten en punk. Deze
stromingen hebben gezamenlijk 237 verschillende blaadjes voortgebracht.
De voor dit betoog belangrijkste categorie, de culturele underground,
heeft aan maar liefst 48 blaadjes het leven geschonken.
39Hans Plomp, Amsterdams dodenboekje. Amsterdam 1970, is wel hét
voorbeeld van de opzettelijk oppervlakkig gehouden imitatie van Nescio's
Titaantjes. De hoofdpersoon leest tijdens het
verhaal ook in Nescio's werk.
40Spaan, Stoker, Van
de Reijt e.a. (1980): 9 (onze cursivering). Zie ook: Van Dijl (1980),
waarin Brouwers inhoudelijk en stilistisch de bal krijgt
teruggekaatst.
42Zie voor de notie ‘vertalen’ in verband met terugschrijven: Boomkens (1995b).
44René Huigen, Tom Lanoye, K. Michel, Bart Brey,
Dalstar (Koos Dalstra), Joost Zwagerman, Johan Joos, Frank Starik,
Pieter Boksma, René Stoute en Arthur Lava.
51De Rover
(1993): 794-795.
52Meijer (1989): 83 en 85.
53Zie: Varnedde en Gopnik (1991).
55De eerste herkenning van Reve als campkunstenaar stamt uit
1970. In een kort artikel over de huldiging in de Allerheiligste
Hartkerk in
Tirade
schrijft J.H.W. Veenstra: ‘Er is voor Van het Reve een etiket
te vinden dat volledig zijn verschijning dekt en het daarmee aan te
duiden kader bezorgde mij op de bewuste huldigingsavond het al genoemde
en altijd gedienstige schokje van herkenning. Sinds Susan Sontag het
vijf jaar geleden intoduceerde is het begrip camp meer
en meer gangbaar geworden. Camp is het vertederd na-beleven van een
periode die definitief voorbij is, het onverplicht koesteren van de
attributen en het onwennig hanteren van begrippen die ertoe behoorden;
en dat op een manier die net iets meer is dan stoeien, een ietwat
hulpeloos en nostalgisch en soms ook verbeten doen en laten. Camp is
achteruit kijken vanuit een levensgevoel dat voorwaarts is gericht en
camp is daarom ook niet ouderwets, maar akteert het ouderwetse. Een met
ernst akteren zelfs, al naarmate het vooruitzien pijnlijker en de
verlegenheid groter is. Camp hoort juist typisch bij een
overgangsperiode en als camp-schrijver zie ik Van het Reve precies staan
op de plaats waar hij staat.’
57Zie ook: Smulders (1983): 37-48.
58De redactie van Randstad werd gevormd door Hugo Claus, Ivo Michiels, Harry
Mulisch en Simon Vinkenoog.
62Polet (1977a) en
(1977b).
63Mertens (1979) en Vogelaar (1974a [Over de Zeventigers
i.h.a. en over Biesheuvel, Andriesse, Van Keulen, Luijters en Heeresma
i.h.b.].)
65Hier wreekte zich
het verschil van literaire instelling tussen de ex- Barbarber-redacteur Bernlef en Mister Raster, oftewel
Vogelaar. Dit verschil tussen Bernlef en Vogelaar was al veel eerder, in
Raster i, tot uiting gekomen.
Zie daarvoor: ‘Literatuur in diskussie.’ [Een gesprek tussen H.C. ten Berge, J.
Bernlef, R. Bloem, G. Kouwenaar en J.F. Vogelaar].
Genotuleerd en samengesteld door L. van Marissing. In: Raster
i 4/2 (zomer 1970): 110-135.
66Voor een
gedetailleerde overzicht van de posities die de verschillende critici en
tijdschriften in de jaren tachtig innamen, zie de paragraaf ‘Het
postmodernisme in het Nederlandse literaire landschap’ in: Ruiter
(1991): 258-280. In dit overzicht wordt duidelijk dat de
literatuuropvatting van auteurs rond Raster
ii in deze periode naar het midden toe
verschuift.
70Dietz
(1994). Dietz vervolgt: ‘Ik doe een poging dat uit te leggen. Zuiver
literaire uitgeverijen zijn klein en die kwalificatie geldt ook voor de
grootste van die uitgeverijen, de bekende namen zo u wilt. Ze zijn veel
kleiner dan de meeste mensen denken. Zij worden voor veel groter
versleten omdat zij zo'n grote uitstraling hebben dankzij de media.
Vergeleken bij informatieve en educatieve molochs als Elsevier en
Wolters-Kluwer of een tijdschriftengigant als vnu
zijn het piepkleine muizen. Al eerder in mijn verhaal noemde ik de
totale omzet van het literaire boek in Nederland, een bedrag [bij een
omzet van algemene boeken van 640 miljoen] van ca. 140 miljoen, een
schijntje bij de drie miljard van Wolters-Kluwer. U mag van mij aannemen
dat ongeveer 5% van de omzet besteed wordt aan marketingcommunicatie of
promotie. Dat betekent in dit geval dat er ongeveer 7 miljoen in die pot
zit voor de gehele literaire branche. Dat lijkt veel maar is eigenlijk
bitter weinig. Als u de advertentietarieven van de dag- en weekbladen
kent, zult u dat bevestigen. De literaire uitgeverij kent daarenboven
enorm veel produkten waaraan iets gedaan moet worden. Wanneer dat 120
boeken per jaar betreft in een literaire uitgeverij met pakweg een omzet
van 10 miljoen gulden, dan begrijpt u dat uit de promotiepot van 5% - in
ons rekenvoorbeeld dus een half miljoen gulden - onmogelijk elke nieuwe
titel actiegewijs begeleid kan worden. Tenslotte vraagt ook het oudere
fonds, de zogenaamde “backlist”, meer dan ooit zelfs, om aandacht. Tegen
de achtergrond van deze situatie begrijpt u dat een literaire uitgever
het bovenal moet hebben van “free publicity” en genoodzaakt is alle
kansen op publiciteit voor zijn 120 te benutten. De uitgever moet de
voorwaarden scheppen om de media zo hard mogelijk te laten werken voor
de boeken van zijn auteurs. Dat lukt in een aantal gevallen nauwelijks
of onvoldoende door het idioot grote aanbod op de boekenmarkt. Daarom
gebruiken de piepkleine muizen hun geachte muizepoot om te stampen, te
stampen om aandacht. Wie op een afstand kijkt naar deze drumband van
stampende muizen, zal het hoofd schudden en beamen: de mediatisering van
de literatuur is een feit. Boem. Paukeslag.’
71Toen nog criticus, met een uitgesproken Raster-optiek, tegenwoordig uitgever.
|
|