terug  begin  verder
[p. 70]origineel
 
Geen wreder soort als Bethl'hems moort.



illustratie

 
Of moort-en heers-lust samen spannen;
 
En woeden, elk hun best, om t'zeerst:
 
Spyt alle listen van tirannen,
 
Wien Godt wil sparen, redt hy eerst.
[p. 71]origineel

Dooden dans. De kinder-moort, Te Bethlehem. Sesde Plaat.

 
NU hadt het vrugtbre zaat van Abraham verkregen
 
Dat vrugtbaar Lant, het welk hun vaadren, tot een zeegen
 
Voor hen, was toegezeit. God had hen 't gantsche lant,
 
En al hun volkeren, genoegzaam in hun hant
 
Gelevert; en hy had bevolen 't al te doden;
 
En, door het vuur, en staal, die volkren uit te roden,
 
Gelyk een onverzaadbre en onvermydbre pest;
 
Zodanig, dat geen ziel, in dit gedoemt gewest
 
By lyve bleef, by hen, Gods volk, Gods uitverkoornen.
 
Op dat het overschot hen niet, als felle doornen,
 
In 't lighaam stak. Men viel ook al op 't overschot;
 
En Juda, na men God gevraagt had, nam nu, tot
 
Syn bystant, Simeon; en viel de Cananiten
 
Op 't lyf, in Baezek; sloeg hen, en de Pheresiten,
 
Tien-duizent mannen af; en namaals, hier, en gints,
 
Al meer: want hy vervolgde, en overwon alsints.
 
God streed met Juda, en was by hem, met zyn zegen,
 
Jerusalem, dat hy reeds door het swaart verkregen
 
Had, heeft hy uitgemoort, en door de vlam verteert:
 
So sloeg hy alles doot wat van hem overheert
 
Wierd. Al wat boven op, en aan 't gebergte woonde,
 
Verdelgde hy, zonder dat hy eene ziel verschoonde
 
Der Cananiteren: maar in de vlakten kon
 
Hy niets verwinnen; wyl dier Cananitren vond
 
Was, yzre waagnen, daar het vuur niet op kon hegten
[p. 72]origineel
 
En 't staal op stomp wierd; en die strekten hunne knegten
 
Een yzre borstweer: en door zulk een wagenborg,
 
Bleef Juda van hen, en liet hen bevryt van zorg.
 
Maar d'andre stammen, die de kryg nu niet meer zogten
 
En zig nu ook niet meer Gods wil te binnen brogten,
 
Gedoogden, dat dit volk, van God zo zeer versmaat,
 
En, om hun afgodsdienst, geregte vloek, en haat,
 
Verdienden, wonen bleef, in iders stams gedeelte:
 
Dog, als nu Israël zeer magtig wierd in veelte,
 
Genoegde 't zig, in plaats hen alle doot te slaan,
 
Hen cynsbaar te doen zyn, en daar voor door te gaan.
 
Die cynsbre volkren, die ze als vrinden, wonen lieten,
 
Dat waren Philisteen, en al de Cananiten,
 
En Sidoniten, en Heviten, aan 't gebergt,
 
Van Libanon, dat met zyn top de wolken tergt,
 
Van Baäl Hermon af, tor Haemath toe, woonagtig.
 
Daar woonde Israël, hoe mogende, en hoe magtig
 
Het was, by Cananit, Hethit, en Amorrit
 
By Pheresit, en by Hevit, en Jebusit.
 
Zo lang Vorst Josua, en al die met hem samen,
 
In deze landen, door Gods wondere bystant, quaamen,
 
Nog leefden, dienden 't volk alleenlyk Jehova:
 
Dog die gestorven zynde; en Israël hier na
 
Dat heilloos Heidendom gedogende te wonen
 
Als vrinden, onder hen, doe huuwden ook de zonen
 
Der onbesneed'nen, aan de dogtren Israëls;
 
En Israël huuwde, aan de dochtren van dit hels
 
Geslagt, hun zoonen uit, als om Gods eer te mindren
 
Dit Bastaart teelsel van Israelytsche kindren,
 
Daar 't zaat des heydendoms nu in was en in wies,
 
Verkoos den afgodsdienst van hun geslagt; en dies
 
Verminderde Gods eer in Israel, door woorden,
[p. 73]origineel
 
En daden. God, die zig des bozen werks verstoorde
 
Gaf ze over, in de hant der Syiërs, een tyt,
 
Van vier paar jaren, tot volkomen dienstbaarheit.
 
Nu roude hen 't quaet, zo dat zy tot hem schreiden
 
Die hen, door Athniël, nu weer verloste, en vryde
 
Van hunne slaverny. Maar, als nu, na de doot
 
Van Athniël, het volk de weelde weer te groot
 
Wiert, viel 't al weder tot de zelve afgoderyen;
 
En dagt niet, dat hen zulks weer zou ten plaag gedyen.
 
Het had in vreede, nu al veertig jaren lang
 
Geleeft; Maar hun gedrag des vreedes viel hen bang:
 
Want God zond Eglon, die de Vorst der Moabieten
 
Was, en zyn Heyr versterkt had met d'Amalekiten,
 
En Ammoniten, hen op 't lyf: die dwong hen doe
 
Tot cynsbaarheyd, en nog tot dienstbaarhyd daar toe.
 
Die dienstbaarhyd had nu volkomen agtien jaaren
 
Geduurt; en zy, die des nu al verdrietig waren,
 
Verzugten nu, met al het volk, weer tot den Heer,
 
Hun goedertieren God; en die verloste hen weer
 
Door AEhud; die, wanneer hy tol bragt by de Koning
 
Der Moabiten, hem in zyne zomerwoning,
 
In 't Koninklyke slot, zyn vette balg doorstak;
 
De zaal-deur na zig sloot, heen vlugte, op zyn gemak,
 
Weer na de zynen; daar hy, van de steille kruynen
 
Van Ephraims gebergte, al strak de Krygs-bazuynen
 
Deed blazen; sprak en voerde het Heyr kloekmoedig aan:
 
En sloeg des vyands Heyr aan dees zyd der Jordaan,
 
Zo, dat niet eene, van het Heyr der Moabieten,
 
Tien duizent stark, vermits die alle 't leven lieten,
 
Te rug quam; en vermits nu Israel te sterk
 
Voor Moab was, was die ook 't ende van het werk
 
En 't was, by Jacobs zaat, nu volle tagtig jaren
 
In rust en vreede: en doe'er Philisteenen waren,
 
Die zig verhesten, 't volk van Israël ten trots,
[p. 74]origineel
 
Sloeg Samgar, Anaths zoon, alleen maar met zyn knots
 
Zes-hondert van hen doot: waar door de rest zo schrik ten,
 
Dat niet een Philisteen van krygs-belang, meer kikte
 
Maar Israel, zo lang in vrede zynde, dee
 
Wat quaat was in het oog des Heren, in hun vree.
 
En daarom leverde God hen, tot straf, in hande
 
Des Cananitschen Vorst Jabin, die ze overmande,
 
Door magt, en 't krygs-beleid zyns Heyr-hoofts, Sissera,
 
En 't negen hondert-tal van yzre waagens dra
 
En onvoorziens, vol moets hen op den hals te zenden
 
Hier door quam Israel zig weer tot God te wenden
 
En schreide tot hem: God verhoorde hun beede en sprak
 
Door Debora, een vrouw, die, door Gods last, Barak
 
De zoon Abi Noams, gebood, om aan te spannen,
 
Tot hyl der volkren, met tien duzent strytbre mannen
 
Der stammen Naphtali en Sabulon: maar als
 
Dit Sissera vernam, tragte hy hen op den hals
 
Te komen; deed zyn heyr ter yl by een vergaaderen
 
Ook d'yzre wagenen met hun gestaalde raaderen.
 
Barak doot Debora, en zy, door God geport,
 
Viel, met de zynen, op dien vyant, dien te kort
 
Schoot, en, al vlugtende, tot een toe, wiert verslagen:
 
Hun Heyr-hooft, Sissera, ontvlugten, van zyn waagen
 
Te voet; wierd, in zyn vlugt, van Haebaers vrouw gekent;
 
Die hem, gevynst, in schyn als vrint, in hare tent
 
Verbergde, drinken gaf, en, met een kleet bedekte,
 
Gelyk als of ze hem tot zyns lyfs behout verstrekte.
[p. 75]origineel
 
Dog, die de regen week, versoop hier in een drop;
 
Wyl ze hem een spyker door een hamer, in de kop
 
Dreef, dat die, door zyn kop, in de aarde vast bleef steken:
 
Barak, die liep en zogt hem, om den hals te breken,
 
Wierd door Jaael, dit wyf, in hare tent genood,
 
Waar ze hem zyn vyand wees, dog reets door haar gedood
 
Dus endigde die slag: dog dit was maar beginnen:
 
Want Israel hiel niet op van staag te overwinnen.
 
Tot zelf Jabin, de Vorst der vyanden, door haar
 
Verdelgt was; en doe had men vrede veertig jaar.
 
Maar Israël, dat in hun weelde wel gewoon was
 
Te zondigen, en niet te denken wat dat 't loon was
 
Sloeg weer op 't oude spoor verkeerde wegen in
 
Waarom de strat dan ook niet min als in 't begin,
 
De zonde volgde, zo dat zy gants zeven jaren
 
Ten roof, ten proje der Midianiten waren;
 
Zo, dat ze hen hollen in 't gebergte maakten, om
 
Ter noot te vlugten voor 't Midianitendom,
 
En 't zaat van Amelek, die, met ontelbare hopen.
 
Zeer dikwils quamen, om hun Landen af te lopen,
 
En overliepen ze als de geloven van een zee,
 
Die, na zyn inbreuk, huys, en velt-vrugt, volk en vee,
 
En wat hem voorkomt, komt gelyk als in te swelgen
 
Zo was die menigte ook in alles te verdelgen.
 
Weshalven, als dien hoop weer weg vertrokken was
 
Niet over bleef voor mensch nog vee nog vrugt nog gras.
 
Dit was zo jaar op jaar, die onverdraaglykheeden
 
Verwekte Israël tot zugten en gebeeden,
 
De grote goedertierne erbarmer deed de zon,
 
Zyns heils weer opgaan: God verwekt Gideon.
 
Door wonderdaden, zig ten oorlog te bereiden
[p. 76]origineel
 
Als Velt-heer Israëls, en helden-moedig stryden
 
Met hunne vyanden, derwelkers leger dan
 
Bestond, in hondert-vyf-en-dartig-duizent man:
 
En Gideon had twee-en-dartig-duizent koppen.
 
Wat schriklyk onderscheit! Wat ongelyke troppen!
 
d'Amalekiten een on-overzienbre ry
 
En Israël maar een klyne hant vol by,
 
Die groote menigte: op dat die niet roemen zoude,
 
Dat hen hunne eigen kragt, en talryk heir, behouden
 
Had, was, in menigte, als God zeide nog te groot;
 
Dies deed hy Gideon verkonden; wie de doot,
 
Blood-aardig vreesde, zich mogt vry na huys begeven;
 
't Geschiede ook; zoo dat maar tien duizent mannen bleven
 
Daar Gideon maar slegts drie-hondert uit verkoos
 
En met zig nam; en, met dit wynigien, zeer loos
 
De vyand, in de nagt verschrikte, en weg deed vlugtten
 
Doe viel gants Israël, verwittigt door gerugten,
 
Die vlugtelingen, die malkandren (door de nagt
 
Bedrogen) dooden, van rondom, en onverwagt,
 
Op 't lyf, en liet niet af van alles uit te roden:
 
Die 't, over de Jordaan, in aller yl ontvloden,
 
Vervolgde Gideon daar ook, en sloeg ze doot,
 
Met zyn klyn hoopjen; zelf die borgren, die hem broot
 
Gewygert hadden, doe hy d'andren na ging jagen,
 
Heeft hy uit wraak, in zyn te rugkomst, ook verslagen
 
Van dit ontzaglyk hier bragt niet een eenig man,
 
Zelf hun vier Vorsten die 't geboden, 't leven van.
 
Zo dat gants Israël nu wel en buiten noot was,
 
Maar doe nu Gideon, dien Helt des Heeren doot was
 
Verviel me allengs weer tot de snode afgodery;
[p. 77]origineel
 
Ja slimmer, want men voegde 'er al d'afgoden by
 
Der Syriërs, der Philisteen, der Moabiten,
 
Die der Sidoniërs, en die der Ammoniten
 
God, wien geen zonde zo als d'afgodsdienst, mishaagt,
 
Heeft, tot hun straf, dat volk hen op den hals gejaagt
 
Wiens Godloze afgodsdienst by hen was aangenomen
 
Gelyk die volkren ons zyn op den hals gekomen,
 
Wiens wyzen, kleding, en verandering in dragt,
 
By ons, voor çierlyk, ten gewoonte is ingebragt.
 
Het zaat van Ammon quam hen over; en 't gelukten
 
Die hyd'nen, dat zy 't volk van Israël verdrukten,
 
En zo beangstigden, dat zy door noot weer tot
 
Hun ouden helper, wien hun vaadren tot een God,
 
In schyn niet, maar in daat verstrekt, weder keerden,
 
Hun schult beleeden, en ontzet van hem begeerden:
 
Dog 't antwoort was nu: my, die u in noot altyd
 
Gereed heb, en u uit uw angst gehulpen, zyt
 
Gy afgevallen: roept nu tot die vremde Goden
 
Die gy verkoren hebt; dat deze u uit uwe noden
 
Nu redden. Israël riep nu tot Jehovà:
 
Verlost ons nu maar slegts, en doet met ons daar na
 
Na u behagen! wy bekennen onze schulden!
 
De vreemde Goden wou men nu ook niet meer dulden.
 
Doe zond God Jephthe, die de zoon was van een hoer
 
Door Gilead geteeld, en strydbaar: deze voer
 
Den Ammonieten, met zyn strydbre mannen, tegen;
 
Vielze aan met dapperhyt; verkreeg van God den zeegen;
 
Versloegze; volgde hen, met de sabel in de nek:
 
Daar was des vlugtens, en des doodslaans, geen gebrek.
 
Hen dus vervolgende, verdelgde hy twintig steeden
 
Der Ammonieten: en die waren doe te vreden
[p. 78]origineel
 
En verdemoedigt voor het volk van Israel.
 
Maar doe quam Ephraïm, en maak te een ander spel
 
Met Jephtha, die ze uit spyt, zyn heerlykheid misgonden.
 
En bragten zo veel volks te samen als zy konden;
 
Zo deed ook Jephtha, die uit Gilead, zyn stam,
 
Al 't strydbre mee nam, en daar mee te velde quam.
 
't Verlies trof AEphraïm afgryslyk; en daar vielen
 
Die dag, van die stam, twee en veertig duyzent zielen:
 
De vluchters kozen de Jordaan, om over 't veer
 
Te raken; maar daar was juist Jephthas volk al eer:
 
Die vroegen dan, aan die daar wouden overvaren,
 
Of zy geen volkren van d'AEphraïmiten waren?
 
Was 't antwoort, neen; zo zeid men: zeg dan schibbolet!
 
Maar wyl juist AEphraïm de letter schin niet net
 
Kon zeggen, maar, als het volk van Gulik: dreven,
 
Zo zeid hy sybboleth: dat koste hem dan het leven.
 
Het Volk van Israel begaf zich in der daat
 
Voortaan geduurig tot het eene of 't andre quaat,
 
Behalven d'afgodsdienst: waarom God, in die dagen,
 
Hen, tot hun straf, het jok der Philisteen deed dragen
 
En schoon of Simson al een duisent Philisteen
 
Ter neer stoeg, met een van hun broedren kakebeen;
 
En, of hy, stervende, veel groter hoop deed sterven;
 
Nogtans moest Israel de vryheid aan hen derven:
 
En, wyl zy God, en zyn gebod, hoe langs hoe meer
 
Verlieten, namen straf nog plagen ook geen keer.
 
't Gebeurden dat een van de stamme der Leviten,
 
Op reis, in Gibea een Stad der Benjamiten,
 
Vernagte; alwaar het volk des stadts zyn bywyf schond;
 
Zodanig, dat hy haar doot op den drempel vond:
 
Gants Israel quam zich hierom tot wraak vergadren:
[p. 79]origineel
 
Den eis was: Benjamin zou hen die snoode dadren
 
Ter handen stellen, om hen, voor die boosheid, straf
 
Te doen gevoelen: maar dewyl men ze hen niet gaf,
 
Besloot men, dat daar zo niet by te laten steeken:
 
Dies bragt men 't leger voor de Stat, om zig te wreeken.
 
Dog in twee slagen, doe 'er Benjamin op an
 
Viel, koste 't Israel wel veertig duizent man.
 
Ten dardenmale liep het Benjamin gants tegen,
 
Wyl ze op het spoedigste, een zeer fellen neerlaag kregen
 
Zo, dat die gantsche stam verdelgt en uitgeroot
 
Wierd, op zes hondert na. Dit klyn getal ontvlood
 
De dood: maar al hun vee, hun kindren, en hun wyven,
 
En Steeden, liet men niets van tot een teken blyven:
 
't Was alles tot een proy, voor vuur, en vlam, en kling:
 
Men spaarde mensch, nog beest, nog Stad, nog eenig ding.
 
't Gebeurde ook, dat men zig der Philistynschen lasten
 
Ontslaan wou: men begon malkandren aan te tasten,
 
Ten tyden als Samuël het leeraar ampt begon;
 
Maar 't heidens leger van de Philisteen, verwon
 
Het heir van Israël, dat voor hun heerschers wyken
 
Moest, en liet, op het velt, omtrent vier duizent lyken;
 
Dog wilden even wel de slag hervatten: maar
 
De kas des Heeren wiert in 't heir gebracht; om haar
 
Te helpen in den stryd: nu dorst men 't weder wagen
 
Dog dartig duizent wiert hun leger afgeslagen;
 
De rest vlood weg: de kas des Heeren, daar 't geloof
 
Des overwinnings op gevest was, bleef ten roof
[p. 80]origineel
 
Den Philisteen, die se in hun afgods-tempel stelden,
 
Benevens Dagon: maar, wyl plaag op plaag hen quelden,
 
En Dagon, zonder hooft en handen, neder lag,
 
Beslooten zy ze, op een daar toe verkoren dag,
 
Te rug te zenden, op een wagen door twee koeyen
 
Getrokken: dit gediert met bulken en met loeyen,
 
Quam tot Beth Schaemesch, daar het Volk van Levi quam,
 
En die herkreegne schat af van de Wagen nam.
 
Der Beth Schaemitren, die dit heiligdom genaakten,
 
Sturf vyftig duizent man, die God juist hier om wraakten.
 
Het volk, dat langs hoe meer hun dienstbaarheit verdroot,
 
Deed endlyk 't geen hen God, door Samuel, geboot.
 
Het schikte zig tot God, van harte, alleen, te vrezen;
 
En liet geen Afgod meer in hunne palen wezen:
 
Men trok een heir by een, om endlyk, door een stryd
 
Van d'onderdanigheid der Philisteen bevryd
 
Te raken. 't Hydens heir klonk dit niet wel in d'oren;
 
Dies quamen ze, om die daad in d'aanbegin te storen;
 
En dagten aanstonds, voor een vaardige overval
 
Hen af te maken: maar God donderde onder al
 
Die Philisteen, met zulk een Schrikkelyken donder,
 
Dat zy verbaasden; ook sloeg Israel daar onder;
 
Versloeg hun heyr; verdreefze uit hunne palen; nam
 
Hun steden weder, van dien vyant; en die quam,
 
By 't leven Samuels, niet meer in dezen lande,
 
Daar hen Gods donder, met verbaastheid, buiten bande.
 
Maar 't wispelteurig volk, dat nu eens dit, dan dat
 
Voor goet keurt, had nu weer wat anders opgevat:
 
Men eischte, spyt de raat van Samuel, een Koning.
[p. 81]origineel
 
Die drift was nu in 't volk. Daar baate geen verschoning.
 
Daar moest een Koning zyn. Een Koning was nu 't woort.
 
Die eis was vast gestelt: dat moest daar nu mee voort,
 
God gaf hen Saul dan ten Koning; en die deede
 
Zyn eerste proefstuk, in 't ontzetten van de Stede
 
Van Jabes Gilead; waar Nahas, d'Ammoniet,
 
En 't Ammonitsch heyr, verslagen wierd; en liet
 
Geen teken over, dat hy hier ontrent gelegen
 
Had. Saul kreeg terstont ontzag door deze zegen.
 
Daar tegen quam nogtans het heyr der Philisteen,
 
Ontelbaar in getal, nu ook weer hierwaarts heen:
 
Maar God verschrikte hen; gaf hen angst; zo, dat zy vloden;
 
En vlugtende, verbaast, den een den ander dooden:
 
Op dit zig moordende en verbaast veltvlugtig volk
 
Viel Israël nu in; en heeft, met spies en dolk,
 
Het alles afgemaakt wat niet van daar kon vlieden.
 
Zo gaat het, als God wil dat zulks zo zal geschieden.
 
Doe Saul 't Koninkryk van Israël nu vry
 
Had, en gevest was in de ontzagbare heerschappy,
 
Voerde hy den Oorlog om zich heen, den Moabiten,
 
Den Ammoniten, en d'onzaglyke Edomiten,
 
Den vorsten Zoba, en den Philisteen, in 't Lant;
 
En, waar hy d'Oorlogs-toon deed blazen, d'overhant
 
Aan zyne zyde zyn. Die Israël voor dezen
 
Ontroerden, moesten zelf nu voor die zelve vrezen.
 
Nu zond God Samuel tot Saul, en gebood:
 
d'Amalekiten op het lyf te vallen; doodt
 
Te slaan; de vrouwen, en de kindren (zuigelingen
 
Daar in begrepen) 't staal ten boezem in te dringen;
 
Geen ziel te spaaren, van al 't geen maar adem trok;
 
Ja zelf geen ezel, os, nog koe, nog geit, nog bok,
[p. 82]origineel
 
Nog schaap, nog lam, in 't kort, wat leeven was gegeven,
 
Moest Saul, door zyn volk, beroven van het leven.
 
Op dit bevel dan, quam zyn heyrkragt in het velt;
 
Twee hondert duizent, en tien duizent wel getelt.
 
Met die ontzaglyk heyr, bekwaam om voor te afgryzen,
 
Viel hy d'Amalekit op 't lyf, en deed hem dyzen:
 
Versloeg die heyrkragt; en vervolgde ze op de vlugt,
 
Tot aan Egipten toe, al matssende. De zugt
 
Nogtans, die hy, en 't volk, tot Gods beveelen toonden,
 
Was slegt; vermits zy 't goede en 't vette vee verschoonden,
 
En dooden slegts al 't geen niet waardig was om mee
 
Te voeren, naamlyk 't maagre en anders lompen vee.
 
d'Amalekietsche vorst, in 't leven, en gevangen,
 
Wierd meegevoert, om roem, door zegepraal, te erlangen.
 
Maar Samuel quam, als dit heyr in Gilgal ley;
 
Hy zag dien roof, tot daartoe meegevoerd, en zey
 
Tot Saul: doe gy klyn waart in u ygen oogen,
 
Heeft God u Vorstlyk, tot een Koning, doen verhoogen
 
Nu, Koning zynde, ontfongt gy dit bevel van God:
 
Gaat heen; slaat Amalek! verdelg die zondaars, tot
 
De leste toe! verdelg hun kinderen, en hun wyven;
 
Ja al hun vee! laat niets wat leeft in 't leven blyven!
 
Nochtans gy hebt Gods wil verworpen. Hier is blyk:
 
Dies zyt gy ook van God verworpen, die u ryk
 
Verdeelen zal. God heeft zig zelf een man verkoren,
 
Die na zyn hart is; dien is 't Koninkryk beschoren.
 
Doe eiste hy Agag, Vorst van Amalek, tot hem
 
Te brengen: die quam zelf, en sprak met fierre stem:
 
Dus moet men 't bittere des doots, door moet, versmaden,
[p. 83]origineel
 
Maar Samuel verweet dien Vorst zyn euveldaden,
 
En hieuw hem doe ter stont in stukken van malkaar,
 
Doe trok hy na zyn huis tot Ramat, en van daar,
 
Na Bethlehem, alwaar hy David zalfde. Deze
 
Was 't voorbereidsel, tot het geen hy namaals weezen
 
Zou. God nu nam de geest des heils van Saul; gaf
 
Die David. Saul nu bestond, van die tyd af,
 
Als op zig zelf. De geest des menschen moet men agten
 
Te vallen, als hem God niet ophoud: en de kragten
 
Des menschen, als hem God, met zynen Geest verlaat
 
Zyn zondig; zonder rust; en maar alleen tot quaat
 
Genegen. Saul die nu op zig zelf bestonde,
 
Was zo onrustig, dat hy nergens troost in vonde:
 
Dies bragt men David nu in 't Hof, wyl die zig wel
 
Verstond op 't spelen, op den Harp, en Snarenspel;
 
Op dat hy 's Konings geest, door spelen zou verquikken:
 
Dit hulp; en David wist zich zo daar na te schikken,
 
Dat hem de Vorst beminde, en halen deed wanneer
 
Zyn ziel vol onrust was, en deed hem daarom eer.
 
't Gebeurde nu weer, dat de Philisteen hun magtten
 
By een, ten oorlog in het velt van Socho, bragten:
 
Daar was een grove vent by, van geboorte uit Gath,
 
Zes ellen en een hant breet hoog, en Goliath
 
Genaamt; geharnast, van den hoofde tot de voeten;
 
Die quam 't heir Israëls met schampere smaat begroeten,
 
En stelde voor: zo 't een man met hem wagen wou,
 
Van Sauls mannen, dat die eenen kamp-slag zou
 
Een velt-slag baten: wie verwinner zoude raaken
 
Zou, door die zegenpraal, zyn vyand dienstbaar maken;
[p. 84]origineel
 
Maar Sauls volk, verschrikt door zulk een gooten beest;
 
Ontsette zig; ontviel de moet, en was bevreest
 
Doch David, als die tot zyn broers, in 't heir, gekomen
 
Was, heeft hy die zaak, en nog boven dien, vernomen
 
Dat wie dien Goliath verwinnen zou, ten loon
 
Sou 's Konings schoonsoon zyn: dies zogt hy deze hoon,
 
Gods volkren aangedaan, voor zulk een loon te wreken.
 
Hier over quam hy met de Koning zelf te spreeken:
 
Die kleede hem Koninklyk, en gespte hem 't harnas aan
 
Maar David ongewoon zo swaar gedost te gaan,
 
Trok 't uit, en wapende zig met zynen staf, en slinger,
 
En goede steenen; en door God gemoedigt, ging 'er
 
Alzo na toe. De groote en trotse reus verscheen
 
Daar aanstonts ook; en 't oog van elk was daarwaarts heen.
 
Van beide zyden ging voor af, een taal, en reden,
 
Na de aart van die ze sprak. De reus met grote schreeden,
 
Trad aan na David; maar die hief zyn slinger op
 
En trof dien grovaart, met een steen, voor in zyn kop,
 
Zo, dat hy nederviel, en David tot hem stapte,
 
Des Reuzen swaart nam, en daar mee zyn kop af kapten,
 
Doe 't heyr der Philisteen dat zag, nam 't straks de vlugt:
 
Maar 't heyr van Israël, liep, met een groot gerugt,
 
Hen in; versloegze; en joeg hen na, tot aan hun vesten:
 
Doe keerde ze te rug, na 't leger dezer pesten,
 
En plonderden 't: en Gods gezalfde, David na
 
Jerusalem, met kop, en zwaart, Zo dra
 
Had David dit geschenk aan Saul pas gegeven,
 
Of, tot beloning, stond hy hem, uit nyt, na 't leven:
[p. 85]origineel
 
En, schoon hy hem, door gonst des volks, om reen van staat
 
Een bende Krygs-volk gaf, en uythuuwde aan zyn zaat,
 
Zo speurde hy klaarlyk, dat Gods geest, van hem geweken,
 
In David was; dies zogt hy hem den hals te breken;
 
Gelyk als dikwils bleek in zaaken van dien aart:
 
Schoon David, als hy hem kon doden, hem gespaart
 
Heeft; nochtans moest hy tot den Koning Achis vlieden,
 
Een Philisteensche Vorst. Nu voerden deze lieden,
 
En de andre Vorsten van het lant der Philisteen,
 
Met Saul oorlog, en zy trokken daarwaarts heen;
 
Maar zonden David met zyn volk, uit hunne schaaren,
 
Door wantrouw, weer te rug, als zou hy 't Land bewaaren,
 
Dat, door die velttogt, was als zonder volk en hooft.
 
Nu juist had Amalek een groote buit gerooft,
 
Uit Zieklag en het deel van Juda. Hy, verbolgen
 
Door deze plondering, ging de rovers agtervolgen,
 
Met maar vier-hondert man. Geen wonder, dat hy wouw
 
Dien roof herrooven; want zy hadden vee en vrouw,
 
Zo zyne, als al der zyne, en zyner lants genoten,
 
Gerooft, en mee gevoert, die togt, dan zo beslooten,
 
Wierd voortgezet: hy trof des vyands leger aan,
 
Verstrooit, en zonder zorg; en viel'er in te slaan,
 
Veldelgde 't magtig heyr van Amalek; versloeg ze;
 
Door zyn vier hondert, op vier-hondert na; ontjoegze
 
De gantsche buyt; gaf elk der zyne weer;
 
En zond na Juda 't geen hen was ontrooft: wat meer
 
d'Amalekiten zelf ontrooft was, wiert zyn helden
 
Zodanig uitgedeelt als Moses wetten melden.
 
Maar nu ontfong hy ook een tyding, van een slag,
 
Der Philisteen, zo swaar als Israël oyt zag,
[p. 86]origineel
 
Het heir van Israel was niet alleen verslagen;
 
Maar Saul zelfs, en zyn drie zoons, doot weg gedragen
 
Door 's vyants volk onthooft, en, tot een pronk gebragt
 
Op 's vyants wallen; dog hen weer ontrooft by nagt
 
De Steden, over de Jordaan, en in de dallen,
 
Verlaten, en daar door in 's vyands magt vervallen.
 
Die tyding was gelyk een donder in het oor
 
Van David, wyl hy daar zyn halsvrint ook verloor
 
Prins Jonathan, de zoon van Saul. David vraagde,
 
Vermits zyn vyand doot was, wat nuvan God behaagde?
 
Gods antwoort was; dat hy na Juba, tot een Stad
 
Van Hebron, reizen zou. Hy nam dan derwaarts 't pad;
 
Met al de zynen; en nam in dat land zynewoning;
 
En wierd aldaar ook, door het volk, gezalft ten Koning
 
Van Iuda. Isboseth, een zoon van Saul, wiert,
 
Door Abner, die het heyr des Konings had bestiert,
 
Van 'gantsche Israel, met Steden en met dorpen
 
Met magt van Krygs-volk, ook tot Koning op geworpen:
 
Dien zelven Abner, twee jaar na die tyt, uit spyt,
 
Maakte Isboseth de gonst van alle volkren quyt,
 
Tot nut van David; en had schelms dit stuk besteken
 
Dog wiert door Jacob, om zyn broeders doot te wreeken,
 
Verraderlyk vermoort; en David, zeer gestoort
 
Op Joab, Judaas Heyr-hooft, vloekte hem om die moort:
 
Maar, doe twee hooft-luy, van het heyr van Abner samen
 
Gespannen, Isboseth in slaap vermoorde, en kwaamen
 
Met hunnen Konings-hooft, by David, heeft hy haar
[p. 87]origineel
 
Doen doot slaan om die moort. Maar nu verscheenen daar
 
Al d'Opperhoofden der Israelietsche benden,
 
En stammen; toonden, dat zy, tot hun Vorst, erkenden
 
De Koning David; wien zy zalfden tot hun Heer
 
En Koning. Israel had nu geen Koning meer
 
Behalven David. Jerusalem daar woonden
 
De Jebusiten, daar zig David tegen toonde;
 
Verdelgde ze, en heeft daar post gevat:
 
Hy zelf trok in de borge Zion; doe Davids Stat,
 
Na hem genaamt, van hem ten woonsteede aangenomen
 
Nu zyn de Philisteen, ten kryg, weer opgekomen
 
Dog zyn door David, na hy God had raat gevraagt,
 
In tweemaal slaans, geheel verslagen, en verjaagt.
 
Ook dwong hy, door verscheide afgrysselyke Slagen,
 
De Moabiten, 't jok hen opgelyt, te dragen.
 
Zo ook de Syriërs, en Edomiten, dwong
 
De Vorst van Zoba, daar hy schier een heyr van vong;
 
En maakte, dat zyn naam ontzaglyk wiert, en heerlyk
 
De buit van Zilver, en van Gout, schoon onwaardeerlyk,
 
Wierd God gehyligt. Nu is 't na die tyd geschiet
 
Als Joab, Heyr-hooft van de Koning, d'Ammoniet
 
Bekrygde, en David 't huys bleef, dat zyn oog aanschoude,
 
(Juist als hy, op het dak, zig wat verkoelen woude)
 
Dat schone Bathzeba zig baden, moedernaakt:
 
Hy, schoon 't een egte vrouw was, keurde haar zoo volmaakt
 
In schoonhyd, dat hy haar, in hem, deed zegepralen
 
Dies deed hy ze aanstonts, door zyn dienaars, by hem halen
[p. 88]origineel
 
Beswangerde haar; en deed bevordren, dat haar man
 
Te sneuvelen quam: doe maakte hy zig bezitter van
 
Die schoonhyd, die hem zeer veel wellust kon verschaffen.
 
Maar God verkondigde, hem daarom te willen straffen:
 
't Geschiede ook: Absalom, zyn zoon, die, om de smaat,
 
Zyn Suster Thamar, aan gedaan, door wrevel haat,
 
Zyn broeder Ammon, om die schennis, deed vermoorden;
 
En na vergiffenis dies broedermoorts, met woorden,
 
En kus zyns vaders, maakte een aanhang in het ryk;
 
Verwekte een oproer; dwong zyn vader, tot de wyk
 
Voor hem te nemen; schond zyn wyven op den dake
 
Des Borgts van Davids Stad: God dede dit, ten wrake
 
Des Egtsbreuks, met de vrouw van Urias begaan;
 
En tot een straf des moorts, dien Krygsman aangedaan.
 
Dog nu gedagte God weer aan David, en verkeerde
 
De kans, zo, dat het volk van David, overheerde
 
De wederspannige van deugt ontaarde zoon,
 
Die twintig duizent man door 't swaard verloor, en 't loon
 
Zyns wederspalts, de doot, ontfong, van Joabs han den,
 
Tot Davids leet. Nu was hy weer in zyne Landen,
 
En heerschappy, herstelt. Maar endlyk, op het lest,
 
Heeft God nog zeeven maal tien-duyzent man, door pest,
 
Doen sneuvelen in zyn ryk; tot straf voor 't volk te tellen.
 
Dog van te vooren quam een duurte het volk te quellen,
 
Tot wraak, om Gabaön (gespaart door Josua)
 
Door Sauls wreveldaat verdelgt, op wynig na,
[p. 89]origineel
 
Die doe de doot, in bos en wildernis, ontvloden
 
Deeze had doe David uit hun wykplaats op ontboden
 
En sprak: waar meede zal ik u verzoenen, zoo,
 
Dat gy Gods erfdeel, ons, weer zegent? zy, niet blo
 
In 't eysschen, eysschten uit den huyze Sauls zeven
 
Van zyne zoonen, om die, door de strop, het leven
 
Te nemen: David gafze hen over na hun wens.
 
De zegen Gods wiert hier gevordert van den mens.
 
De vrugtbaarhyt wiert wel herstelt; maar in die Stede
 
Kwam d'Oorlog viermaal met de Philisteen, die mede
 
Ten plaag verstrekte, schoon de vyant ook verdelgt
 
Wiert; wyl de kryg altyt en goed en volk verswelgt.
 
Indien men zeid, dat God zyn wraak nog niet volbrogt had,
 
Wyl David, zegen, niet van God, maar 't volk, verzogt had,
 
Ja, van zulk volk, die, door bedrog, en list, maar slegt
 
Het leven, tot den dienst des volks was toegezegt;
 
En dat God, na die kryg, en niet zyn wraak gesleten
 
Was, David porde, om 't net getal zyns volks te weeten.
 
En dat hem doe die pest, tot end-straf, opgeleit
 
Wierd, zoud men zeggen dat dit qualyk was gezeit?
 
Doe Davids ouderdom zyn kragten deed verminderen,
 
Stond Adonia, een van Davids outste kinderen,
 
Door Priester Abjathars en Joabs quaden raat,
 
Na 't Koningryk, en hief zig zelf tot dezen staat,
 
Door magt van Ruitren, op: dog David dit te weten
 
Gekomen zynde, heeft al dien handel omgesmeten,
 
Vermits hy Salomon, zyn alderliefste zoon,
 
Geteelt uit Bathzeba, ten eersten op den throon
 
Deed stellen; en zulks elk, door uitroep, en die zaken
 
Die daar toe dienden, deed volkomen kundig maken.
[p. 90]origineel
 
Na Davids doot stond Adonias evenwel,
 
Zo listig als hy kon, na 't ryk van Israël:
 
Doch Salomon, die nu 't verraat niet meer gehengen
 
Wou, deed, door Baenaja, dien broer om 't leeven brengen;
 
Gelyk ook Joab, aan de hoeken van 't altaar:
 
Want die was Amasaas en Abners moordenaar;
 
Een oproermaker, en weerzoordig knegt zyns Heeren:
 
De Priester Abjathar moest na zyn akker keeren,
 
En ruimen Zadok plaats: en Simei, om dat
 
Die David hadt gevloekt, wanneer hy zyne Stat,
 
Om Absalom verliet, wierd in die Statgebannen,
 
Op dootstraf; maar wanneer hem, na drie jaar, twee mannen,
 
Zyn knegts, ontvloden, jaagde hy die tot Gath toe, na
 
Dies, wederkomende, wiert hy, door Baenaja,
 
Door Salomons bevel, ten eersten doot geslagen.
 
Voorts dorfde niemant iets tot 's Konings nadeel wagen.
 
't Weergadeloos verstant van Koning Salomon,
 
Is allen volkeren, gelyk de middag-zon,
 
Bekent. Zyn wysheid klonk door allerly geslagten
 
Der aarde; en zulks dee hem ontzaglyk zyn, en agtten.
 
Zyns magtig Koninkryks- en volks- en hof-bestier,
 
Was op een heerlyke en voortreffelyke manier.
 
Hy wierd, om zyn verstant, gelyk als aangebeden,
 
Door grote Koningen, en andere mogentheden.
 
Hy boude een tempel, tot den dienst van Jehova,
 
Wiens deftige heerlykhyd, en glans, geen wederga,
 
Nog had, nog heeft, nog op het Aardryk zal bekomen:
 
Daar toe was 't konstigste en het kostlykste genomen,
 
Dat elders was: daar blonk niet anders als klaar gout.
 
Ook wierd een Koninklyk palys door hem gebout,
 
Zo cierlyk, vorstlyk, en zo deftig, dat men nimmer
[p. 91]origineel
 
Gelezen heeft van zulk een vorstlyk hof-getimmer,
 
De konst en kostlykhyt bet wisten 't werk om 't zeerst:
 
En 't best was nog, dat dit met wyshyt wierd beheerst.
 
Zo moest men, 't Hydendom ten trots, een tempel stigten,
 
Die 't hart, door heerlykheyt, kon, als ten Heemel ligten.
 
Het volk van Israël, afgodisch van gemoet,
 
Schopte anders ligtelyk de Gods-dienst met de voet:
 
Maar God, die hen verloste uit hunne slavernyen,
 
Wilde hen, door offer-dienst, en glants d'afgoderyen
 
Ten ziel uit roden: maar dit wispelturig volk
 
Was noit geredt uit d'eene, of 't viel in d'andre kolk:
 
Zelf Salomon, de wyste en de beste van hun allen,
 
Is, door zyn wyven, tot den afgods-dienst vervallen,
 
In zynen ouderdom: hy boude templen, tot
 
Den dienst van Milcom, en ten dienst van Astaroth,
 
En al de goden van zyn schone uitheemsche wyven,
 
Die 't hart des Konings, tot dien gruwel te bedryven,
 
Vermurwden; waarom God hem ook te kennen gaf,
 
Dat hy 't groot-magtig ryks-gezag, en scepter, af
 
Zoud scheuren van zyn zoon, die maar een stam zou erven
 
Dien wyzen Salomon quam endlyk dan te sterven;
 
En liet Rehabeam, zyn zoon, 't grootmagtig ryk
 
Ten erfdeel na: maar die gaf strak zo weynig blyk
 
Van wysheid, dat hy na der ouden raat niet horen
 
Wou; maar, door loskops raat der jongen, 't ryk verloren
 
Heeft; zo, dat hy het ryk van Juda maar behiel
 
Ten Koninkryk: de rest, hem wederspannig, viel
 
Jeroboam, de zoon van Naebat, toe: die maakte
 
Twee gouden kalven, en daar templen toe: dus raakte
[p. 92]origineel
 
Gants Israël daar door, weer tot d'afgodery;
 
En Juda zelf bleef niet lang van dien gruwel vry
 
Wie zal zig over zulk een afval niet verwondren?
 
Dies quam de Koning van Egipten alles plondren
 
Wat hy naken kon: den tempel Salomoons,
 
Het Koninklyk palys, en heel de Stat des troons
 
Jerusalem: en, behalven deze plagen,
 
Geschieden dikwils zeer afgrysselyke slagen,
 
Die, door Jerobaäm, en door Rehäbeäm,
 
Elkander toegevoegt, hen duur te kosten quam
 
Den afgods dienst, zo 't scheen, ommoogelyk gants te ontwortelen,
 
Als hier gedempt wiert, kwam daar gints weer op te bortelen
 
Srurf een afgodisch Vorst; een ander, die de kroon
 
Kreeg, was niet beter, en kreeg ook geen beter loon.
 
't Volk Israël was, door, den afgods-dienst, vergeeven;
 
En wynige van hen zyn daar van vry gebleven.
 
De Vorsten heersten als tirannen, schoon God ook
 
d'Afgoderyen en de tyrannijen wrook,
 
Door oorlog, duurte, en wat nog meer tot straf gedyen
 
Kon. Schoon Propheten, Vorst, en volk, hun razernyen
 
Bestraften, en de straf, in Gods naam, hen voor 't oor
 
Uitdaverden, nog kreeg de Godspraak geen gehoor
 
Als maar zomtyds. Ook bevond zig magtig zelden
 
Een Vorst in Israël, daar Gods woort iets by gelden