Dooden dans, Verbeeldende Een Koorde dansser, Agter wien de Dood, voor gek, mede danst, en de Koorde-dansser van agteren wenkt. Agt-en-twintigste Plaat.
DE werelt is al schier vol opgepropt van grillen:
En altyd zyn'er die daar anderen in willen
Te boven gaan; waar toe zy geen practyk, noch vlyt,
Nog moeite sparen, op dat zulks dog wel gedyt:
En elk poogt andren, van zyn grillen, wys te maaken,
Als waren 't heerlyke en voortreffelyke zaaken,
Tot nut van dit of dat. En 't zy dan zulk een gril,
Zo zottelyk, en zo onnutlyk, als het wil,
Men vint 'er altyd die de zotste grillen roemen,
En, als iets deftigs, met een hoofschen eernaam noemen.
Indien persoonen van een hooger staat als zy,
Behagen scheppen in die raare zotterny;
Voornaamlyk, zo ze'er zelf dan ook vermaak in vinden:
Dan zal men zig niet zelf alleen maar onderwinden,
Die gril te leren, maar men prystze ook andren aan;
Om in geselschap, op die grillen t'school te gaan:
En schoon 't was schandelyk; het wort een gril met eeren,
Indien die volk van Staat, en groote estime leeren:
Men denkt niet op de spreuk van algemeen gebrek:
De grootste wyzen zyn by posen zomtyds gek.
Die spreuk gaat door. Men wil daar niemant van verschonen,