terug  begin  verderprepost
[p. 16]

1 Vormen van oraliteit

Het vertrekpunt van een beschrijving van de Antilliaanse literatuur is paradoxaal, want van wat er ‘vóór de letters’ als ‘oratuur’ - hier en in het vervolg kortheidshalve voor ‘orale literatuur’ gebruikt - werd voortgebracht, kunnen we nu alleen nog kennisnemen dank zij de letters, waarin ze aan ons, laat-twintigste-eeuwers, is overgeleverd. De zegslieden zijn immers overleden en met hen is, zoals het gezegde wil, een boekenkast in vlammen opgegaan, zonder dat we ooit zullen weten wat de inhoud daarvan is geweest en tot welke vroege periode ze terugging.

Volgens de algemene mening van onderzoekers is de Antilliaanse oratuur ouder dan de geschreven literatuur. Direct daarop moet dan wel de opmerking volgen dat de behandeling van de oratuur ‘van het begin’ geen enkel moment zal mogen suggereren, dat de Antilliaanse woordkunst oraal begon en daarna in uitsluitend geschreven vorm werd voortgezet. De oratuur mag niet beschreven worden als een afgesloten begin-hoofdstuk; haar invloeden gaan door tot vandaag de dag.

Bij specifieke gelegenheden voorzagen specialisten in de behoeften van het collectieve geheugen van de orale maatschappij. Hun recitaties hadden een encyclopedisch, recreatief en normerend karakter, dat ze verwoordden door middel van ritmische, akoestische en semantische herhaling, door gebruik te maken van melodie en dans, en door via de aangename vertelling het nuttige te brengen aan de luisterende groep die actief respondeerde.

Eventuele oratuur zou natuurlijk allereerst gezocht moeten worden bij de oorspronkelijke Indiaanse bewoners van de zes eilanden, maar van hun prehistorie hebben we niet meer dan enkele geografische aanduidingen en plantenamen, werktuigen, versierd aardewerk en rotstekeningen. Het enige voorbeeld dat sinds Nicolaas van Meeteren er in 1947 en Cola Debrot in 1955 op wezen, nog wel eens wordt geciteerd, is een Arubaans rijmpje (of misschien bezweringsformule) ‘Dori dori mako, si mi muri, keende ta derami? / Ami ami ami / Dori dori mako, ora mi muri keende ta yorami? / Ami ami ami.’ [‘Kikvors, lieve kikvors, als ik sterf wie zal mij begraven? / Ikke ikke ik / Kikvors, lieve kikvors, als ik sterf wie zal om mij wenen? / Ikke ikke ik.’] Cola Debrot gaf de oude rijmregels op gezag van K. Martin, een Duitse geoloog, die in 1885 Aruba bezocht en die ze hoorde van een

[p. 17]

oude vrouw. Hij interpreteerde het rijmpje als resten van een primitieve orale literatuur, zonder daarover veel bijzonderheden te kunnen geven. Onderzoek heeft nog op geen van de eilanden reminiscenties van Indiaanse oratuur opgeleverd.

De Spaans koloniale periode duurde bijna anderhalve eeuw, vanaf de ‘ontdekking’ en de eerste kolonisatie rond 1500 tot de verdrijving van de Spanjaarden door de Nederlanders in het vierde decennium van de zeventiende eeuw. Met de Spanjaarden verlieten toen de meeste Indianen het eiland Curaçao; op Aruba en Bonaire bleef het Indiaanse element langer aanwezig. In deze periode schreven weliswaar enkele Spaanse ‘passanten’ - tijdelijk op het eilanden wonenden - als Lázaro Bejarano en Juan de Ampués, maar er was geen autochtone literatuur, noch zijn er sporen van enige oratuur, al moet die er wel geweest zijn.

De Nederlanders kwamen voor zout voor hun haringvisserij en om een strategisch en handelssteunpunt te hebben in hun strijd tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog. Door de zich al snel ontwikkelende slavenhandel werden de Indiaanse, Noordeuropese en zich uitbreidende joodse bevolkingselementen sedert de tweede helft van de zeventiende eeuw spoedig numeriek overheerst door de uit West-Afrika gedeporteerde slaven, die op Curaçao en Sint-Eustatius in de stad en op de plantages werden tewerkgesteld, op Bonaire en Sint-Maarten eveneens in de zoutpannen.

Hoewel H. Hoetink al in 1958 constateerde dat er niets bekend is over de aard en het aantal van de afrikanismen in de achttiende eeuw, neemt men toch algemeen aan dat het begin van de oratuur het gevolg van de slavenhandel en de komst op de eilanden van de zwarte bevolking was. Niet het Portugees, Spaans of Nederlands van de shons, maar Papiamento - dat als algemene contacttaal in het dagelijkse Babylon fungeerde - en Engels werden het vertrekpunt van de Antilliaanse oratuur.

Zich baserend op Caraïbische studies concludeerde Cola Debrot dat de oratuur zich op de Benedenwindse eilanden gelijktijdig met het Papiamento moet hebben ontwikkeld. Nadat de uit West-Afrika afkomstige slaven de cultuurschok van de ‘middle passage’ moeizaam te boven waren gekomen, ontstond de ‘fase van de renovatie van de Afrikaanse folklore’ in de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw.

De Curaçaose folklore-deskundige Elis Juliana beriep zich op eigen taalkundige bronnen door de gezangen die bij de ‘ocho dia’ [dodenwake] gebezigd werden en die een wonderlijke mengeling van

[p. 18]

verbasterd Latijn, Spaans en Papiamento bevatten, te plaatsen ná de komst van de Spaanse zwerfpriesters die vanaf het begin van de achttiende eeuw oogluikend in de Nederlandse kolonie werden getolereerd: ‘de mensen componeerden hun eigen gebeden. Ja, tijdens de Ocho Dia werd wel degelijk gezocht naar een eigen verbinding met het Opperwezen, maar het werd toch als belachelijk beschouwd. Men verstond niet wat er werd gebeden. Ik zei al dat het een compositie was; er zat verbasterd Latijn in, verbasterd Spaans en er zat Papiamentu in, het was voor een leek volkomen onverstaanbaar. Degeen die het componeerde kon meestal zelf niet lezen of schrijven, maar die had een enorm goed geheugen. Die kon dat helemaal uit het hoofd opratelen. Ik heb later schriften in handen gekregen, waarin een kind of kleinkind letterlijk opschreef wat er gezegd werd. Fonetisch dus. Ik heb zo'n schrift, je krijgt er de raarste dingen in te lezen. Maar als je het goed gaat bestuderen en je neemt een missaal in je hand, dan blijkt dat het toch klopt.’

Elis Juliana wijst zo in 1983 op een met Debrots stelling vergelijkbaar beginpunt van de ons nu nog bekende orale resten. De ‘cantica di ocho dia’, gezongen door de voor dat doel specifiek gekwalificeerde ‘sakristan’ ofte wel voorbidder, zouden dan tot de oudste ons nog fragmentarisch bekende oratuur behoren. Gedurende het traditionele waken bij een zieke die op het sterfbed lag en de ‘ocho dia kantá’, de negende dag na het sterven, werden door een speciaal daarvoor uitgenodigde ‘echado di cuenta’ verhalen verteld en raadsels opgegeven. Die horen dus ook tot deze beginfase van de oratuur.

Oratuur is er niet alleen bij deze riten rond de dood, maar ook in andere levenssferen zoals de werkliederen ter verlichting en harmonisering van de zware dwangarbeid op het veld, en als begeleiding van de aan het oog van de meester onttrokken feestelijke ontspanning van de slaven. Cola Debrot schreef over de oratuur, ‘dat zij het onderbewustzijn tot in zijn diepste lagen bevolkt en deswege de harten op een mysterieuze “unheimische” wijze beroert, die zich aan redelijke verklaringen onttrekt.’ Ze staat volgens Debrot onder de invloed van autochtone Indianen, West-Afrikaanse slaven en Europese boekaniers - bevolkingsgroepen, ‘die etnisch en cultureel zozeer van elkaar verschillen dat zij op het eerste gezicht in geen enkel opzicht gelijkenis vertonen. Bij nader toezien blijkt dat deze drie groepen hetzelfde lot delen voor zover zij alle drie in een beschavingssfeer van gestoorde normen verkeren.’

[p. 19]

Papiamento

Zonder een uitspraak te doen of zelfs maar een standpunt in te nemen over de heikele kwestie of het Papiamento al op de kusten van West-Afrika ontstond of later in het Caraïbisch gebied zelf, kan er wel vastgesteld worden dat een vroege versie van deze taal al vrij snel gesproken werd. Tot de oudst bekende meldingen ervan behoort de uitspraak van pater Schabel, die in zijn bewaard gebleven dagboek van 1705 over een soort ‘gebroken Spaans’ sprak, dat door de mensen gesproken werd.

Het Papiamento was in de ‘gesegmenteerde slavenmaatschappij’ die Curaçao in die tijd was, al heel snel verankerd, want het werd niet alleen de algemene contacttaal tussen de slaven, zeker van hen die langer in de kolonie bleven en de normale taal die meesters en slaven ten opzichte van elkaar hanteerden, maar ook de taal van de meesters onderling. De opvoedingssituatie was zodanig georganiseerd, dat de witte kinderen van de shon grotendeels werden grootgebracht door de yaya, de kindermeid, die dat uiteraard mede deed in haar eigen taal. Veelvuldig zijn de uitspraken waaruit blijkt dat de verhalen die de yaya vertelde over de slimme spin Compa Nanzi van grote invloed zijn geweest op het cultuurbeleven van de latere, witte meesters. Als derde veelvuldig genoemde factor kan de bevolkingssamenstelling gelden. De Curaçaose maatschappij bestond uit Afrikanen van zeer verschillende taalherkomst, Noord-Europeanen van allerlei naties en tongen en uit Portugese joden. Elk segment bracht een eigen taaltraditie in, waarbij het Papiamento werd gebruikt als middel tot contact tussen alle sociale lagen.

Historicus pater W. Brada vatte in 1956 zijn visie op het ontstaan van het Papiamento samen met: tussen 1705 (Schabels getuigenis) en 1776, toen de paters franciscanen op het eiland kwamen en in het Papiamento begonnen te preken, ‘ligt de opkomst’. Toen had de vanuit Zuid-Amerika georganiseerde missie al volledig erkend dat het volk zonder het Papiamento niet bereikt kon worden, wat op sterke verbreiding van de taal duidt. In haar dissertatie van 1987 gaf Toos Smeulders aan dat Dominicus Dujardin zich al in 1740 ‘ernstig en ijverig op het idioom van de negers en mulatten toelegde’. Wilde dat zeggen dat de blanke bevolking toen nog geen Papiamento sprak - of preekte de jezuïet niet voor hen?

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw zijn er diverse bewijzen op schrift overgeleverd dat het Papiamento ook in de aanzienlijke huisgezinnen was doorgedrongen, ook als geschreven taal.

[p. 20]

Daarnaast deed het van tijd tot tijd dienst bij officiële getuigenverklaringen tijdens de rechtspraak.

Wonderlijk genoeg werden er in de talrijke ons overgeleverde achttiende-eeuwse spotschriften en satirische gelegenheidsgedichten nooit allusies op het Papiamento gemaakt. Vanuit Curaçao verbreidde de taal zich waarschijnlijk met de kolonisatie naar Bonaire en Aruba.

Engels

Op de drie Bovenwindse eilanden nam het Engels als vanzelfsprekend al de functies waar die een taal in het dagelijkse leven vervult. De ligging in de Engelstalige Caraïbische archipel, de handelscontacten met die eilanden en Noord-Amerika, de kolonisatie uit Noordwest-Europa, de voortdurende wisseling van Europese macht, de afwezigheid van een actieve Nederlandse cultuurpolitiek in de als wingewesten beschouwde eilanden waren enkele van de redenen dat het Nederlands er nooit wortel schoot, ondanks het feit dat het de officiële taal en bestuurstaal was. Dat het koloniale bewind coulanter ten opzichte van het Engels dan van het Papiamento was, bleek uit het gegeven dat op de Bovenwinden ook de rechtspraak al heel snel in het Engels plaatsvond.

Nederlands

In de kolonie was het Nederlands de officiële taal van het bestuur, de taal van het onderwijs aan blanke kinderen, de taal van de protestantse eredienst, de taal van de rechtspraak, de taal die wel in geschrifte gehanteerd werd maar die mondeling alleen gebruikt werd door de pas gearriveerde Nederlanders. De joden hanteerden Spaans en Portugees in de synagoge en in het onderling verkeer. In de achttiende eeuw kende de koloniale elite orale noch geschreven literatuur, er verscheen geen krant, er was zelfs geen drukpers. Publiceren wilde zeggen: op een publieke plaats een met de hand geschreven tekst aanplakken, of laten omroepen vanaf de kansel of het paleis van de gouverneur.

[p. 21]

Meer vragen dan antwoorden

Kunnen we er van uitgaan dat liederen en verhalen óver de slavernij ook uit de tijd van die slavernij dateren? Hoe werden ze verteld, hoe verliep een vertelsessie, wat was daarbij de rol van de verteller en de luisteraars, werd de verteller door hen onderbroken met ingelaste verhalen? Werd er alleen verteld of ook gezongen en gedanst?

De Afrikaanse cultuur kende haar specifieke ‘griots’, de professionele verhalenvertellers. Zijn er van hen ook geroofd door de slavenjagers en naar het Caraïbisch gebied gedeporteerd? Namen ze in hun nieuwe gebied hun oude beroep weer op? Zo niet, wie namen dan de taak van hen over? We weten tot nu toe weinig en dan nog het meest via onderzoek betreffende Curaçao. Mogen we die gegevens zonder meer ook op de overige eilanden van toepassing verklaren?

Wat we door middel van overgeleverde documenten en historisch onderzoek weten is echter de moeite waard. De oratuur in het Papiamento had een al sterk geformaliseerd karakter in die zin dat er vaste genres als ‘cantica’ [liederen] en ‘cuenta’ [verhalen] waren, dat er specifieke vertolkers waren als de ‘sakristan’, de ‘echado di cuenta’ en de yaya, dat er vaste gelegenheden waren waarbij de oratuur een onmisbare rol speelde, zoals de jaarwisseling, de oogstfeesten en de begrafenisrituelen.

prepostterug  begin  verder