Was de oratuur in de negentiende eeuw waarschijnlijk al hecht verankerd in het cultuurbewustzijn van de slaven en van vrije zwarten en gekleurden, het literaire leven was in die eerste eeuwhelft nog maar weinig ontwikkeld. Voor zover de witte elite zich door middel van een dicht-, toneel- of leesvereniging organiseerde, zocht ze aansluiting bij een uitsluitend van buiten afkomstig repertoire, bij wat in het moederland en in Europa gebeurde, ze zocht nooit naar een eigen inheems-creoolse ontwikkeling. De missie produceerde op haar persen nog slechts de allereerst noodzakelijke Papiamentstalige kerk- en schoolboekjes en zou pas na 1870 de literatuur ten dienste van de missionering stellen. Van de somtijds door William Lee gedrukte uitgaafjes als tijddichten en leerredenen, zoals van dominee J. Muller in 1816, kon de verspreiding en receptie niet getraceerd worden.
‘Onze eerwaarde Prefect heeft een kleine Katechismus in het Papiaments doen drukken en dit is de eenige letterkundige vrucht, die ooit in die natuurtaal gezien is,’ schreef pastoor J.J. Putman op 7 juni 1837 aan zijn ouders in Nederland, daarmee wel een heel ruime invulling aan het begrip letterkunde gevend. Er zijn aanwijzingen dat Putman niet alleen stond, maar dat zijn interpretatie het algemene negentiende-eeuwse standpunt weergaf. Onder letterkunde werd in de kolonie alles verstaan wat met enige zorg voor de vorm geschreven en gedrukt was. Had William Lee ook al niet over ‘literature’ gesproken als een van de ‘pleasures’ die zijn krant zou kunnen opleveren? In de krant zelf werd er nadere inhoud aan het begrip gegeven door middel van een reisverhaal vol met ‘romantropologische’ bijzonderheden, dat nadrukkelijk van het etiket ‘letterkunde’ werd voorzien. Maar het poëtische genre domineerde.
De negentiende eeuwse Curaçaose dichters onderscheidden twee soorten literatuur. ‘Letterkunde’ omvatte al het geschrevene, maar ‘poëzie’ had een veel beperkter want meer verheven betekenis. Ten opzichte van die speciale vorm van ‘hogere’ letterkunde die men poëzie pleegde te noemen, werden de standpunten niet zelden in dichtvorm verkondigd, als de Curaçaose ‘rijmers’ elkaar weer eens in de poëtische haren vlogen.
Uit zo'n rijmstuk blijkt dat de Curaçaose gelegenheidsdichters zichzelf wel degelijk als serieuze dichters beschouwd wilden zien. Men kraakte andermans (vrouwen publiceerden nauwelijks) produkten af en gaf - nog interessanter - aan hoe het dan wèl moest. Een dichter had een lange weg af te leggen eer hij de top van de Helicon beklommen had - om in de metaforiek van de dichters zelf te blijven. Hij moest zijn taal, zijn moedertaal waarmee onveranderlijk het Nederlands bedoeld werd, allereerst goed leren en ervoor zorgen dat hij daarbij vooral de grammatica beheerste. Daarna moest hij de beste schrijvers lezen als lichtende voorbeelden op zijn dichterspad. Een dichter moest, wilde hij zich aan de verheven poëzie wagen, ‘geest’ en ‘vernuft’ bezitten, zijn taal en stijl moesten blijk geven van ‘dichtvuur’ en ‘Apollo's gloed’, anders kon hij zich beter op proza toeleggen, geschikt voor een minder verheven en meer alledaags onderwerp.
Woorden moesten bewust geschreven worden, zonder dat er een letter te veel gebruikt werd. Een goed gedicht werd gepolijst, ‘men schoeide de woorden als op een leest’. Men wees het rijm niet af, maar wel de rijmelarij. Rijm moest onopvallend en origineel toegepast worden, het mocht niet versleten zijn en men mocht het niet ‘slaafsch’ of dwangmatig gebruiken. Daarnaast moest de dichter maat houden, het gedicht mocht niet ‘in en uit de maat huppelen’.
Als de grote vaderlandse voorbeelden werden beschouwd, de zeventiende-eeuwers Cats, Hooft en Vondel, de achttiende-eeuwers J.F. Helmers, L.W. van Merken en R. Feith, en de negentiende eeuwers Hendrik Tollens en Willem Bilderdijk. Soms plaatsten de dichters boven hun gedichten een motto, dat ook aangaf waar men zijn poëtische referentiekader zag: Vondel, Spandaw, Langendijk, Da Costa uit het vaderland, Shakespeare en Byron, Boileau en Voltaire, Schiller uit het buitenland. Verder gaven vertalingen en bewerkingen de traditie gestalte: Byron en Shakespeare, Klopstock, Voltaire en Lamartine, plus
een aantal dichters van wie wij nu zelfs de namen niet meer kennen, waarnaast incidenteel nog uit het Latijn, Zweeds en Italiaans vertaald werd. Dit alles gaf weer wat de Curaçaose dichters kenden en waardeerden, wat het beeld was dat zij hadden van wat tot de belangrijke literatuur behoorde. Wat in zovele historische werken bewezen werd, dat de kolonist zo weinig geworteld was in het land van verblijf en nog zo gericht was op het moederland waar zijn wortels lagen, wordt hier literair bevestigd.
Uit de namen die men aan de genootschappen gaf kan ook nog het een en ander worden afgeleid: de algemene ambitie om het goed te doen, maar ook wat men als functie van letterkunde zag. Het genoegen stond aanvankelijk voorop, ‘om den lezer vermaak aan te doen’, maar naarmate de eeuw vorderde kwam het ‘nut’ steeds nadrukkelijker te pas, wat bleek uit de namen van een toneelvereniging waar dat nut al vooropstond. Aan het einde van de negentiende eeuw was het ‘utile dulci’ algemeen.
Leescultuur veronderstelt zekere welstand en vrije tijd. Voor zover er in de kolonie gelezen werd, bestond die lectuur uit buitenlandse voorbeelden, waarvan het literaire deel een klein, hoewel zeker niet onbelangrijk segmentje vormde. Wat de leesgezelschappen aanschaften kon jammer genoeg niet achterhaald worden. Boeken werden geïmporteerd door particulieren of door een krantenuitgever, wiens zaak ook als boekdistributiecentrum fungeerde. Ook het Frans- en Nederlandstalige toneelrepertoire was buitenlands. De eigen produktie begon via de krant, maar bestond eveneens uit navolging van de dominante koloniale vormen, die men van het moederland afkeek. Tussen de literatuur en de oratuur stond niet alleen de taalbarrière, maar ze waren kennelijk zo volstrekt van elkaar gescheiden dat er onderling nooit verwijzingen plaatsvonden. Het Papiamento werd systematisch uit de deftige krant geweerd.
Zo leek de situatie zich in de statische maatschappij vrijwel ongewijzigd te handhaven tot de emancipatie op 1 juli 1863. In de lijn van het door de Engelsen afgedwongen verbod op de slavenhandel in 1807, schaften, na moeizame besprekingen en taai verzet van de plantocratie, de Engelsen in 1833, de Fransen in 1848, de Nederlanders in 1863, de slavernij eindelijk af. De Verenigde Staten volgden na een bloedige burgeroorlog in 1865, de Portugezen in Brazilië in 1888, de Spanjaarden in Cuba in 1898. Het traditionele leven in de Nederlandse kolonie kwam, na de emancipatie die op 1 januari 1866 gevolgd werd door de inwerkingtreding van een nieuw regeringsre-
glement, in een stroomversnelling terecht, die het culturele leven een geheel andere wending zou geven. Ex-slaven, creolen, kolonisten en talrijke nieuwkomers stonden toen voor de immense taak de traditioneel op slavernij gebaseerde maatschappij, waarin de eeuwenlange segmentering gekoesterd werd, om te vormen tot een nieuwe samenlevingsvorm waaraan het hele volk kon deelnemen en deelhebben.