begin  verderprepost
[p. II]
‘Misschien zullen de kinderen
van dit volk eens hun hoofden
buigen over de legendes van hun stam...’
(Frank Martinus Arion: Stemmen uit Afrika)
[p. 4]

Ter introductie

‘.... u weet niets van mij, niets, alstublieft, luistert u naar mijn geschiedenis, die ik ga vertellen ....’
Alioum Fantouré: Tussen de keerkringen

‘Zeg, moet je horen ....!’

Iemand vertelt zijn belevenissen aan een al of niet geïnteresseerde luisteraar, die op het verhaal misschien ongelovig reageert - waarop het verhaal nog wat spannender wordt gemaakt; of enthousiast - waarop de verteller zijn geschiedenis nog een beetje aandikt.

Maar er wordt geluisterd. En dat merkt de verteller direct aan de reacties.

 

Zo gemakkelijk heeft een schrijver het niet. Die zit eenzaam aan een bureau op een pen te kauwen of naar de schrijfmachine te staren. De auteur weet helemaal niet hoe de eventuele lezer op het verhaal zal reageren. Enthousiast? Zal het verhaal begrepen worden? Een auteur kan ook niets meer corrigeren; zoals hij zijn geschiedenis eenmaal geschreven heeft, zo blijft het er staan. Ook voor lezers die in andere landen en culturen leven of in andere tijden als het verhaal een ‘blijvertje’ is.

 

Een Caraïbische auteur heeft het nog moeilijker, want die schrijft vaak niet alleen voor lezers in eigen tijd en land, maar ook nog voor lezers die ver daarbuiten wonen - in Nederland bijvoorbeeld - en in een andere taal dan die thuis geleerd is.

Als een schrijver van de Antillen het Nederlands als voertaal voor zijn verhalen kiest, weet hij dat hij met zijn eigen mensen communiceert in een taal, die voor hen allebei aangeleerd is op school, als tweede taal. Bovendien weet hij dat als hij in Nederland uitgegeven wordt en gelezen - hij voor een vreemd publiek schrijft dat zijn land niet kent, voor mensen die in een land wonen dat hijzelf misschien ook niet zo goed kent.

Als je iemand opbelt moet je nog wel eens vragen: ‘Met wie spreek ik’, als je zijn naam niet hoort of zijn stem niet herkent.

Een schrijver is als hij uit een ander land, een andere cultuur en een andere taal komt, soms nog moeilijker te herkennen. Daarom moet hij zich zeker afvragen: ‘Met wie schrijf ik?’

Een lezer heeft misschien ook problemen met een ‘vreemd’ boek en vraagt zich af:

‘Met wie lees ik?’

 

Literatuur is expressie van de schrijver, maar ook communicatie tussen lezer en auteur als van vlees en bloed, en tussen lezer en mensen van papier, de personen die in het boek optreden in hun doen, zeggen, denken, willen en voelen. De rode draad die door dit hele boek loopt zou je kunnen omschrijven als ‘talen naar expressie en communicatie’, een probleem waarop diverse auteurs steeds weer terugkomen.

Uit de velerlei mogelijkheden die Caraïbische auteurs hebben, kiezen ze een bepaalde (soort) taal waarin ze zichzelf kunnen zijn en zich emotioneel kunnen uiten èn waarmee ze tot een lezerspubliek kunnen doordringen.

Hét dilemma van ex-koloniale

Derde-Wereld-auteurs is om zichzelf te zijn in eigen (ei)land èn het talen naar begrip en waardering in die grote wereld daarbuiten.

prepost  begin  verder