terug  begin  verderprepost
[p. 28]

Hoofdstuk 2. Ik wil gelezen worden!

1.Een auteur schrijft...
1.1.Talen tussen expressie en communicatie
2.... wordt gepubliceerd ...
2.1.Portret van een doe-het-zelver
2.2.Nederlandse uitgevers
2.3.Charuba
2.4.Illustratoren: vreemd en eigen
2.4.1.Wop Sijtsma
2.4.2.Giolina Henriquez
3.... en gelezen
3.1.Scholen
3.2.De jeugdbibliotheek op Curacao
3.3.Kinderboekenweek op Sint-Maarten
‘Het is de Nederlandse taal die het gros van de potentiële lezers in Suriname in de weg zit; dàt en het schreeuwende gebrek aan goede, boeiende en goedkope eigen volkslectuur.’
(Albert Helman: Cultureel mozaïek van Suriname 1977, p. 428)
[p. 29]

1. Een auteur schrijft...

Toen ik tijdens het in december 1985 gehouden Arubaanse ‘Festival di Teatro Juvenil’ een toneelschrijver die al een aantal Engelstalige stukken voor volwassenen op zijn naam heeft staan, complimenteerde met het eerste door hem geschreven en geregisseerde kindertoneelstuk, reageerde deze met een excuserend handgebaar: ‘Ach, het is toch maar voor kinderen!’ Stel je deze houding eens voor bij andere gelegenheden. ‘Dokter, mijn kind is ziek.’ ‘Ja, ja ik geef wel wat medicijnen, want - ach - 't is toch maar voor een kind. En ik ben per slot ook maar kinderarts.’

Is zo'n houding in de literatuur een individueel incidentele of een algemene tendens? Een auteur staat in het algemeen voor het probleem voor wie hij/zij zal gaan schrijven: voor een volwassen publiek, voor de jeugd of voor kinderen? Uit het overzicht in hoofdstuk 1.4 blijkt dat er inderdaad een aantal Antilliaanse schrijvers zijn die èn voor volwassenen èn voor kinderen geschreven hebben. En het zijn bepaald niet de slechtste, wat blijkt uit klinkende namen als van Elis Juliana en Pierre Lauffer. Maar het is ook duidelijk dat het tot nu toe uitsluitend vrouwen zijn die van de jeugdliteratuur hun centrale schrijfactiviteit maken. Er zijn op Aruba en de Nederlandse Antillen geen ‘mannen’ die zich echt en alleen voor de jeugd schrijven. Toen de Union di Muhe Antiano in 1979 de resultaten van een verhalenwedstrijd publiceerde in vier delen Dakue di kuenta, bleken er onder de 19 volwassen deelnemers maar vier mannelijke inzenders te zijn. Van de achttien medewerkers aan het Arubaanse Contami un storia waren er in 1983 zegge en schrijve twee mannen. Schrijven voor kinderen en de jeugd wordt aan vrouwen overgelaten. Voor wie de Wet van Sullerot: ‘Werk dat door vrouwen wordt verricht daalt in waarde; uit werk dat in aanzien staat of stijgt worden vrouwen geweerd’, in gedachten houdt geen opwekkende constatering voor welk belang er aan kinder- en jeugdliteratuur in de Antilliaanse maatschappij gehecht wordt.

1.1. Talen tussen expressie en communicatie

Naast dit eerste algemene probleem is er het meer specifieke: als ik voor jongeren schrijf, in welke taal zal ik dat dan doen? Waarbij de auteur ‘kiest’ tussen het eigen Papiamento of de schooltaal Nederlands. Op de Antillen wordt de klassieke vraag aan de Nederlandstalige schrijver: ‘Waarom schrijft u?’ altijd vergezeld van: ‘Waarom schrijft u in het Nederlands?’. Ik herinner me de verhitte debatten die Frank Martinus Arion daarover met havo/vwo-leerlingen heeft moeten voeren tijdens schoollezingen. Op het Cola Debrot-symposium dat in januari 1986 op Curacao gehouden werd, beheerste deze vraag de slotzitting, nadat Guillermo Rosario die meer dan een dozijn Papiamentstalige romans publiceerde en zich uitsluitend van die taal bedient, in een hartstochtelijk pleidooi Cola Debrot posthuum verweet in het Nederlands geschreven te hebben en de voorzitter van het panel, Frank Martinus Arion, hetzelfde voor de voeten wierp. En ik herinner me hoe op Aruba debutante Josette Daal dezelfde vraag kreeg in een t.v.-forum èn tijdens een symposium over Engelstalige Caraïbische literatuur in april 1986.

De antwoorden die de auteurs daarop geven zijn per individu verschillend, maar alle hebben er een duidelijk standpunt over (zie de interviews in deel II). Ook Surinaamse auteurs worstelen

[p. 30]

met het probleem: Sranan Tongo, Sarnami- Hindostani, Javaans, Nederlands?

In een lezing die de Jamaicaanse Jean D'Acosta in 1980 op Aruba gaf, zette ze het probleem grondig uiteen:

‘The West Indian writer operates within a polydialectal continuum with a creole base. (...) If the writer is to satisfy himself, his local audience and that wider international audience, he must evolve a literary dialect which will meet the following: the demands for acceptibility within and without his own community, and the pressure for authentic representation of the language culture of his own community.’

Ook als de auteur voor de ‘Europese taal’ - Nederlands, Engels, Frans, Spaans kiest, is ze nog niet uit de problemen. Welke vorm of beter welke norm hanteert ze: de A.B.N.-norm, Oxford-English, West-Indian Standard of een gecreoliseerde vorm als het Surinaams-Nederlands of een Nederlands met Papiamentsmen?

Jean D'Acosta vertelde in de genoemde lezing dat ze in haar eerste jeugdroman Sprat Morrison (1972) een Standard Jamaica English hanteerde, dat het mini-sterie van onderwijs, gesteund door censors als ouders, leraren en ambtenaren, weigerde iets in het onderwijs te introduceren dat in het kleinste detail ook maar afweek van die officiële standaard. Wat moet een auteur dan doen met de dialogen?

‘A comparison of the meaning potential of the Standard Jamaica English en Jamaica Creole ... is revealing:
SJE
 
.. a caning was handed out to all..
 
.. getting mixed up in bad boys' games ...
 
.. this morning was a shortcut morning...
JC
 
..hot, lick fe every one a dem..
 
..get mix up inna rudie-bway game..
 
.. a shortcut maanin dis..
Taken in turn, the meaning potential undergoes the following shifts: from school-associated punishment (echoes of Victorian literature) to a particularly West Indian style of punishment, not confined to schools. The next “rudie-bway” carries more than “bad boys”, touching on a subculture of rebellion, delinquency, reggae and Rastafarianism. The last makes a shift from the merily habitual to an elevated, sharpened, axiomatic prominence carrying strong associations of crisis, tension and escape. Outer audiences may perceive a thinner world of meaning in Sprat Morrison than will Jamaicans and other West Indian audiences. SJE speakers with a resistance to JC will probably share this. On the other hand, these audiencies will respond to literary cues which might almost certainly elude the young Jamaican audience. West Indian language cultures offer a rich testing ground for fields of meaning, linked as they are to cultures of the north and yet preserving and evolving their own worldview.’ (Studies in Caribbean Language, Society for Caribbean Linguistics, 1983, p. 252, 258/259).

Al in 1976 gaf A.J. Vervoorn in Antilliaans Nederlands (Schakels N.A. 61) een groot aantal voorbeelden uit Diana Lebacs: Sherry, en van auteurs voor volwassenen. De Surinaamse auteur Edgar Cairo dankt aan de eigen vorm van zijn ‘Eurocreools’ in Nederland vooral zijn bekendheid. In hoeverre zijn verwijten terecht als van Marijke van Dijk-

[p. 31]

Quwenbroek in haar N.B.L.C.-aankooprecensie over Desiree Correa: Mosa's eiland: ‘Vlotgeschreven verhaal maar op taal en stijl is wel wat aan te merken.’ En van Sandra Pellegrim die kennelijk beter op de hoogte is: ‘Het verhaal bevat veel “papiamentismen” en on juiste zinsconstructies.’ Heeft een Antilliaanse auteur het ‘recht’ zich van een van het A.B.N. afwijkende vorm te bedienen en de syntaxis van het Papiamento als grondslag voor Nederlandstalig werk te nemen?

Ik weet dat er nogal wat weerstand is tegen het zgn. ‘bad English’ van Caraïbische auteurs en dat ouders willen dat hun kinderen uitsluitend de Europese (of Amerikaanse) standaard onder ogen krijgen, niet de West Indian Standard. Is het ‘afwijkende gebruik’ een verarming of juist een verrijking voor de oorspronkelijke taal? We moeten daarbij ook nog verschil maken tussen vertellers-tekst en dialoog; vooral in de laatste komt het ‘afwijkende’ voor.

Van de andere kant wil ik wijzen op het verschijnsel dat er in Mosa's eiland ook uitdrukkingen voorkomen die voor Nederlandse consumptie zijn bedoeld, die je in deze vorm nooit zult horen op de Antillen. ‘Tjeetje’ en ‘ik schrok me kapot’ zijn daarvan twee voorbeelden van de eerste bladzijde. Zo blijft de Nederlandse-taal kwestie een netelig probleem in het spanningsveld tussen persoonlijke expressie en communicatie met (vreemde) lezers. Nederlandstalig Antilliaans werk dat door een in Nederland gevestigde uitgeverij wordt gepubliceerd voor overwegend Nederlandse lezers roept per definitie spanningen op: ‘Waarom schrijft u in het Nederlands?’, ‘Waarom schrijft u zulk vreemd Nederlands?’ Hoeveel concessies willen beiden - auteurs en lezers - van weerskanten doen?

 

Nederlandse auteurs kunnen onbekommerd over polders, grienden en uiterwaarden schrijven, want de eigen lezer begrijpt deze zaken toch wel omdat ze uit eigen aanschouwing bekend zijn.

Maar een Antilliaanse auteur zit voortdurend uit te leggen en begrippen die hij in het dagelijkse leven gebruikt te vertalen.

‘Bruha’ is anders qua gevoelswaarde dan ‘hekserij’ en een ‘bolo preto’ smaakt de Antilliaanse lezer heel wat beter dan een Hollandse ‘taart’. En wat te doen als de mensen empana, giambo, pasteechi gaan eten, lamunchi-sap gaan drinken, muziek gaan maken op de benta of cachu, de tambu gaan dansen? Deze voorbeelden zijn ontleend aan Diana Lebacs. Een bladzijden lange woordenlijst aan het einde van het boek of de voortdurende vertaling in het verhaal zelf zijn het onvermijdelijke gevolg.

‘Er worden nogal wat verzuchtingen in het Papiamento geslaakt...’ klaagde Jos Weinberg in zijn N.B.L.C.-aankooprecensie over Josette Daal: Warwind. Ik heb er in het hele boek welgeteld twintig gevonden die cursief gedrukt zijn en door een vertaling gevolgd worden; dat is één op elke vijf bladzijden. ‘... en ook de scheldpartijtjes zijn niet van de lucht,’ ging Weinberg in een adem verder. Voor hem kennelijk van hetzelfde niveau?

‘Ik vind dat Siny van Iterson in De smokkelaars van Buenaventura een “criollo” stijl van schrijven heeft. Ze mengt zo nu en dan een Spaans woord in het verhaal, waardoor je nog meer voelt dat je in Colombia bent,’ schrijft Paola Carotenuto uit vwo-4 van het Colegio Arubano. Ook de leerling Marny de l'Isle oordeelde positief over het gebruik van Papiamento en de vertalingen daarvan in Orkaan (zie hoofdstuk 4.1); een brugklasser vindt van Warwind: ‘Ik vind het ook leuk, omdat er papiamentse woorden in staan.’

Voor de lezer is het dus kennelijk een kwestie van vreemd of herkenning. Voor de schrijver heeft het een meer dan alleen maar kosmetisch doel - zij heeft de woorden nodig omdat ze de betekenis en gevoelswaarde beter vertolken dan een Nederlands woord dat geen echt equivalent is in haar ogen.

[p. 32]

Het Nederlandstalige Antilliaanse onderwijssysteem, de algemene taalsituatie waarin het Nederlands in het dagelijkse leven nauwelijks een rol vervult, de beperkte eigen markt door de kleinschaligheid van de bevolking die dan ook nog eens over twee landen en zes eilanden verdeeld is, de geringe belangstelling voor alles wat met lezen en vooral jeugdliteratuur te maken heeft, een bestedingspatroon waarin het niet normaal is geld uit te geven voor andere boeken dan de verplichte boekenlijst voor school, de problematiek rond de spelling en invoering van het Papiamento in het onderwijs, bieden nog geen uitzicht op een snelle ontwikkeling van een bloeiende eigen jeugdliteratuur.

En omdat een schrijver gelezen wil worden zal hij zich voorlopig wel op de buitenlandse markt blijven richten en alle frustraties op de koop toe nemen.

2. ... wordt gepubliceerd...

Traditiegetrouw zal een auteur die op de Nederlandse Antillen een boek geschreven heeft, beginnen met de vraag: hoeveel gaat de publicatie van mijn manuscript mij kosten? Ook als hij een uitgever vindt, omdat hij vaak niet op de hoogte is hoe de uitgeverswereld in elkaar zit. Ervaringen daarmee zijn ook nauwelijks mogelijk omdat er nooit of slechts incidenteel uitgeverijen waren.

Auteurs voor volwassenen hadden in het verleden nog wel eens de mogelijkheid via een tijdschrift dat ook als uitgeverij ging fungeren, het geschrevene publiek te maken. Zo hadden ze De Stoep, de Antilliaanse Cahiers, Watapana, en vele andere. Op dit moment Kristòf en eventueel Antillen Review. En altijd was en is er wel een dagblad dat een literaire bijdrage als een actueel gelegenheidsgedicht wil plaatsen onder de rubriek ‘ingezonden’. Maar auteurs voor kinderen hadden deze mogelijkheid niet. En het enige wat ze dan overbleef was naar de plaatselijke drukker te stappen en lang over de prijs te onderhandelen, waarbij zoveel mogelijk beknibbeld moest worden op winstmarges, drukkwaliteit, kosten voor het binden, de omslag en de illustraties die vaak door de auteur zelf gemaakt worden. In sommige gevallen zorgt de schrijver zelf voor elk onderdeel: hij geeft advies aan de zetter, maakt zelf de lay-out, ontwerpt het omslag èn de illustraties. Zo illustreerde Diana Lebacs bijvoorbeeld soms haar Papiamentstalige kinderboekjes zelf, waarvoor ze bovendien de omslag ontwierp. Als voorbeeld noem ik Kompa datu ta konta! (1975, 19832) Het resultaat is meestal pover van kwaliteit en vrij hoog van kostprijs wegens de geringe oplage voor de plaatselijke markt. En er is geen enkele instantie die als kwaliteitszeef fungeert, een taak die een uitgever in zo hoge mate vervult dat wel eens gezegd wordt dat 99% van wat ongevraagd binnenkomt ongeschikt is voor publicatie. Een auteur die in eigen beheer uitgeeft moet het volledig hebben van de zelfkritiek - van enige professionele begeleiding of editing is geen sprake.

En dan begint de moeizame verkoop, door de auteur zelf! Soms huis-aan-huis zoals de dichter ‘Akanamba’ die mij toen ik in Suriname woonde zijn flinterdunne bundeltjes voor één gulden kwam aanpraten aan het tuinhek. Mijn leerlingen van het Algemeen Pedagogisch Instituut die ook dichter waren - Gerrit Barron bijvoorbeeld - handelden verstandiger en gingen in de pauze naar de lerarenkamers van de diverse scholen. En wie in Nederland herinnert zich niet Julian With - een andere ex-student van me - die in de treinen van de N.S. zijn bundels clandestien colporteerde? En zelfs gerenommeerde dichters als Michael Slory en Shrinivasi stonden bij het postkantoor de

[p. 33]

lange rijen voor de loketten hun boeken aan te prijzen.

Een exemplaar aan de gouverneur of de minister aangeboden zorgt meestal voor wat gratis publiciteit door middel van een foto in de krant en een berichtje via radio en t.v.; de meeste auteurs maken er dan ook gretig gebruik van. Of ze zorgen voor een korte doopplechtigheid waarbij ze veel publiek uitnodigen - dat dan wel een exemplaar zal willen aanschaffen.

Een recente Arubaanse successtory is die van Philomena Wong die in eigen beheer haar poëziebundel ‘Mi ta biba den mi pensamento’ liet drukken en er in korte tijd ongeveer zevenhonderd van verkocht - op een bevolking van 60.000!

Plaatselijke boekhandels namen en nemen meestal welwillend een aantal exemplaren in consignatie, maar de afrekening volgt pas nadat de voorraad op is.

Of de auteur neemt na verloop van tijd het dozijntje weer teleurgesteld mee naar huis en voegt ze bij de grote stapel die daar nog onverkocht ligt als voer voor de kakkerlakken en de komehein.

Maar het moet ook gezegd dat boekhandelaren als De Wit, Van Dorp, Augustinus en Salas soms zelf het risico namen en als uitgevers optraden, zij het meestal van ‘veilige’ publicaties als schoolboeken. Zo vergaat het schrijvers voor volwassenen en de jeugdboekenauteurs zijn zeker niet beter af.

‘For even though he (de auteur) creates the work, he has no way of bringing it to the potential readers or even let them know it exists. Publishers were “invented” to do that for him,’ schreef Shatzkin in 1982. A. de Froe ging nog verder met zijn: ‘Sommige schrijvers van prullaria en waanzinboeken geven uit ijdelheid of geldingsdrang wel eens op eigen kosten uit. Er zijn gevallen bekend van dergelijke uitgaven waarvan slechts één exemplaar werd verkocht.

Voor dergelijke catastrofes worden wij door de goede uitgever behoed.’ Beide citaten komen uit Tussen schrijver en lezer (1984). Mag dit voor grote landen gelden, voor de kleinschalige Antilliaanse eilanden, Aruba en Suriname ligt de situatie dus wel geheel anders.

‘Dat vele dichters en vertellers er met hun doorgaans zelf-gefinancierde, en daardoor beperkte, te slecht gedrukte en te dure of te weinig substantiële uitgaven, naar streven ook “de massa” te bereiken, dat wil zeggen: de zeer velen die eigenlijk niet aan lezen toe zijn, zet nauwelijks zoden aan de dijk, en werkt dan ook in de meeste gevallen frustrerend op de auteurs en ondernemers van zulke uitgaven. Hun doorzettingsvermogen op dit gebied dwingt dan ook alle bewondering af.’ Aldus Albert Helman in Cultureel Mozaïek van Suriname (1977); een heel ander geluid dan het Nederlandse en Engelse, omdat het vaak de enige mogelijkheid is voor de auteur die gepubliceerd en gelezen wil worden.

In deze situatie die natuurlijk funest is voor de ontwikkeling van een eigen jeugdliteratuur is de laatste jaren gelukkig verandering gekomen. In Suriname zijn nu uitgevers als Alberga, de Volksboekwinkel, Sorava e.d. De in 1983 op Curacao opgerichte ‘Editorial Kooperativa Antiyano’ Kolibri heeft nog geen jeugdboek gepubliceerd tot nu toe. ‘Editiorial Antiyano’ van Stanley Cras wèl, nl. Antoine de Saint-Exupéry: Le petit prince, in het Papiamento vertaald door Edward de Jongh in 1982; waarna het Nederlandse Strengholt het aandurfde Richard Bach/Russel Munson: Jonathan Livingstone Seagull in het Papiamento vertaald door dezelfde E. de Jongh uit te geven, waarmee in elk geval twee ‘klassiekers’ in het Papiamento verkrijgbaar zijn. Maar de belangstelling ervoor bij het Antilliaanse lezerspubliek is nagenoeg nihil.

Een unicum is Roel Jungslager met wie ik op 30 november 1985 een gesprek had over zijn eenmansbedrijf: auteur, drukker en uitgever!

[p. 34]

2.1. Portret van een doe-het-zelver

Als ik auteur-uitgever Roel Jungslager probeer te bellen om een afspraak te maken, wordt de telefoon niet opgenomen. Later blijkt dat hij niet thuis was, omdat hij de hele dag op een kunstmarkt is om zijn boekjes te verkopen. Boekjes die hij veelal zelf geschreven heeft, waarvan hij de lay-out heeft verzorgd, die hij ook heeft gedrukt en via zijn eigen bedrijfje heeft uitgegeven. En nu probeert hij ze ook nog zelf aan de man te brengen om op die manier mensen aan te sporen tot lezen. Of vooral kinderen, want zijn boekjes zijn veelal voor jeugdige lezers bestemd.

Als ik hem op die markt ontmoet, laat hij me een uitgave zien die pas gereed gekomen is: Fruta i berdura fresku van Yerba Seku, poëzie voor kinderen vanaf vier jaar, met illustraties van Pim Elisabeth die grafisch ontwerper is bij de drukkerij De Curacaosche Courant en die Roel via diens ontwerpen voor een serie kinderpostzegels heeft ontdekt. Van Fruta i berdura fresku verzorgde Roel Jungslager de lay-out, de druk en de distributie. Hij heeft zich onlangs bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven als Edukaprint, wat staat voor Edukatieve Uitgeverij en Kreatief Advies.

Hij vertelt me van een nieuwe bindmachine waarmee hij nu zijn uitgaven op professionele wijze kan lijmen, zodat hij van de nietjes in de rug van de boekjes verlost is en van het met de hand plakken, wat per boekje toch gauw zo'n vijf minuten kostte.

Maar dan komen er -gelukkig voor hem - enkele klanten kijken (en kopen?) en spreken we af 's avonds verder te praten.

 

Roel Jungslager werd in 1950 in Amsterdam geboren, maar verhuisde toen hij zes weken oud was naar Curacao waar hij tot zijn veertiende woonde. Daarna vertrok hij voor een negenjarig verblijf naar Nederland, waar hij in Haarlem de kweekschoolopleiding volgde. Na een jaar lesgeven aan een Daltonschool kwam hij terug op Curacao, waar hij als invaller op heel wat plaatsen en in uiteenlopende schooltypen als lagere school, mavo, l.t.s., huishoudschool en een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen veel onderwijservaring opdeed. Ook nu nog werkt hij als invaller. Twee jaar lang heeft hij geprobeerd om het zonder vaste baan in het onderwijs te stellen en zich met schrijven in leven te houden, maar dat bleek niet mogelijk; hij moest wegens de financiën wel terug in het onderwijs. Even leek het er nog op dat hij als auteur van onderwijsmethodes voor de S.A.D. (de Schooladviesdienst) zou worden vrijgesteld, maar dat ging wegens een politieke machtswisseling niet door. De schrijf- en uitgeversactiviteiten blijven dus tot de vrije tijd beperkt.

Een nieuwe stap tot full-time uitgever zal ik ook niet meer wagen eer ik 100% zekerheid heb dat het lukt. En zonder voldoende kapitaal en bijkomende commerciële opdrachten zal het niet gaan. Daarvoor is onze markt gewoonweg te klein.

 

Waarom dan toch indertijd begonnen? Toen ik in de jaren zeventig voor de klas stond, merkte ik dat de kinderen eigenlijk niets te lezen hadden dan alleen de Nederlandse boekjes die niet aan onze situatie zijn aangepast. De kinderen van een derde klas lagere school bijvoorbeeld begrepen me niet; ik merkte dat ik over de hoofden heen praatte.

Ik had heel wat ideeën voor verhalen en in mijn enthousiasme heb ik heel wat manuscripten gereed gemaakt, en aangeboden aan de onderwijsinstanties die lauw of geheel niet reageerden, zodat het werk domweg bleef liggen. In de tweede helft van de jaren

[p. 35]

zeventig heb ik toen vier jaar lang een rubriek in de Beurs- en Nieuwsberichten, gehad, waarin ik wekelijks een verhaal publiceerde. De Augustinus-boekhandel was bereid die verzameling in boekvorm uit te geven. Dat is De avonturen van Henco geworden, maar het duurde zo'n twee en half jaar eer het boekje in de winkel lag. Een volgend boekje Uni, het gidsje van Haïti verscheen bij De Curacaosche Courant, maar ook daar deden ze er een jaar over eer het dunne boekje klaar was.

Toen heb ik enkele boekjes zelf laten drukken om ze in eigen beheer uit geven. Dat was de dichtbundel De keten gebroken, en twee prentenboekjes E fli chiki en Koko ta un pal'i gai.

In die tijd had ik nog een ander manuscript, maar het zou Fl. 23000,- kosten omdat in eigen beheer te laten drukken, een bedrag dat niet op te brengen was. Zo kwam ik als vanzelf op het idee om een eigen drukkerijtje op te zetten in het begin van de jaren tachtig.

Je hebt ideeën en je begint enthousiast aan het kopen van een eenvoudige en goedkope zet- en drukmachine, waarvan je steeds verbeterde versies aanschaft. Omdat ik alles zelf moest bekostigen en ik geheel zonder enige subsidie werkte, waren bepaalde eigenlijk nodige technische zaken gewoonweg financieel niet mogelijk.

De in full-colour uitgevoerde uitgave E kas pisá di shon Pokopoko (1983) heeft me een kapitaal gekost, zo'n dertigduizend gulden Nederlands, waarop ik zoveel heb moeten toeleggen dat ik nu nog met het restgedeelte aan het aflossen ben, ondanks een subsidietje van het Koningin Beatrixfonds van Fl. 2000,-. Op een gegeven moment had ik zo'n veertigduizend gulden schulden....

Later heb ik wel wat subsidie gehad van het Prins Bernhardfonds en van de Sticusa waarvoor ik een moderne composer kon aanschaffen. Dat is nu een hele verbetering, ook omdat ik nu goed ‘koppen’ kan maken met een speciaal apparaat, maar ik wil graag nog wat meer lettertypes hebben.

Ik ben heel eenvoudig begonnen en heb steeds mijn machines iets verbeterd; mijn ideaal is een klein modern drukkerijtje waarin ik met behulp van een full-colour pers professioneel werk kan maken. De bindmachine die ik u net heb is weer een stap vooruit.

De apparatuur van dit hele eenmansbedrijf staat bij Roel Jungslager thuis, onder andere in de slaapkamer.

 

Ik dacht aanvankelijk dat er veel behoefte bestond aan het werk dat ik deed. Ik denk nog steeds dat het belangrijk is wat ik schrijf en publiceer, maar ik ben wel realistischer geworden nu ik zo'n vijftien boekjes heb uitgegeven. Soms loopt iets goed. Van De Avonturen van Henco zijn er meer dan tienduizend verkocht, omdat scholen deze serie gebruiken als leesstof. Van Uni, het gidsje van Haïti verkocht, ik toch nog ongeveer drieduizend exemplaren.

Maar daarna zijn de oplagecijfers steeds verlaagd omdat de verkoop een steeds ongunstiger beeld gaf. E kas pisá di shon Pokopoko nog ruim duizend, nadat E fli chiki nog een oplage van tweeduizend had. En van Fruta i berdura fresku heb ik geen hogere oplage dan vijfhonderd meer durven maken!

De belangstelling wordt minder; er zijn veel minder activiteiten rond het boek. Nieuwe boeken worden niet meer zo grondig kritisch begeleid. Er lijken minder uitgaven te komen, die dan nog nauwelijks echt aandacht krijgen.

Ook al zijn de boeken spotgoedkoop, dan nog klaagt men over de prijs of wil men een boek van vijf gulden op krediet kopen. Een boek kopen heeft bij ons geen prioriteit. Er is te weinig een leesgewoonte aangekweekt door ouders en onderwijskrachten, terwijl je lezen juist leuk moet maken! Onze produktie blijft sterk achter, terwijl die in het buitenland de laatste jaren juist erg groot ge-

[p. 36]

worden is.

De boeken bereiken hier de lezers niet, ondanks ons welvaartsniveau. Een voorbeeld. Een overheidsdienst liet een speciaal boekje over haar werkzaamheden drukken in een oplage van tweeduizend exemplaren. Men heeft keurig betaald, maar men distribueert de werkjes niet. Ze moeten nog ergens in een kantoor of magazijn liggen.

Aan zoiets heb ik natuurlijk geen financiële strop, maar je wilt toch ook dat een uitgave de kinderen voor wie ze bedoeld is, bereikt.

 

Omdat ik merkte dat oudere kinderen niet zo veel belangstelling hadden voor mijn boeken, ben ik van onderaf begonnen en heb ik diverse prentenboeken voor kleine kinderen gemaakt.

Zo was ik de eerste die op de Antillen met prentenboeken in kleur kwam die voor kleuters bestemd wa en en vergezeld waren van een Papiamentu-tekst.

‘Shon Pokopoko’ was het eerste full-colour prentenboek. Deze boekjes voor de kleinen verkopen veel beter dan de andere boeken, althans via de boekhandel. Terwijl de scholen nog Nederlandstalige boeken willen hebben, worden via de boekhandel vooral Papiamentstalige kleuter- en kijkboeken verkocht. Ook op Aruba koopt men redelijk ondanks de spellingsverschillen. Er is kennelijk een grote behoefte aan deze boekjes in allerlei soorten.

 

Ook in Nederland verkoopt Roel Jungslager regelmatig aan vier boekhandels, waarvan twee in Eindhoven. Waarschijnlijk zijn de meeste klanten Antillianen.

Roel Jungslager heeft diverse keren en in diverse landen geprobeerd op de markt door te dringen. Ons eigen afzetgebied is te klein voor goede prentenboeken in kleur, maar om internationaal te gaan heb je kwaliteit nodig, anders wordt het niet geaccepteerd. Maar dan moet je eerst kwaliteit kunnen maken en daarvoor is geld nodig dat een ruimere internationale markt je eigenlijk moet en kan verschaffen. Een vicieuze cirkel. Vooralsnog heeft hij diverse keren zijn neus gestoten en werd zijn werk afgewezen, onder andere in Nederland en in Venezuela bij Casa del libro, waar men E fli chiki niet vond voldoen aan de kritische maatstaven. Aan kwaliteit van papier, zetten, illustraties, omslag worden de hoogste professionele eisen gesteld, waaraan dit werk niet voldeed.

Na contacten gelegd te hebben in Costa Rica waar de mogelijkheden werden nagegaan en in Miami lijkt het nog moeilijk de vicieuze cirkel te doorbreken. Het lukt Roel Jungslager nog niet om zo'n kwaliteit te produren, dat hij internationaal kan concurreren. De internationale markt eist dusdanige kwaliteit dat die alleen met aanzienlijke kosten die dan gedekt moeten worden door een groot afzetgebied, bereikt wordt. Met de Mexicaanse uitgeverij Trillas heeft Jungslager nu een contract afgesloten voor de Spaanstalige versie van E kas pisá di shon Pokopoko, na een jaar moeizaam onderhandelen. Maar na die tijd heeft hij niets meer gehoord. Internationaal lopen de contacten dus vooralsnog erg moeizaam. Met enige afgunst vertelt Roel over zijn waarnemingen op Jamaica waar men profiteert van en samenwerkt met grote Caraïbische branches van Engelse uitgeverijen die afdelingen hebben in de Engelstalige gebieden over de hele wereld: MacMillan, Faber & Faber, Heinemann, Longman ...

Dat is ook Roel Jungslagers ideaal. Een drie- of viertalige uitgeverij - Papiamentu, Nederlands, Spaans en eventueel Engels - die technisch goed verzorgde boeken maakt in verschillende taalversies, zodat een redelijke oplage bereikt kan worden door internationale samenwerking. Met goede professionele illustratoren en een goed georganiseerd distributie-apparaat.

[p. 37]

Maar zover is hij nog niet.

Met E kas pisá di shon Pokopoko dat nu in vier talen geschreven is, heeft hij een klein begin van dat ideaal verwezenlijkt. Maar deze uitgave is helaas tot nu toe een financiële strop door de geringe verkoopcijfers en de stagnatie op de internationale markt, waar men de uitgave wel accepteert als van voldoende niveau, maar waar deze acceptatie nog geen concrete resultaten oplevert vooralsnog.

 

Voorlopig moeten de idealen dus maar aangepast aan de realiteit. En die is in kleine oplagen eigen werk uitgeven en dat van anderen, zoals Yerba Seku en Diana Lebacs. Met de laatste werkt Roel Jungslager nauw samen in die zin dat ze beiden kijken naar wat er gedaan zou kunnen worden en het uitwisselen van ideeën daarbij. Daarnaast heeft Roel enkele boekjes van Diana Lebacs gepubliceerd en werkt hij nu aan haar werkje - Kas ta kas - een in drie kleuren uitgevoerd prentenboek waarin eenvoudige begrippen zullen worden uitgelegd aan kleuters. Roel verzorgt lay-out en druk van anderen als van bijvoorbeeld Henry Habibes recente dichtbundel Yiu di tera (1985).

Roel zal moeten werken in zijn vrije tijd met illustratoren die ook in hún vrije tijd werken en daarom nog al eens lang op resultaten laten wachten. Tot nu toe heeft hij het meeste illustratiewerk opgedragen aan Wop Sijtsma die tekenleraar is. Maar het is moeilijk deze mensen bereid te vinden omdat de beste illustratoren ook veel commercieel werk doen, zo zelfs dat Roel nu in Nederland een illustrator heeft moeten aantrekken voor het nieuwe boekje van Diana Lebacs.

Maar het grootste probleem is ongetwijfeld het werken beneden het kwaliteitscriterium en - niveau dat je eigenlijk wilt halen, maar waaraan je door tijdgebrek en geldgebrek niet toekomt. Roel Jungslager publiceert tegenwoordig vooral onder zijn pseudoniem Leo Regals. Dat anagram heeft hij verzonnen omdat zijn eigen naam hier zo moeilijk in de oren klinkt en zo buitenlands is, en ook als bijkomstigheid, wegens de onderliggende associaties met ‘koninklijke’ en de betekenis ‘leeuw’. Door het gebruik van een pseudoniem worden zijn activiteiten ook minder met zijn persoon in verband gebracht, terwijl hij aanvankelijk ook met twee namen de verschillende activiteiten voor kinderen en volwassenen gescheiden wilde houden.

Na al die jaren heeft hij die ‘leeuwenmoed’ ook wel nodig om door te zetten. In feite staan we nu nog maar aan het begin, verzucht hij gedurende het gesprek. Maar daarop volgt direct een uiteenzetting over een nieuw plan waarmee hij rondloopt, om een tijdschrift te beginnen; maar dat ziet hij voorlopig toch nog niet zo zitten!

Leo Regals zal ondanks alle moeizame vorderingen toch wel blijven schrijven en daarnaast proberen zijn tot nu toe niet gepubliceerde manuscripten alsnog op een financieel niet al te onaangename manier het licht te doen zien.

Hij zal bij de boekhandels blijven aankloppen en de scholen via een jaarlijkse brief op de hoogte houden van de aanwinsten in zijn fonds.

En hij zal op een volgende kunstof boekenmarkt zeker present zijn om lezers voor zijn werk te winnen.

2.2. Nederlandse uitgevers.

Hoewel er voor een uitgeverij over de post ‘nooit iets gebeurt’ en dat 99% van de naar een uitgeverij opgestuurde manuscripten niet het publiceren waard is, stuurde Diana Lebacs haar manuscript van Sherry naar Leopold en werd het gepubliceerd nadat er

[p. 38]

een aantal wijzigingen in waren gebracht. Daarmee gelijktijdig nog een extra betekenis aan de ondertitel van haar boek toevoegend: het was ook ‘begin van een begin’ voor het Antilliaanse fonds van Leopold, waarin nu Sonia Garmers, Diana Lebacs, Angela Matthews en Siny van Iterson zijn opgenomen. Dat is een andere, begeerde mogelijkheid voor een auteur: publiceren bij een Europese uitgeverij, profiteren van de know how en de organisatie van een professioneel bedrijf, en het bereiken van een groot, hoewel niet eigen publiek. In de figuur van auteur Miep Diemann kregen deze Antilliaanse auteurs de begeleiding die hun talent ontwikkelde.

In het verleden waren Kluitman in Alkmaar, de schoolboekenuitgever Dijkstra in Zeist, Voorhoeve in Den Haag en een enkele keer Callenbagh in Nijkerk opgetreden als uitgevers van werk dat Nederlanders schreven over de Antillen, Momenteel verzorgen Meulenhoff, De Bezige Bij en vooral In de Knipscheer de literaire uitgaven voor volwassenen, en De Walburg Pers geeft algemeen cultuurhistorische uitgaven van de Antillen uit.

2.3. Charuba

Voor het Engelstalige Caraïbische gebied hadden Britse uitgevers als MacMillan, Faber and Faber, Heinemann en Longman al decennia lang hun Caraïbische afdeling met vestigingen en vertegenwoordigingen in West-Indië zelf. Van deze uitgeverijen beweegt Longman Caribbean zich vooral op het gebied van de jeugdliteratuur - in het fonds zijn bekende auteurs als Vic Reid en Jean D'Acosta opgenomen.

In 1984 is voor Aruba ook een dergelijk initiatief ontwikkeld. ‘Charuba is een nieuwe zusteruitgeverij onder de vleugels van Leopold, die zich voornamelijk zal toeleggen op uitgaven voor de jeugd, geschreven door Arubaanse auteurs - zowel in het Papiamento als in het Nederlands’, zo kondigde Miep Diekmann in februari 1984 de nieuwe Arubaanse uitgeverij (de eerste!) aan.

Motor en initiatiefnemer van Charuba is de directrice van de Biblioteca Nacional Aruba, Alice van Romondt. Omdat eigen Arubaanse schrijvers van jeugdliteratuur bijna niet voorkomen, besloten zij en Miep Diekmann een paar jaar geleden na te gaan of er geen lokale ‘verborgen talenten’ ontdekt en geholpen konden worden. Dat er op Aruba nauwelijks iets wordt uitgegeven, wijt Alice aan de spellingsproblematiek van het Papiamento: de controverse tussen de fonologische ‘Curacao’ spelling en de etymologische Arubaanse.

De auteurs durfden het risico niet te nemen om in eigen beheer te publiceren met alle risico's van distributie en financiën.

Alice van Romondt en Miep Diekmann belandden bij uitgeverij Leopold in Den Haag, waar samen met directrice Liesbeth ten Houten het plan ontstond een Arubaanse ‘dochter’ van Leopold te stichten. Een logische band, omdat Leopold toch al zoveel Antilliaans in haar fonds heeft opgenomen en zodoende heel wat ervaring heeft.

 

In 1982 namen de voorbereidingen, toen Miep Diekmann weer enkele maanden op Aruba was, vaste vorm aan, zodat de uitgeverij in februari 1984 van start kon gaan met voldoende garantie voor een continu fonds. De vorm waarin Charuba start met een Arubaans-Papiamentse en een Nederlandstalige afdeling is welbewust gekozen en biede volgens Alice van Romondt verschillende voordelen. De publicaties zullen door middel van vertalingen in beide koninkrijksdelen worden verspreid. Op deze manier ontstaat er leesmateriaal voor de toekomstig Papiamentstalige basisschool, eigen Arubaanse schrijvers krijgen een publicatiegelegenheid, en wat voor Aruba geschikt is uit het grote fonds van Leopold kan vertaald worden. Daarnaast krijgt de jonge Nederlandse lezer de mogelijk-

[p. 39]

heid zich beter te informeren over Aruba. Leopold bekijkt de mogelijkheden voor Nederland. De manuscripten worden dus van weerskanten beoordeeld. Over een getalsverhouding tussen Papiament en Nederlands zijn geen afspraken gemaakt, maar Alice geeft de voorkeur aan het Papiamento gedeelte. Zodra ze haar uitgeversdiploma behaalt, zal de uitgeverij zelfstandiger kunnen opereren. Wat nu ‘dochter’ is zal dan ‘zuster’ kunnen worden.

Bovendien biedt deze structuur veel voordelen in verband met de technische en financiële faciliteiten die Leopold kan bieden. Deze verzorgt de publiciteit en de distributie in Nederland, Plaza Bookshop zal hiervoor op Aruba en in de Antillen zorgen. Als onze boeken er eenmaal zijn zullen ze ook op de andere eilanden hun weg wel vinden, volgens Alice van Romondt. Na lange jaren zal er weer, en nu systematisch, van Aruba gepubliceerd worden. Alice wijst ook op de markt van Antilliaanse lezers in Nederland, waar immers zo'n 40.000 Antillianen wonen. Nederlandse bibliotheken schaffen steeds meer Papiamentse boeken aan; ook dat is een - klein - afzetgebied.

Charuba zal evenals Leopold, vooral gericht zijn op kinder- en jeugdliteratuur voor de leeftijdsgroep van vier- tot zestienjarigen, maar ook ander werk is welkom. Naast een jeugdboek van Desiree Correa kwam een vertaling van Miep Diekmann Nildo en de maan gereed. Maar er zal ook aandacht zijn voor poëzie in het Papiamento en het Nederlands; daarvoor zijn er ook al enkele auteurs gevonden, zodat er een eigen kinder- en jeugdpoëzie kan ontstaan.

‘Charuba’ is een samentrekking van Cha Tiger, een van de hoofdfiguren uit de in het Caraïbische gebied zo populaire uit Afrika afkomstige Nanzi-verhalen, en Aruba. Het vignet zal de wijze uil zijn, de typisch Arubaanse shoco.

 

Als we na ruim een jaar - einde 1985 de balans opmaken, kunnen we dan constateren dat de jonge uitgeverij die zich beweegt in twee landen en in twee talen, succes heeft gehad? Opnieuw een gesprek met Alice van Romondt.

‘Voor de beantwoording van de vraag naar succes wil ik een inhoudelijke en een technische kant onderscheiden. Beide hebben hun moeilijkheden en hun succes.

Als een van de eerste uitgaven kwam de vertaling in het Papiamento van Miep Diekmanns Nildo en de maan uit, waarvan de verkoop tot nu toe op de Antillen erg is tegengevallen. Dat is voor een deel te wijten aan het distributieapparaat, dat hier nog zeer gebrekkig functioneert.

Maar dat is wel te verhelpen. Ernstiger is het probleem dat de Arubaanse kinderen blijkbaar niet graag Papiamento lezen, omdat ze daarop in het Nederlandstalige schoolsysteem niet worden voorbereid en niet in worden aangemoedigd. Een bewustwordingsproces voor het Papiamento zoals dat op Curacao aan de gang is, is volgens Alice van Romondt op Aruba onbekend; ook politiek speelt het introduceren van het Papiamento in het basisonderwijs geen rol, het is geen issue, men houdt er zich kennelijk niet mee bezig. Politici en beleidsmakers doen er in elk geval geen uitspraken over in het openbaar. Als hoofd van de Openbare Bibliotheek weet Alice van Romondt dat Papiamentstalige boeken vooral aan volwassenen worden uitgeleend, die er thuis uit voorlezen. De buitendienst van de bibliotheek doet op de scholen wel aan boekpromotie voor het Papiamentstalige boek, maar het is een moeizaam proces.

De verschillen in spelling tussen Aruba en Curacao, die vaak als de boosdoeners daarbij worden genoemd, spelen toch niet een echt overwegende rol; het is veel eerder de algehele houding tegenover het Papiamento op Aruba. Onderzoeken mogen dan wel aangetoond hebben dat er op Aruba meer gelezen wordt via de bibliotheekuitleningen, op Curacao wordt er meer gekocht. Het kopen van boeken is op Aruba nog geen traditie geworden.

[p. 40]

Charuba is daarom vooral een lange termijn project. Langzaam maar zeker bouwen we een fonds op, we maken materiaal voor de toekomst. En als dan het Papiamento over een X aantal jaren toch wordt ingevoerd, is er tenminste materiaal van niveau. De prijzen daarvan konden we bovendien redelijk houden omdat Miep Diekmann heeft afgezien van haar royalties op de vertaalrechten.

‘Als je leesplezier wilt ontwikkelen zal je dat moeten doen door middel van technisch goed verzorgde boeken; aan het uiterlijk wordt erg veel aandacht besteed door Charuba. Het Nederlandstalige deel van het fonds loopt in tegenstelling tot het andere wel redelijk. Er is na ruim één jaar nu al een handvol uitgaven, en voor het komende jaar is er nog heel wat gepland.

In het begin legde Charuba vooral de nadruk op de jeugdliteratuur, maar gaandeweg merken we dat we een algemeen cultureel-literair fonds aan het opbouwen zijn.’ Intussen heeft moedertje Leopold medio 1987 haar Charuba-dochter verstoten.

Maar deze gaat nu op eigen wankele benen verder.

In elk geval brengt ze in 1988 al een aantal nieuwe uitgaven zelfstandig op de markt, waarbij de filosofie - een goed veeltalig literair produkt - dezelfde is gebleven.

Alleen wordt de markt nu natuurlijk nog veel kleiner.

Maar het doel is te belangrijk om te stoppen.

2.4. Illustratoren: vreemd en eigen.

Een Antilliaanse auteur die bij een professionele uitgeverij in Europa terechtkomt, heeft geen zorgen meer over allerlei zaken als het uiterlijk van zijn boek, omdat hij dat aan de beroepsmensen als illustratoren e.d. kan overlaten. Of toch?

Het eerste Antilliaanse jeugdboek Sherry (1971, 19852) heeft beide keren de hoofdfiguur op het omslag. Het verhaal begint als volgt:

‘Sheritsa herinnerde zich, hoe ze vroeger voor de spiegel kon staan, om zich met ontroostbare droefheid af te vragen waarom ze toch zo zwart was. Ze verafschuwde de tientallen stijve vlechtjes waarin haar moeder haar haar verdeelde en ze dan rangschikte volgens een bepaald patroon.’

Op p. 142 heeft de uit Nederland teruggekeerde Sherry een afro. Maar noch de vlechtjes, noch de afro zien we op de omslagen van Rien Poortvliet en Theo Zwinderman. De eerste gaf de auteur weer. Met Suikerriet Rosy heeft Zwinderman het er beter afgebracht. The Tjong Khing volgt in Angela Matthews: De witte pest (1978) wel zo ongeveer een scène uit het boek zelf: ‘Ze liep weg uit de kring naar het raam’ (p. 75/76) Hij koos iets over Thalma's problemen, niet de oplossing daarvan aan het einde. Dat is ook heel goed te verdedigen, want de problemen zijn er het hele boek; de oplossing aan het einde is plotseling en literair geforceerd. Een andere Nederlandse illustratrice is Reintje Venema. Sonia Garmers Wonen in een glimlach gaf ze de volgende voorplaat: ‘Segundo leunde met beide handen op Bibi's bureau, kwam met zijn gezicht vlak bij het hare.’ (p. 128) Maar uit de tekening zou je de tachtig kilogram van Bibi bepaald niet opmaken, al is ze in de loop van het verhaal wel afgevallen (p. 76), maar zoveel dat ze nu zo slank is als op het plaatje? Jenny Dalenoord ging uit van het centrale gegeven voor De spokenband van Diana Lebacs: ‘Odulio had een buikband van zeildoek om en daaraan hing een kapmes. Hij haakte het kapmes los en kapte met een handige zwaai een mooie, lange tak af.’ (p. 47) Maar in de rest van de illustraties zien we alleen maar knoek, cactussen, oude hutjes of een buurttoko, niets van het moderne Curacao dat

[p. 41]

toch zeker ook in het boek voorkomt.

Diana Lebacs vertelde me dat voor haar De toembakoning de Curacaose tekenleraar Wop Sijtsma een mooie glimmende auto moest weghalen, omdat dat volgens de Nederlandse uitgeverij niet kón op Curacao. Hij heeft de auto toen maar gedeeltelijk in een stofwolk verborgen, want goede wegen zijn er ook niet op Curacao (p. 31).

Behalve Wop Sijtsma tekenen de Arubaan Evelino Fingal, de ontwerper van de eerste Arubaanse postzegels, de nieuwe bankbiljetten en Arubaanse munten, incidenteel voor een jeugdboekenuitgave als bijv. Contami un storia. Hij ontwierp daarvoor tekeningen die door de kinderen zelf kunnen worden ingekleurd.

2.4.1. Wop Sijtsma: ‘Je kan een kind pas echt begrijpen als je zelf ook een beetje kind bent.’

We kijken naar een video-opname ‘In de ban van het krijt’.

Dreigende, lege landschappen, een lange licht gebogen grot met aan het einde een lichtpunt, wolken, eenzame mensfiguren die tederheid en verdriet uitstralen. Alle ‘tekeningen’ zijn vervaardigd op een ouderwets schoolbord met doodgewoon schoolmeestersbordkrijt. Nooit heb ik geweten dat met deze beperkte middelen zo'n effect bereikt kan worden, qua techniek en inhoud.

De beelden van negen maanden werken rijgen zich aaneen in hun mysterieuze, surrealistische, religieuze motieven, aan de bijbel ontleende symbolen over dood en bekering, verlossing en een smeken om het eeuwige licht.

Ik ben op bezoek bij Wop Sijtsma die deze bordschilderingen in 1978/1979 vervaardigde en ik prijs me gelukkig dat de vader van Roel Jungslager toen hij met vakantie op Curacao was, ze op de video heeft vastgelegd.

Daarna bekijken we een aantal schilderijen die sterk verschillen in grootte en techniek, maar waarbij het gemeenschappelijke toch een bepaalde sfeer is, die bereikt wordt door steeds weer met nuances van kleuren te werken.

Wat me opvalt is het geheel andere ‘klimaat’ dat uit dit vrije schilderwerk spreekt, als ik het vergelijk met de illustraties die Wop Sijtsma voor de kinderboek uitgaven van Roel Jungslager en Diana Lebacs vervaardigd heeft. Uit die tekeningen voor kinderen blijkt een vrolijkheid en opgewektheid die in het schilderwerk nauwelijks en in de krijttekeningen volstrekt niet voorkomt.

Ik heb afgesproken om met Wop Sijtsma over zijn illustratieve werk voor kinderboeken te spreken en daar beperken we ons nu toe. Wop Sijtsma (Amsterdam 1939) vertelt over leven en werk. Ik ben de zoon van een timmerman die in schilderen was geïnteresseerd; mijn vader was een echte zondagsschilder. Vanaf mijn vijfde jaar al heb ik zelf getekend. In de gehele groeiperiode naar volwassenheid ben ik door beroepsmensen gestimuleerd en gericht. Elke zaterdag gingen we met een groep jongeren die aanleg voor tekenen en schilderen hadden, naar het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar we mochten werken onder leiding van Nederlandse kunstenaars. Daarnaast heb ik veel te danken aan iemand als Ad Pieters, die ik als mijn peetvader beschouw en die me de kans heeft gegeven door te gaan. Mijn opleiding is de kunstnijverheidsschool. Na het afronden van mijn studie heb ik gewerkt als reclametekenaar. Daarbij moet je een produkt tekenen, je moet heel simpel, scherp en zakelijk weergeven wat van belang is in de advertentie, waarbij je rekening houdt met de lay out van de letters, zodat het voor de klant duidelijk zichtbaar wordt. Je plakt de tekst in en illustreert de advertentie rond die tekst. Daarna werkte ik bij Joop Geesink, Dollywood, die poppen vervaardigde die moesten kunnen bewegen.

[p. 42]

We maakten materiaal voor tekenfilms met behulp van metaal dat werd beplakt met papier. Daar hebben we voor een Engels programma ‘Teevee times’ een serie heel korte filmpjes van één minuut mee gemaakt. Je hebt de tekst en je moet ervoor zorgen dat zo'n pop daarop kan bewegen.

Voor Elsevier en anderen heb ik nog heel wat free lance werk gedaan voor hun bladen en daarnaast heb ik gewerkt voor mode ateliers. Ook heb ik nog bij De la Mar gewerkt, een van de grootste reclamebureaus van Amsterdam.

Via een Curacaose radio-medewerker Kees Spranger, raakte ik nieuwsgierig naar Curacao. Mijn vrouw kende het eiland en vertrok eerder dan ik. Zij kwam met Rudy Dovale in contact die ze iets van mijn werk liet zien, en op deze manier kwam ik in 1965 naar Curacao. Om in het onderwijs te gaan was voor mij een probleem. Je bent eigenlijk altijd te autoritair, je moet kinderen altijd een zekere discipline aanleren. Dat is zeker zo met een hele klas. Voor expressie heb je vrijheid nodig en met klassikale discipline rem je het kind in zijn expressie en is een zekere starheid altijd het gevolg. Er is wel aandrang op me uitgeoefend om een l.o. tekencursus te gaan doen, maar ik had door mijn opleiding eigenlijk geen onderwijsbevoegdheid. Toen ik na korte tijd bij Dovale wegging, kreeg ik de mogelijkheid om voor het dagblad Beurs- en Nieuwsberichten te gaan tekenen. Ik mocht actualiteiten uitbeelden in cartoons, voor koninginnedag moest ik een kinderpagina verzorgen, enz. Het reclame tekenen viel heel erg tegen hier, omdat het veel te snel en te slordig gedaan moest worden, maar verder bood Curacao vele mogelijkheden in vrije opdrachten. Ik moest het hebben van losse jobs.

Via contacten met Dr. Chris Engels kreeg ik therapeutisch werk bij het Mgr. Verriet Instituut voor gebrekkige kinderen en Rustoord, het psychiatrisch ziekenhuis waar dokter Meier toen werkte.

In die tijd was er hier eigenlijk nog geen creatieve bezigheidstherapie. Daarna en daarnaast werkte ik ook jaren aan het Gouvernements Opvoedingsgesticht voor ontspoorde jeugd. Aan de Dr. David Ricardo Capriles Kliniek werk ik nu nog, dus al zo'n negentien jaar in totaal. In de ochtenduren geef ik nu les aan de Martinus Mavo en de MAO waar tekenen een examenvak is; 's middags werk ik in het psychatrisch ziekenhuis.

Zo'n tien jaar geleden werkte ik op het M.I.L. en het Ignatius. Op die laatste school leerde ik Roel Jungslager kennen, maar ik wist toen nog niet dat deze boeken schreef en publiceerde. Wel voelde ik me aangetrokken tot het maken van kindertekeningen. Toen we elkaar beter leerden kennen, zijn we gaan samenwerken en goede vrienden geworden.

Die strakke lijnen en vormen van het reclametekenen waren een strenge eis waarvoor ik de discipline moest opbrengen, maar wat ik eigenlijk helemaal niet zo leuk vond - een noodzakelijk kwaad dat nu eenmaal moest. De losheid en het speelse, het mezelf kunnen zijn in mijn tekenen, dat was wat het eiland me bood en het gebied van kindertekeningen. Ik leef makkelijk en ik kan geheel mijn eigen weg volgen. Met Roel Jungslager heb ik een hele serie boekwerken gemaakt, in totaal al ver over de tien. Kijk, je werkt met kinderen, je observeert ze, je ziet hun beweeglijkheid, je praat met ze, je bent eigenlijk kind mee. Je kan een kind pas echt begrijpen als je zelf ook een beetje kind bent. Je moet je in hen kunnen verplaatsen. Je moet niet te ver van kinderen verwijderd zijn; ik zit vaak bij ze in de bank.

Kinderen staan in mijn tekeningen heel centraal, maar wel steeds in hun decor. Dat laatste haal ik gewoon uit mijn omgeving, bijvoorbeeld waar ik werk. Kinderen zouden zich eventueel ook kunnen herkennen in mijn teke-

[p. 43]

ningen. Ik observeer over het algemeen ongemerkt, maar soms vraag ik ook wel eens een kind om even te blijven staan, zodat ik rustig kan kijken. Maar het tekenen zelf doe ik altijd vanuit mijn geheugen. Jammergenoeg moeten de illustraties om technische redenen of om de kostenfactor heel vaak in zwart-wit of in halftinten grijs, het liefst zou ik altijd in kleur werken.

Bij de keuze voor de illustraties werk ik op verschillende manieren. Wanneer de tekst niet helemaal aanspreekt voor de illustratie maak ik vaak meer illustraties voor dat ene verhaal. Dat moet dan wel in overeenstemming zijn met wat de auteur wil; er moet eenheid zijn tussen tekst en illustratie, maar dat wil niet zeggen dat ik niet de vrijheid heb om meerdere tekeningen te maken. Vaak doe ik dat in overleg met de auteur.

Diana Lebacs van wie ik als eerste De toembakoning illustreerde, geeft mij wel alle vrijheid, maar ik vind het zelf soms belangrijk om haar mening ook te weten.

Dat houdt in dat het kan gaan om een tekening al of niet over twee pagina's te brengen of een tekening die technisch wat vetter is of een heel luchtige dunne pentekening, een kleurwerkstuk vanuit één kleur of waarin alle kleuren meespelen. Dat zijn dus vooral technische problemen.

Een illustratie kan een hiaat in het verhaal opvullen, een beeld geven van waar de auteur als het ware een stukje tekst heeft overgeslagen. Daarnaast haal ik vaak de emotionele stukjes uit een verhaal om de beweeglijkheid ervan op papier te zetten. Ik probeer dus vooral de levendigheid, de actie eruit te halen, maar probeer daarnaast ook de sfeer aan te brengen en dat kun je natuurlijk doen door de entourage, de omgeving waar het verhaal zich afspeelt, bij je illustraties te betrekken. Dat is waar ik van uit ga. Je moet behalve het verhaal de auteur ook heel goed begrijpen om goed te kunnen illustreren. Tot nu toe heb ik met maar twee auteurs nauw samengewerkt: dat is ongeveer tien jaar lang Roel Jungslager geweest en nu is het Diana Lebacs. Daarnaast betreft mijn werk alleen eenmalige opdrachten.

Ik gebruik heel eenvoudige plakkaatverf, het kan zijn dat ik eens een keer acryl gebruik, maar dat is heel zelden. Mijn tekeningen zijn hoofdzakelijk verfijnde pentekeningen of stifttekeningen. Ook gebruik ik soms waterverf.

Voor de boeken van Roel Jungslager heb ik heel vaak getekend, maar ook wel eens geverfd. Het hangt ervan af wat je wilt. Als je bijvoorbeeld de Dick Bruna boekjes neemt, dan zie je egale kleurvlakken waar in gewerkt wordt. Maar met mijn techniek is het heel anders, mijn kleuren zijn steeds ‘gewassen’. Ik verf met heel weinig pigment in, met veel water, dan neem ik het op met een droog penseel. Bepaalde kleuren blijven achter, die vloeien samen en dan krijg je verloop. Om dat wat zachter te maken gebruik ik dan weer wat wit.

Eigenlijk wordt het een gouache - achtig stuk. De kleuren worden op deze manier mooier omdat het wit van het papier als het ware door de kleuren heen zichtbaar blijft. Ik gebruik geen potlood meer, maar werk gelijk met verf. En dan hangt het er maar vanaf of de auteur het ook mooi vindt, omdat ik eigenlijk in opdracht van haar werk, niet van de uitgever. Diana is in eerste instantie degene die mijn werk beoordeelt en daarna is het de uitgeverij die moet beslissen. Je hebt hier op Curacao een direct persoonlijk contact met de auteur, maar een Nederlandse uitgeverij als Omni-boek (De toembakoning) is ver weg; je praat op grote afstand over het visuele wat wel eens problemen oplevert. Zo tekende ik een auto die de uitgever niet goed vond omdat hij niet ‘eigentijds’ was. Maar hier op Curacao rijden al die grote Amerikaanse auto's, heel anders dan in Nederland. Maar als je dan

[p. 44]

in de buurt woont kun je erover praten.

Ik houd er eigenlijk ook niet zo van om auto's te tekenen, liever maak ik planten en bloemen die levend zijn.

Tegenwoordig illustreert men veelal heel fijntjes met een pen; daarom vond ik de gelikte illustraties van De toembakoning eigenlijk uit de toon vallen, maar de uitgever vond ze toch goed en verhelderend. Illustreren van kinderboeken is heel fijn werk, je zit zelf midden in een verhaal en je bent in staat om ermee te spelen.

2.4.2. Giolina Henriquez: ‘Ik kan de natuur met mijn vingers raken...’

Uitgeverij Charuba/Leopold werkt nu met de jonge Arubaanse schilderes-illustratrice Giolina Henriquez. Met haar had ik een gesprek op 18 september 1985, toen ze haar eerste omslagen en boekillustraties afhad; inmiddels heeft ze al een serie werkstukken gemaakt voor de vervolguitgaven van uitgeverij Charuba.

 

Giolina Henriquez (1958) volgde na haar middelbare school op Aruba, waar ze geboren is, twee jaren een opleiding aan het Pine Manor College in Boston, V.S., waar ze een Fine Arts Award kreeg. In 1981 studeerde ze aan de Rhode Island School of Design af voor haar Bachelors of Fine Arts. Ook hier werd ze onderscheiden voor uitstekende prestaties. Ze keerde terug naar Aruba, waar ze zich vooral met het schilderen van grote doeken bezighoudt. Tentoonstellingen van haar werk waren te zien in Rhode Island (1980 en 1981), Aruba (1983), Caracas (1984), Amsterdam (1984), Rijswijk (1985) en opnieuw Aruba (1985).

 

In de Verenigde Staten kreeg ik aanvankelijk een heel strakke, schoolse opleiding met veel verplichte tekenonderwerpen om te doen. Dat gebrek aan vrijheid was een probleem voor mij en ik verzette me er fel tegen. Ik wilde mezelf zijn. Zo tekende ik met Thanksgiving bijvoorbeeld uit protest een kalkoen die vakkundig bezig is een man voor te snijden. Daar heb ik gezworen nooit meer te tekenen.

Ik was na vier maanden weg en ik heb daarna op een andere afdeling veel kunnen doen aan etsen, litografieën en zeefdrukken. De persoonlijke begeleiding en de individuele benadering die daar regel waren bevielen me veel beter.

Maar ik heb toch de opdracht om boekillustraties te maken aangenomen, omdat ik voor een uitdaging van iets nieuws nooit uit de weg wil gaan. Tot mijn eigen verbazing heb ik het met veel plezier gedaan en ik wil er nu zeker mee doorgaan.

Dat komt omdat ik veel vrijheid heb gekregen van de uitgever. Ik mocht zelf bepalen wat ik wilde tekenen, hoeveel tekeningen ik zou maken en in welke stijl. Zo kon ik mijn eigen fantasie helemaal uitleven waarbij ik me trouwens sterk aangetrokken voelde tot de mysterieuze zaken die Josette Daal in Warwind, het eerste boek dat ik illustreerde, beschrijft. Deze illustraties maken is eigenlijk heel grappig, al was het wel veel werk zo'n eerste keer. Tot nu toe heb ik veel abstract werk geleverd omdat ik me te geremd voelde tijdens de opleiding in de Verenigde Staten om mezelf helemaal te geven. Abstract schilderen is vooral een spel met je intelligentie. Nu ik weer op Aruba ben durf ik emotioneler te werken; ik voel me hier beter op mijn gemak en dat uit zich bij mij in het figuratieve.

Ik wist meteen welke gebeurtenissen uit Warwind ik wilde gebruiken als illustratie. Josette Daal heeft sterke karakters neergezet en die wilde ik uitbeelden. Ik heb juist gekozen voor die onderwerpen die iemand anders niet

[p. 45]

zo gauw zou kiezen volgens mij; het mysterieuze heb ik eruit gehaald.

Veel boekillustraties vind ik vaak zo houterig. Ik heb echt geprobeerd er veel van mijn fantasie en gevoel in te leggen. Door middel van die vervagende techniek van duidende minuscule puntjes zetten met een heel dun pennetje heb ik dat bereikt. Al die puntjes geven een zo fijn effect dat Jos Weinberg die een recensie schreef voor de N.B.L.C. dacht dat het zeefdruk was. Ook het weglaten van achtergronden werkte mee aan het mysterieuze, het loslaten van het realistische.

Bovendien werkt een decor zo stripachtig. Ik heb gekozen voor de figuren, niet voor de ruimte daaromheen.

Mijn eerste omslag - dat van Warwind - heb ik met ecoline gedaan. Dat was de eerste keer dat ik die techniek toepaste; ook tijdens mijn opleiding had ik dat nooit gebruikt.

Omdat ik vooral abstract schilder, ben ik niet zo goed gewend mensen te bekijken, om zo de kinderen uit het hoofd te tekenen. Ik heb foto's gemaakt, schetsen en studies, waarvoor kinderen hebben geposeerd. Al kostte het me veel moeite vrijwilligers te vinden.

Schilderijen en tekeningen moeten veel zeggen tot degene die ze bekijkt; de kijker moet er steeds nieuwe dingen in kunnen ontdekken. Maar ik wil er ook mijn eigen verhaal in hebben. Daarbij is de titel die ik later na veel moeite kies ook heel belangrijk voor mij. Je moet erover kunnen nadenken, maar het moet ook iets mysterieus blijven. Aanvankelijk schilderde ik over liefde, maar vooral over eenzaamheid; nu word ik concreter, maar die spanning tussen abstract en concreet, het langzaam bij stukjes en beetjes prijsgeven, moet blijven. Zo wil ik nu beide blijven doen: schilderen en illustreren.

Een tweede boekontwerp voor Boy; een Antilliaanse jongen in het Nederlandse verzet, door Ted Schouten, heb ik daarna afgemaakt. Dat was een veel serieuzer onderwerp, waarvoor ik een schilderij gemaakt heb. Dat beeldt het lint van het verzets-herdenkingskruis uit, dat slingert om een door het verzet aan flarden gescheurde hakenkruisvlag, waarin het gezicht van Boy Ecury in negatief is geschilderd, omdat hij niet meer leeft. Zwaard en vuur beelden zuivering uit.

Toen Ted Schouten op de Waalsdorpervlakte liep waar Boy, zoals anderen, is gefusilleerd, vielen hem de uitgestrektheid, de stilte en de halmen van het taaie helmgras op, die in de wind bogen zonder dat er één brak. De drie halmen duiden deze geesteshouding aan, die Boy en de twee kameraden die tegelijk met hem geëxecuteerd werden, vertegenwoordigen. Het is jammer dat het schilderij op de omslag van Boy in spiegelbeeld is afgedrukt door een vergissing.

Het werk voor een derde boek is inmiddels ook af. Daarvoor ben ik weer terug gegaan naar de techniek die ik voor Warwind hanteerde. Het is een verhalenbundel van Frances Kelly: Wi-ki-ki-ri-ki-ki (1986)

In de Verenigde Staten zou ik waarschijnlijk intensiever gewerkt hebben.

Aanvankelijk kwam ik terug voor enkele maanden, maar dat zijn inmiddels enkele jaren geworden. Schilderen is een deel van mijn leven en daarom was het gebrek aan contact met andere schilders op Aruba aanvankelijk een handicap. Maar nu heb ik een huis aan zee. Ik kan de natuur met mijn vingers raken en nu werk ik goed en voel ik me helemaal happy.

[p. 46]

3. .... en gelezen

In het verleden zijn er incidenteel pogingen ondernomen om volwassenen en kinderen ertoe te bewegen verhalen voor de jeugd te gaan schrijven, door middel van verhalenwedstrijden, waaruit publicaties als het vierdelige Dakue di kuenta en het bundeltje Contami un storia zijn voortgekomen.

In 1981 organiseerde de ‘Komishon pa promove kantika di mucha’ Commissie om kinderpoëzie te stimuleren) een poëzie-feest, waar 26 kinderen door henzelfgemaakte gedichten declameerden over de schoonheid van Curacao, de onafhankelijkheid en de arbeider. De vijftienjarige Setty Doran werd winnares met ‘Mi hardin’ (Mijn tuin), aldus een verslag van Viola Statia in Amigoe 15 augustus 1981.

Mi hardin
 
Mi ta biba den un gran hardin
 
yená ku flornan di tur kolor
 
Paranan kolor bunita i tambe kolor di tera
 
ta kanta henter dia bai
 
Ku un solo ku ta bria
 
dunando tur kos un toke kolorido
 
 
 
E Hardin tin biaha ta seku
 
falta di yobida ta tormenté
 
E ora ei e ta tristu i un poko desola
 
pero .... e ta min Hardin
 
 
 
Den mi Hardin tin tambe hopi sumpiña
 
Ku ta krese abundantemente tur kaminda
 
Yerba shimaron i yerba stinki
 
tur ta forma un kontraste amikal
 
Ku serunan ku ta duna otro man
 
Mahestuoso nan ta bira rònt
 
Lo mi ke sigui ketu bai
 
Konta tur esnan ku ta rònt di mi
 
kon felis mi ta den mi Hardin
 
i ku tur por gosa aki den
 
Habri wowo hanchu i mira
 
kon bunita tur kos ta
 
Pasobra mi Hardin tun un nòmber
 
I esei ta: DUSHI KORSOU
 
 
 
Setty Doran

Aan de andere kant zijn er ook pogingen om gepubliceerde jeugdliteratuur dichter bij de lezer te brengen. In het verleden hadden de Fraters van Pietermaai zo eens een tijdschrift Ala Blanca, Amigu conseheru y guia di nos hubentud, en wordt er momenteel een tijdschrift als Matinette voor kleine kinderen verspreid en het tweetalige jeugdtijdschrift Junior onder redactie van de leraren Enrique Muller en Ronnie Severing. Het eenvoudig uitgevoerde tijdschrift bevat verhalen, moppen, gedichten en wetenswaardige artikelen over diverse onderwerpen als de popwereld, postzegels, het actuele wereldgebeuren en sport.

Omdat er nauwelijks professionele eigen jeugdboekenuitgevers zijn, zijn er van die kant ook geen plaatselijke folders, catalogi en dergelijke, die nieuwe publicaties onder de aandacht van het lezerspubliek brengen, met uitzondering van het Arubaanse Charuba, dat de laatste jaren wat aan deze zaken is gaan doen.

De boekhandel beperkt zich veelal tot het plaatsen van advertenties in de dagbladen en (schaarse) tijdschriften.

Plaza Bookshop heeft in 1985/1986 een poginkje gewaagd om tot een bestsellerlijst te komen, maar door het geringe aanbod van eigen titels is een dergelijke poging nauwelijks mogelijk.

De radio is zeer schaars met informatieve programma's over boeken, zeker jeugdboeken. In de jaren dat Jos de Roo op Curacao woonde verzorgde hij een literair-cultureel radioprogramma in het Nederlands. Curacao kent een tweetal pioniers als de voordrachtskunstenaar Stanley Cras die voor de radio niet aflaat de eigen Antiliaanse literatuur te analyseren en te propageren, en

[p. 47]



illustratie

Eddy Pieters Heyliger die al vijftien jaar een literair radioprogramma Echa Palabra verzorgt.

Beiden hanteren daarbij uitsluitend het Papiamento. Van de andere eilanden ken ik geen voorbeelden van leespromotie via de radio. De Sint-Maartense bibliotheekmedewerksters verzorgen evenwel een maandelijkse gesproken recensie, die wordt uitgezonden voor Radio Montserrat die het noord-oosten van het Caraïbische gebied bestrijkt. De t.v. beweegt zich helemaal niet systematisch op literair terrein, laat staan de jeugdliteratuur.

Voor zover het lezen hier gestimuleerd wordt, gebeurt dat in de scholen en vooral via de (jeugd)-bibliotheken. Van beide een impressie. Daarbij is het me niet om een inventarisatie begonnen, maar wil ik alleen enkele voorbeelden als illustraties opnemen. Voor de jeugdbibliotheek kies ik Curacao omdat men daar erg actief is.

Van de Bovenwinden beschrijf ik de Boekenweekorganisatie die daar een lange traditie kent. Dat wil niet zeggen dat er op de andere eilanden niets gebeurt. Ook op Bonaire wordt er wel iets gedaan met behulp van Viola Statia en Diana Lebacs, die daarvoor uit Curacao overkomen. Op Aruba rijden dagelijks twee bibliobussen en kent men vooral in de traditie geworden literair-culturele septembermaand een diversiteit aan activiteiten. Maar ik moet een keuze maken.

3.1. Scholen

De leespromotie in de scholen is natuurlijk afhankelijk van het enthousiasme van de individuele leerkrachten. Pogingen om auteurs op school uit te nodigen om lezingen te houden, blijven een incidenteel gebeuren bij gebrek aan fondsen, die de hoge reisen verblijfkosten tussen en op de eilanden moeten dekken.

Aan het begin van de jaren tachtig heeft Miep Diekmann toen ze op Aruba was om auteurs te begeleiden een groot aantal schoollezingen verzorgd. Daarnaast is Dolf de Vries wel eens op het Colegio Arubano geweest om er over zijn jeugdwerk te vertellen en eruit voor te lezen.

Uit het tijdschrift van de Arubaanse onderwijsbond, Skol y Komunidat (School en gemeenschap) jaargang 17, no. 3 (1986) schreef Joyce Pereira, die docente Nederlands en Papiamento is, over een in de zesde klas van de Sint Annaschool te Noord georganiseerde kinderboekenweek.

‘Centraal stond in deze week het boek als ondersteuning van het taal-onderwijs. Er waren verschillende activiteiten. Voor de lagere klassen had men een verhaal van de week, waaromheen van alles gedaan werd; er was een leeshoekje in elke klas; de kinderen gingen op excursie naar de bibliotheek, samen met de ouders, en daarna
[p. 48]
naar de boekhandel waar ze met het geld dat ze in die week hadden gespaard ongeveer twintig boeken kochten. De hogere klassen moesten onder andere boeken lezen en navertellen; er was ook een vertelwedstrijd en een posterwedstrijd. In de zesde klas kreeg ook de krant de nodige aandacht. De Openbare Bibliotheek verzorgde in de school een tentoonstelling van Caraïbische jeugdboeken.
De vijfde en de zesde klassen kregen, en dat vonden de kinderen heel spannend, bezoek van twee heuse schrijfsters: Miep Diekmann en ... Josette Daal.
Josette Daal over dit bezoek: ‘Het was een geweldige ervaring met kinderen te spreken die mijn boek hebben gelezen. Sommige kinderen hadden dat boek zelf ook. Ik heb veel van dit gesprek geleerd. Miep gaf mij aanwijzingen over de aanpak. Ik las een stuk voor, het stuk over King en zijn naam ...
De kinderen vonden het prachtig dat het over hun eigen eiland ging; dat vonden ze wel het leukst, want ze konden veel herkennen, ook zichzelf in de kinderen: “Ze zijn net als wij!” zeiden ze.
Een van de kinderen zei, dat een Nederlands boek zo moeilijk is, omdat ze de situatie die beschreven is vaak niet kennen.’

Aldus enkele fragmenten uit het uitvoerige verslag.

Naast het Arubaanse Skol y Komunidat is het vooral de weekendbijlage van het dagblad Amigoe, die veel aandacht aan de kinder- en jeugdliteratuur besteedt op zijn boekenpagina's. Jarenlang heeft vooral Viola Statia hier haar kritische bijdragen gepubliceerd, vooral in de jaren dat Carel de Haseth de pagina als coördinator verzorgde. Maar redactiewisseling veroorzaakte het einde van deze bijdragen. Het in juli 1986 gestarte eerste dagblad van de Bovenwinden - The Chronicle - is van plan geregeld aandacht aan nieuwe boekuitgaven te besteden in samenwerking met plaatselijke boekhandels en de Openbare Bibliotheek.

Om enige indruk te geven welke jeugdboeken op de Middelbare scholen worden gelezen, geef ik hier enkele cijfers van het Colegio Arubano uit het schooljaar 1985/1986. Deze cijfers hebben niet meer waarde dan een indicatie en impressie. Systematisch lezersonderzoek zou deze indrukken uiteraard moeten aanvullen, omdat tussentijdse aanschaf en onderhoud de cijfers ook enigszins beïnvloed hebben.

Auteur Titel Exempl. Uitleningen
Siny van Iterson Schaduw over Chocamata 1 12
  De smokkelaars van Buenaventura 3 24
  De adjudant van de vrachtwagen 2 17
  Het gouden suikerriet 1 11
  Om de Laguna Grande 2 18
  Weerspiegeld in de bron 3 20
  De heksen van Casa Roja 3 20
       
Sonia Garmers Orkaan 7 82
  Orkaan en Mayra 9 82
  Ieder diertje zijn pleziertje 2 22
  Wonen in een glimlach 8 76
       
Diana Lebacs Sherry 4 48
  Nancho van Bonaire 8 72
  Nancho Matroos 9 56
  Nancho Niemand 12 99
  Nancho Kapitein 4 19
  Suikerriet Rosy 4 29
       
Desiree Correa Mosa's eiland 13 104
       
Josette Daal Warwind 7 73

[p. 49]

Ter vergelijking geef ik wat totaalcijfers van Nederlandse auteurs, waaruit blijkt dat er niet veel verschil is tussen Antilliaanse of Arubaanse - eigen - auteurs en de Nederlandse ‘top’. Miep Diekmann spant de kroon met verreweg de meeste uitleningen.

Auteur Titel Exempl. Uitleningen
Henk Barnard 3 titels 6 15
Jan Terlouw 5 titels 17 152
Jaap Ter Haar 4 titels 8 82
Thea Beckman 8 titels 21 162
Guus Kuyer 8 titels 13 102
Tonke Dragt 7 titels 21 121
Miep Diekmann 10 ‘Caraïbische’ titels 55 474

[p. 50]

3.2. De jeugdbibliotheek op Curacao

De jeugdbibliotheek op Curacao heeft de laatste jaren veel gedaan aan de promotie van het kinder- en jeugdboek van de Antillen zelf en van buiten.

Rayna Bikker en Viola Statia hebben door middel van cursussen en bibliografieën voor de nodige documentatie gezorgd.

 

Een gesprek en een artikel.

In het Antillean Public Library Association - nieuws,