| 1. | Bio- en bibliografie |
| 2. | Over de Curacaose boeken |
| 3. | Over de Colombiaanse boeken |
‘Ik geloof niet dat je een kind in de watten behoeft te leggen. De tijd dat de hoofdpersoon een lief, zoet jongetje was, dat zich gunstig van de anderen onderscheidde, is voorbij. Kinderen zijn geen lieverdjes, evenmin als grote mensen dat zijn. De wereld is een realistische harde wereld, waarin je niets cadeau gegeven wordt. Nou, ik vind dat je dat aan het kind moet vertellen.’
(Brabants Dagblad, 2 november 1968)
Siny Rose van der Breggen werd op 5 oktober 1919 uit Nederlandse ouders geboren op Curacao, maar toen haar moeder stierf toen Siny nog maar twee jaar oud was, ging ze met haar vader naar Nederland. Daar zijn ze aanvankelijk nogal veel verhuisd, tot ze ongeveer 1927 in Den Briel woonden. Toen schreef Siny al kabouterverhalen met veel tekeningen en weinig tekst. Later begon ze met jongensen meisjesboeken en gedichten: ‘Als kind durf je van alles!’
‘Het was mijn grote wens mijn geboorte-eiland nog eens te zien, omdat ik me er helemaal niets van herinnerde. Mijn vader sprak weinig of nooit over Curacao; hij was een heel stille man. Maar hij had wel veel vrienden van Curacao die ons nog kwamen opzoeken.’
Het happy end van mijn boeken was altijd de terugkeer naar Curacao. Daar moest ik ook wel stoppen, want ik wist daar niets meer van en kon er dus ook niets over vertellen.
In Den Briel woonde toen de kinderboekenauteur J. Been die ik bewonderde. Toen ben ik als klein meisje naar hem toe gegaan met mijn schriften vol verhalen. We hebben thee gedronken en meneer Been zei dat hij mijn schrijfwerk goed vond. Precies herinner ik het me niet. Maar ik was wel bang dat het zou vertellen, want hij kende mijn vader natuurlijk. Thuis zei ik daarom maar dat ik met de hond van meneer Been gewandeld had.’
Haar vader vond schrijven eerst maar niks, maar was later wel trots. In de ban van de Duivelsklip heeft dan ook de opdracht: Voor mijn vader.
‘Toen ik jong meisje werd heb ik niets meer geschreven; alleen nog wat getekend. En toen kwam de oorlog en had je wel wat anders aan je hoofd.’
In 1947 ging Siny met haar man Ir.R. van Iterson naar Curacao om er weer te wonen.
‘Ik leefde het leven buiten, zag hoe de negers leefden, dachten, geloofden, en ik besefte hoe gek het eigenlijk was dat je op school nooit iets anders leerde dan dat er op Curacao olie wordt geraffineerd. Natuurlijk is dat waar, maar er is méér waar. Ik vind dat de jeugd veel minder spannende en betrouwbare informatie in de vorm van boeken ten dienste staat dan volwassenen. Daarom schreef ik die jeugdboeken. En ook omdat ik het kind dat ik zelf ben geweest, niet ben vergeten.’ (Uit: Lé 6, 1978/1979 nr. p. 4).
Op Curacao schreef Siny van Iterson twee boeken. Het eerste was Schaduw over Chocamata, dat later opnieuw in de Sneeuwbalserie van Kluitman, in Alkmaar verscheen. In 1975 kwam er een bewerkte druk bij Leopold in Den Haag.
‘In dat boek komen dingen voor die ik nu niet meer goed vind. Ik had het willen herzien, maar in die tijd was ik niet goed. Toen ik de echte verbeteringen instuurde was het al gezet. Ik had het wel een beetje herzien, maar toen ik de drukproeven zag wilde ik meer veranderen. Als er ooit een nieuwe druk komt, wil ik dat zeker doen.’
Leopold gaf het boek uit onder de titel Schaduw over Chocomata, maar als ik Siny van Iterson daar naar vraag, antwoordt ze dat dat gewoonweg een fout is. Het moet Chocamata zijn - ‘choca’ is Papiamento voor ‘wurgen’.
‘Chocamata was een oude plantage waar eens iemand vermoord is. Dat gegeven heb ik gebruikt, maar ik heb de situatie veranderd. Mijn verhaal speelt nu op Band'Abao: Savonet, Boca Tabla maar ik heb het allemaal anders genoemd.’
In de West Indische Gids werd het
gerecenseerd door A.C.-M., waarvan het begin en het eind.
‘Dit op Curacao spelend boek lijkt voor jongens van 12-15 jaar, door de uitstekende moraal en de spannende inhoud, zeer geschikte leesstof, al is misschien de dialoog voor de ouderen wat kinderachtig en de ontknoping voor de jongeren wat dramatisch.
De beschrijving van het eiland, zijn inheemse bewoners, zijn planten- en dierenwereld en zijn eigenaardig landschap zijn treffend - doch het is de vraag of lezers van de aangegeven jeugdperiode daar veel interesse en gevoel voor zullen hebben. (..) Curacao en zijn bewoners zijn door Mevrouw Van Iterson met liefde en begrip getekend en dit zal menigeen, die haar werk als mogelijk geschenk voor jeugdige familieleden of vriendjes inziet, een vreugdevolle schok van herinneringen aan eigen Curacaose ervaringen geven.’
(West Indische Gids, jaargang 35, 1954, p. 177.)
‘Ik stuurde mijn manuscript naar Kluitman. Ik kende maar twee uitgevers omdat ik op Curacao woonde. Ik wist niets van uitgevers en hoe ik ze vinden moest. Ik kende zelfs het adres niet. Na een half jaar kreeg ik antwoord. Toen ben ik aan een tweede boek begonnen, dat ik instuurde, waarna ik na twee weken antwoord ontving.’
Dat was In de ban van de Duivelsklip. J.F.K. schreef erover in de West Indische Gids 35, 1954, p. 230/231. Enkele citaten uit de recensie:
‘Wie, evenals mevrouw van Iterson, Curacao goed kent, zal vele plekjes die zij beschrijft, rondom de Duivelsklip en Lagoen Blanco met vreugde herkennen. Toch heeft dit boek minder dan Chocamata de couleur locale die Hollande jongens ongemerkt iets van Curacao leert.
... aan de vaart van het verhaal is in dit boek meer opgeofferd dan in Schaduw over Chocamata dat op zo'n bijzonder aardige manier volksgebruiken en volksgeloof heeft weten in te vlechten. Het is te hopen, dat mevrouw Van Iterson zich door de eisen, welke Hollandse uitgevers aan kinderboeken menen te moeten stellen, bij een derde boek niet zal laten dwingen om nog meer van Curacao prijs te geven.’
‘Het landhuis bij Duivelsklip was van Dr. Maal. Niemand mocht daar komen. Het werd bewaakt door iemand met een geweer. Maar via een vriend van Dr. Maal mocht ik mee gaan en toen heb ik het hele landhuis en de groene plantage gezien. Ik ben ook bij Awa Blancu, een prachtige baai met die Duivelsklip geweest. Daar ben ik toen over gaan schrijven; ik heb er een avontuur omheen gemaakt. In 1985 ging mijn oudste zoon Victor naar Curacao en hij wilde toen ook graag het landhuis zien waarover ik geschreven heb. Maar hij werd gewoon weggestuurd:
“Dit is verboden terrein!” werd hem door de eigenaar toegevoegd. Dat boek is allang helemaal niet meer te krijgen en ik hoorde dat er nog belangstelling voor zou zijn. Toen heb ik het herschreven en ik heb veranderingen aangebracht. Ik heb er veel werk aan gehad, maar het is nooit heruitgegeven.
Weet je wat ze nou zeggen van die eerste boeken: dat die koloniaal zijn of neerbuigend. Mensen zien spoken waar ze niet zijn.’
In de Curacaose tijd is het gezin met vakantie naar Colombia geweest, waarover Siny van Iterson een boek schreef nadat ze in 1954 naar Nederland terugkeerde. Het heet Voetspoor in de Andes, dat pas in 1958 verscheen.
‘We waren gaan kijken naar een hoogovenbedrijf dat in aanbouw was bij Paz del Rio. In het boek gebeuren daar dan allerlei mysterieuze ongelukken (sabotage) in dat bedrijf. In dat gebied woonde vroeger de Chibcha-indianen;
daar heb ik toen over geschreven. Daar werden graven gevonden, maar dat waren heel andere dan die van de Quimbaya's waar ik later over schreef. Er was een klein museum in Sogomoso, de hoofdzetel van de Chibcha's. In het verhaal komt een Hollandse ingenieur met zijn zoon daar werken. Die Nederlandse jongen ontmoet een Colombiaanse jongen met wie hij allerlei avonturen beleeft.’
In de Curacaose tijd schreef Siny van Iterson interviews voor de Beurs- en Nieuwsberichten onder de titel ‘In het zoeklicht’.
‘Daar heb ik nog een mooi voorbeeld van. De kranten schreven negatief over de gevangenis zonder dat ze die ooit van binnen gezien hadden. Toen heb ik een interview met de directeur gemaakt en deze liet me de hele gevangenis zien, die prima in orde was. In een getraliede kooi zat een man met ook nog een grote ijzeren bol aan zijn been. Hij was heel vriendelijk en ik heb lang met die man gepraat. Maar later vertelde de directeur me dat deze man een meervoudig moordenaar was.
Die man ontvluchtte en heeft diezelfde avond van zijn vlucht twee mensen vermoord. Toen ze hem weer gevangen hadden, hebben ze die bal aan zijn been gedaan. Die gevangene heb ik gebruikt voor Schaduw over Chocamata, maar ik heb het gegeven veranderd en afgezwakt. Moord en doodslag is in deze landen aan de orde van de dag. Van een andere gevangene kreeg ik een gedicht in het Nederlands: Als ik naar buiten kijk zijn de vogels vrij en ik zit hier. Dat gedicht heb ik helemaal in de Beurs geplaatst.
Ik maakte met allerlei soorten mensen interviews: een cabaret-artieste, professoren die op bezoek kwamen en ook nog een keer een leeuwentemster.
Die gevangene waar ik het net over had, stak twee mensen overhoop met een mes; daarna ging hij een broodje kopen dat hij met hetzelfde mes opensneed. Ik zeg altijd dat de waarheid veel fantastischer is dan wat wij ooit bij elkaar verzinnen kunnen.’
Van 1954 tot 1958 woonde Siny van Iterson weer enkele jaren in Nederland. Daar heeft ze toen niet veel geschreven - het was een druk leven met haar kleine kinderen.
In 1958 vertrekt het gezin Van Iterson naar Colombia, waar Siny nog woont in een woonwijk net buiten het drukke zakencentrum van Bogotá. Ze heeft een mooi eigen huis met ruime kamer en veel houtwerk. Op het grote bureau staat een prachtige ouderwetse schrijfmachine, waarop ze al haar werk uittikt.
Vanaf het moment dat Siny van Iterson in Bogotá woonde begon ze weer te schrijven. Haar man moest veel reizen en zij ging mee. In die tijd was het Colombiaanse hotelwezen nog niet zo goed ontwikkeld en waren de hotelletjes in kleinere plaatsen vaak nog erg primitief en onhygiënisch. In haar werk heeft Siny ze soms beeldend beschreven.
Maar via kennissen werd ze vaak uitgenodigd om ergens te logeren. Op die manier leerde ze het land grondig kennen. Veeal zijn deze reiservaringen de aanleiding voor een boek geweest.
‘Mijn werk is niet auto-biografisch in die zin dat het over mijn eigen leven gaat. Ik verwerk dingen die ik meemaak, verhalen die ik hoor of zelfs gezegdes. Toen we eens de weg vroegen, besloot een oud vrouwtje met: Que la Santa Virgen te acompaña - nou, dat staat zo in De adjudant van de vrachtwagen.
Vaak ging er dan ook een blok-nootje voor het maken van aantekeningen mee als we op weg waren. Een keer heb ik zelfs een aantekening gemaakt op een lucifersdoosje van een taxichauffeur omdat ik bang was het
te vergeten. Vroeger stond ik soms midden in de nacht op om iets te noteren, nu liggen er altijd pen en papier naast mijn bed.’
Een verblijf op een hele grote finca (= veeboerderij) in de Llanos is de aanleiding geworden voor De schrik der wijde vlakten (1959). Dat gaat over het leven in die uitgestrekte grasvlakten, de wekenlange tocht van grote kudden vee, over de onveiligheid met zijn veerovers, smokkelaars naar Venezuela, overvallen, branden en moorden. Maar ook over de prachtige natuur. Haar gastheer leerde haar erg veel van de llanos; hij kende alle geluiden en wist erg veel van planten en dieren.
‘Ik herinner me hoe ik een keertje in de llanos was tijdens een onweer. Ik ging op het balkon staan kijken naar de onophoudelijke bliksemflitsen. Het was een fel blauw licht, zo helder dat je er de krant bij had kunnen lezen. Onbeschrijflijk indrukwekkend.’
Siny logeert op een koffieplantage en een hacienda van vrienden en schrijft later In de greep van de Rio Negro (1960):
‘Steven Welters gaat mee, wanneer zijn vader, met nog twee kleinere kinderen en een huishoudster, naar Colombia emigreert om daar een koffieplantage te gaan beheren. De plantage blijkt een ongunstige naam te hebben bij het bijgelovige volk van de omstreken. Op een ontdekkingstocht naar een verdwenen smaragdmijn gelukt het Steven echter de raadselen op te lossen en de spoken uit te bannen.’ (fragment van Idil-recensie, mei 1961).
Enkele bezoeken aan een vissersen havenplaats aan de Stille Oceaan levert De smokkelaars van Buenaventura (1964) op, waarin het heel grote verschil tussen eb en vloed dat daar voorkomt een belangrijke rol speelt.
‘Ik geloof dat ik langzamerhand de psyche van de mensen beter heb leren kennen. Op die eigenaardigheden van de mensen ga niet diep in, maar ik stip ze aan.
In de eerste Colombiaanse boeken staan erg veel bijzonderheden, algemene gegevens over de natuur, maar minder over de Colombiaan, over het wezen van de mens. Dat moet natuurlijk groeien, want dat doorgrond je niet zo gauw.
Het Quimbaya-goud - mijn laatste boek - bevat passages waar typische dingen van hier in staan; dat zou ik in de eerste boeken nooit zo geschreven kunnen hebben.
Ik ben geen psycholoog of socioloog, ik weet de achtergronden daar niet allemaal van. Ik registreer de dingen maar weet niet waar ze vandaan komen.
Degene die daarvan niet op de hoogte is, leest er misschien over heen, maar ik kan dat toch onmogelijk gaan uitleggen. Ik kan van mijn boeken geen psychologische verhandelingen maken. Als je bijvoorbeeld als vrouw in deze landen een paar keer met een man meegaat zonder je zuster, je broer enz., denkt men dat ze alles met je kunnen doen. Dat begrijpt dat Amerikaanse meisje Barbara in Het Quimbaya-goud niet - dat zijn verschillende culturen - dat beschrijf ik, maar dat kan ik toch niet allemaal gaan uitleggen. De lezer moet het maar aannemen zoals het er staat. Maar wat er staat is wel goed, het is wel juist.’
De smokkelaas van Buenaventura verschijnt bij Leopold, waar voortaan al het werk van Siny van Iterson zal verschijnen.
Twee jongens Roberto en Felipe raken op het spoor van een bende wapensmokkelaars. Roberto wordt door de smokkelaar, de oude Josué meegenomen naar het moeras en er alleen achtergelaten met zijn kanootje, in het Rode Meer. Pas na weken wordt hij gered door een gevluchte misdadiger Ordulio. Roberto ontdekt dan dat er op de plantage van Manuel El Bobo niet alleen bananen maar ook wapens worden vervoerd.
De oude Josué komt om op zee als alles wordt ontdekt en in het
laatste hoofdstuk wordt alles uitgelegd. Het boek bracht het tot de finale bij de bekroning van het beste jeugdboek.
De adjudant van de vrachtwagen (1967) vertelt het verhaal van de straatjongen de Pulga (= de vlo), die met Gilimon het hele land doorkruist en allerlei avonturen beleeft. ‘Het is al laat, je moet naar bed. Morgen moet je weer op tijd naar school. Ga niet zonder eten de deur uit, drink je melk...’ Van dat soort opmerkingen met ‘goede raad’ heeft de vijftienjarige Pulga nooit ‘last’ gehad. Zijn ouders letten niet op hem, wanneer hij van de straat thuiskomt, moet hij zelf maar zien hoe hij aan eten komt.
De Pulga is een van de vele straatjongens in het Zuidamerikaanse Colombia, die een schoolgebouw nog nooit van binnen gezien hebben. Hij houdt zich noodgedwongen stelende en bedelende in leven in een land waar de verschillen tussen rijke en arme mensen heel groot zijn en waar geen sociale voorzieningen zijn voor al die werklozen. Dit soort jongens wordt heel vaak gebruikt door misdadigers om de vuile werkjes op te knappen; zo ook de Pulga.
Maar hij heeft toch geluk als hij Gilimon ontmoet, die met zijn oude vrachtwagen over de gevaarlijke en slechtonderhouden wegen door de bergen trekt om vrachten af te leveren - of een béétje te smokkelen, en die hij mag helpen als bijrijder op zijn lange tochten vol avonturen. Als de Pulga dan ook nog het koffertje met belangrijke papieren redt als ze in die bergen door een bende rovers worden overvallen, krijgt Gilimon sympathie voor de straatjongen. Samen beleven ze heel wat onderweg. Zo is de Pulga een van de weinigen die een kans krijgt om uit het moeras van armoede omhoog te kruipen.
Het boek kreeg in 1968 de prijs voor het ‘kinderboek van het jaar - tien jaar en ouder’. Uit het jury-rapport het volgende:
‘De jury toonde unaniem waardering voor de beeldende, suggestieve taal, de scherpe karaktertekening en voor het fascinerende beeld dat Sini van Iterson (die reeds jaren in Bogotá, Columbia woont) van dit nog weinig geciviliseerde land geeft De schrijfster houdt van dit land en kent de bewoners die, nauw verbonden met de overweldigende natuur en vertrouwd met de dood, toch zo verschillen van streek tot streek. Langs de kust vrolijk, luchthartig - stugger en moeilijker te benaderen in het kille bergland - vrij en ongedurig op de onmetelijke grasvlakten. Iets van hun zeden en gebruiken, bijgeloof en typische taalgebruik vinden wij in het bekroonde boek.
De jury acht het tevens belangrijk dat dit boek zijn waarde niet allereerst ontleent aan de reeks spannende gebeurtenissen, maar aan de innerlijke beleving en de gevoelens van de kleine adjudant, waardoor het Nederlandse kind zich goed met hem kan identificeren.
Het positieve einde van het verhaal is wensvervullend.’
Daarbij, zo meent de jury, kan voor jeugdigen in deze welvaartstaat de konfrontatie met een kind in een ander land, dat zelfs het hoognodige moet ontberen, alleen maar zinvol zijn. Dick Stolwijk heeft in zijn illustraties de sfeer van het land en het karakter der mensen uitstekend getroffen!
‘Ik zag op mijn reizen al die grote vrachtwagens. Toen dacht ik: waar komen die vandaan, waar gaan die naar toe, wat vervoeren ze, hoe leven die mensen? Dat heb ik toen nagegaan. Ik zie iets en zoek er mijn gegevens zo volledig mogelijk omheen. Ik praatte met de directeur van een groot transportbedrijf. Die heeft me geweldig geholpen, want zei hij: Ik was die Pulga, ik was vroeger ook zo'n straatjongetje dat als bijrijder mocht meegaan.
Die gegevens sudderen dan erg lang en naarmate ik er mee bezig ben ontstaat er een verhaal. Hoe, dat vind ik ontzettend moeilijk om te zeggen.
Dan ga ik voor de tikmachine zitten en werk het verhaal uit. Die eerste werkversie is voor niemand te ontcijferen. Als ik denk dat iets niet goed is, ga ik niet doorhalen maar tik ik het opnieuw uit onder de vorige variant. En vaak nog een keer. Bij het over-typen pak ik alleen de juiste mee. Met mijn verhalen wil ik niks. Ik wil helemaal geen toestanden beschrijven, zoals ze wel eens gezegd hebben. Ik kabbel maar zo'n beetje an. Dat is misschien wel stom en mag helemaal niet meer tegenwoordig, omdat je ergens moet achterstaan, je moet een doel hebben, maar ik wil helemaal niks. Ik vind het leuk om te schrijven, ik vind het leuk om achtergronden te zoeken van dingen en mensen en hun reacties. Maar ik ben niet geëngageerd - dat is heel erg he? Als ik nu zeg dat ik voor mijn pure genoegen zit te schrijven, maak ik de zaak zeker nog erger?
Ik vermaak me kostelijk met schrijven. Dat wil niet zeggen dat het zo gemakkelijk gaat. Ik zit soms met mijn bloed te schrijven, dan lig ik in mijn bed en denk ik: hoe moet dat nou nog verder? Dagenlang gaat soms alles wat ik schrijf, fout - en dan ga ik zitten en gaat het ineens weer een stuk beter. Dan denk ik: go, enig, wat leuk.
Als de mensen denken dat ik “De adjudant” schreef om een zielig jongetje te schilderen, dan is dat helemaal niet waar. Wat ik wil is dat wat ik beschrijf de sfeer weergeeft. Dat wil ik zelf als lezer ook. Als ik een boek over Indonesië lees waar ik nog nooit geweest ben, dan wil ik het idee hebben dat ik echt in dat land ben, ik wil de palmen horen ruisen en de kokosnoten horen vallen. Ik zou graag willen - ik weet niet of ik het bereik - dat als mensen mijn boeken lezen, ze zeggen: ik was er! Dat het de Nederlandse lezer meesleept van veertig graden vorst bij de kachel midden in de bloedhete llanos. Dat is wat ik wil.
Dat is mijn uitdaging.
Daarom moet ik alles wat ik schrijf heel goed weten, want als je het zelf niet weet kun je er niet over schrijven. Je moet de mensen kennen en hun mentaliteit - je moet je onzichtbaar maken, zodat zij hun dingen zeggen en niet meer weten dat jij er als vreemdelinge tussen zit. Dan krijg je de echte mens. Dat wil ik, maar het is heel erg moeilijk. Mensen weten vaak niet wat ze weten, maar via verhalen kom je erachter.’
In 1970 verschijnt Het gouden suikerriet, dat een jaar later een zilveren griffel krijgt van de C.P.N.B. Dit verhaal bespreekt de problematiek die Siny van Iterson uit ervaring kende met haar werk voor de leprakolonie Agua de Dios. Ze was zeven jaar secretaresse van een vereniging die Nederlandse hulpgelden voor deze kolonie administreerde. De gevreesde ziekte treft rijk en arm, en wie het treft leidt het leven van een uitgestotene in het kleine geïsoleerde dorp, dat in het verhaal La Gloria heet. Maar om deze gegevens schrijft Siny weer een spannend verhaal.
De twee volgende boeken zijn een zoektocht van een eenzame jongen naar de oplossing van wat er met zijn vader gebeurd is.
In Om de Laguna Grande (1972) keert Carlos Arturo zeven jaar na de raadselachtige verdwijning van zijn vader naar hacienda La Payanda terug om het raadsel op te lossen en zich van het verleden te bevrijden. Bureau Boek en Jeugd oordeelde in de persoon van M. Piek-van Slooten:
‘Knap geschreven verhaal, vooral wat betreft de sfeer en de tekening van de hoofdpersoon. De lezer voelt de beklemming mee, groeit met de hoofdpersoon naar de oplossing, die alle mogelijkheden nog in zich houdt, en krijgt, beter haast dan in een film, een beeld van land en volk.’
En Marijke Van Raephorst schreef in Accent:
‘Wij voelen bladzij na bladzij de vreemde spanning, die de jongen
in dat oude grote huis ondergaat. (...) Siny van Iterson heeft getracht het karakter van de campesino (de arbeidersfamilies) èn de grootgrondbezitters goed weer te geven en te laten zien hoe moeilijk het hun valt op de been te blijven. In de figuur van de vader, die ontvoerd en vermoord is, terwijl (misschien juist omdat) hij verandering ten goede wilde toepassen, wordt duidelijk hoe men daarin niet geloofde en het vasthouden aan de oude zeden en gewoonten altijd weer sterker bleek.’
Op heel geheimzinnige manier begint Siny van Iterson haar verhaal Weerspiegeld in de bron (1974): wat was die samenloop van omstandigheden, wie is die geheimzinnige hij/hem, waarom zou het anders afgelopen kunnen zijn? Allemaal vragen, die je aan het begin van het verhaal nieuwsgierig maken, die spanning opwekken. In de loop van het verhaal krijgen we heel langzaam maar zeker antwoord, tot aan het einde alles is opgelost. De titel ‘Weerspiegeld in de bron’ betekent ‘de weerspiegeling van een verleden, dat hem niet los liet’ (p.91), het is de herinnering aan iets wat gebeurd is en wat de hoofdfiguur wil kwijtraken. Die hoofdfiguur is een twintigjarige jongen, Orlando Suarez, die in Colombia terug gaat zoeken naar iets wat daar in zijn jeugd gebeurd is. Hij had een Colombiaanse vader, Don Calixto, en een Nederlandse moeder, Harriet, en woonde in Colombia en in Nederland. Hij woonde in een groot huis in het dorp, maar zijn vader was meestal op een van de drie hacienda's in de bergen.
Nu heeft hij een enorm schuldgevoel - dat heeft te maken met zijn verliefdheid op Himelda, de dochter van de rijke Gallito Gomez (Haantje) die een grote ruzie uitvecht met de familie Suarez. Aan het eind blijkt dat Eduardo's schuldgevoel niet nodig was; hij had niets te maken met de afschuwelijke gebeurtenis. Zijn vader is niet gedood wegens zijn geheimzinnige ontmoetingen met Himelda, maar uit wraak voor zijn huwelijk met die buitenlandse en wegens de vete met Gallito.
De geheimzinnige sfeer in het verhaal wordt nog sterker door geheimzinnige plaatsen als een splinternieuw nagenoeg verlaten hotel in een klein bergdorpje, het dreigende landschap, regen, onweer, de plaats waar Orlando en Himelda elkaar ontmoeten heet La Muerte, maar ook de houding van de mensen in dat dorpje die allerlei zaken weten die ze pas na veel touwtrekken prijsgeven.
Dat ‘touwtrekken’ wordt gedaan door een ik-figuur, een ruim dertigjarige vertegenwoordiger die een paar dagen in het dorpshotel logeert, Eduardo ontmoet en dorpsbewoners, en nu wil weten wat er aan de hand is. Deze ‘ik’ - zijn naam weten we niet eens - vertelt zelf wat hij meemaakt en noteert wat anderen hem vertellen. In de even hoofdstukken is Eduardo aan het woord, in de oneven de ‘ik’ of een van de mensen die hij ontmoet. Daardoor wordt tipje voor tipje van de sluier opgelicht. De ‘ik’ redt de geheimzinnige stroeve Eduardo, bevrijdt hem van zijn schuldcomplex en bezorgt hem zijn geestelijk evenwicht.
‘Als ik begin te schrijven, heb ik vaak nog niet het hele verhaal in mijn hoofd. De adjudant van de vrachtwagen bijvoorbeeld ging tenslotte een heel eigen leven leiden. Daar had ik toen niets meer over te zeggen vanaf het moment dat hij uit Barranquilla wegging. Daar had ik verder niets meer mee te maken; ik zat hem alleen maar achterna te schrijven. Maar soms weet ik het zelfs helemaal niet. Het is net als een legkaart. Plotseling heb je een stukje “lucht” dat nergens in paste en dan zie je dat, en dan valt de rest en alles op zijn plaats, dan schuift het allemaal in elkaar en passen alle stukjes. Dat komt pas in de loop van het schrijven.
Maar er zijn vele dingen die ik niet uitleg, want in het leven is het ook zo dat je lang niet altijd weet waarom en hoe.
“Een tante wordt dood gevonden en niemand weet hoe die tante aan haar einde is gekomen.” Zo verdwijnt Sylvia in Het Quimbaya-goud zonder dat we weten hoe. Maar er zijn hier zo veel verdwijningen. Als je alles opschrijft en uitlegt, haal je het mystieke van het boek eraf, een verhaal moet “luchtig” en “fragiel” blijven.’
De heksen van Casa Roja (1980) en Het Quimbaya-goud (1985) draaien beide om de verdwijning van een persoon.
‘Op een gegeven moment waren er in mijn kennissenkring hier in Bogotá zeven mensen die iemand “kwijt” waren door ontvoering en kidnapping, die hier aan de orde van de dag zijn.
Een rijk meisje van zo'n zeventien jaar ging naar school met altijd twee body-guards bij zich. Toen die even koffie gingen drinken werd het meisje gekidnapt en men heeft nooit meer iets van haar gehoord of gezien. Soms wordt iemand vrij-gelaten na het betalen van losgeld, vaak ook niet.
Ik was op een gegeven moment ziek. De dokter kwam 's avonds met zijn vrouw ter controle. Toen belde die vrouw me later op en vroeg of ik voor haar naar Nederland wilde bellen, omdat haar vader door guerilla's ontvoerd was en ze de helderziende Croiset wilde raadplegen. Die is toen gekomen en heeft de plaats van de ontvoering aangegeven en de route die de ontvoerders genomen hadden, maar hij “zag” ook dat de ontvoerde al dood was. Toen we op de terugweg van de finca naar Bogotá lang op het vliegtuigje moesten wachten, heeft Croiset me verteld onder welke afschuwelijke omstandigheden de man vermoord was.
Maanden later vond men het graf en de ontvoerders. Een van hen bekende de bijzonderheden. Toen ik die in de krant las, zag ik daar letterlijk staan wat Croiset me verteld had.
In die tijd besteedden de kranten nog uitvoerig aandacht aan kidnappingen, nu is het aan de orde van de dag en levert het nauwelijks meer “nieuws” op. Dit soort dingen komen hier tegenwoordig veel voor, maar je kunt ze niet allemaal beschrijven omdat ze in een boek niet echt lijken. In de stad is het ook bijvoorbeeld gemakkelijk lachen om allerlei “bijgeloof”, maar op een uitgestrekte verlaten hacienda in de eenzame bergen?
In Om de Laguna Grande heb ik gegevens van die gebeurtenissen met Croiset verwerkt.’
‘Tussen De heksen van Casa Roja en Het Quimbaya-goud heb ik nog een boek geschreven; M 19 had ik het genoemd en ik had de uitgever geschreven, als dat te weinig zeggend was in Nederland - M 19 is de naam van een van de grote guerilla-bewegingen hier - ze er maar Ontvoering door M 19 van moesten maken. Maar zonder mij erin te kennen heeft de uitgever daar toen M 19, het recht van de zwakste van gemaakt, waaruit een duidelijke standpuntbepaling volgt. Ik had juist beide zijden getoond: de guerilla M 19 én de D.A.S. (de politie) én de gekidnapte wilde ik gelijkwaardig belichten. Ik had het niet mooier voorgesteld dan het was en het eerlijk beschreven. Die ongevraagde titel en twee vechtende haantjes op het ontwerpomslag rukten het hele boek uit hun verband. Het ging mij om de ontvoeringen, niet in de eerste plaats om de politieke guerilla-kwestie.
Ik kreeg het omslag en ik dacht dat ik door de grond ging; direct heb ik het geweigerd en teruggetrokken.
Kennissen vonden het ook een politiek boek en daarom wil niet dat het uitkomt zo lang ik hier woon. Onder de veranderde titel mag het nooit worden gepubliceerd.
Ook met mijn laatste boek - Het Quimbaya-goud - heb ik problemen gehad. Dat had ik De Quimbaya Connectie genoemd en de uitgever veranderde dat. Nu vind ik achteraf die verandering wel een verbetering, maar de uitgever had moeten overleggen. Met een Amerikaanse uitgever die mijn werk in vertaling publiceerde heb ik wel eens anderhalve maand gecorrespondeerd, maar er werd overlegd en we kwamen samen tot een oplossing.
De drukproef van Het Quimbaya-goud kwam toen ik ziek was. Het bleek dat de uitgever eigenmachtig allerlei woorden, zinnen en uitdrukkingen had veranderd, zonder mij erin te kennen. Bovendien maakten die het verhaal heel anders en soms zelfs tot onzin. Dat is toch geen persklaar maken van een manuscript.
“De vrouw trok de ezel voort aan een touw” is toch heel wat anders dan “De vrouw leidde de ezel aan een touw”? Ik heb het helemaal terug laten veranderen, het werd een grote knoeiboel en het heeft me maanden gekost.
Ik heb daardoor zo'n heke aan het boek gekregen dat ik het niet meer wil zien. Ik kan wel degelijk tegen kritiek en ben ook best bereid te veranderen, maar er moet overlegd worden.
Voor mijn schrijven heb ik rust nodig en stilte. Ik wil niets horen als ik schrijf, ook geen muziek. Daarom woon ik hier ideaal in deze relatief stille wijk in het roerige Colombia en Bogotá van vandaag de dag.’
In totaal heeft Siny van Iterson zo'n dozijn boeken gepubliceerd, waarvan er zes in het Engels vertaald zijn, drie in het Duits, een in het Spaans en een in het Deens. De Adjudant van de vrachtwagen spant daarbij met vier vertalingen de kroon.
Siny van Iterson is geboren Curacaose en omdat ze twee boeken over Curacao geschreven heeft, verdient ze een plaatsje in de Antilliaanse literatuur. Bovendien was ze een van de eersten die over Curacao schreven in een Nederlandstalig boek voor oudere jongens, al was Johan van Hulzen haar met De kaper van Nantes; historische roman voor de rijpere jeugd (1950) al voor gegaan.
Als zij begint te schrijven is het nog de tijd waarin men een streng onderscheid maakt tussen jongensen meisjesboeken. De eersten beleven allerlei heldhaftige avonturen, de laatsten spelen moedertje met het poppenhuis.
Siny van Iterson sluit aan bij het genre van de in die tijd traditionele jongensdetective, waarin enkele jongens - er komen geen meisjes voor in dergelijke boeken of ze spelen een zeer ondergeschikte rol om de heldenrollen te accentueren - zonder toestemming van ouderen of zelfs tegen het verbod van deze in, op avontuur uitgaan, in aanraking komen met een of meer misdadigers, in hachelijke situaties verzeilen, maar tenslotte toch winnen en de wereld vertellen van hun heldendaden waarna de ouderen blij zijn dat het goed is afgelopen of de stoere jongens belonen.
Het spannende avontuur staat centraal, de goeden winnen, de kwaden worden gestraft of het kwaad straft zichzelf. Psychologisch missen deze verhalen elke waarschijnlijkheid of diepgang.
De spanning wordt bereikt door gebruik te maken van motieven als moord, een gewaande dode, verdwijningen van personen of een (vervalst) testament, diefstal, vermommingen, een beetje bijgeloof en spoken, en geheimzinnige briefjes al of niet in code; geheimzinnige figuren die zich in raadsels hullen, mensenschuw zijn, niet goed bij hun verstand of achteraf heel anders zijn dan de lezer aanvankelijk gesuggereerd wordt; een decor met hoge rotsen, geïsoleerde baaien, geheimzinnige inhammen, donkere grotten, eenzame hutjes of vervallen landhuizen. Het weer werkt mee: de regen, donder en bliksem, de broeiende warmte voorspellen niets goeds, alle essentiële gebeurtenissen vinden 's nachts in het stikdonker plaats of bij het spaarzaam licht van een bleke maan. Op het niveau van de handeling vinden we onverwachte wendingen en heel wat toevallige samenlopen van omstandigheden. Door middel van de zogenaamde ‘cliff hanger’ wordt de verhaaldraad op spannende momenten verbroken en pas veel later weer opgepakt.
De alles overheersende vraag waarmee de lezer geconfronteerd wordt is: hoe loopt het af?
Nou, dat einde is altijd positief en als je zo'n boek één keer gelezen hebt is er bij herhaling niet veel meer te beleven, omdat het wat dat laatste betreft - de beleving - te kort schiet. Deze jongensboeken hebben uitbundig geleend van de negentiende eeuwse Romantische verteltraditie. Siny van Itersons Curacaose werk pas in deze traditie. De voorbeelden die ik hierboven noemde zijn aan haar Curacaose boeken ontleend.
Reeds de titels suggereren het. Als je bedenkt dat ‘choca’ Papiament is voor ‘wurgen’ en ‘mata’ voor ‘doden’, en als over zo'n dreigend suggestieve naam dan nog ‘schaduw’ valt is de griezel voorspelbaar: Schaduw over Chocamata. Voor Nederlandstalige lezers is In de ban van de Duivelsklip al zonder meer duidelijk; voor Curacaose lezers nog extra als ze de dreigende omgeving van die klip op Band'Ariba kennen. De hoofdstuktitels als ‘De sombere voorspelling van Pa Coco’, ‘De vreemde vlam’, ‘De geheimzinnige formule’, ‘Het geheim van het “Witte Water”’, etc. versterken die spanning nog.
In de ban van de Duivelsklip gaat over drie vrienden. Oka gaat met zijn vrienden Pepi en Frits enkele dagen kamperen in een hutje
dat aan de baai staat bij het verlaten landhuis San Bartholomé, dat aan Oka's oom Simon toebehoort. Hij heeft het echter verlaten wegens allerlei geheimzinnigheden die er plaats vinden, en het beheer overgelaten aan de oude Pa Coco en diens zoon Carlos die niet helemaal goed wijs is. Oom Simon wil niet dat iemand nog één voet op de plantage zet, maar de drie jongens gaan natuurlijk toch.
‘“Hier moet het zijn,” overlegde Oka bij zichzelf. Ja, daar ontwaarde hij een stille donkere rots, die zich door zijn woeste, bijna dreigende vorm, onderscheidde van de klippen eromheen. Dat was de Duivelsklip!”’ (p.13)
Ze ontmoeten Felix, een man wiens grote boot in het Witte Water voor anker ligt. De man is vriendelijk voor hen en behulpzaam, maar de oude Pa Coco en gekke Carlos niet. De jongens worden gewaarschuwd weg te gaan van de kampeerplaats...

De toestand wordt dreigend en zelfs gevaarlijk als Oka zwaargewond raakt. Maar de jongens gaan niet weg, zeker niet als ze een geheimzinnig briefje vinden met de volgende formule:

Bij toeval vindt Pepi het verloren testament onder de grafsteen van Alexander, de broer van oom Simon, die op de plantage begraven ligt. Via een geheimzinnige figuur - een Mexicaanse handlanger van oom Alexander die niet echt dood is maar probeert de plantage in zijn bezit te krijgen door middel van een vervalst testament - horen de jongens na een aantal spannende avonturen de waarheid.
De man in de boot in de baai - Felix - blijkt in werkelijkheid Alexander te zijn, maar voor hij nu echt gevaarlijk kan worden splijt een bliksemflits de punt van de Duivelsklip, die de eronder liggende boot en de man verplettert.
‘Blauw sloeg de bliksem over de rotsen.
Een ogenblik scheen de machtige Duivelsklip te huiveren... Toen helde de hoge, scherpe piek. Voor een ondeelbaar ogenblik hief de stroomwind de grillige steentop als een eenzame zwarte vogel boven het ranke schip.
Dan suisde hij neer ...’(p. 141).
De ban van de Duivelsklip is opgelost dankzij de jongens en oom Simon kan gerust terugkeren naar de plantage waar alleen hij recht op heeft.
Dit boek is al jaren uitverkocht, in tegenstelling tot Schaduw over Chocamata dat door de herdruk bij Leopold nog wel beschikbaar is. Daarom iets uitvoeriger over dit boek, dat ook beter is dan het tweede.
Chimi woont in een klein dorpje in de knoek. Hij maakt kennis met Hans die sinds kort op het landhuis Koraal Fontijn woont. Eerst hebben ze ruzie maar later nadat Hans gered wordt door Chimi als die vast zit in een rots, trekken ze samen op als vrienden. Een politie-agent vertelt dat er een gevangene ontsnapt is die veel geld gestolen heeft dat hij ergens verborgen heeft; de jongens vinden bij Boca Tabla enkele gevangeniskleren.
De twee jongens volgen de nogal eenzame en geheimzinnige Amundo die ze ervan verdenken Chimi's broer ziek ‘gekeken’ te hebben. Zo ontdekken ze een grot aan de noordkant, waarin ze de vredespijp roken. Wij zijn vrienden in gevaar en dood.
Amundo haalt hen van een rots uit de baai als ze te ver zijn gegaan met zwemmen en een haai zien.
Chimi en Hans gaan naar een plantage van Wong die bij het vervallen landhuis Chocamata groenten verbouwt. Maar Wong is er niet; hij ziet er spoken waardoor hij bang is gevlucht; ook voor de jongens ziet het er allemaal geheimzinnig uit. Als ze teruggaan krijgt Hans een ongeluk maar Chimi denkt dat hij in de macht van geesten is; Machi Nènè helpt met een ‘contra’.
Bij een volgend bezoek aan de grot zien ze Amundo daar, die iets over geld mompelt. Ze ontdekken dat de grot op plantage Chocamata uitkomt, waar ze een vrouw zien lopen. Chimi herinnert zich de geheimzinnige vrouw met wie hij een tijdje geleden heeft gevochten toen die rondom zijn huis scharrelde.
Chimi en Hans brengen 's nachts een bezoek aan Chocamata om de buit en de ontvluchte misdadiger op te sporen. Ze ontdekken de man inderdaad maar opnieuw krijgt Hans een ongeluk doordat hij door de zolder-vloer zakt. Hij wordt zo ontdekt en vastgebonden. Chimi waarschuwt Sjon Fifi op het landhuis, die op zijn beurt de politie belt. Hans wordt bevrijd en de gevluchte gevangene werpt zich tijdens de achtervolging door de politie in zee en verdrinkt.
Het blijkt dat de eenzame Amundo gedwongen werd de als vrouw verklede vluchteling te helpen met eten en kleren. Nu pas blijkt in welk gevaar de jongens hebben verkeerd! Alle geheimzinnigheid wordt verklaarbaar als Amundo vertelt wat hij allemaal moest doen. Hij werd gedwongen en krijgt geen straf; op Tèrpendàl zal hij worden opgenomen om een vak te leren.
Sjon Fifi maakt de jongens duidelijk dat ze onvoorzichtig zijn gelest op zoek naar de schat, en dat ze eigenlijk aan de ware schat, het mooie eiland Curacao, voorbij zijn gedaan door het landschap niet te zien.
Hoewel de Colombiaanse boeken van Siny van Iterson zich op de rand van mijn onderwerp - de Antilliaanse jeugdliteratuur - bevinden, bespreek ik ze toch even kort. Haar werk zou onrecht worden aangedaan als alleen haar op Curacao spelende boeken besproken werden, omdat dat beginwerk niet bepaald het sterkste is.
Ik zal er een paragraaf aan wijden, waarbij ik uitgaande van het op dit moment meest recente Het Quimbaya-goud (1986), het vorige dat al veelvuldig besproken is, in mijn beschouwing betrek.
Een jonge Amerikaanse archeologie-studente Barbara Fenton, ontmoet bij vrienden de Colombiaanse Sylvia Daza, die haar uitnodigt te komen logeren en voor haar scriptie onderzoek te doen naar de Quimbaya-indianen in de Caucavallei, die beroemd waren om hun goudsmeedkunt, maar waarvan nog niet veel wetenschappelijk onderzoek bekend is. Wel roven guaqueros (=schatgravers) de gouden en keramische grafgisten die ze voor veel geld verkopen.
Als Barbara echter op hacienda La Habana aankomt, is Sylvia daar niet, maar ontmoet ze ene Doña Paula die met haar man Roberto Robledo de hacienda zegt te bezitten. Barbara neemt haar intrek in het enige derde-rangs Hotel Internacional in het naburige Tataque. De volgende dagen blijkt dat Sylvia verdwenen is: ontvoerd? (p. 41), vermoord? (p. 44) een wraakneming? (p. 96).
Barbara besluit in haar eentje met haar onderzoek naar Indianen-graven te beginnen en komt via Jaime Rodriguez in contact met te guaqueros Alfonso en Gonzalo. Met zijn vieren trekken ze de bergen in. Als Jaime 's nachts met Barbara wil vrijen, vlucht deze weg, de wildernis in. Ze komt bij een kleine finca in El Tobal terecht, waar ze overnacht. Ze droomt van het verzet van de Indiaanse cacique tegen de Spaanse indringers in de 16de eeuw (het centrale hoofdstuk van het boek). De volgende dag wordt ze weer naar haar hotel in Tataque teruggebracht.
Voorlopig wordt Barbara nog niet veel wijzer, noch over de verdwijning van Sylvia die een steeds geheimzinniger figuur wordt, noch over de oude Indianengraven.
Dan gaat ze met de jongen Libardo die op de finca in El Tobal woont, naar Peña Azul waar deze schatten gevonden heeft. Maar het zijn gewone moderne sieraden, die van de verdwenen Sylvia blijken te zijn.
Socrates Benavides, die rechten gestudeerd heeft, brengt Barbara in contact met Nestor. Die zorgt ervoor dat ze met de oude Chepe en twee mannen kan gaan graven. Ze vinden inderdaad een graf met gouden sieraden en aardewerk, maar tegen de wil van Barbara wordt het graf leeggeroofd. Jaime vertelt dat de vermoorde Sylvia gevonden is. Maar wie haar gedood heeft blijft een raadsel. ‘We zullen het nooit weten. En misschien is dat maar beter ook ...,’ filosofeert Socrates. (p. 146).
Het zou Jaime kunnen zijn die een onechte, natuurlijke zoon is van Enrique, de broer van Sylvia. Deze laatste stond een huwelijk niet toe omdat ze zelf verliefd was op haar broer. Het zou Chepe (José) kunnen zijn wiens vrouw krankzinnig is geworden nadat zijn dochter Gloria door Sylvia's schuld verdwenen is. Het zouden Paula en Roberto kunnen zijn wegens de erfenis. Andere figuren zouden kunnen denken dat het Barbara is, die kwam opduiken toen Sylvia verdween. Maar Sylvia heeft haar eigen ondergang teweeg gebracht door haar karakter en gedrag.
Barbara vertrekt, ze heeft niets bereikt voor haar onderzoek.
De achterflap van Het Quimbaya-goud meldt: Siny van Iterson schrijft niet alleen spannende verhalen, maar ze geeft ook veel informatie over het land waar ze al vele jaren woont en dat ze als haar tweede vaderland beschouwt. Het eerste deel van dit citaat zal uit de inhoudsweergave al wel duidelijk geworden zijn.
Siny van Iterson gaat altijd van een ingewikkelde intrige uit, vol geheimzinnigheden als moorden, verdwijningen, wraak, roof, diefstal, die geplaatst worden in een sfeerversterkende ruimte als hacienda's, eenzame hutjes in de bergen, ongure hotelletjes in kleine afgelegen bergdorpjes, dreigende moerasgebieden, het tropisch weelderig ondoordringbaar oerwoud, enz. Daaromheen weeft ze haar informatie.
Het verhaalgebeuren is altijd zodanig doordacht en geconstrueerd, dat elk onderdeel zijn functie heeft, waardoor haar boeken spannend zijn, zodat de lezers ademloos naar de ontknoping van de plot meegevoerd worden. Siny van Iterson bereidt vanaf het begin van het verhaal op allerlei subtiele manieren de climax aan het einde voor, zodat alle schijnbaar toevallige zaken op hun plaats in het totale patroon vallen. In haar vroege werk als In de ban van de Duivelsklip legt de verteller die verbanden in het laatste hoofdstuk nog uitvoerig uit, in het latere werk laat ze de lezer zelf de verhaaldraden reconstrueren, wat natuurlijk een veel beter schrijfprocédé is.
Ik geef een voorbeeld hiervan uit De heksen van Casa Roja (1980): Drie al wat oudere vrouwen, de ‘heksen’, wonen op een grote hacienda ver weg in de Colombiaanse bergen. Een van hen is getrouwd geweest, maar haar man, Arthur, heeft haar verlaten. Nu zijn er allerlei aanwijzingen dat hij terug zal keren, maar dat er dan tegelijkertijd een ongeluk zal gebeuren. De kaarten van de Tarot voorspellen het, de dromen van de dienstbode eveneens: een zwarte ruiter komt, maar verdwijnt plotseling; een man slaat zijn moeder dood en stopt haar bij huis zomaar in de grond waarbij hijzelf ook bedolven wordt; een man valt plotseling dood op het veld neer; en de laatste droom waarin de zwarte ruiter opnieuw verschijnt maar plotseling verdwenen is bij het zicht van twee volle manen. Daarnaast wordt her-
haaldelijk over de akker, de oogst en het ploegen verteld, terwijl er tussendoor terloops vermeld wordt dat er een kunstgebit gevonden is.
Al deze elementen die op het eerste oog zonder verband lijken, passen aan het eind in elkaar wanneer Arthur als een slordig begraven lijk aangetroffen wordt aan de rand van de akker als men aan het ploegen is. Zijn gebit dient als bewijs. Salvador, de drankzuchtige broer van de dames, heeft hem met zijn auto overreden (de twee volle manen). Dronken doodde hij Arthur, dronken verraadt hij zichzelf tegenover de politie. Intussen laat Siny de lezer voortdurend denken dat het gevonden lijk dat van een jongen is, die door zijn vader doodgeslagen zou zijn, wat nog weer een extra dimensie aan de spanning geeft.
Door de verbinding van zoveel elementen die zo hecht in elkaar grijpen, krijgt het verhaal zijn tot doorlezen dwingende structuur. Tegenover deze kracht staat het zwakke punt dat Siny van Iterson het bij die spanning vooral moet hebben van elementen die in de ‘jongensboeken’ nogal traditioneel en conventioneel zijn, zoals de ontvluchte boef, een smokkelbende, nachtelijke tochten, spook-geschiedenissen en bijgeloof, dood en moord, een ontvoering, enz., waardoor de vertelde gebeurtenissen een nogal onrealistisch karakter krijgen. Maar sfeer weet ze er wel mee te bereiken en vooral de sfeer van de uitgestrektheid van het indrukwekkende Colombiaanse bergland met zijn eenzame wegen en ver uit elkaar gelegen hacienda's, waar de natuur groots en grillig is en de mensen elke inmenging die van buiten af hun beslotenheid bedreigt, afweren; waar wapens het eigen recht verschaffen en het primitieve politietoezicht nauwelijks voor enige zekerheid zorgt. De stad komt in haar werk nauwelijks voor, maar de beschrijvingen van het Colombiaanse berglandschap zijn groots. Een structuurelement dat Siny van Iterson herhaaldelijk in haar werk gebruikt ter afwisseling en verhoging van de intensiteit is dat van de verdubbeling. In Het Quimbaya-goud spelen heden en verleden zo een belangrijke rol: de verdwijning van Sylvia nu, de opsporing van de Indianengraven uit de voorkoloniale tijd zijn door elkaar heen geweven; er wordt twee keer een opgraving georganiseerd die beide mislukken. In De heksen van Casa Roja komen twee verdwijningen voor: die van Arthur van de hacienda en die van het jongetje uit het bergdorpje. Ook in Het gouden suikerriet vinden we zo'n verdubbeling.
De hoofdfiguur -Claudio- moet met zijn vader Don Pacho naar La Gloria, een leprozendorp om deze te verzorgen in zijn ziekte. Zonder te vermelden dat hij uit het melaatsendorp komt, gaat hij rietkappen op het landgoed Puerta Grande, waar hij veel contact krijgt met het eenzame, moederloze dochtertje van de eigenaar, Pilar geheten. Als er in La Gloria een dokter vermoord wordt, bereiken de gebeurtenissen een hoogtepunt, als Claudio ontdekt wie de moordenaar is en er bovendien achter komt dat Pilar en hij eigenlijk in dezelfde omstandigheden verkeren: zoals zijn vader in het melaatsendorp woont, zo komt Pilar er via Claudio nu achter dat haar moeder daar ook woont, iets wat men altijd verborgen heeft proberen te houden. Maar Siny vervalt niet in een goedkope oplossing om Pilar en Claudio dan ook maar samen te laten blijven. Daarvoor zijn immers de sociale verschillen te groot! En dit is dan weer een ander motief dat in al haar werk, op de achtergrond of expliciet genoemd, meespeelt en waarover de achterflap van Het Quimbaya-goud spreekt: Colombia wordt niet alleen als decor gebruikt maar wel degelijk van binnenuit beschreven met al zijn voor ons zo schrijnende tegenstellingen tussen rijk en arm,
machtigen en machtelozen, grootgrondbezitter en arbeider.
In De adjudant van de vrachtwagen over de Pulga, de kleine ‘vlo’ die zichmet moeite stelend en bedelend in leven kan houden, beschrijft Siny zonder sentimentaliteit of nadrukkelijk moralisme, maar zo terloops weg en daardoor des te schrijnender de armoede van de bezitlozen. Een sterk voorbeeld: Gilimon, de vrachtwagenchauffeur en de Pulga, die ‘adjudant’ is geworden nemen op hun tocht door Colombia eens een liftende jongen mee, die in een zak een halfvergaan varken meevoert, dat natuurlijk geweldig stinkt. Maar hij moet het naar zijn grootmoeder brengen die het zal opeten. De man heeft geen medelijden met zoveel armoede maar stuurt hem prompt uit de auto. Iemand met zo'n zak stinkend vlees neemt hij niet mee! Maar intussen heeft de lezer, bij wijze van spreken met de neus ook dichtgeknepen, ervaren wat gebrek aan eten is voor sommige mensen.
Het spannende verhaal en de informatie over Colombia worden geïntegreerd.
Siny van Iterson schrijft zo over het probleem van wapensmokkel in een havenplaats, over een straatjongen die geluk heeft en als bijrijder op een vrachtwagen half het land bereist, over een leprakolonie, over het leven op de rijke hacienda met de grootgrondbezitters, met daar omheen de eenvoudige boeren en dorpelingen, over het enorme standsverschil tussen rijk en arm, tussen geschoold en analfabeet, over de geschiedenis van het land: Chibcha- en Quimbaya-Indianen, de burgeroorlog ‘La Violencia’, over geloof en bijgeloof/volksgeloof, over gezinnen waarin ouders en grootouders kinderen opvoeden, over dorpen en steden, over de natuur in de hoge koude bergen en warme delen van allerlei delen van het uitgestrekte land, over het klimaat en het leefklimaat.
Bij die ‘informatie over het land’ wil ik naar aanleiding van Het Quimbaya-goud wat uitvoeriger stilstaan, omdat ze essentieel is voor de manier van werken van Siny van Iterson en de doelstelling van haar Colombiaanse boeken.
Allereerst geeft de auteur algemene sfeerbeschrijvingen als van de hacienda en het grote huis (p. 7), het hotel waar Barbara logeert (p. 17), het dorpsplein van Tataque (p. 19), een hete tropische avond (p. 63), de natuur in het algemeen (p. 103), een Indianengraf (p. 134) en talrijke andere voorbeelden.
Terloops wil ik hierbij opmerken dat deze informatie de lezer bereikt via de hoofdfiguur Barbara, zoals zij de dingen ziet en ervaart.
Terwijl in het vroege werk deze informatie vaak buiten de figuren om gegeven werd: zie het begin en einde van De smokkelaars van Buenaventura bijvoorbeeld.
Een tweede vorm van informatiever-schaffing is veel meer impliciet aanwezig, in de handeling verborgen. Zo ervaart Barbara de onveilige, donkere straat bij avond (p. 28), maar ook de vanzelfsprekende behulpzaamheid (p. 85) en het medeleven (p. 90), als onderdeel van de handeling zelf waaruit de lezer de informatie zelf moet concluderen. Via dialogen tussen Barbara en de mensen van het land zelf leren we heel wat over de geschiedenis (p. 51/52; 94) van de Indianen.
Daarnaast komt het ook voor dat een van de figuren een informatief verhaal vertelt, zoals dat van de guaquero Alfonso (p. 65).
Een vijfde vorm is een veelvuldig procédé: via Barbara's gedachten leren we over opgravingen in Mexico (p. 20), over het leegroven van graven (p. 69), over de goudsmeed-kunst van de Quimbaya's (p. 131) en de kolonisatie van Colombia door de Spanjaarden op verschillende plaatsen.
In het centrale hoofdstuk van het boek - hoofdstuk acht - droomt Barbara over de Indiaanse cacique (leiders) die zich aan de vooravond van hun uitroeiing en die van hun volk beraden over mogelijk verweer. Deze zes literair-technische snufjes geven Siny van Iterson de mogelijkheid om haar doel te bereiken: informatie verschaffen zonder dat het
spannende verhaal daar onder lijdt. Door deze literaire techniek wordt de informatie een organisch deel van de handeling.
De meeste verhalen zijn verteld vanuit een jongen (Siny gebruikt vooral mannelijke hoofdfiguren), die de leeftijd heeft van de lezersgroep waarop de schrijfster mikt. Dat is zo tussen de twaalf en zestien jaar. Maar daarnaast verlaat ze dat hij-vertelperspectief geregeld en volgt ze andere figuren. Zo'n structuur van een ‘alwetende verteller’ is makkelijk voor de lezer omdat het deze helpt zich van verschillende zijden in het verhaal in te leven. Bovendien is het aantrekkelijk omdat de lezer regelmatig meer weet dan de figuren zelf, wat een gevoel van ‘macht’ over het verhaalgebeuren geeft.
In Weerspiegeld in de bron is de auteur van dit vertelprocéde afgeweken. In dit ik-verhaal ontmoet de hoofdfiguur/verteller de jonge Orlando Suarez, die vanuit Nederland naar zijn geboorteland Colombia is teruggekeerd met een geheimzinnig doel. De ik-figuur die zich in het afgelegen hotel verveelt, wordt nieuwsgierig en gaat op onderzoek uit. Door de verhalen van Orlando en van de andere dorpelingen over diens familieverleden aan de ‘ik’ wordt het doel waarvoor Orlando gekomen is langzaam maar zeker duidelijk. Een knappe vertelprocedure die volop spanning brengt in dit qua verteltechniek meest geslaagde boek.
In Om de Laguna Grande zoekt de ook naar zijn geboortestreek teruggekeerde Carlos Arturo naar de oplossing van de geheimzinnige verdwijning van zijn vader.
Chanin Boekhoudt, studente V.W.O.-4 van het Colegio Arubano, oordeelde in een recensie als volgt:
‘Carlos Arturo was zeven jaar geleden samen met zijn moeder weggegaan van hun hacienda Payanda, nadat zijn vader op een geheimzinnige manier verdwenen was. Wat is er met Don Raul, de vader van Carlos Arturo gebeurd? Dit was wat ik graag had willen weten, naast hetgene van wie het gedaan had, toen ik het boek begon te lezen. Zulke vragen stel je toch wanneer je mysterie-boeken leest en je verwacht ook antwoord erop te krijgen. In dit boek krijg je het antwoord op die vraag niet. De lezer moet zelf uitmaken wat er met Don Raul gebeurd was. Misschien hebben de mannen hem in de Laguna Grande gegooid en laten verdrinken, of misschien hebben zij hem opgehangen of misschien doodgeschoten etc. ...
Dat moet de lezer zelf uitmaken. Het boek geeft een beschrijving van hoe de mensen in het binnenland van een Zuidamerikaans land leven. Hun manier van denken, hun manier van reageren op dingen die niet tot hun cultuur behoren. Bijvoorbeeld ze accepteren wel dat er dokters in het dorp komen werken maar ze zijn toch wantrouwend. Ze hebben meer vertrouwen in Ana-Amanda, want volgens hen kent Ana-Amanda hen sinds ze geboren waren en Ana-Amanda is wijs. Ze kon de mensen van de “kilte van de dood” bevrijden, ze kon de mensen waarschuwen wanneer er iets slechts met hen ging gebeuren, ze kon in de toekomst en in het verleden zien. De dorpelingen hadden veel eerbied voor Ana-Amanda en ze waren ook een beetje bang voor haar.
Ik denk dat dit het belangrijkste doel van Siny van Iterson was. Het beschrijven van een samenleving, hier de samenleving van het binnenland van een Zuid-amerikaans land. En ik moet zeggen dat het haar aardig gelukt is een spannend verhaal ervan te maken.’
Carlos Arturo is buitenstaander geworden in zijn gemeenschap, zoals er meer buitenstaanders hoofdfiguur zijn; denk maar aan de Amerikaanse archeologe in Het Quimbaya-goud en Orlando Suarez in Weerspiegeld in de bron. Niet zelden gebruikt Siny van Iterson zo ook volwassen hoofdfiguren voor haar jeugdromans.
Maar de psychologie van deze figuren is over het algemeen de zwakke kant van Siny van Itersons schrijverschap. Sylvia in Het Quimbaya-goud maakte in de V.S. een zeer gunstige indruk op Barbara; nu blijkt ze in haar geboortestreek als een zeer slecht mens beschouwd te worden. De enige verklaring: de duivel kent vele gedaanten. Ook de andere figuren blijven typen, die niet meer dan oppervlakkig getekend worden; doña Paula die eerst zeer onvriendelijk is en later toeschietelijker, de macho Jaime, de wijze Socrates Benavides (let op de naam!). Ze blijven allen vaag.
Vooral in het begin schreef Siny van Iterson spannende jongensdetectives: een paar jongens komen in aanraking met zaken die niet zijn zoals ze horen te zijn, ze gaan op zoek naar de misdadigers en ontmaskeren die, waarna bij het happy-end de beloning volgt. Dergelijke verhalen zijn weliswaar spannend, omdat er veel gebeurt. De ene gebeurtenis is nog niet voorbij of de volgende avonturen staan al weer om de hoek te wachten.
Als in De smokkelaars van Buenaventura de hoofdfiguur Roberto alleen in het ondoordringbare moeras achterblijft, waaruit hij pas na een paar weken ontsnapt, lezen we nauwelijks iets over het niveau van de beleving. Wat moet hij een angsten doorstaan hebben; hoe heeft hij zich langzaam aangepast; wat moeten zijn ouders ongerust geweest zijn; wat moet hij zelf toch wel niet allemaal gedacht en gefantaseerd hebben in al die donkere nachten zo helemaal alleen. En nu is het gekke: in zo'n jongensdetective lezen we wel over de gebeurtenissen, maar nauwelijks iets over de gevoelens - het gebeuren in jezelf, in je denken, je fantasie. Er wordt veel gedaan, maar heel weinig beleefd, de verteller zegt er tenminste niets over. Terwijl een goed auteur dat wel zou moeten doen! Maar misschien ben ik te negatief, want Paola Carotenuto van het Colegio Arubano, klas V.W.O.-4 oordeelde in haar recensie:
‘Haar stijl en haar verhalen zijn ontzettend leuk en aangenaam om te lezen. Ze verdiept zich goed in de rollen die er uitgebeeld moeten worden, waardoor je vanzelf een idee krijgt van hoe alles eruit ziet en hoe alles gebeurt. Ik vind dat Siny een “criollo” stijl van schrijven heeft. Ze mengt zo nu en dan een Spaans woord in het verhaal, waardoor je nog meer voelt dat je in Colombia bent. Siny heeft al een paar jaar in Colombia gewoond wat haar tot grote hulp is geweest bij het omschrijven van de sfeer. Ze geeft ook een goede beschrijving van het landschap.
De omgeving is van grote invloed op het verhaal. Het wordt niet door een ik-figuur verteld, maar door een verteller die geen enkele rol in het verhaal heeft.
Maatschappelijke of sociale verhoudingen spelen geen rol in het verhaal. Er komt wel wat armoede voor, maar niet met een bijzonder doel.
Het verhaal zelf was spannend en interessant. Je weet de gevoelens van de jongen op de naarste momenten en daardoor leef je mee met hem. Ik vond dit boek een nieuwe ervaring, omdat ik geleerd heb hoe iemand zich voelt, verlaten in een oerwoud en hoe zo'n persoon zou kunnen reageren.’
In het werk van Siny van Iterson overheerst de handeling: de figuren zijn over het algemeen óf slecht óf goed zonder gradatie of ontwikkeling. De verhalen zijn sterk gesloten in hun structuur. In Het Quimbaya-goud arriveert de hoofdfiguur in het eerste hoofdstuk en vertrekt ze in het laatste. In De adjudant van de vrachtwagen is de rondtocht door het land aan het einde voltooid, men is terug in Bogota. In de andere boeken zijn de avonturen voorbij en de raadsels opgelost. In Het Quimbaya-goud vertrekt Barbara weer naar het eigen land, met haar negatieve ervaring, maar
zonder enige verworven wijsheid over de taak en functie van archeologen. Sylvia's graf wordt gevonden, zoals dat van Indianen.
Maar de geheimzinnigheden blijven, hij allebei, zonder dat de lezer als conclusie daaruit een mening wordt opgedrongen als de ondoordringbaarheid van het verleden, dat niet ontrafeld kan worden maar wel ontluisterd of iets dergelijks. Een archeologe legt het verleden bloot, ze dringt erin door, zonder dat zoiets symbolisch wordt uitgelegd als de taak om door te dringen in het eigen karakter van het land.
Siny van Iterson registreert maar moraliseert of interpreteert niet. Zo lezen we ook niets over het al of niet geoorloofd of wenselijk zijn van buitenlandse archeologen die bijvoorbeeld nú het land van schatten beroven zoals de koloniale Spanjaarden dat vroeger deden. Dit soort moralisaties of zelfs allusies daarop zijn bij Siny van Iterson afwezig, terwijl ze toch voor de hand zouden liggen. Ze laat het aan de lezer over die zelf maar te maken als hij daar behoefte toe voelt.
Wel lezen we dat Sylvia haar eigen ondergang heeft teweeggebracht, een visie op het leven die de auteur vaker hanteert. Het kwaad straft zichzelf - de schurk maakt zelf een einde aan zijn leven of wordt door een natuurverschijnsel gedood; - een nogal triviale oplossing voor een auteur.
Het zoeken naar onderliggende diepere thema's is een ondankbare taak voor de lezer: ze zijn er niet, althans niet expliciet. We lezen een spannend verhaal met informatie over Colombia, maar een centrale onder woorden gebrachte visie achter het gebeuren ontbreekt. Nu wil ik hiermee niet pleiten voor een expliciete visie, maar mijn probleem is toch wel dat er ook impliciet geen achterliggend idee door de lezer gereconstrueerd kan worden. Het lijkt als of de auteur zich daar niet mee heeft beziggehouden.
En dat is een heel andere wijze van schrijven als van Diana Lebacs bijvoorbeeld, waarbij deze visie al van tevoren centraal staat en het hele verhaal door wordt uitgewerkt.