terug  begin  verderprepost
[p. 76]

Hoofdstuk 4. Sonia Garmers

1.Bio- en bibliografie
2.Werkwijze
3.Literaire prijzen
3.Over Orkaan en Mayra
5.Over Wonen in een glimlach
‘Veel jonge auteurs schrijven in eerste instantie voor ouderen en hopen daarmee voor vol aangezien te worden, iets wat wel te begrijpen is vanuit de achterstelling van onze eigen literatuur, maar er zit ook een element in van: schrijven voor kinderen doe je als je in de “grote” literatuur mislukt bent. Wat natuurlijk onzin is, juist bij de kinder- en jeugdliteratuur moet je beginnen, je moet ze van jongsaf aan leren lezen en hun het beste voorzetten wat we hebben.’
(Sonia Garmers in Bzzlletin maart 1980)
[p. 77]

1. Bio- en bibliografie

‘Op mijn zeventiende ging ik van school af. Ik had een typediploma en een Nederlands steno diploma en ging in een boekhandel werken, bij Salas, want ik hield van boeken. Drie jaar later ging ik trouwen. Ik zat thuis, het was vervelend. Daarom ging ik verhaaltjes schrijven, zomaar. Als ik een kip zag, begon ik een verhaal over een kip. En als ik een schoteltje kapot liet vallen, moest ik een verhaal schrijven over: het zielige schoteltje is kapot en nu is het kopje weduwe. De grote drama's uit de wereldliteratuur - zoals Romeo en Julia - gebeurden bij mij thuis in het klein. Zo is het begonnen. Op een goede dag had ik na een half jaar een stuk of veertig verhaaltjes. Toen kwam meneer De Wit van de Beurs- & Nieuwsberichten.... Die wilde mijn verhaaltjes lezen al verstond hij er niks van want ze waren in het Papiaments geschreven.
“Ik heb een Papiaments ochtendblad Today, je kunt daar beginnen,” stelde hij me voor. “Kom morgen maar praten met meneer Bogers.”
De volgende dag, het was in 1965, stapte ik met die verhaaltjes onder mijn arm naar meneer Bogers. Meneer Bogers verstond óók geen Papiaments, maar zei toch:
“Ze zijn goed.” En zo kwam er voortaan iedere vrijdag een kinderpagina uit in het Papiaments met kinderverhaaltjes van Sonia Garmers.’

Zo vertelt Sonia Garmers (schrijversnaam van Sonia Mathilda Justina - Curacao 9 januari 1933) in Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter (1976) hoe ‘het allemaal begon’.

Als er bij Today na een paar jaar moeilijkheden komen, gaat Sonia bij La Cruz van pater Römer werken. La Cruz is een Papiamentstalig weekblad dat sinds 1 mei 1900 verscheen onder priesterleiding.

‘Ik ... verzorgde een bladzijde voor vrouwen, met tips voor de huishouding, recepten.
Koken?, Nee, ik kon niet koken! Maar die recepten had ik allemaal - die kreeg ik van mijn grootmoeder.
Ze vertelde me alles over de recepten en ik schreef het netjes op. Theoretisch wist ik het allemaal, maar de praktijk?
In 1960 schreef ik mijn eerste kookboek: Cu Marina den Cushina. In 1961 kwam: Recetas. In 1971: Bon Apetit. Ze zijn allemaal uitverkocht, het eerste in vier, het laatste in twee drukken.
Na die eerste kookboeken heb ik voor de kranten gewerkt: verslaggeefster bij de La Cruz. Nu en dan sprong ik in voor de Amigoe. Ik had een pagina met van alles over vrouwen. En Tanta Nini, voor de kinderen.
Later werd La Cruz verkocht en toen werd het Mensahero. Daarvoor moest ik de Statenvergaderingen en de eilandsverkiezingen verslaan.’

In juli 1955 verschijnt Sonia Garmers eerste verhalenbundel: Tantan Nini... ta conta, die gevolgd zal worden door Conta cuenta, Cuentanan pa mucha en Un makutu yen di cuenta dat Sonia Garmers zelf het beste van de serie vindt. Ze vertelt zelf over deze verhalen met veel plezier, achteraf althans.

‘Deze boekjes moest ik in eigen beheer uitgeven. Maar de mensen kochten ze niet, ze bleven in de boekhandel liggen, het kaft scheurde eraf. Je gaf vijftig exemplaren bij de boekhandel in consignatie. Als je dan na lange tijd je geld kwam halen, bleek dat je er 46 terugkreeg, twee waren er gestolen, één was van de toonbank gevallen, en één was er verkocht! Op die manier had je natuurlijk geen eigen geld om de drukkosten te betalen. De eerste uitgave was mogelijk met behulp van May Henriquez en gelukkig stuurden de fraters nooit een deurwaarder als ze lang op hun geld moesten wachten. Maar toen de fraters hun drukkerij verkochten, besloot ik te stoppen
[p. 78]
met schrijven. Zonder hun hulp was het financieel niet meer mogelijk.
De mensen vinden de verhalen wel leuk, maar ze kopen geen boeken. Eén koopt een boek en leent het aan iedereen uit; op die manier verkoop je niets! Daarom kun je beter naar de radio gaan en iedere dag een verhaal vertellen. De kookboeken werden wel goed verkocht, maar de kinderboeken niet.

In 1958 maakt Sonia Garmers kennis met de Nederlandse jeugdboekenauteur Miep Diekmann die haar wegwijs maakt in het leven van schrijven en uitgeven. Na die tijd maakt ze kennis met Johan Fabricius die een verhaal aan haar opdroeg:

‘Bij zijn tweede bezoek waren we op visite in een landhuis. Ik heb hem daar niet veel verteld, hij keek maar rond. De eigenares heeft eventjes met hem gepraat. Toen later zijn boek “Onder de hete Caraïbische zon” uitkwam, stond daar een prachtverhaal in over dat huis, waar hij maar één uur in geweest was. Ik was zo stomverbaasd. Hoe kon het? Hoe was het mogelijk? Het was een van de weinige keren toen ik in mijn leven dat ik meemaakte hoe een schrijver werkte.’

Daarna kwamen Jan de Hartog, Willy Corsari, Albert Vogel en Godfried Bomans. In 1972 gaat Sonia Garmers zelf voor de eerste keer naar Nederland toe om haar oudste dochter Norine die dan een half jaar in Epe woont en voor bezigheidstherapeute studeert, op te zoeken. Nadat haar tweede dochter Jessica in 1973 naar Nederland gegaan is om voor verpleegster te studeren, gaat Sonia in 1974 opnieuw voor een kort verblijf. Ze maakte toen vier programma's voor de NOS, wat haar eerste kennismaking met de Nederlandse televisie was.

Met twee Curacaose vriendinnen Nydia Ecury en Mila Palm had Sonia Garmers in 1972 al een dichtbundeltje uitgegeven: Tres Rosea (= Drie verzuchtingen).

Onder de titel ‘Otro Rosea’ schreef ze een dozijn gedichten die ze opdroeg aan haar kinderen.

Nostalgia
 
Mi ke drumi
 
den bo brasa
 
Mi kabes
 
na bo pechu
 
Mi kurason
 
na di bo
 
Hala rosea
 
parew ku bo...
 
 
 
Pasa man
 
den bo kabei
 
sera mi wowo y
 
laga mundu
 
sigi drei.

Letterlijke vertaling: Nostalgie Ik wil slapen/ in jouw armen / Mijn hoofd / op jouw borst / Mijn hart / bij dat van jou / Ademen / gelijk met jou ... Mijn handen laten gaan/ door jouw haren / mijn ogen sluiten en/ de wereld laten / doordraaien.

 

Met Hanny Lim samen publiceerde Sonia Garmers in de jaren 1974 en 1976 enkele brua-boekjes, met meer succes dan haar kinderboeken. Uit Brua pa tur dia het volgende:

Belangrijk!!

Lees dit eerst vóór U ‘brua’ recepten gaat proberen. Al haat U iemand verschrikkelijk, gebruik géén zwarte magie om Uw vijand kwaad te doen! Als U maar iets verkeerd doet, DAN SLAAT HET OP UZELF TERUG! Het is net zoiets als wanneer U een jongen een gulden geeft om een boodschap voor U te doen. De jongen gaat weg met de gulden in zijn hand. Hij komt bij de winkel, maar de winkel is gesloten. Wat gebeurt er dan? Hij komt bij U terug om te zeggen dat de winkel dicht is. Hij kon de boodschap niet doen en U krijgt het geld van die jongen terug. ZO ONGEVEER GAAT HET MET ZWARTE MAGIE ALS U EEN SPIRITU OPROEPT OM IETS VOOR U TE DOEN EN DE PERSOON
[p. 79]
OP WIE U UW WRAAK WILT KOELEN IS ER NIET .....DAN KOMT DE SPIRITU BIJ U TERUG.
Zoals de Engelsen zeggen ‘Don't fool around with black magic!’


illustratie

Liefde ....

5. Neem een rood koord, een geel koord en een blauw koord. Leg in elk koord drie knopen. Zeg bij elke knoop die U legt ‘.......(naam), ik wil dat je van me houdt!’
Vlecht de drie koorden tot één koord en draag dit koord om Uw middel, liefst op het blote lichaam. Het kan ook om de hals worden gedragen, dan kunt U er nog een talisman aan hangen.
Oracion de los 13 rayos del sol.
 
A la una, está el Sol más alto que la Luna
 
A las dos, las dos tablas de Moisés en las que
 
escribe nuestro Señor Jesucristo.
 
A las tres, los tres patriarcas
 
A las cuatro, las cuatro llagas de nuestro Señor
II
 
A las seis, los seis cirios con que alumbraron a Galilea.
 
A las siete, los siete dolores que pasó María Santísima por su hijo.
 
A las ocho, todas las puertas se alzan con las ocho del paraíso.
 
A las nueve, mírese amigo y menos nueve enemigos.
 
A las diez, los diez mandamientos guardaré
 
A las once, las Once Mil Vírgenes me acompañarán de todo mal camino o peligro.
 
A las doce, los doce Apóstoles me acompañarán por mi camino.
 
Preso Satanas, no me toques ni por delante ni por detrás.


illustratie

[p. 80]


illustratie



illustratie

Un Sonjo dedika: na SONIA GARMERS
 
Ma sonja ku mi a
 
mira Bo
 
manera un palma
 
den desierto
 
 
 
Den bo sombra
 
ma bebe morto cansá
 
e awa kla ku ta koriendo
 
na bo pia
 
 
 
Ma pronuncia Bo nomber
 
den mi agonia
 
ma abri wowo
 
pensa ku tur kos tabata
 
realidad
 
ku mi ta biba den bo sombra
 
ku bo ta di mi enberdad.
 
 
 
I si durmiendo ma pronuncia Bo nomber
 
awor lantá, mi ta adoré.
 
pa
 
P.A.JESURUN 9-1-1970
 
(Ruku: mei 1970)


illustratie

[p. 81]

In 1976 publiceert Sonia Garmers Haar eerste Nederlandstalige werk. Bij de brua-boekjes was het zo dat Hanny Lim het Nederlands voor haar rekening nam en Sonia het Papiamento en Spaans.

Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter wordt een jaar later gevolgd door Orkaan, de Curacaose variant van Pietje Bell of ‘Total Loss’. Maar onder de grappige oppervlakte zit heel wat kritiek op de Curacaose maatschappij: het standsbesef, de opvoedingsmethoden, vrouwenemancipatie, en ‘Er moeten nog honderd orkanen komen om Curacao te veranderen, Orkaan. Om die stomme ideeën uit de mensen te waaien.’

Marny de l'Isle, leerlinge van V.W.O.4 - Colegio Arubano, zag het boek als volgt in haar leesver - slag ervan. Enkele fragmenten:

‘Dit boek vind ik persoonlijk een vreemd boek. Wel goed, maar verstrooiend op een manier. Toch komen in dit boek verschillende punten naar voren die leerzaam zijn. Een paar van die punten zijn onder andere: de tegenstelling arm - rijk; Orkaan tussen oom Chitu en Chaya. Dus dat of je arm of rijk bent af en toe toch wel een belangrijke rol kan spelen.
Een ander: Emancipatie van de vrouw; Mayra die als timmervrouw werkt. En verzet tegen machismo; hij is geen versierder en durft zijn emoties te tonen. Deze begrippen haal je eruit na het lezen van dit boek.
Verder heb je ook nog meer stukken die je iets leren: Als je 'n beroep hebt, dat je met je handen doet, zoals timmerman, is dat geen schande en kan toch betekenen dat je een beschaafd en fijn mens kan zijn. Dat slaat dan op die oom Chitu. Nog een voorbeeld: Orkaan mag geen auto's wassen omdat zijn familie middenstanders zijn en het goed hebben. Daarom mocht hij ook niet naar de LTS maar moest hij naar de HAVO door de status van zijn familie.
Uit deze twee voorbeelden zie je hoe belangrijk onder andere je naam is. Dus dat je op verschillende manieren, bijvoorbeeld door roddelpraatjes, je naam kan verliezen.
Ook zie je dat er bepaalde stukken in staan die betrekking hebben op Curacao zelf: eigen familie gaat altijd voor; dat een slechte relatie met je ouders leiden kan tot dat je een andere persoon als vader en/of moeder gaat zien.
Je leest ook dat Mayra een heel ander meisje is dan alle normale meisjes: ze timmert. Oh nee! Maar dat kan niet, een meisje hoort niet te timmeren. Je leest ook dat je niet iedereen kan vertrouwen; je moet goed weten wie allemaal je vrienden zijn. De manier zelf waarop dit boek geschreven is, is vrij goed. Veel sensaties en Papiamentse woorden en spreekwoorden. Dat die woorden vertaald worden vind ik ook erg goed. In het algemeen zou ik dit boek niet afkeuren maar ook niet weer tien keer willen lezen.’

Van december 1977 tot maart 1979 woonde Sonia Garmers in Nederland. Maar haar jongste dochter Jeanine, die toen nog op Curacao was, wilde niet dat ze er bleef.

‘Ik heb veel geleerd over schrijven in die tijd, door met vakgenoten te praten. Er wordt in Nederland veel meer gepraat dan op Curacao; hier vertellen ze nooit waar ze echt mee bezig zijn.’

Tijdens dit verblijf ontstond het idee voor het vervolg op Orkaan, dat Orkaan en Mayra (1980) geworden is.

‘In Lieve koningin ... was alles wat ik schreef over Nederland nogal gunstig, in Orkaan en Mayra niet meer. In 1972 en 1974 was ik maar veertig dagen in Nederland geweest. Dan blijft alles oppervlakkig en mooi. Maar na een jaar en vier maanden heb ik natuurlijk ook veel nog niet gezien en daarom heb ik er zin in om weer te gaan.’

Eén citaat ter adstructie:

[p. 82]
‘Ik heb zo het gevoel dat Hollanders meer om hun huisdieren geven dan om mensen. Als ze hier akties hebben voor Afrika geven ze zomaar honderd gulden weg. Maar paai, ik ben benieuwd wat ze zullen doen als er een Afrikaan in de straat komt wonen.’ (p.78).

In 1983 verschijnt de verhalenbundel Ieder diertje zijn pleziertje.

‘Op Curacao houden de kinderen vooral van de verhalen “Chuchubi en haar kinderen” en “Waarom er geen appels groeien op Curacao”; in Nederland vonden de lezers vooral “De mannen van Sint Antonius” leuk.’

In 1985 tenslotte verschijnt de jeugdroman Wonen in een glimlach over Bibi Sonrisa, die bij een Curacaos radio-station gaat werken na haar middelbare schoolopleiding.

Afscheid van Sonia Garmers

Willemstad - Bij Radio Hoyer wordt morgenochtend afscheid genomen van radiopresentatrice Sonia Garmers. Die presenteert morgen haar laatste praatshow ‘Nos ku nos’. Sonia Garmers bracht haar praatshow ruim vijf en een half jaar, met uitzondering van het weekeinde, dagelijks van tien tot elf 's morgens via Radio Hoyer 1. Zij vertrekt echter binnenkort naar Nederland. De presentatie van het programma, waarin informatie over een verscheidenheid van gebeurtenissen in de Curacaose gemeenschap werd gebracht, wordt overgenomen door Edison Bornachera.

Eind 1985 vertrekt Sonia Garmers voor onbepaalde tijd naar Nederland, omdat al haar vier kinderen daar nu zijn, ook de jongste die aporthekerassistente wil worden. Na de driejarige opleiding opleiding zal Sonia bepalen wat ze gaat doen: blijven of terug naar Curacao.

‘Voor de Wereldomroep zal ik een programma in het Papiamento maken, dat wekelijks wordt uitgezonden. Misschien ga ik bij de N.C.R.V. het programma “Rozegeur en Prikkeldraad” dat ik ook in 1978/1979 verzorgde, weer opvatten. En dan ga ik nog in “De blauw geruite kiel” van Vrij Nederland schrijven, ik heb mijn lezingen op de scholen via de Stichting Schrijvers School en Samenleving. En ik ga ook een beetje rusten.’

Maar de nieuwe schrijfplannen zijn er ook al weer:

‘Ik heb een schrift gekocht, omdat ik plannen heb voor twee nieuwe boeken. Het eerste zal over twee kinderen gaan die met hun ouders op Curacao komen wonen. Ze blijven drie jaar hier en leren Curacao dus langzamerhand kennen. Over hoe het hier vroeger was, over gebruiken van het eiland, eetgewoonten, etc. Het tweede boek moet over de moeilijke opvoeding van kinderen gaan, die door een vrouw alleen worden grootgebracht.’

Sonia Garmers' ‘wela’ (=grootmoeder) leerde haar dat een kast met boeken ‘als een kist dynamiet’ is en een boekhandel een winkel vol dynamiet! Maar ‘ontploffingsverschijnselen’ vertoont Sonia zelf nooit; ze is ‘een muur van vrolijkheid’ in haar leven en werk; wie goed toekijkt en nauwkeurig leest merkt evenwel op dat er achter die muur zaken schuilgaan die blijkgeven van diep doorleefde gevoelens, de humor die algemeen herkend wordt als het eigenste van haar literaire werk.

[p. 83]

2. Werkwijze

Het werk van Sonia Garmers blijkt sterk auto-biografisch te zijn. Wat het doodsmotief in Orkaan en Mayra betreft vertelt ze het volgende:

‘Kinderen komen altijd te laat als hun familie sterft, omdat ze in het buitenland zijn om te studeren. Mayra moet naar Nederland om een vak te leren; oom Chitu heeft maar een kind en is dus alleen als hij ziek wordt. In Nederland stap je direct in de trein en enkele uren later ben je thuis, ook als je bijvoorbeeld in Rotterdam studeert terwijl je familie in Limburg woont. Maar wij moeten altijd met het vliegtuig een heel lange reis maken. Dat wilde ik laten zien.
Maar ik wilde ook iets laten zien van mijn eigen grootmoeder. Zij heeft altijd bij mij in huis gewoond. Toen ik trouwde, trouwde ik met mijn (ex)man én met mijn grootmoeder, want die ging mee. Ik mocht niet koken, ik mocht niets doen. Mijn grootmoeder was dichter bij mij dan wie dan ook. Mijn man ging na dertien jaar weg; mijn grootmoeder bleef. Mijn oudste kinderen gingen weg; mijn grootmoeder bleef. Maar toen stierf mijn grootmoeder - ik was meer aan haar gewend dan aan mijn moeder. Ik wilde haar dood beschrijven als iets moois. Mijn oudste kinderen hadden veel met haar gepraat, maar ik wilde ook mijn jongere dochters laten zien dat dood niet iets is om bang voor te zijn. Daarom heb ik Orkaan en Mayra geschreven.
Ik heb alles geschreven zoals ik het zelf heb meegemaakt met mijn grootmoeder. Niet dramatisch, want mijn grootmoeder was een heel sterke figuur, net als oom Chitu.
Maar al mijn werk is sterk autobiografisch. Dat geldt natuurlijk voor Lieve koningin..., maar ook voor het andere werk, ook voor Wonen in een glimlach met het werken bij een radio-station. Ik heb een bloknoot thuis en als iemand iets zegt, denk ik: dat is een goed idee, laat ik het opschrijven. Ik heb mijn ogen en oren altijd goed open. Als je schrijft, bekijk je de zaken om je heen geloof ik dieper. Je bent nieuwsgierig en je wilt alles opslaan in je hoofd. Alles, alle ervaringen kun je weer gebruiken.’

Sonia Garmers begon in het Papiamento te schrijven en houdt eigenlijk nog het meest van die taal, die haar eigen taal is. Nederlands is een tweede, aangeleerde taal.

‘Gevoelszaken zijn in het Nederlands moeilijk weer te geven. Wij denken meer met ons gevoel dan ons verstand. Voor een Nederlander telt medelijden minder; wat je moet zeggen, zeg je gewoon zonder omwegen!
In het Papiamento schrijven zou daarom veel gemakkelijker en fijner zijn. Ik hoop op een eigen goede uitgeverij, zodat ik weer in het Papiamento kan schrijven; en ik niet alleen! En dat de mensen die boeken dan ook gaan kopen! In Nederland heb je nu eenmaal een groter publiek; de Nederlandse uitgeverij maakt het schrijven makkelijker; de boekhandels met hun service-apparaat.
Maar vaak zit ik ermee hoe ik iets uit het “dushi Papiamentu” moet vertalen, om precies weer te geven hoe je het voelt. Want ik schrijf in het Nederlands, maar ik denk in het Papiament. Als je beter, Hollandser Nederlands gebruikt, verliest net steeds meer zijn “smaak”. Wat je in je hoofd hebt kun je daarom nooit geheel precies weergeven; de vertaling verliest altijd iets van wat je wilde.
Hoe zeg je “Señora pasa den un zut zut pèrtá bai abao”.
[p. 84]
Dat kunt je wel vertalen met “een strakke jurk”, maar dat is nog niet hetzelfde! Of hoe zeg je in het Nederlands: “ela janga drenta sala”? Hoe vertaal je zoiets nou?

De overgang naar het Nederlands was daarom voor mij een heel moeilijk proces.
Voor Lieve koningin..... heb ik eerst negentien cassettes volgepraat in het Papiamento. Dat heb ik daarna uitgetypt en met behulp van Miep Diekmann die me het levende Nederlands leerde - want wat wij hier horen is echt niet het Nederlands van alledag - vertaald en geordend.’

Johan Fabricius die Sonia op Curacao had leren kennen, schreef in een recensie dat het een ‘voor de vuist weg geschreven boekje’ is; hij had eens moeten weten hoeveel zweetdruppels die vlotte stijl gekost hebben.

Orkaan heb ik direkt geschreven, maar in feite ook twee keer: eerst in het Papiamento en daarna in het Nederlands.
Ik had al jaren rondgelopen met het idee. Ik zag steeds mijn twee stoute neefjes; over één ervan heb ik toen het verhaal gemaakt. Maar je kunt wel veel schrijven, maar hoe geef je dat een strakke vorm?
Miep Diekmann heeft tegen me gezegd: let op de figuren, de ouders van Orkaan; wat is de leeftijd; waar leeft de familie, in welke bario, enz. Ze heeft me ook steeds weer gewezen op het gegeven dat je moet doorgaan; iedere dag moet je weer achter je schrijfmachine.
Ook compositie heb ik van haar geleerd: hoe deel je de hoofdstukken in; hoe werk je naar hoogtepunten toe, enz.
Miep zei steeds: ik zeg het je één keer en daarna doe je het zelf.... Langzaamaan heb ik geleerd steeds gedisciplineerder te schrijven. Een boek maken is een enorm moeilijk proces; een verhaal is gemakkelijk.
‘Het idee voor Orkaan en Mayra had ik ongeveer een jaar in mijn hoofd. Ik liep er steeds over te denken. Mayra gaat weg; hoe gaat ze weg, waarom gaat ze weg? Oom Chitu gaat sterven; wat gebeurt er, hoe verloopt het proces? Dan ga je schrijven en weggooien, je probeert wat en je moet weer schrappen of je merkt dat je een heel gedeelte moet weglaten. Dan begin je opnieuw te schrijven, enz. Zo heb ik al schrijvend, schrappend en opnieuw proberend een half jaar gewerkt; daarna een week of acht heel intensief. Je moet net zo lang doorgaan tot het hele verhaal als een film in je hoofd kan worden afgedraaid.
Al doende leert men, maar het gaat langzamerhand. Misschien dat ik het nog eens presteer om een boek in een week te schrijven! Cola Debrot zei eens tegen mij dat wij Antillianen goed zijn in het weergeven van dialogen - een heel oud Curacaos genre. Mijn sterkste kant is het gewoon vertellen; daarom heb ik Mayra vanuit Nederland ook die cassettes laten volpraten. Dat is lekker lui vertellen! In Orkaan en Orkaan en Mayra komen dan ook op belangrijke momenten stukken tekst in dialoogvorm voor.’

Dat is in Orkaan het moment waarop Orkaan verboden wordt om auto's te wassen, omdat dat niet bij stand past, en het gesprek tussen oom Chitu en Orkaans ouders over Orkaan die ‘niet met zijn handen mag werken’.

De essentiële delen, waarin het thema expliciet tot uitdrukking komt, worden zo in afwijkende - dialoog - vorm extra onder de aandacht gebracht. In Orkaan en Mayra is dat het moment waarop Orkaan het grote geheim dat hij meetorst: oom Chitu gaat dood, niet langer voor zich kan houden en het uitschreeuwt tegen zijn ouders die helemaal niet op de hoogte zijn van wat er in hun zoon omgaat.

‘Ik probeer mijn stijl in overeenstemming te brengen met mijn
[p. 85]
figuren.
Orkaan moet een taal gebruiken die in overeenstemming is met zjn leeftijd; Chaya is veel ouder en praat dan ook anders, maar ze is heel geestig; Vader Beto is als ambtenaar deftig en een beetje stijf, wat ook uit de stijl moet blijken. De omgeving bepaalt de stijl, de leeftijd, enz.
Je kunt niet iedereen op dezelfde manier laten spreken.
Bibi in Wonen in een glimlach heb ik laten praten zoals Jeanine, mijn dochter van dezelfde leeftijd. Je kunt veel leren van je eigen kinderen - Jeanine was een echte komediante en zoiets kies je dan bewust om het in een verhaal weer te geven.’

‘Tot nu toe heb ik niet veel reacties gehad op Wonen in een glimlach. Pablo Walter die een recensie in de Napa schreef had het wat sterker, wat feller willen hebben, hij vond het te zoet.’

Hij schreef onder de titel ‘Lichte kost voor romantisch aangelegde figuren’ tot slot: ‘Wonen in een glimlach is daardoor een aardig verhaal geworden voor tieners die graag even de ontmoedigende realiteit van alledag willen ontvluchten.’

‘Misschien is het verhaal inderdaad een beetje te zoet geworden en had het sterker gekund. Ik kreeg een reactie van een meneer die zei, dat hij het leuk vond hoe ik de goede oude tijd beschreef. Haar ik heb mijn kritiek toch verwerkt, misschien teveel onder de oppervlakte, tussen de regels door. Bijvoorbeeld het sociale, hoe Segundo die kinderen verzorgt; de nieuwsberichten die over de radio worden omgeroepen.
Ik heb die thema's niet zo breed uitgewerkt, want het ging mij toch vooral om de vraag: hoe functioneert bij ons de radio? Dat was het grondidee.
Als ik in Het Nederlands schrijf, houd ik veel rekening met mijn Nederlandse lezers: zij moeten weten hoe wij hier leven. Zij kopen boeken, onze mensen lezen toch niet en kopen niet en zijn niet geïnteresseerd. Ik heb de radio op Curacao vergeleken met die in Nederland, want ik ben bij beide geweest. In Nederland heb je veel geld, zoveel als je wilt, om een programma te maken; op Curacao ben je afhankelijk van je sponsors, die je voor elk programma nodig hebt. Als je iets negatiefs zegt over hen, betalen ze je gewoon niet meer en zonder hun geld is er geen programma meer; de sponsor heeft je in zijn macht.’

Voor mijn Papiamentstalige verhalen kreeg ik vroeger heel wat waardering. Vooral de kinderen vonden ze leuk, maar ja, ze werden niet gekocht. Lieve Koningin vond men in Nederland leuk, maar op Curacao vond men dat ik de zaken niet zo bot had moeten zeggen. Maar wat waar is waar en ik draai er niet om heen en al zijn de mensen boos, daar maak ik geen probleem van.

Van Orkaan hebben vooral de stoute kinderen genoten; ook op Ieder diertje zijn pleziertje vond men ook leuk en ik heb heel wat brieven gehad. Naar aanleiding van Orkaan en Mayra, waarop heel vriendelijk gereageerd is, kreeg ik veel vragen als: zullen Orkaan en Mayra trouwen? Krijgen ze kinderen? Zullen dat stoute of zoete kinderen zijn? Schrijft u nog meer over ze?’

[p. 86]

3. Literaire prijzen

Op 18 december 1981 kreeg Sonia Garmers voor Orkaan en Mayra de Nienke van Hichtum-prijs, die eens in de twee jaar wordt uitgereikt. De jury gaf in een kort verslag de volgende motivering van haar beslissing:

‘In dit boek, dat in een aantal opzichten een vervolg is op de jeugdroman Orkaan, staat een onderwerp centraal - het doodgaan en de begeleiding van dat proces - dat zelden of nooit binnen de kinderof jeugdliteratuur optreedt. Het wordt door Sonia Garmers op aangrijpende wijze behandeld zonder dat zij ook maar één moment in sentimentalisme vervalt, niet met een veelheid van versluierende termen, maar in sobere bewoordingen, even concreet als elementair. “Doodgaan”, zo zegt oom Chitu tegen Orkaan, die hem naar zijn einde begeleidt, “is een reis naar een heel ver land, waarvoor je alleen een enkele reis kunt nemen. Je maakt die reis altijd alleen. Er is geen luxeklas en geen toeristenklas. En als je vertrekt, vertrek je altijd op tijd - wanneer je tijd gekomen is”.
Behalve dit hoofdthema loopt er nog een tweetal lijnen door dit boek. Er is een emancipatiemotief, waarbij de vrouwelijke hoofdfiguur, Mayra, kiest voor het timmerberoep van haar vader. En er is het verhaalgegeven dat het Antilliaanse meisje Mayra een beeld schetst van de Nederlandse samenleving en van de verhouding tussen de twee culturen, waarbij aanpassingsproblemen enerzijds, vooroordelen en discriminatie anderzijds, een niet onaanzienlijke rol spelen.
De betekenis van het boek van Sonia Garmers ligt in de belangrijke funktie die het kan vervullen, zowel voor de Antilliaanse als voor de Nederlandse lezers. De elementaire onderwerpen die erin aan de orde komen, maar vooral ook de manier waarop de schrijfster deze tot een boeiende jeugdroman heeft verwerkt, hebben de jury ertoe gebracht het boek Orkaan en Mayra voor te dragen ter bekroning met de Nienke van Hichtumprijs 1981.’

Marleen Wijma vroeg zich in Leestekens 2 (1982) no. 4 onder de titel ‘Orkaan en Mayra, de Nienke van Hichtum-prijs waard?’ het volgende af:

‘Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat bij het vaststellen van deze bekroning de jury zich heeft laten leiden door het feit dat het hier een progressief gekleurd Antilliaans boek betreft, geschreven door een Antilliaanse schrijfster. En dat men dat zo belangrijk achtte, dat men de fictionele onvolkomenheden op de koop toe heeft genomen. Een jammerlijke zaak. Nienke van Hichtum noch Jan Campert waardig.’

Na een korte weergave van de inhoud, somt ze de ‘fictionele onvolkomenheden’ op: Orkaans verliefdheid en het sterven van oom Chitu zijn ‘mager uitgewerkt’; de rol van vrienden en stoorzenders die eigenlijk niets inbrengen; het verhaal mist ‘ten enen male spanning’

‘de nevenpersonen zijn karikaturen, maar ook de hoofdpersonen komen niet verder dan een type-tekening’; echt Antilliaanse passages zitten niet altijd logisch in het verhaal-gebeuren; Mayra's reacties op de Nederlandse maatschappij zijn ongeloofwaardig.

Na al deze kritiek uitgewerkt te hebben komt Marleen Wijma tot de slotconclusie:

‘Orkaan en Mayra IS EEN VERHAAL MET TEVEEL PRETENTIES? TERWIJL HET VOORBIJGAAT AAN DE PRIMAIRE EISEN DIE AAN IEDER VERHAAL GESTELD KUNNEN WORDEN: geloofwaardigheid, konsistentie en spanningsopbouw.’

Sonia Garmers reageert lakoniek op deze kritiek.

‘Een ander schreef juist dat ik een literaire prijs niet gekregen had omdat ik Antilliaanse ben. Ik vind het niet erg en ik maak me niet druk. Als je in het Papiamento schrijft, heb je alleen eilandelijke kritiek. Het moment dat je in Nederland gaat publiceren, komen de makamba's
[p. 87]
met alle dingen die ze niet goed vinden. Je moet tegen kritiek kunnen, je moet kritiek kunnen verdragen anders moet je niet op de Nederlandse markt gaan.’

Harry Bekkering schreef in zijn artikel ‘Sonia Garmers’ in de bundel Jan Campertprijzen 1981, Bzztôh, op p. 86 over Orkaan en Mayra:

‘In dit boek staat een onderwerp centraal, de stervensbegeleiding, jat zelden of nooit de pagina's van kinder- en jeugdliteratuur bereikt. In dit verhaal is het door Sonia Garmers aangrijpend uitgewerkt zonder dat ze ook maar één moment in sentimentalisme vervalt. Dat het nu juist in een jeugdboek uit de Antillen aan de orde gesteld wordt, hangt wellicht samen met het feit, dat de dood daar minder een taboe is dan in onze westerse wereld, er wordt gemakkelijker over gepraat en het ten grave dragen en afscheid nemen van de dode is veel meer ingebed in een eeuwenlange traditie.’

De slotzin van zijn artikel luidt: ‘Orkaan en Mayra verdient internationale bekendheid en waardering.’ Harry Theirlynck concludeert in zijn onder begeleiding van Harry Bekkering tot stand gekomen doctoraal-scriptie over Orkaan en Mayra, minder eenzijdig lovend of lakend:

‘Een zo zwaar en moeilijk te beschrijven onderwerp als de dood is voortreffelijk uitgewerkt, maar het motief van de vrouwenemancipatie wordt ongenuanceerd opgedrongen, de lezer als het ware door de strot gewrongen. Het maakt op deze manier gebracht een zeer gewilde en modieuze indruk en ontneemt het boek de tijdloze dimensie die een jeugdboek van hoge kwaliteit doorgaans kenmerkt.’

De Bonaireaanse Ini Statia komt in haar M.O.-B scriptie tot een conclusie die zich in de volgende zinnen laat samenvatten:

Het verhaal dringt diep door het wezenlijke van de Antilliaanse werkelijkheid en brengt die werkelijkheid tot leven.
Het verhaal nodigt uit tot diepgaand onderzoek van eigen werkelijkheid en psyche en geeft een goed zicht op de Antilliaanse leefwereld en omgangsvormen.’ (Konta mi algu krioyo; Nederlandstalige Antilliaanse jeugdliteratuur (vreemd of eigen?) Groningen, november 1984. p. 213/ 214.

In 1983 werd Orkaan en Mayra door een Curacaose jury voorgedragen voor de Cola Debrot-prijs, de hoogste - want enigste - literaire prijs van het Eilandgebied Curacao. Ze deelde deze prijs met Boeli van Leeuwen, die hem kreeg voor zijn gehele oeuvre.

Viola Statia schreef naar aanleiding van de toekenning in Napa:

‘Sonia Garmers heeft met de publikatie van dit boek voorzien in een behoefte aan goede Nederlandstalige tienerliteratuur in het algemeen en aan moderne tienerliteratuur aangepast aan de Antilliaanse jeugd in het bijzonder.’

Het ging niet helemaal zoals het gepland was bij de uitreiking, wat Mayra van der Dijs tot de volgende reactie aanleiding gaf: ‘Aftakeling in prijsuitreiking geprojecteerd’.

‘Op 6 mei slaat (Sonia) de krant open en roept uit: “atá, ik heb een prijs gewonnen.” Maar vraagt zich tegelijkertijd af of het geen grap is, want “zoiets laten ze je zelf toch als eerste officieel weten?”.’ 24 mei. Om half acht 's morgens staat het hoofd van de Sectie Cultuur Eiland, aan de deur met de mededeling: ‘Luister, over de Cola Debrotprijs.... iedereen kan de 27ste (dus drie dagen later) voor de uitreiking, kan jij ook? Het Hoofd is al bezig weg te gaan als hij zich nog even omdraait: “nog gefeliciteerd en o ja, de officiële uitnodiging voor de plechtigheid komt nog.” 26 mei. Eén avond voor de plechtig-
[p. 88]
heid, om zeven uur 's avonds wordt de uitnodiging voor de volgende ochtend thuis bezorgd.’

Maar de volgende dag blijkt de deur van de vergaderzaal op slot te zijn, de sleutel niet te vinden en - culminatiepunt - het besluit dat de prijs is toegekend nog niet officieel gereedgemaakt te zijn. Als dat verholpen is houdt de gedeputeerde een toespraak over Sonia's kookboeken, niet over Orkaan en Mayra; hij zegt trouwens ook het werk van Boeli van Leeuwen uit de ‘encyclopedie’ te kennen.

‘Als finishing touch houdt de gedeputeerde van Cultuur wat Sonia betreft een toespraak die nergens op slaat. Hij heeft het over kookboeken sappige tomaten en criollo recepten die hem altijd honger bezorgen wanneer hij er over de radio naar luistert. Ondertussen totaal niet in de gaten hebbende dat het juryrapport vermeldt dat Sonia voor haar kinderboeken de Cola Debrot-prijs heeft gekregen.’
(Napa, 17 juni 1983)

Maar dit soort ‘vergissingen’ heeft alles met collegialiteit, ambtenarij en politiek te maken, niet met de literaire waarde van Sonia Garmers werk, want daarover schreef de jury:

‘Sra. Sonia Garmers a publiká buki den kua hobennan Antiyano por rekonosé nan mes, nan komunidat, lokual por yuda amplia nan interés pa lesa. E obranan di Sra. Garmers -- di kua muy en partikular ‘Orkaan en Mayra’ a hala atenshon di hurado -- además di esaki ta habri e posibilidat pa Hulandesnan tuma nota di nos kultura Antiyano, nos manera di biba i di pensa, lokual ta na benefisio di aseptashon di nos balornan kultural pa nos partnernan den reino Hulandes.
E miembronan di hurado ta konvensí di a hasi nan trabou según nan konsenshi i ta spera ku Konseho Insular di Kòrsou por sostené e dos proposishonnan ku nan ta hasi.

Kòrsou, 5 di aprel 1983
[p. 89]

Over Orkaan en Mayra
Liefde en dood, maar bovenal zelfstandigheid

Sinds een aantal jaren is het in de wereld van het jeugdboek mode geworden, om over de ‘grote dingen des levens’ te schrijven. Een auteur die zichzelf respecteert zal zich niet meer bezondigen aan een vrijblijvend, ontspannend avonturenverhaal, maar hij zal moeite doen de problemen die ook de jonge mens helaas niet bespaard blijven, in den brede uit te tekenen. Hij schrijft over onvolledige gezinnen, echtscheidingen, discriminatie, milieuvervuiling, kortom over de rotte wereld van de grote mensen. Zoals de volwassene reeds in de achttiende eeuw het kind door middel van het jeugdboek wilde opvoeden tot braafheid en deugdzaamheid, zo wil hij het nu tot maatschappij-kritisch bewustzijn.

Een tendens, u merkt het, die ik niet erg waardeer.

Toen ik hoorde dat het nieuwe boek van Sonia Garmers, Orkaan en Mayra, over het thema ‘stervensbegeleiding’ zou gaan, sloeg de schrik me om het hart, omdat ik dacht dat ook zij voor dit modeverschijnsel bezweken zou zijn en zich aan een dergelijk loodzwaar-ernstig boek zou vertillen. Maar gelukkig merkte ik dat ik ongelijk had, toen ik begon te lezen.

Sonia heeft een mooi boek geschreven, waarin ernst en humor evenwichtig verdeeld zijn. Van de grappen en grollen van Orkaan is niet veel meer over, maar hij is dan ook ouder geworden en zit nu in de examenklas van de Havo. Gedeelten als over de burenruzie, met de honden Skelet en Ouwe Kreng, en de Arubaanse dierentuin bewijzen dat de grollen nog niet helemaal verdwenen zijn, maar met de lichtblauwe contactlenzen en het verhaal over de menstruatie van donkere vrouwen en Hollandse mannen doet een verfijnder, want functioneler soort humor zijn intrede. Evenals in Orkaan, maakt Sonia veel gebruik van sententies en (papiamentse) spreekwoorden, die de lezer ook de nodige ontspanning bezorgen.

In het eerste deel vond Orkaan in de dienstbode Chaya, zijn oom Chitu en diens dochter Mayra de voorbeelden die voor hem het tegenwicht vormden voor de stijve kwasi deftige standophouderij van zijn ouders. Van hen leerde hij het belang van het werken met je handen en de winst voor je menszijn, als je eerlijk en zelfstandig je eigen gang durft te gaan.

Nu is uitgerekend oom Chitu, de enige die Orkaan echt volledig begrijpt en waardeert, ongeneeslijk ziek geworden, hoewel er ogenschijnlijk niets aan de hand is, omdat de dappere man naar buiten toe niets laat blijken. Hij stuurt Mayra naar Nederland, opdat ze het schrijnwerkersvak volledig onder de knie zal krijgen. Zij moet de werkplaats na zijn dood voortzetten. Chaya en Orkaan houden oom Chitu gezelschap tijdens Mayra's afwezigheid en worden zo geconfronteerd met het probleem van de ‘stervensbegeleiding’: hoe kunnen ze iemand wiens einde nadert en die dat weet, bijstaan? Voor de jonge Orkaan is dit een enorm probleem waar hij het zo moeilijk mee heeft, dat men thuis en op school niet meer weet wat men aan hem heeft.

Daar komt nog bij dat hij zich eenzaam voelt nu Mayra, op wie hij in stilte verliefd is, zolang weg is. Oom Chitu en Orkaan hebben het beiden moeilijk, of zoals Sonia zegt: ‘Iedereen lijdt graag in stilte aan zijn eigen verliefdheid. Of aan zijn eigen dood.’ Beide motieven, liefde en dood, zijn nauw verweven en komen vaak in onmiddellijke samenhang voor: als Orkaan aan Chaya zijn liefde voor Mayra bekent, hoort hij direkt daarna van haar dat oom Chitu dood zal gaan; nadat hij thuis vertelt dat oom Chitu zal sterven, zegt hij tegen deze dat hij van Mayra houdt; als hij oom Chitu scheert en daarmee klaar maakt voor het sterven en om Mayra te ontvangen, belooft hij deze

[p. 90]

dat hij Mayra nooit in de steek zal laten. Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit vele.

Als oom Chitu's toestand verergert wordt Mayra gewaarschuwd. Ze komt op tijd om afscheid van haar vader te nemen. Het sterven wordt niet beschreven, de begrafenis daarentegen wel. Nu is Mayra alleen en moet ze zich geheel zelfstandig redden, maar daartoe is ze volledig in staat. Ze heeft de hulp van Orkaans vader, die voogd wordt, nauwelijks nodig. Ze besluit samen met ene Jeanette, een kennisje van oom Chitu, die in het verhaal wel wat plotseling uit de lucht komt vallen, de zaak voort te zetten. Voor deze Jeanette heeft Jeanette Davelaar, timmer-vrouw op Curacao, model gestaan, aan wie in een soort opdracht voorin ook dank wordt gebracht. Nadat Orkaan zijn Havo-diploma behaald zal hebben, zal hij bij de twee timmervrouwen in dienst kunnen komen voor administratieve werkjes. De ‘WITTE BOORD’ en de MAN in dienst van het HANDWERK en de VROUW! Dit is zo revolutionair voor Orkaan dat hij de beslissing niet definitief durft te nemen, waarmee Sonia de weg naar een derde deel mooi openhoudt.

Ik hoop dat het er komt, want Orkaan en Mayra is een zuiver en goed verteld boek geworden. Door het gekozen perspectief van de alwetende verteller, waardoor de lezer voortdurend meer weet dan de figuren zelf, wat zeker in verband staat met het motief om de a.s. dood van oom Chitu zoveel mogelijk te verzwijgen, spanningwekkend werkt, krijgen kleine aanduidingen als ‘om jou zullen de vrouwen nog vechten als je in je doodkist ligt’, wat Chaya zich laat ontvallen, en een opmerking als ‘Paai zag er toch niet gezond uit toen ik wegging’ in een brief van Mayra, een sterke lading.

Sonia beheerst ‘het vak’ steeds beter, wat ook blijkt uit de variatie in aanbieding. Veel dialoog, brieven en gesproken bandjes wisselen de alwetende verteller af.

Waar ik niet mee uit de voeten kon, wat het tijdsaspect. Het zal wel kloppen, maar Sonia zou de lezer wat meer aanwijzingen in deze moeten geven. De tijd, toch een belangrijk element in een boek waarin het levenseinde zo belangrijk is, is te diffuus. Dit tweede deel vormt een hechte eenheid met het eerste door de talrijke verwijzingen die er naar dit deel voorkomen. Door Mayra's verblijf in Nederland komen ook veel aspecten van Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter. Ook nu spaart ze haar kritiek op Curacao niet; Nederland komt er nu heel wat slechter af dan vijf jaar geleden. Toch is in deze gedeelten over Curacao en Nederland Sonia zèlf te veel, en zijn Mayra en de andere romanfiguren hier te weinig aan het woord. Zodat ik, hoewel ik wel zie dat ze een zekere functie hebben in verband met het thema van zelfstandig durven te zijn, toch geneigd ben ze als zwakkere gedeelten in dit boek te beschouwen. Maar daarnaast is een hoofdstuk als ‘Een belofte’ prachtig in zijn ingehouden emotie. Het geheel is een uitgebalanceerd en goed verteld verhaal geworden, dat jongeren vanaf dertien èn ouderen zal ontroeren en doen lachen, en dat gelukkig ver afstaat van de grimmig-modieuze probleemroman.

[p. 91]

Over Wonen in een glimlach
Schrijven en lezen met een glimlach

Nederlandstalige Antilliaanse jeugdboeken zijn tot nu toe altijd sterk gericht geweest op het analyseren van Antilliaanse maatschappelijke aspecten. Zo beschrijft de Curacaose auteur Diana Lebacs in haar vier vervolgboeken over Nancho de ontwikkeling van de individuele hoofdfiguur, die in het woord vooraf uitdrukkelijk gekoppeld wordt aan de Bonaireaanse realiteit van de jaren vijftig en volgende.

En Sonia Garmers geeft in Orkaan en Orkaan en Mayra de problemen weer als de Antilliaanse opvoedingssituatie, de verhouding jongens en meisjes, de doorbreking van wat op Curacao traditioneel ‘mannenwerk’ en ‘vrouwenwerk’ genoemd wordt, en het bespreekbaar maken van het taboe rond de dood. Beide auteurs staan zeer kritisch tegenover Antilliaanse tradities en roepen in hun verhalen op die te doorbreken, als ze niet (langer) houdbaar blijken.

Dit soort ‘novels of childhood’ is trouwens een veel voorkomend procédé in het hele Caraïbisch gebied.

De van Aruba afkomstige Angela Matthews bekritiseerde in De Witte pest (1978) de Nederlandse discriminatie t.o.v. allochtonen en bepaalde haar positie als jonge Antilliaanse in de Nederlandse samenleving (wat ze evenwel niet literair aanvaardbaar wist te brengen).

Ook in recenter werk als Diana Lebacs Suikerriet Rosy en Desiree Correa Mosa's eiland vinden we deze Antilliaanse schrijftraditie nog weer bevestigd. Suikerriet Rosy toont de relatieve welvaart van Curacao ten opzichte van de Engelse Caraïbische eilanden aan (het fenomeen van de buitenlandse dienstmeisjes), en geeft een visie op de ontwikkeling van het hele Caraïbisch gebied: niet een ontwikkeling in luxe-goederen die van buitenaf wordt aangeprezen en aangeboden, maar een geleidelijke ontwikkeling die stap voor stap van binnenuit wordt bewerkstelligd. In feite geeft ze een volwassen kijk op wat ze in haar in 1971 in haar jeugdige debuut Sherry, het begin van een begin, ook al had willen aantonen, maar waarin ze toen literair niet slaagde. Mosa's eiland analyseert heel scherp en kritisch de man - vrouw en vooral de moeder - dochter verhouding op Aruba.

Wie de Antilliaanse jeugdliteratuur op deze manier wil lezen, vanuit maatschappelijke gegevenheden, vindt een goede steun in de scriptie van de Bonaireaanse Ini Statia: Konta mi algu krioyo; Nederlandstalige Antilliaanse jeugdliteratuur (vreemd of eigen?) van 1984, waarin na een schets van de ontwikkeling van de Antilliaanse maatschappij drie boeken van Sonia Garmers en Diana Lebacs kritisch geanalyseerd worden.

 

Na dit alles verschijnt Sonia Garmers Wonen in een glimlach, dat op het eerste oog geheel afwijkt van deze traditie en regelrecht lijkt thuis te horen in de pulp-lectuur over jong succes en jeugdige liefde - tot en met het door Reintje Venema getekende omslag!

Een serieus maar opgewekt meisje slaagt met mooie cijfers voor haar havo-diploma, solliciteert naar een baan om haar niet al te rijke moeder niet langer tot financiële last te zijn, en wordt direct aangenomen als vertaalster bij een radio-station. Ze krijgt de kans om een omroepster te vervangen die ziek is, en doet dat natuurlijk zo goed dat ze al snel een eigen programma verzorgt. Ze slaat zich dapper door alle problemen en wordt een hele bekendheid op het kleine eiland...

En natuurlijk is daar de Liefde, waarin na aanvankelijke strubbelingen, compleet met een Innerlijk Stemmetje, ook alles keurig, zo niet op zijn pootjes, dan wel in elkaars armen terechtkomt...

[p. 92]

Heeft Sonia Garmers de traditie van ‘probleemromans’ doorbroken met een verhaal dat oppervlakkig beschouwd niet meer dan een liefdes-niemandalletje is? Ik denk het niet, want deze grote lijn is alleen maar gebruikt als uitgangspunt. Het gaat erom hoe dit cliché-gegeven is uitgewerkt en hier zelfs uitgediept. De tekst op de achterflap belooft een ‘scherp beeld van de achtergronden van een commercieel radiostation op de Nederlandse Antillen.’ Sonia, die zelf een radioprogramma verzorgde, zal het kunnen weten. Wat hier voor Antilliaanse lezers zeer herkenbaar is, zal de Nederlandse lezers misschien moeite kosten. ‘Het nieuwe van vandaag wordt u aangeboden door ... Heinekens Bier!’, waarna een bericht volgt over een dronken automobilist die een aanrijding met dodelijk gevolg veroorzaakte. De inhoud van de programma's wordt wel niet rechtstreeks door de sponsors bepaald, maar de financieel directeur houdt wel degelijk rekening met hun belangen, uit eigen belang want hij moet leven. En ook de regering houdt een oogje in het zeil.

Sonia Garmers geeft deze situatie weer, maar via de programma's laat ze tevens een aantal aspecten van de Antilliaanse samenleving zien. Toch weer! Enkele voorbeelden.

Wat Nederlandse lezers misschien alleen een beetje vies en griezelig zullen vinden in het interview in een slachterij, zal voor de Antilliaanse lezers ook de notie hebben van ‘ontwikkeling’. Deze abattoirs fungeren namelijk ook als symbool voor de eigen landbouw/veeteelt-produktie tegenover de import van diepvriesvlees. Een harde noodzaak na de sluiting van de Lago op Aruba en het Shellvertrek op Curacao! Daarnaast wordt het heilige moeder-instituut dat culmineert in een overdreven moederdagviering op de korrel genomen. Desiree Correa heeft trouwens op Aruba in haar debuut de altijd zorgzame moeder die op elk gering commando van vader of zoon in de keuken verdwijnt al aan gruzelementen geschreven.

De persoonlijke verhouding van de hoofdfiguur tot haar moeder (ze is vaderloos opgegroeid) speelt met zijn ups and downs, zijn vertrouwelijkheid en dan weer geslotenheid door het hele boek heen; geen ideaal stel maar heel realistisch.

Bibi woont bij haar moeder Carmencita Martines als enigst kind; haar vader kan ze zich niet eens herinneren omdat hij voor haar geboorte gestorven is. Moeder heeft hard moeten werken om Bibi op de havo te kunnen laten gaan en om het schoolgeld te kunnen betalen. Nu wil Bibi zelfstandig verdienen en niet meer tot financiële last zijn; ze geeft dan ook kostgeld zodra ze een baan heeft. Bibi vertelt haar moeder niet dat ze gesolliciteerd heeft: ‘Bibi was geen schoolkind meer, ze moest zelf leren beslissen.’

Er heerst wél een sfeer van vertrouwen tussen beiden. De moeder is begrijpend en begripvol, zorgzaam en bezorgd, maar ze respecteert de privacy van haar dochter volledig. Ze wil geen bemoeial zijn, maar een steun.

De opvoeding werkt door als de moeder er niet bij is: zo denkt Bibi op kritieke momenten - haar sollicitatie bijvoorbeeld - aan karakteristieke uitspraken van haar moeder die haar de juiste handeling ingeven.

Het verhaal beschrijft het dilemma van de moeder die wil blijven redderen, en de dochter die zelfstandig wil zijn: moeders moeten hun kinderen loslaten!

Het is een kwestie van verantwoordelijkheid nemen èn geven: ‘Je bent de fijnste moeder van het eiland, ook als je zeurt.’ Een dochter wordt nu eenmaal zelfstandig en gaat haar eigen leven leiden, ook als ze nog thuis woont.

Moeder Carmencita raakt Bibi kwijt aan Bibi's werkkring en aan de man op wie Bibi verliefd is; en de moeder trekt zich bescheiden terug als het zover is:

‘...mai Carmencita zei heel neutraal: “Ik denk dat ik alvast naar bed ga, Bibi, jij sluit
[p. 93]
straks wel af.”
Maar ze nam alle tijd om “alvast naar bed te gaan”. Ze zette nog twee flesjes cola bij hen neer. Bibi had haar wel naar binnen willen dùwen, en tegelijk vast willen houden.’ (p.151)

Ook via de vaderdag en de moederdagviering wordt de houding van kinderen ten opzichte van hun ouders in het algemeen van alle kanten grondig besproken:

‘...moeder zijn betekent je opofferen voor je kinderen, omdat er zoveel vaders hun gezinnen in de steek laten. Je hebt nooit tijd voor jezelf. Nu ik zelf moeder ben, zie ik hoeveel mijn moeder kon doen met haar tijd en met zo weinig geld. Mijn moeder zou een goede minster van financiën zijn geweest...’ (p.116)

De kracht van dit boek zit (opnieuw!) in een aantal uitstekend beschreven details en scènes, en daarbij vooral de dialogen, waarbij Sonia Garmers er dese keer in slaagt ze hechter dan vroeger met elkaar te verbinden. Ze geeft via allerlei details uit het dagelijkse leven van Curacao inderdaad een scherp beeld, niet alleen van de radio maar van het eiland en zijn bewoners.

‘Vroeger’, Valentijn, moeder- en vaderdag, ontwikkelingshulp en dagelijkse hulp aan de naaste, eigen produktie, enz., het zijn allemaal zeer reële gegevens voor een land in ontwikkeling als de Nederlandse Antillen.

En de beschrijving van al die zaken is geestig, wat de oudere jeugd zeker niet zal ontgaan. Zo verwerkt ze de tophits van de laatste jaren om de gevoelens van verliefdheid te vertolken.

Die geestigheid ligt dan in het taalgebruik én in de situaties.

Dat was altijd al en is ook nu weer de sterkste kant van Sonia Garmers' schrijverschap. Haar stijl wordt daarbij steeds trefzekerder.

Wat alleen maar oppervlakkig ‘leuk’ lijkt of een beetje flauw als een vergissing in getallen: het grote buurland Venezuela geeft vijf miljoen i.p.v. de bedoelde vijf duizend, krijgt een heel andere dimensie voor die lezers die de Venezolaanse houding van veelbelovende en weinig gevende bevoogdende hulpvaardigheid kennen en weten in te schatten. Heel subtiel speelt Sonia Garmers zo met de politieke gevoelens t.o.v. Venezuela en Nederland; lees de beschrijving van de diploma-uitreiking aan het begin maar! Sonia zal dergelijke scènes met een glim-/grimlach geschreven hebben! Natuurlijk kun je lachen om een Roberto die niet weet wat hij tegen de Nederlandse rechter moet zeggen: ik heb geschiet, geschot, geschoten. Dat laatste is toch meervoud en ik heb maar één schot gelost! Maar het geeft een stukje Nederlandse-taaltragiek van de Antillen weer: taalonzekerheid maakt de mens onzeker tot in de verdediging van zijn rechtspositie. Dit brengt me tot de conclusie dat Sonia Garmers een jeugdroman geschreven heeft die oppervlakkig niet meer lijkt dan de ‘geschiedenis van een jeugdliefde’ en ‘een krijgen-ze-elkaar-nu-nietes-welles’. Misschien zal dit aspect aantrekkelijk zijn voor die Antilliaanse lezers die dat verplichte school-Nederlands toch al zo moeilijk vinden en voor Nederlandse lezers die moeite hebben met al die moeilijke probleemboeken.

Maar voor de ‘betere’ lezers is er onder die laag heel wat meer weg te halen: beelden van echt Curacaose leven, vol milde want in humor verpakte kritiek op de Antilliaanse maatschappij. Impliciet is (heel pedagogisch!) aangegeven dat vroeger niet alles beter was; ook nu helpen mensen elkaar nog in stilte. En vooral: arbeidsethos - mensen verrichten hun, soms vervelende, werk met plichtsbesef en enthousiasme. Wie zei daar dat ‘een Antilliaan lui is’.?

Opnieuw zien we hier een boek dat reageert en reflecteert op de maatschappij.

Het aantrekkelijke zit opnieuw in de wijze waarop Sonia Garmers

[p. 94]

dat weet te presenteren: lichtvoetig, humoristisch, zonder getheoretiseer en zwarwichtigdoenerij, in een verpakking die bij de lezer een glimlach van herkenning zal oproepen. Zo schrijft Sonia Garmers met dit boek impliciet een Antipulp roman in een bedrieglijk jasje.



illustratie

prepostterug  begin  verder