terug  begin  verderprepost
[p. 95]

Hoofdstuk 5. Diana Lebacs

1.Bio- en bibliografie
2.Werkwijze
3.Over Sherry; het begin van een begin
4.Over de Nancho-serie
4.1.Nancho van Bonaire
4.2.Nancho Matroos
4.3.Nancho Niemand
4.4.Nancho Kapitein
5.Over Suikerriet Rosy
6.Over Het witte licht
‘Ik wil een vorm van schrijven vinden waarin de barrière tussen volwassenenen en kinderen wegvalt. Daarom schrijf ik over zaken waarbij de ouders betrokken worden. Door de vragen van hun kinderen. Dan kunnen de ouders uitleggen, waardoor de kinderen meer van hun achtergronden te weten komen.’ (‘Ik heb twee gezichten’, Amigoe, 1976)
[p. 96]

1. Bio- en bibliografie

Over zichzelf zegt Diana Lebacs (Curacao 12 september 1947):

‘In mij zijn drie culturen en twee talen verenigd. Mijn grootvader was van Band'Abao op Curacao. Hij bracht zijn militaire diensttijd door in Indonesië, zoals veel Curacaoenaars in die tijd deden. Hij trouwde daar met een Indonesische vrouw, met wie hij later terugkwam. Velen gingen later toch weer terug naar Indonesië, maar zij bleven hier.
Mijn vader leek vreselijk veel op zijn Indonesische moeder. Hij trouwde met een Surinaams-Creoolse vrouw, die op achttienjarige leeftijd op Curacao was komen wonen. Ze wisten niets van elkaars culturen. Omdat ze niet in het Sranan Tongo of Maleis konden communiceren, weet ik ook niets van die talen, maar wel van Nederlands. Thuis sprak ik dus veel Nederlands, maar mijn grootmoeder kende alleen Papiament; zij had het Nederlands nooit geleerd, dat verstond ze totaal niet, alleen Maleis en Papiament.
Van beide kanten is er een enorme zwijgzaamheid over de herkomst. Misschien ook omdat mijn moeder nogal vroeg gestorven is, toen ik twintig was (1967).
Mijn vader bezat zo'n soort Oosterse zwijgzaamheid; daar viel niets uit te krijgen. Mijn grootvader vertelde ook nooit over Curacao of over Indonesië. Noch van de kant van mijn vader, nocht van mijn moeder heb ik “back-ground”, heb ik “roots”. Ik heb ze natuurlijk wel, in de zin van waarden thuis. Mijn vader sneed wajang-poppen, hij maakte muziek, alles in huis was gemaakt van wat mijn vader met zijn eigen handen produceerde. Een gevoel voor eigenwaarde, van wat jezelf kunt maken en inbrengen - dat heb ik van huis uit meegekregen - maar over het privéleven van mijn familie weet ik niets.
Als je eruit ziet zoals ik, waarbij men in eigen land zegt: kom je van Aruba? Je ziet eruit als een Bonaireaanse! Of ze zien een Latijns-Amerikaanse in je. Ik ben voor alles ter wereld aangezien, behalve voor een “yiu di Korsow”. Op Aruba vragen ze altijd: ben je een Arends of een Croes?’.

Vanaf de lagere school heeft Diana Lebacs altijd al veel gedaan aan toneelspel, dans, zang en vooral ook schrijven, tekenen en schilderen. Op school schreef en tekende ze haar eigen stripverhalen die in de klas circuleerden.

‘Ik heb ze aan zuster Otilia gegeven, die werkte op wat toen de Filomenaschool heette en ik heb ze nooit meer gezien. Ik heb er ook nooit meer naar gevraagd.’

Op het Maria Immaculata Lyceum schreef ze meisjesromans; dat was in de jaren 1960-1961.

‘Dat waren echte wat je in die tijd noemde: bakvisverhalen. De meisjes in de klas van de C-afdeling, de Pedagogische afdeling, lazen ze. In die tijd schreef ik ook wel poëzie voor de schoolkrant, maar daarna niet meer. Je moet zoveel van jezelf onthullen, ik vind het te persoonlijk. Misschien dat ik later nog weer eens gedichten ga schrijven, maar voorlopig zeker niet.’

Bij de diploma-uitreiking in 1966 werd het door Diana Lebacs geschreven toneelstuk Regels voor ezels met veel succes opgevoerd.

‘Daarin was het generatieconflict een motief, maar het ging vooral over de vraag of je moest weggaan of blijven. Dat was op dat moment een belangrijk issue. De boodschap was eigenlijk: ga niet naar Nederland! Blijf op Curacao, om op die manier de “cultuurschok” van naar een vreemd land te gaan vermijden.’
[p. 97]

In 1967 trouwde Diana Lebacs met de van Bonaire afkomstige Pacheco Domacasse, die toen onderwijzer was en nu Hoofd van de Sectie Cultuur van de Dienst Onderwijs en Cultuur van het Eilandgebied Curacao. Hij is een veelzijdig kunstenaar: zanger-gitarist, toneelspeler, regisseur en auteur, schrijver van filmscripts en filmregisseur; alles vanuit de filosofie de eigen cultuur te stimuleren.

Diana en hij hebben twee kinderen.

‘In de HBS-tijd, zo van 1963-1966 zong ik in een band. Tot 1968 hadden we een eigen groep en daarna ben ik nog een aantal jaren free-lance opgetreden in allerlei shows, maar in 1972 ben ik gestopt met zingen. In 1982 hebben we nog een t.v.-programma gemaakt dat over die tienertijd van toen ging. In die jaren heb ik ook veel toneel gespeeld, bijvoorbeeld in Opus I, Tula en andere stukken, die veelal door Pacheco geregisseerd werden.’

In mei 1968 sterft haar moeder, waarover ze schreef in een voor uitgeverij Leopold bestemde biografie:

‘Met de dood van mijn moeder in 1968 stortte mijn onbezorgde leventje ineen. Ik nam afscheid van mooie, blije maar oppervlakkige verhaaltjes - en ik begon te schrijven over mensen, karakters, problemen.’

Maar dat lukte toch nog niet direct. In augustus 1968 begint Diana met haar man een grote reis, die haar via New York naar Europa voert, waar ze gedurende zes maanden bijna alle landen aan de Westkant van het IJzeren Gordijn bezoekt. In Nederland leefden ze een tijd op een boederij, die in Sherry nog weer gebruikt zal worden.

‘We maakten kennis met alternatieve vormen van leven en in allerlei hoofdsteden van Europa met modern toneel, wat een belevenis was. Veel materiaal over die tijd is echter verloren gegaan, je schreef iets op, je zong het, je bracht het op de planken en dat was het. Je bewaarde het niet.’

Vanaf 1968 heeft Diana Lebacs pogingen gedaan om een ‘echt’ boek te schrijven, maar het lukte nog niet.

‘In de periode van die grote reis in Europa ontwikkelde zich ook mijn schrijven. Het idee voor mijn eerste boek kreeg langzamerhand hoe langer hoe meer vorm. Dat werd dus Sherry. Toen kende ik Nederland alleen nog maar van die korte vakantie. Pas in 1975 ben ik daarna in Nederland terug geweest, maar vanaf de jaren tachtig kom ik er ieder jaar. In deze laatste jaren heb ik Nederland pas goed leren kennen!
Sherry was meer een samenvatting, een van me afschrijven van alles wat ik had meegemaakt. Of eigenlijk wij, want Sherry is het symbool voor het Antilliaanse meisje. Alles wat ik heb meegemaakt in de 60-er jaren heb ik van me afgeschreven in Sherry: alle frustraties, alle dingen die ik niet juist vond.
Toen ik in 1968 voor het eerst naar Nederland kwam ergerde ik me eraan, dat niemand ook maar iets wist van Curacao of van de Antillen. Ik vond dat heel vreemd, want wij wisten alles: van Lutjebroek tot de hele blinde kaart van Nederland konden wij zo opspuien, maar niemand wist iets van de West af. Toen dacht ik, mijn God, daar moet toch wel verandering in komen. Dus de informatie in mijn boeken is om het Nederlandse kind wat meer inzicht te geven in wat hier gebeurt, maar tegelijkhertijd ook voor onszelf, omdat er nog nooit boeken geschreven zijn die de sociaal-economische ontwikkeling van onszelf beschrijven. Maar ik heb zo'n black-out over die tijd van schrijven. Ik kan me niet eens meer herinneren hoe ik Sherry heb geschreven, waar ik het schreef...
Van alle boeken weet ik waar ik was, onder welke omstandigheden ik schreef, wat ik erbij dacht, hoe het ontstond. Bij Nancho Niemand weet ik nog precies hoe ik uren door Scharloo gelopen heb, hoe ik bij de brug zat om de boten te zien uitvaren, voor de sfeer. Maar vraag me niets over Sherry; daar weet ik niets meer van, hoe ik het op het papier heb gestort.
[p. 98]
Het enige wat ik me kan herinneren is dat ik daarna met het stuk onder mijn arm, doodverloren, met een heel verloren gevoel rondliep. Ik had iets gemaakt, maar wat doe je ermee? In die tijd wist je dat niet! Je groeit op in een traditie waarin je niets weet. De tijd voor 1969 lijkt wel een soort middeleeuwen. Er zijn daarna zoveel ontwikkelingen geweest. Je wist nauwelijks dat je kon schrijven, laat staan publiceren! Ik wist niet waar ik met mijn manuscript naar toe moest; ik kende geen uitgevers.
Toen ik Sherry geschreven had, liep ik dus verloren rond. Ik ging bij boekhandel Salas kijken. Ik sloeg de boeken open om de namen van uitgeverijen na te kijken. Ik maakte een lijstje van adressen, waar ik mijn manuscript overal naar toe zou kunnen sturen.
Toen stapte ik binnen bij meneer Fontein - hij was de figuur die bij Salas een uitgesproken mening over literatuur en schrijven had, hij had een goed contact met Nederland. Hij heeft me gezegd dat ik mijn manuscript naar Leopold moest sturen. ‘Je moet het niet sturen naar een uitgeverij die niet eens weet waar Curacao ligt,’ zei hij.

Diana Lebacs stuurde haar manuscript in augustus 1969 gewoon per post naar Leopold in Den Haag, maar die timing was gewoon perfect vindt ze achteraf. Toen heeft ze bijna een half jaar gewacht, waarna ze een brief kreeg dat het manuscript werd geaccepteerd.

‘Ze waren blij dat er eindelijk iemand uit de Antillen zelf schreef. Wist ik veel dat ze daar eigenlijk al een poosje naar uitgekeken hadden. Maar was er precies in de brief stond weet ik niet meer. Al die zaken zijn weggeraakt.
Op de eerste januari 1970 stond er iemand met een pakketje van Leopold, met het bericht dat Miep Diekmann nog contact met me zou opnemen. De uitgever wilde wel een aantal correcties op het manuscript.
Alleen al met het bijschaven van het boek was ik ruim een maand bezig. Ik werkte in die tijd letterlijk de hele dag om het zo snel mogelijk af te hebben.’

Zo kwam Diana Lebacs aan haar uitgever die haar in het vervolg professioneel begeleidde.

‘Tussen Sherry en de Nancho's had ik een manuscript over een vrouw en de emancipatie, maar de uitgever wilde de Nanchoserie eerst hebben. In 1984 vroeg de uitgeverij toch nog weer naar dit manuscript, maar als ik iets achter me heb laten liggen, dan is het ook klaar; ik kom er niet op terug.’

Diana Lebacs volgde in het begin van de jaren zeventig, nadat Sherry verschenen was, een cursus Papiamento L.O., waarbij ze de bevoegdheid verwierf om les te gaan geven in die taal, nadat ze na twee jaar slaagde. Toen voelde ze zich voldoende voorbereid om in het Papiamento - de taal zie de dagelijks als haar omgangstaal gebruikte - te gaan schrijven voor kinderen.

‘Voor mezelf had ik toen al uitgemaakt dat ik in twee talen zou blijven schrijven. Door de L.O.-cursus ben ik zowel beter Nederlands als Papiamento gaan schrijven, omdat ik meer inzicht in taal kreeg.
Wij geven nu in eigen beheer heel eenvoudige boekjes uit. Ik werk op twee fronten: ik geef met Papiameno literatuur kinderverhalen, klankrijmpjes en dergelijke voor kleine kinderen.
Die eigen taal is heel belangrijk, omdat een kind van zes jaar natuurlijk graag zijn eigen taal leest. Ik speelde als kind in de sneeuw en Paulus de Boskabouter kon ik me prima voorstellen. Maar het was niet onze werkelijkheid.’

In 1974 publiceerde Diana Lebacs Buchi Wan pia fini, waarna nog een half dozijn andere werkjes volgde, in het begin ieder jaar een, later werd de frekwentie iets minder. Het in 1975 ver-

[p. 99]

schenen Kompa Datu ta konta werd in 1984 zelfs herdrukt, ter gelegenheid waarvan Viola Statia schreef:

‘Kompa Datu ta konta is een grotendeels ongewijzigde herdruk van het oorspronkelijk in 1975 verschenen werk. Ongewijzigd vooral met betrekking tot de inhoud van de verhalen en ook de illustraties zijn dezelfde (vermoedelijk zijn de illustraties van de auteur zelf). In de oorspronkelijke uitgave waren de verhalen voorzien van vragen en opdrachten, die in de huidige uitgave zijn weggelaten. Wel geeft de schrijfster in een inleiding suggesties aan ouders en opvoeders voor het gebruik van het boek.’ (Amigoe, 27/1/'84)

Dit procédé zal Diana Lebacs herhalen; ze geeft steeds weer de mogelijkheden aan waarop haar kinderboekjes gebruikt kunnen worden op een creatieve manier.

Over het in 1979 verschenen Sabio, Nachi i Bueno recenseert Walter Palm negatief:

‘Een kinderboek mag geen beweringen bevatten die twijfelachtig zijn. Sabio, Nachi i Bueno van Diana Lebacs voldoet zeker niet aan deze eis. Sabio, Nachi i Bueno is een verwarrend boek, dat zeker niet het niveau haalt van de uitstekende Nanchoserie van dezelfde auteur. Het lijkt wel of Diana Lebacs meer aandacht aan haar Nederlandstalige dan aan haar Papiamentstalige boeken besteeds.’
(Amigoe 21 maart 1980)

Het in 1982 verschenen Yòmi - Yòmi bevat rijmpjes gebaseerd op het alfabet van het Papiamento. Bij elke letter heeft Diana Lebacs een tekening gemaakt, die echter geen direct verband heeft met de rijmpjes ernaast.

Haar laatste werkje voor kleine kinderen - om er nog een te noemen - heet Kas ta kas en bevat korte rijmpjes, waarin het verhaaltje verteld wordt van de dwaze mier die op onderzoekingstocht gaat in een kokosboom en daar allerlei ‘avonturen’ beleeft. Hij besluit met:

 
vruminga loko, mashá purá
 
a kore drenta su nèshi den kurá.
 
e di: keirumentu ta dushi
 
pero si mi ke biba na pas
 
n'tin nada mas dushi ku bos mes kas
Ik heb altijd gekozen om op twee terreinen te werken. Mijn werk op Curacao is duidelijk gescheiden van het werk dat op Nederland gericht is. Vroeger was dat heel moeilijk, want iedereen zei tegen me dat ik dat niet moest doen, dat ik alleen voor Curacao en in het Papiamento moest schrijven. Maar ik heb nooit geloofd in isolatie. Je moet je cultuur naar buiten uitdragen. Dat heb ik gezien op een congres voor Caraïbische cultuur in 1978 en in 1983 toen we in New York naar het Festival van Traditionele Culturen gingen. Je moet naar buiten toe; dat was trouwens al de eerste opzet van Sherry. Ik geloof in een wereldcultuur, ik voel me overal thuis.
Alleen voor de lokale markt werken is veilig, internationaal sta je voor een harde competitie. Maar ik ben nu helemaal bereid om die kwetsbare positie in te nemen. Dat is ook een veel ruimer referentiekader.
Na 30 mei 1969 hadden we het idee dat er geen einde kwam aan het talent. In die roes hebben we toen heel veel gedaan.
Toen we begonnen, dachten we dat dît de bres was door de muur en dat anderen alleen maar hoefden te volgen. Maar als je nu in 1986 achter je kijkt, dan is er niemand; er zijn geen opvolgers gekomen! En waar ligt dat aan? We gingen de bario's in; we organiseerden workshops, we waren constant bezig. En nu na zoveel jaren: niemand. Waar blijven al die mensen?’

‘Na Sherry kwam het probleem: hoe schrijf je een tweede boek? Al die dingen kwamen onvoorbereid op me af, wie garandeert je dat je nog een tweede boek op papier kunt zetten?
Toen schreef ik een heel dik
[p. 100]
manuscript, maar de uitgeverij zei tegen me dat ik daar vier delen van moest maken. Ik heb me met hand en tand daartegen verzet; ik was niet zo happy daarmee, niet omdat ik tegen vier boeken was, maar ik had niet voldoende vertrouwen in mezelf. Het idee dat ik vier boeken in de toekomst moest kijken! Dat was voor mij bijna panisch!
Op een avond hoorde ik geklop op de deur en dat was Miep Diekmann, die kwam om met mij over schrijven te praten. Weet je wat het is, je zit alleen op Curacao, er zijn geen collega's van je eigen leeftijd om over het vak te praten. Toen heb ik met Miep Diekmann over opbouw en structuur van jeugdboeken gepraat.
Als klap op de vuurpijl kreeg ik toen voor Nancho van Bonaire in 1976 een zilveren griffel, als eerste niet-Europese, terwijl ik nog nooit van mijn leven van een griffel gehoord had. Je wist toen niet dat er prijzen voor boeken werden uitgereikt. Nu is dat veranderd, maar toen wist je het gewoon niet.
Toen werd de druk nog groter!
Het feit dat ik dociel en gedwee vier Nancho's heb geschreven, daar sta ik zelf nog steeds verbaasd over. Ik had stof genoeg, maar met Nancho Kapitein was de stof echt afgerond. Daar was niks meer uitgekomen, want forceren kun je toch niet.’
‘Toen ik de Nancho's af had, dacht ik: nu schrijf ik nooit meer! Nu is het afgelopen met mij. Ik had niet verwacht dat ik binnen zes maanden het eerste gedeelte van Suikerriet Rosy op papier zou hebben. Dat boek is ontzettend snel gekomen, al had ik er wel al lang over nagedacht, namelijk zo'n jaar of zeven. Die tijd had ik enorm veel energie. Moeders van de Engelssprekende eilanden komen naar Curacao om daar te gaan werken, meestal in de huishouding.
Ze laten hun kinderen thuis achter bij grootmoeder en sturen het verdiende geld naar hun eiland. Ik had zelf zo'n inwonend dienstmeisje.
Door reizen in het Caraïbisch gebied kende ik eilanden als Dominica en Sint Vincent.
Een grote stimulans is voor mijn schrijven ook het programma in 1983 “Hartelijke groeten” van het Humanistisch Verbond geweest. Ik moest in zes afleveringen van elk vijf minuten precies - niet meer en niet minder - een brief schrijven van de Antilliaanse Bea aan de Nederlandse vrouw Emma, waarbij het ging om de “invloed van de verschillende culturen bij de emotionele beleving van gebeurtenissen in het dagelijkse leven in de Nederlandse Antillen en in Nederland.” Dat was heel gedisciplineerd werken. Ik beschreef de geschiedenis van Bea vanaf de grootmoeder; ik had vier generaties nodig om haar positie duidelijk te maken. Toen men kwam filmen in 1983 zeiden de Nederlandse televisiemensen: dat kan niet, al die luxe hier op Curacao, dat kunnen we in Nederland nooit waarmaken. De Nederlanders willen altijd het exotische, bevestigende van je land laten zien, niet het gewone moderne leven met al zijn comfort.
Jammergenoeg heeft Tele-Curacao het programma nooit uitgezonden. De serie “Makkelijk lezen” van het project Leeslift Antillen waarvoor ik nu een deeltje geshreven heb: De Toembakoning (1985), was een nieuwe uitdaging omdat je een thema voor een ouder kind op een vrij hoog niveau heel helder moet opschrijven in korte zinnen en een beperkte woordenschat. Dat helpt me ook weer voor mijn schrijven voor kinderen in het Papiament.’

Diana Lebacs werkt op een aantal terreinen tegelijk: Nederlandstalige jeugdboeken, Nederlandstalige kinderboeken voor het basisonderwijs en Papiamentstalige kinderboeken voor de jonge lezers op het eigen eiland. Deze veelsporigheid is een heel bewuste keuze van haar.

Eind 1985 verscheen de film

[p. 101]

Bokasarantonio, die geschreven en geregisseerd is door Pacheco Domacasse en waarin Diana meespeelt als Soleil.

‘Met dat script ben ik naar de uitgever gegaan in 1984. Toen heb ik mezelf vastgelegd om dat script uit te breiden tot een jeugdboek. Dat is Het witte licht, maar het is heel anders qua volgorde dan de film.
Zo had ik weer een manuscript zonder dat ik het in de gaten had! Het boek gaat over de mentale gevangenis die mensen voor zichzelf bouwen. Isolatie en bijgeloof houden de mens in een gevangenis. Het gaat over het conflict tussen traditie en progressiviteit, waarbij van beide kanten vooringenomenheid bestaat en van beide kanten moet men leren te geven, zich niet star op te stellen.
Aan het eind van het boek zien de mensen dat ze twintig jaar gevangen zijn geweest in de ban van een fictief monster. Niemand heeft echt de oorzaak onderzocht! Tot Simon gedwongen wordt!
En het monster is opgelost!’

Naast het driesporige schrijfwerk doet Diana Lebacs nog heel wat aan cultureel werk, zoals het activeren van kinderen tijdens de boekenweek. Zo was ze actief op diverse plaatsen op Bonaire tijdens de viering van de kinderboekenweek in 1985. Op Sint-Maarten werd in 1976 haar boek Nancho van Bonaire door kinderen uitgebeeld. Samen met haar man gaf ze lezingen. Ook op Aruba werd voor de kinderen een verhaal van Diana Lebacs uitgebeeld met grote schilderstukken door de Arubaanse kunstenaar Evelino Fingal.

Diana Lebacs speelde vroeger toneel, en is daar tot aan het eind van de jaren zeventig mee doorgegaan, onder andere onder regie van haar eigen man en Henk van Ulsen. Ze maakte programma 's voor de t.v. over de geschiedenis van Curacao en diverse avonturenverhalen voor de jeugd in 1984 en 1985: de rol van de Spanjaarden op Curacao; de kolonisatie door Nederland. Ze speelde in een film Famia kibrá de rol van Julia. Haar drukbezette leven en haar veelzijdigheid is een keuze die ze al in Sherry verwoordde. In een door haar zelf geschreven biografie luidt het:

‘Aan de namen en jaartallen kan men aflezen wat er hier cultureel gaande is. Over tien jaar moeten ze niet kunnen zeggen: “Ik heb geen flauw idee wat er allemaal hier gebeurd is, behalve dan op politiek gebied.” Onze culturele activiteiten moeten niet langer beschouwd worden als eendags-manifestaties, waarmee je veel plezier beleefd hebt en daarmee afgelopen!’


illustratie

[p. 102]

2. Werkwijze

Diana Lebacs publiceert bewust in twee talen: Nederlands en Papiament. Over die taalkeuze zei ze in 1981 tegen Annet van Betuw: ‘Nederlands horen ze alleen op school’, onder andere:

‘Voor mij was niet de opbouw, de struktuur van een roman een probleem, maar de taal. Mijn Nederlands was ouderwets. Ik kende het Nederlands van de jaren vijftig. In de jaren zestig begon het Nederlands hier in Nederland erg te veranderen. Er kwamen veel nieuwe woorden bij, de taal groeide uit. Ik moest dat helemaal van buitenaf analyseren. Bij ons hoor je Papiamentu, Spaans, Engels, maar geen Nederlands. Dàt hoor je voor het eerst op school. Ik moest leren wat Miep (Diekmann) ouderwets vond moderner te zeggen. En dat moest ik zo vlug mogelijk doen. Je zit op een eiland en je wipt niet zomaar naar Nederland. Ik had wel als voordeel dat ik goed in talen was.
De kinderen moeten wat kunnen doen met mijn boeken. En ik heb tegen mezelf gezegd: als ik schrijf in het Nederlands, voor een Nederlands publiek, dan wil ik dat het kind in Nederland daar iets van leert. Niet op zo'n leermanier, maar zó, dat het verrijkend werkt. Ik heb in het Nederlands geschreven omdat ik uit een Nederlands-Papiamentse traditie kom. Dus op school Nederlands en thuis en in de buurt Papiamentu. En dat is mijn realiteit. Net zo zijn er bij ons mensen die een Engels-Papiamentse of Spaans- Papiamentse realiteit hebben. Die gebruiken die taal. Ik heb niets tegen het Nederlands. Ik ben er wel tegen dat de landskinderen opgevangen worden in het Nederlands, terwijl ze niet eens de kans krijgen om hun eigen taal te beheersen. Dat mag je een kind niet aandoen. Je krijgt een volk dat gespleten is. Voor mij is het geen probleem als we beginnen het kind op te vangen in zijn eigen taal; als het kind leert lezen, denken, zich uitdrukken in zijn eigen taal. Dan kun je op latere leeftijd overschakelen op Nederlands of Spaans of Engels. Welke taal wij als tweede taal krijgen wordt uitgemaakt door de politieke en ekonomische faktoren.’ (Unicef Nieuws december 1981)

Voor ze in het Papiament ging schrijven heeft Diana Lebacs zich eerst terdege op de hoogte gesteld door een L.O.-cursus te volgen in de jaren 1972/1974:

‘Dat heeft te maken met mijn karakter. Als ik een opdracht krijg, duik ik nooit zo maar ergens in, maar ik doe eerst zoveel mogelijk onderzoek. Voor ik De toembakoning voor moeilijk lezenden schreef, heb ik in de bibliotheek die hele serie “Moeilijk lezen” bestudeerd: wat wil men hebben? Waar let men op? Wat hebben ze al als thema's opgenomen? Hoe is de schrijfstijl? Dat doe ik altijd.
Dit jaar (begin 1986) heb ik het verzoek gekregen om voor het l.b.o. teksten te schrijven. Het eerste wat ik deed, was het materiaal opvragen. Ik verken mijn terrein degelijk; dat maakt de kans om afgewezen te worden ook veel kleiner!
Ik ontmoet via mijn werk veel vrouwen die ook in het Papiament willen schrijven. Daarom moet Papiament nu naar school; we hebben al een hele generatie verloren laten gaan uit domme motieven. Men had nooit over intelligentie mogen schrijven in allerlei studies, omdat de mensen daardoor gingen denken dat ze te dom waren om Nederlands te leren. We moeten ze leren dat Papiament op school geen kwestie van “kabes duru” is. We zaten met een dubbele moeilijkheid: je leert in een taal die niet van jou is en dan leer je ook nog over dingen die een cultuur vertegenwoordigen die niet van jou is. Mijn boeken in het Nederlands zijn
[p. 103]
dus wel in de taal van de Nederlanders, maar toch blijken ze soms nog moeilijk vatbaar. Zo zelfs dat leerlingen en studenten vinden dat ik te moeilijk schrijf! De vreemde cultuur dringt ondanks de taalovereenkomst heel moeilijk door.
Op curacao hadden we dus de dubbele moeilijkheid toen, zo'n twintig jaar geleden. Men had Nederlandstalige boeken over de eigen cultuur moeten schrijven en publiceren in die tijd.
En nu zitten we vast! Met een aangepaste kinder- en jeugdliteratuur was het nooit zo ver gekomen!

Mijn werk is niet auto-biografisch, al zijn er wel verscholen dingen. Nancho Kapitein laat ik heel bewust voor het Caraïbisch gebied kiezen, koste wat het kost. Maar dat zijn dan toch weer vooral ideeën, geen directe ontleningen aan gebeurtenissen uit de leven van me. Van Sherry tot en met Nancho Kapitein kon ik me niet permitteren om over levende personen te schrijven; dat vond ik vreselijk moeilijk. Daarom staan mijn personages eerder als symbolen voor het Antilliaanse volk. Pas in Suikerriet Rosy en De toembakoning ben ik vrij in het kiezen van personen. Met de Nancho's ben ik teruggegaan naar de jaren vijftig tot zevenenzestig, het jaar waarin ik zelf volwassen werd en trouwde. Misschien was dat een persoonlijke noodzaak om dat cultuur-hiaat in te halen ivan mijn kindertijd, omdat we op de basisschool niet normaal zijn opgegroeid met onze eigen cultuur! Nu schrijf ik over de eigen tijd, maar geef nog wel altijd een stukje cultuurgeschiedenis omdat ik de taak heb de lezer te informeren. In 1978 had ik eigenlijk voor het eerst contact met het Caraïbisch gebied; voor die tijd had ik ook niet veel over onze regio gelezen. Wel had ik een soort binding met Sint-Maarten. In 1972/1973/1974 hield ik op de Bovenwinden lezingen voor scholen. Toen was Wycliffe Smith - die nu gezaghebber van Saba is - nog een jonge onderwijzer. Ik werkte toen in de derde klas van het Albertus College en Wycliffe en zijn vrouw zochten me daar op omdat ze Sherry gelezen hadden. Daarna ben ik verschillende keren naar de Bovenwinden geweest. voor Boekenweekacitiviteiten, voor culturele evenementen en de presentatie van Wycliffes dichtbundel A voice from W-inward (1978). Maar sinds 1978 hebben we gereisd in het Caraïbisch gebied en heb ik de verschillen tussen de eilanden en hun eigen karakter leren kennen. Dat heb ik in Suikerriet Rosy gebruikt. Toen ik met de Nancho's begon, was ik met Pacheco regelmatig op Bonaire. We hebben het hele eiland te voet gedaan, we zijn langs de kust gelopen, heel intensief.

Wat de psychologie in mijn boeken betreft, dat laat ik aan mijn man Pacheco over. Die is daar feilloos in, die zegt: zo redeneert iemand niet, wat een abrupte overgang is dat, enz. Ik heb nogal eens de neiging in mijn manuscripten om abrupte reacties te geven, die psychologisch niet kloppen en dat zie ik dan niet. Daar wijst hij mij dan op!

Met titels heb ik enorm veel moeite; ik kan geen titels bedenken. Iedere keer weer is dat een probleem. Voor De spokenband heb ik vier maanden lang naar een andere titel gezocht, maar ik kon niets vinden. De uitgever ook niet. Met Suikerriet Rosy was het ook heel moeilijk. Het manuscript was al klaar, maar ik kon geen titel vinden, tot ik de omslag van een boek waar suikerriet op was afgebeeld zag. Toen dacht ik aan de titel in het Engels: “Sugarcane Rose”, en dat werd het dus in Nederlandse vertaling. Namens voor figuren zijn geen probleem, alleen de titel.’
[p. 104]


illustratie

[p. 105]

Nadat Diana Lebacs haar eerste boek Sherry geschreven had, zei ze nog in een interview: bij mij ontstaat het verhaal, ontwikkelen de figuren zich terwijl ik schrijf.

(Amigoe 27 november 1971). Maar de rigoureus gehanteerde driedeling in dat verhaal laat toch al wel vermoeden dat ook dat overdacht was, voor de pen op papier gezet werd. Gaandeweg is ze meer aandacht aan de techniek gaan besteden, mede met aanwijzingen van Miep Diekmann.

‘Kijk, als je op school zit, dan leef je in de situatie van een natuurtalent. Niemand stimuleert je. Je denkt: het enige wat je moet doen is schrijven en klaar is Kees. In die eerste fase moet je je ziel blootleggen en dan komt de tweede fase, daarin is de techniek belangrijk. Die twee weken met Miep, daar heb ik veel aan gehad. Dat is de reden dat ik er zo openlijk over praat.
Ook gebruik ik mijn toneelervaring zo handig mogelijk bij het schrijven.’

Hoe gaat Diana Lebacs te werk?

‘Meestal zoek ik eerst een thema; ik moet weten waarover ik wil schrijven. Ik zoek een thema waarvan ik denk dat het mensen interesseert.’

Voor Suikerriet Rosy heeft Diana Lebacs uitvoerige aantekeningen gemaakt over ‘sociaal-culturele aspecten’ die ze wilde verwerken en ‘filosofische aspecten’.

Wat die laatste betreft citeer ik enkele ideeën uit haar aantekeningen die ik mocht inzien:

‘Intelligentie vraagt om verandering en mensen zijn van nature conservatief.
Innerlijke vrijheid hangt af van de intelligentie, d.z.w. van kennis en inzicht.
De menselijke geest is zo wantrouwend. Wantrouwen blokkeert vooruitgang. Je denkt altijd dat het slecht is, vooral als iets van vreemde afkomst is.
In plaats van zich een slachtoffer van omstandigheden of van het lot te voelen, dient de mens zich te openen voor innerlijke leiding uit de geest. Innerlijke overgave in volledig Godsvertrouwen en geduld, in afwachting tot het getij keert, zijn kwaliteiten die ontwikkeld moeten worden.’

Dit zijn zo enkele citaten uit een zestiental bladzijden opmerkingen. Daarom een fotokopie van nog twee uitvoerige opmerkingen.

Voor de sociaal-culturele aspecten schetst Diana Lebacs de situatie van het dorp waar Suikerriet Rosy woont, de ruimte, en onderzoekt ze economische en sociale motieven als:

-enige vormen van collectief werk: wederkerende uitwisseling van werk. ‘Heeft iemand hulp nodig bij het repareren van zijn huis, dan zal hij de hulp terugbetalen met ander werk.’
‘De eigenaar bezit het land en de niet-eigenaar bewerkt het land voor de eigenaar. De oogst wordt eerlijk verdeeld.’
-de betekenis van landbezit. ‘Landbezit betekent onafhankelijkheid. Eerste medium om zeker te zijn van een inkomen.’
-wat eten de mensen. ‘Knoedels (deegballen); rice en peas; zoete aardappel/broodwortel; broodvrucht; groene bacove; drank van boomschors: mauby ofwel armenbier; i.p.v. brood johnny cake (platte, in hete olie gebakken koeken van bloem, melk en boter).
-het op zichzelf terugtrekken. ‘De onderlinge relatie van de dorpelingen is op concurrerende basis.’ ‘Individueel succes door meer bezit te vergaren; strenge geheimhouding over geldbezit; ervoor zorgen niet te veel laten merken hoe goed je het hebt.’

Dit zijn weer enkele voorbeelden uit negen bladzijden aantekeningen. Het zal duidelijk zijn dat Diana Lebacs zich inderdaad terdege oriënteert eer ze gaat schrijven. Dit maakt dat haar boeken vooral ideeën-romans zijn. Ik citeer nog enkele punten uit haar aantekeningen:

-effectieve middelen van sociale controle, jaloezie etc.
-geen taboe wat sexuele relaties betreft
[p. 106]


illustratie

[p. 107]


illustratie

[p. 108]
-wie onderhoudt heeft autoriteit
-de wildernis van de hedendaagse beschaving op Curacao v.s. de primitieve beschaving (onbeschaafd) op het Engelse eiland.

‘Ik heb zelfs een hele stamboom van personen uitgetekend, omdat ik in Suikerriet Rosy wel heel zeker wilde weten hoeveel personen er in voorkomen.’



illustratie

Omdat het handschrift hier erg onduidelijk is geef ik het schema in deze vorm weer; de lijnen en accolades zijn zoals Diana Lebacs ze zelf gaf.

‘Daarna ga ik het verhaal in blokken schrijven - van begin tot einde. Per hoofdstuk geef ik aan hoe ik het zou willen uitwerken. Ik maak een hoofdstukindeling, zodat ik weet wat ik wil. Of ik me er aan houd is wat anders. Dan heb ik ook een idee van de omvang van het boek - de delen waarin ik het ga indelen. Maar lang niet altijd houd ik me er precies aan.’

Volgens de opzet zou De spokenband er als volgt uitzien:

[p. 109]


illustratie

[p. 110]

Als je De spokenband leest, zie je wel heel wat verschillen met het oorspronkelijke plan. Ik noem er enkele:

-De zeven hoofdstukken werden er in het plan eerst 8 (zie de tussenvoeging tussen 5 en 6) maar definitief in het boek zelf: 11;
-De namen van de figuren zijn veranderd;
-Hoofdstuk 1 is niet in de klas, maar bij Curt thuis;
-Hoofdstuk 3 is ook veel meer geworden dan alleen ‘scènes thuis’;
-Vooral het gedeelte met Odulio is uitgebreid weergegeven: zijn verhalen en via hem de verhouding tussen oude culturen en moderne tijd, over hoe Odulio van vroeger vertelt, hoe hij de ‘benta’ maakt;
-De voorbereiding van het concours wordt uitvoerig verteld (spanning-verhogend); het laatste hoofdstuk daarentegen is ingekort (hoofdstuk 6 en 7 zijn samengevoegd) wat het slot krachtiger maakt dan in het oorsponkelijke plan.
-Diana Lebacs heeft voor dit eenvoudige, chronologisch vertelde verhaal haar oorspronkelijke plan in grote lijnen gevolgd, maar een strakkere compositie gegeven: de klas aan het begin is weggelaten, het middenstuk is uitgebreid, het slot is kort en krachtig.
‘Als een boek zichzelf begint te schrijven, weet ik dat het goed gaat. Als ik blijf ploeteren is iets mis. Ik kan niet beginnen op commando, ik moet letterlijk wachten tot de eerste regel geboren wordt. Ik weet niet wanneer het gebeurt. Iedere keer heb ik het weer, bijvoorbeeld met De spokenband. Ik had een dead-line en ik kwam in paniek. Ik kon maar niet beginnen en die dag kwam steeds nader. Als de eerste regel geboren wordt, dan ben ik gered. Als die eerste regel er maar is. Ik ben daar totaal afhankelijk van, dat is wachten op hét moment.’

Laten we eens gaan kijken naar alle eerste regels van haar jeugdboeken: Sherry: ‘Sheritsa herinnerde zich, hoe ze vroeger voor de spiegel kon staan, om zich met ontroostbare droefheid af te vragen waarom ze toch zo zwart was.’

Nancho van Bonaire: ‘Op een dag kwam Nancho zomaar ineens tot de ontdekking dat hij zijn vader Alfredo eigenlijk niet zo goed kende.’

Nancho matroos: ‘Nancho zat niet ver van zijn huis onder de palu di sia, zijn lievelingsboom met die gladde, roodachtig-groene stam.’ Nancho niemand: ‘De lange rij besloeg vrijwel de hele H.B.S.-gang.’ Nancho kapitein:

 
‘Bon mochi frééésku
 
Mulatu, Drááádu
 
Esun ku bin'promé
 
ta bebe awa limpi!
 
 
 
Verse vis, verse moten
 
Mulatu, Drááádu
 
Wie het eerst komt
 
het eerste maalt!’

Suikerriet Rosy: ‘Het laatste wat Rosy in haar droom zag voor ze haar ogen opsloeg, was haar suikerrietveldje.’

Uit deze voorbeelden blijkt dat Diana Lebacs ‘met de deur in huis valt’ en direct via personen die de hoofdrol spelen een essentieel stukje van de handeling die aan de orde komt weergeeft. Ook in haar Papiamentstalige kinderverhalen doet ze dat. Sonia Garmers hanteert hetzelfde procédé, maar Siny van Iterson bijvoorbeeld gaat heel anders te werk in veel van haar boeken.

 

‘Met het slot heb ik geen moeite: uit is uit,’ zei Diana Lebacs in een interview op 11 februari 1986. Maar in een brief van 8 maart 1986 voegde ze daar aan toe:

‘Ik verwonder me er zelf steeds weer over, dat mijn boeken eindigen waar ze zouden moeten beginnen. Ik heb steeds het gevoel dat ik erg bezig ben met de voorontwikkeling van mijn romanpersonen; al het gewroet en geploeter van hen om zichzelf te vinden en een persoonlijkheid te worden. Van daaruit zou dan goed beschouwd hun verdere ontwikkeling moeten plaatsvinden via de dagelijkse gebeurtenissen in hun leven (liefde, godsdienst en andere levensconflicten bijv.) Maar daar stop ik juist.’

Het blijkt dat Diana Lebacs in het slot toch nog wel eens veranderingen aanbrengt en minder zeker is dan ze in het interview beweerde. Zo zou oorspronkelijk

[p. 111]

Suikerriet Rosy eindigen met:

‘Wat een wildernis,’ dacht Rosy vol afkeer, ‘als mensen brengen we er toch maar bar weinig van terecht.’
Maar als ze dan toch uit twee slechten moest kiezen, dan koos ze nog liever de wildernis van de industriële welvaart. Want als moderne mens was je toch veel weerbaarder, had je toch meer voordelen.’

Zo schreef Diana Lebacs het in haar oorspronkelijke aantekeningen, maar in het interview van 11 februari zei ze:

‘Ik laat mijn manuscript wel aan anderen lezen, die dan advies geven. Op grond daarvan schrap ik ook wel! Of ik bewerk. Mijn laatste regel van Suikerriet Rosy was in het manuscript: “En al dat soort luxe dingen neem ik nooit weer mee. Als ik hier terugkom neem ik alleen mijn stem mee.” Omdat voor mij “de stilte doorbreken” erg belangrijk was.
Toen zei iemand dat dat niet nodig was, dat die laatste zin teveel was. Ik heb die toen geschrapt. Achteraf las ik over if de zwijgzaamheid doorbreken van een Turkse arbeider - wij waren volken zonder stem. Toen dacht ik: O, wat jammer, had ik maar die stem aan het eind van mijn boek gelaten. Omdat Derde Wereld landen de stemloosheid als probleem hebben, het doorbreken van die stilte. En dat had ik Rosy ook willen laten doen, om de mensen mondig te maken door gesprekken. Maar ik weet het niet. Je weet het nooit!’
‘Tot en met de Nancho-serie heb ik gesteund op de adviezen van Miep Diekmann, maar vanaf Suikerriet Rosy heb ik totaal zelfstandig gewerkt. Ze weet nu niet meer wat ik schrijf; nu ben ik autonoom.
Vroeger was het schrijven gemakkelijk. Maar schrijven wordt met de dag moeilijker! Voor ik vier of vijf regels op papier heb is er een halve ochtend voorbij. Ik sleur me er nu doorheen. Zoveel plezier ik aan schrijven had, zo'n kwelling is het nu.
Heeft dat met leeftijd of ervaring te maken? Nu moet ik dagen nadenken voor ik aan dat karwei begin!
Ik schrap wel, soms zelfs veel. Vroeger schreef ik altijd met mijn hand om het gevoel in mijn vingers te hebben, maar nu typ ik ook direct. Maar dat werk beschouw ik dan als kladpapier - waarin ik weer schrijf en doorhaal en veranderingen aanbreng.’
[p. 112]
Diana Lebacs: De toembakoning
Illustraties Wop Sijtsma
Omniboek - Den Haag, 1985
Leeslift-project Antillen

In dertien hoofdstukjes van samen vijftig pagina's vertelt Diana Lebacs in korte zinnen en met veel herhaling van woorden heel eenvoudig het verhaal van de gehandicapte Dolfi, die in een volkswoning woont en meedoet aan het tumbafestival tijdens carnaval. Dolfi moet zelf een lied maken en de hele buurt leeft mee. Hij vindt het vreselijk moeilijk, tot Dolfi bij zijn opa en oma die in de knoek wonen, een idee krijgt.
Opa leert hem wat een tumba eigenlijk is en helpt hem met de woorden en melodie.
Op het tumba-festival zingt Dolfi zijn kritiek op de hoge telefoon-, water en elektriciteitsrekeningen en wordt winnaar uit 33 deelnemers. Een gehandicapt kind presteert net zo goed als ieder ander!
Met zijn grote duidelijke lettertype en vijftien pagina grote zwart-wit illustraties door Wop Sijtsma is het een prima lees-kijkboek geworden: vrolijk, humoristisch, met een serieuze ondertoon.

Diana Lebacs: De spokenband
tekeningen van Jenny Dalenoord
Uitgeverij Zwijsen - Tilburg, 1985
Zebraboeken serie 4

Na een korte inleiding over de geschiedenis van Curacao gaat De spokenband over Curt en Runchi die onder de naam van ‘De Knettergekke Beenbrekers’ veel succes oogsten bij de Triller en Breakdance festivals op Curacao.

Voor het nieuwe ‘Doen of Doodgaan’ concours bedenken ze iets anders, omdat de oude Odulio hun leert van de ‘benta’ en de ‘muzik di zumbi’. Temidden van alle elektronische triller-effecten brengen de twee jongens en de oude man dan samen de traditionele muziek ten gehore.

Ze winnen wel niet maar bewerkstelligen wel belangstelling en waardering voor de traditie in deze moderne tijd:

‘De volgende keer organiseer ik een Folklore Festival,’ zei de impresario. ‘Maar geen wedstrijd, nee. Iets, dat een band smeedt tussen oud en jong, tussen heden en verleden. Net zoals de band tussen Odulio en de jongen hier’.

Een vlot, modern verhaal voor de hoogste klassen van de basisschool.

[p. 113]

3. Over Sherry; het begin van een begin

Over Diana Lebacs' debuutroman Sherry in de loop van de jaren na zijn verschijnen heel wat geschreven, aanvankelijk vanuit een verdedigende stellingname als van Miep Diekmann in het Haarlems Dagblad van 1 december 1971:

‘“Eerste Antilliaanse jeugdroman; “Sherry”: goed debuut van Diana Lebacs”: Diana Lebacs heeft een fascinerend, boeiende getuigenis neergeschreven, die onze wezenlijk geïnteresseerde tieners en ook volwassenen, aan het denken zal zetten.’

Later worden de reacties kritischer als van Andries van der Wal en Freek van Wel: Met eigen stem; Herkenningspunten in de letterkunde van de Nederlandse Antillen (1980), die voorzichtig negatief oordelen, nadat ze Miep Diekmanns recensie geheel hebben gevolgd:

‘Daarom is ondanks de kritiek die op deze jeugdroman zou zijn te leveren, het doorslaggevende feit van betekenis dat wij hier te doen hebben met een Antilliaanse die schrijft vanuit een achtergrond die haar Antilliaanse lezers en lezeressen in het bloed zit. Veel meer vaktechnisch àf...’

Met andere woorden: niet zo goed, maar toch positief wegens het Antilliaanse karakter; een staaltje van bevoogdende positieve discriminatie.

Diana Lebacs: Sherry herdrukt. Een gemiste kans

De achterflap van de tweede druk van Sherry (1971, 19852) meldt dat dit debuut van de bekende Curacaose kinder- en jeugdboekenauteur Diana Lebacs ‘jarenlang niet verkrijgbaar’ was. Maar dat wilde niet zeggen dat het vergeten was, want er bleef een gestadige vraag naar, onder andere van eindexamenkandidaten en middelbare scholieren, zodat uitgeverij Leopold besloot tot een herdruk, die eind 1985 verscheen.

Dat het een ongewijzigde, fotografische herdruk is geworden, is aan de ene kant wel te begrijpen, maar aan de andere kant te sterk te betreuren. De kostenfactor mag geen echt argument zijn voor de uitgever om tot een identieke uitgave te besluiten, het feit dat Sherry; het begin van een begin als eerste Nederlandstalige jeugdboek van de Antillen een ‘klassieker’ is geworden wèl. Maar toch. Sherry is het debuut van een schrijfster die 24 jaar oud was toen het boek verschéén; hoe oud was de auteur helemaal tijdens het schrijfproces? Het is dus een jeugdroman in dubbele betekenis en draagt dientengevolge kenmerken van onervarenheid met literaire technieken.

Sheritsa (Sherry) Robertus heeft er aanvankelijk moeite mee zichzelf te accepteren zoals ze is: zwart met gekruld haar.

Als ze ouder wordt levert haar uiterlijk geen problemen meer op, maar innerlijk heeft ze het met haar nonconformistische gedrag en gedachtenleven nog steeds moeilijk. Ze ziet een ‘revolutionaire tijdgeest’ losbreken en begrijpt de laksheid van de anderen niet, die daar niet op reageren.

Ze zit op de H.B.S., ondanks dat men zegt dat dat geen school is voor ‘zwarte mensen’. Ze kweekt op een B-school als ze op de literair-pedagogische afdeling zit, en ziet de sociale problemen van de jonge leerlingen, zodat ze les geeft in het Papiaments, waarna ze wordt geschorst. Maar ze krijgt nu steun van de medeleerlingen.

Nadat Sherry enkele keren Ryan Regales ontmoet, richten ze met enkele anderen een activiteiten-club op. Ze beschilderen borden met Curacaose taferelen, en maken oorringen en halssnoeren waarmee ze een fonds voor een schoolfeest vormen. Tussen Ryan en haar ontstaat een hechte vriendschap. Sherry wil eigenlijk maatschappelijk werkster worden; ze vraagt een beurs aan voor Nederland.

Ze wil vrij zijn en onafhankelijk: ze moest uitvliegen, mens worden,

[p. 114]

observeren... Maar eerst houdt ze met haar school een kampweek voor ondervoede kinderen in de vakantie; ze moet nog een jaar naar school, waarna ze slaagt.

Sherry komt in Amsterdam; na een tijdelijke studentenflat wordt ze opgenomen in het gezin van de familie Reinoutsen. Ze raakt al gauw gewend en heeft heel wat kennissen en vrienden; ze ontmoet diverse bekenden van Curacao. Vaak gaat se de eerste winter uit met de studerende zoon des huizes, Desmond. Eindelijk laat Ryan eens wat van zich horen, maar Sherry merkt dat het contact met hem eigenlijk nagenoeg verdwenen is. Sherry hoort dat mevrouw Reinoutsen niet wil dat Desmond een serieuze verhouding met haar begint: als dokter kan hij geen donkere vrouw hebben voor zijn carrière!

Sherry gaat nu wonen bij Gretchen, de zelfbewuste. Ze is nu helemaal vrij, zelfstandig en zelf verantwoordelijk.

Intussen vordert haar studie aan de Academie en is ze in het jaar van de praktijkstages.

Ryan komt onverwacht over en blijft, maar Sherry weet dat ze niet echt van hem houdt, wat ze hem ook eerlijk zegt. Ryan kan het verlies maar moeilijk accepteren.

Dan komen de berichten in Nederland over de gebeurtenissen op Curacao, 30 mei 1969. ‘Sherry huiverde van opwinding. Het belangrijke was geschied! Een keerpunt in de Curacaose geschiedenis. Zou dit het begin zijn van meer veranderingen en verbeteringen in de toekomst?’ (p. 124) Gretchen herstelt het contact tussen Desmond en Sherry. De twee gaan kamperen, ze helpen op een boerderij. Sherry heeft haar eerste sexuele omgang met Desmond.

Sherry schrijft een scriptie over ‘de vormingsmogelijkheden op Curacao in het kader van het buurthuiswerk’. Ze slaagt en gaat terug naar haar eiland, om daar te gaan werken. Ze went al weer snel, is blij om terug te zijn. Ze ontmoet Frendsel, ‘slank en zwart, met een typisch scherp besneden gezicht met een soms dromerige blik’.

Een aantal jongeren vormen samen een groep om de mensen door discussies e.d. ‘bewust te maken’ via de buurtcentra. Maar men provoceert tot vechtpartijen waardoor er geen zaal meer verhuurd wordt aan hen. Dan gaat de groep naar Band'Abao, maar ook daar is tegenwerking.

Desmond komt op bezoek en past zich snel aan, maar voor hem is een wetenschappelijke carrière weggelegd die niet op Curacao te verwezenlijken is. Desmond gaat terug naar Nederland; Sherry blijft op Curacao waar zij en de groep onder leiding van Frendsel blijven werken aan de culturele bewustwording. Eindelijk boeken ze een eerste succes in de stad gesteund vanuit Band'Abao.

‘Het belangrijkste is, dat er straks geen hiaten meer zullen zijn tussen de zestig kilometer, die ons eiland lang is! Dat is het begin van een begin!’

‘Sherry: het begin van een begin,’ zei Frendsel zachtjes, want dat was iets alleen tussen hem en haar. Sherry vertolkt de ‘revolutionaire tijdgeest’ van het einde van de jaren zestig en het begin van een nieuwe tijd na 30 mei 1969 en de rol van de jongeren daarin. Dat Diana zelf al lang niet meer zo positief denkt over de ontwikkelingsmogelijkheden van het zich vernieuwende Curacao, nu deze jongeren van toen tot de ouderen zijn gaan behoren bewees ze met Suikerriet Rosy (1983) Het debuut Sherry zal dan ook als document van een bepaalde tijd en elan gelezen moeten worden. En dan doel ik op belangrijker zaken als het niet meer voorkomen van de H.B.S. en een daaraan verbonden Literair-Pedagogische Afdeling of aan de mode bijvoorbeeld:

‘Ik háát deze tijd. ... Geef mij maar mijn trui en mijn jeans. Bah! Elke keer als je uitgaat moet je nylons aan en een strakke jurk om je lijf. En op de koop toe naaldhakken. Afschuwelijk! Hoe kom ik uit deze dwangbuis?’

Het is de laatste tijd weer mode geworden om onze problemen met die van voor 1969 te vergelijken.

[p. 115]

Staat de auteur nu nog achter haar visie op ‘30 mei’ zoals ze die in Sherry verkondigt?

Hoe is intussen haar visie op de conflictsituaties tussen ouderen en jongeren (ouders en kinderen, waarbij de ouderen en gezagsgetrouwe conservatieven zijn); tussen wit en zwart op Curacao; tussen makamba en Curacaoenaar en -sterker- tussen Antilliaan en Nederlander in Nederland?

 

Ik noemde Sherry in het begin een ‘klassieker’, maar hèt kenmerk van klassiek werk is dat het tegen de tijd bestand is door een algemeen thema dat op superieure wijze vorm kreeg. Maar Sherry is niet in die zin klassiek omdat het in de uitwerking te kort schoot en schiet. En dat is mijn belangrijkste bezwaar tegen een ongewijzigde herdruk, dat het de fouten en zwakheden van de beginner prolongeert. In de openingszin ‘Shertisa herinnerde zich hoe ze vroeger voor de spiegel kon staan...’ is het al mis met het perspectief, omdat het wanneer van die ‘herinnering’ voor de kritische lezer niet beantwoord wordt.

Het hele verhaal draagt kenmerken van psychologische oppervlakkigheid en een zeer sterk aangezette zwart-wit tegenstelling: te begrijpen voor een jong en beginnend auteur maar nu niet meer goed te praten.

Er zijn plotselinge onlogische verhaalwendingen en innerlijke tegenstrijdigheden. Zo vecht Sherry bijvoorbeeld voor een beurs, maar ze maakt daarbij wel graag gebruik van Edward, die ‘door zijn betrekking vrienden en relaties (had) juist in die kringen, die Sherry aan een beurs konden helpen. Hij maakte van zijn positie dan ook handig gebruik. Ja, hij was gewiekst in deze zaken.’

De schematische opzet van het verhaal blijft in de uitwerking hinderlijk zichtbaar. Zo zijn met de ruimtelijke driedeling Curacao - Nederland - Curacao drie liefdes verbonden die op hun beurt weer een nadrukkelijke symbolische betekenis hebben.

Een onervaren verteller dringt zich nadrukkelijk tussen verhaal en lezer op allerlei momenten: ‘Maar als je jong bent, treur je niet lang over het verbreken van oude banden.’

De auteur legt de figuren te grote woorden in de mond over onnozele zaken: ‘De hele stad is nog geshockeerd, zoals jij met slacks aan het winkelen was, laatst...’

Het is steeds weer net ‘te’, waardoor de lezer niet anders kan concluderen dan met een onervaren auteur te doen te hebben, die net niet voldoende terughoudendheid betracht bij het doseren van haar effecten, zodat we dicht bij de populaire tiener-lectuur belanden. De inzet van het boek is duidelijk literair, de uitwerking overstijgt het lectuurniveau nauwelijks.

 

Maar ik hoef deze bezwaren hier niet verder te adstrueren, want ik zou alleen maar in herhaling vervallen van twee waardevolle universitaire scripties.

Zo concludeerde Ini Statia in 1984 in haar Groningse scriptie Konta mi algu krioyo; Nederlandstalige Antilliaanse jeugdliteratuur (vreemd of eigen?), na een meer dan 35 pagina's tellende analyse die vooral de creativiteit van de lezer zelf bij het leesproces onderzocht:

‘Sherry is teveel een kopie van een traditioneel-westerse meisjesroman waardoor het de lezeres te weinig Antilliaans-eigen besef biedt. Het blijft bij een verslag van een bepaalde ervaren werkelijkheid en overstijgt die werkelijkheid niet door het verhaal zélf, het beelden te laten overtuigen.’

Een Nijmeegse literair-sociologische doctoraalscriptie van Maria tot Rosy: over Antilliaanse (1984) door Harry Theirlynck - die drie jaar op Curacao woonde - concludeerde na waarderende woorden over de thematiek:

‘Over de literaire kwaliteiten van de roman kan men alleen maar somber zijn. De compositie,
[p. 116]
de stijl, de karaktertekening, de dosering van de diverse elementen, het is allemaal beneden de maat.’


illustratie

‘Het derde jaarsitem Jeugdlektuur; sektie Nederlands Nijmegen, maar 1975’ oordeelde in zijn stencil Jeugdlektuur: van indoktrinasie naar emansipasie evenwel gunstiger:

‘Diana Lebacs is er o.i. het best in geslaagd (in haar boek Sherry) een overbrugging te vinden tussen ontspanningslektuur en de meer werkelijkheidsgerichte bewustmakende boeken. In het boek wordt rekening gehouden met “romantische” gevoelens, belangstelling voor uiterlijkheden en de voorkeur voor een verhaal waar vaart in zit, zonder de aandacht voor de werkelijkheid en de problematiek daarvan te verliezen.’

Ter verdediging kan natuurlijk ook gelden dat Sherry een jeugdwerk en debuut van Diana Lebacs was en bovendien het eerste Nederlandstalige Antilliaanse jeugdboek, en dat ze zich later voorbeeldig ontwikkeld heeft tot een belangrijk auteur.

Maar juist de beste schrijvers zorgen ervoor dat ze later relatief zwak jeugdwerk laten voor wat het was of herschrijven. Waar zijn de eerste publicaties van Cola Debrot en Boeli van Leeuwen nog te vinden? Zo nam Miep Diekmann bijvoorbeeld haar eerste werken zonder meer uit de circulatie; maar ook het vroege werk dat haar bekend maakte en waarvoor ze literaire prijzen kreeg, zoals De boten van Brakkeput en Padu is gek heeft ze bij de laatste herdruk herschreven. Waarom heeft Diana Lebacs nu ze zo'n grote schrijfervaring heeft als waarvan ze in Suikerriet Rosy blijk gaf, niet vanzichzelf of de uitgever geëist haar debuut grondig te herschrijven? Dat zou een enorme klus zijn geweest, maar dan hadden we waarschijnlijk een werk gezien dat op literair niveau staat, terwijl we nu niet meer hebben dan een goedbedoeld debuut waarin een weliswaar belangrijk thema op zwakke wijze is uitgewerkt.

[p. 117]

Over de Nancho-serie

4.1.

Begin 1975 voltooide Diana Lebacs het eerste van de vierdelige Nancho-serie.

Nancho van Bonaire (1975, 1982) werd in 1976 bekroond met een zilveren griffel, naar aanleiding waarvan de Amigoe op 23 oktober 1976 onder andere schreef:

‘Door haar prijs krijgen de Antillen meer aandacht in Europa. En dan niet door de ogen van een Europeaan, maar van binnenuit. Opvallend van Diana Lebacs is echt dat ze enerzijds zo helemaal echt Antilliaans schrijft, maar anderzijds volledig in een moderne stroming van kinderboeken past. Er is in het westen op het ogenblik ontegenzeglijk belangstelling voor kinderboeken waarin aandacht gevraagd wordt voor onvolledige gezinnen, nietwesterse culturen en rassendiscriminatie.
De kinderen wordt geen brave-Hendriken-wereld meer voorgetoverd, en Diana Lebacs doet in “Nancho van Bonaire” ook niet. Haar boek is een mengsel van spannende, geestige, soms droevige gebeurtenissen met de bedoeling een gesprek tussen ouders en lezende kinderen op gang te brengen.’

Mischa de Vreede schreef in N.R.C.-Handelsblad van 8 oktober 1976. Nancho van Bonaire

‘blijkt een uitstekend boek te zijn over een (nog) heel ongewoon onderwerp, namelijk het leven op één van de Antillen, en wel Bonaire, het eiland van zeevaarders en vissers...
Het boek lijkt bestemd te zijn voor kinderen van acht jaar en ouder. Dat moeten dan wel levenswijze kinderen zijn, want de afkomst van Nancho's moeder bijvoorbeeld zal door sommige ouders wellicht niet als kinderkost worden beschouwd. Ze is de dochter van Shon Herman, en die had Ma Chichi, Nancho's grootmoeder naar het huisje in de koenoekoe zien lopen: een jong meisje met een huid, glanzend als zwart koraal. Zoals ze liep en bewoog... dat had hem gek gemaakt. Alle minnaressen die hij al had, haalden het niet bij haar. In zijn ogen was ze een tijgerin en hij wilde wel eens zien of ze werkelijk van zich afsloeg.’
Onverbloemd dus, en zo hoort het ook als het over het ware leven gaat.’

Blijkens de korte berichten die in ieder deel vooraf gaan, wilde Diana Lebacs met deze serie niet alleen Nancho's ontwikkeling van jongetje tot volwassene tekenen, maar ook een stukje Bonaireaanse geschiedenis voor het nageslacht vastleggen. De vier boeken bestrijken samen de periode van ongeveer 1950 tot 1968: Nancho's belevenissen ‘zijn niet zomaar avonturen, maar ware gebeurtenissen rond de mensen van Bonaire - het eiland van zeevaarders en vissers. Misschien komt er een tijd dat die verhalen vergeten zullen zijn, dat niemand meer iets weet van de oude gebruiken. Maar Nancho zal ze nooit vergeten omdat ze het verhaal van zijn leven zijn.’

[p. 118]

4.2.

Het tweede deel, Nancho Matroos, verscheen in 1977, Jos de Roo schreef er uitvoerig over in Amigoe, waaruit enkele citaten:

‘Diana Lebacs heeft vorig jaar een zilveren griffel gekregen voor haar ‘Nancho van Bonaire’. Het was inderdaad een van de betere kinderboeken, maar toch zaten er wat technische mankementen aan, zoals een verteller die het verhaal onnodig onderbreekt. Bijvoorbeeld om te zeggen: ‘Had Nancho er ook maar eens een keertje aan gedacht, dat hij een goed stel hersens had en een leuk gezicht met pientere, aardige ogen.’ Nu is ‘Nancho Matroos’ verschenen en daarin blijkt Diana Lebacs als schrijfster van jeugdliteratuur tot volle wasdom gekomen, want het is technisch gaaf vakwerk. Kinderen zullen het echter belangrijker vinden dat het boek spannend is en voldoet aan hun emotionele behoeften. De lezende jeugd kan er een hele scala van emoties aan beleven: vreugde, verdriet, eenzaamheid, kameraadschap, miskend-zijn, triomf, en uiteindelijk het gevoel alleen te staan voor een onzekere toekomst, als Nancho aan het slot Bonaire verlaat ora op Curacao naar school te gaan.

Diana Lebacs stelt in dit boek de rol van de vader voor een kind aan de orde: ‘Het is typisch Caribische problematiek die Diana Lebacs op deze manier als grondslag neemt voor haar werk. Zij laat de keerzijde zien. Maar al te gauw wordt aangenomen dat de Caribische vader zich niets aan zijn kinderen gelegen laat liggen. Daartegen tekent ze protest aan; zo is de toestand niet! En wie zich niet wil laten overtuigen door een bewering uit de jeugdliteratuur, doet er goed aan ‘Man, vrouw en huis-houdgroep’ van A.F. Marks te lezen. Hij toont hetzelfde cijfermatig aan.

Jos de Roo komt na een uitweiding over diverse motieven tot de volgende conclusie:

‘De grote sterkte van “Nancho Matroos” is dat al deze zaken: de vader-binding, de vissers-problemen, de veranderingen omwille van de vooruitgang, het coöperatieve stelsel - niet doctrinair essayistisch aan de orde komen, maar op de manier van de literatuur, via het verhaalgebeuren. Dat tekent de enorme groei die Diana Lebacs als schrijfster sinds “Sherry” heeft doorgemaakt. En dat deze zaken in een jeugdboek ter sprake komen, tekent de groei van de jeugdliteratuur naar volwassenheid.’
(B. Jos de Roo: Diana Lebacs: Nancho Matroos; Over Antilliaanse vaders; Volwassen jeugdliteratuur; Amigoe 17 oktober 1977)

In de eerste twee delen is hoofdfiguur Nancho nog leerling van de basisschool, maar in het derde deel maakt hij kennis met het voortgezet onderwijs. Daarom zal ik aan die delen - die tot de jeugdliteratuur behoren - wat uitvoeriger aandacht besteden.

[p. 119]

4.3. Knokken en inwortelen

Het nieuwe Nancho - boek van Diana Lebacs: Nancho Niemand

 

De hoofdpersoon van de Nancho-serie komt uit een gezin, waarin niemand zich op zijn kop laat zitten en iedereen zijn eigen wil doorzet. Dat blijkt in deel een, Nancho van Bonaire vooral bij moeder Maria die het presteert om zelf een huis te bouwen tijdens de zeereizen van Alfredo, haar man. Trouwens, ook de grootmoeder, Ma Chichi, had tegenover de rijke Sjon Herman reeds vroeger bewezen zichzelf te kunnen redden. In het tweede deel, Nancho Matroos, komt deze karaktertrek vooral bij Alfredo naar voren, als deze uitroept: ‘Wij gaan de toekomst maken.’ Dat hij daarbij zijn eigen gang gaat, blijkt wel als hij zijn boot laat bouwen en als hij het tegen de gevreesde handelaar-politicus Guillermo durft op te nemen.

Met dergelijke ouders moet Nancho wel leren zichzelf te redden, en dat is maar goed ook, want in het nieuwe deeltje, Nancho niemand is hij nog maar nauwelijks alleen, op de eerste schooldag op Curacao, of alles lijkt al fout te lopen als hij ondanks zijn goede toelatingsexamen niet naar het Radulphus-college kan, omdat hij niet op de leerlingenlijst staat... Hij vermoedt wel aan wie de ‘vergissing’ te wijten is, maar hij laat zich er niet door uit het veld slaan. Onverrichterzake terug naar Bonaire, dat nooit! Hij gaat naar de zevende klas Mulo van het Zwijssen-college als overbruggingsjaar. Deze beslissing neemt hij alleen, zonder zijn ouders of wie dan ook erin te kennen.

Nu begint een jaar van ‘knokken’ en ‘inwortelen’. Stapsgewijs zien we hoe Nancho zich steeds beter alleen leert te redden. Aanvankelijk overwegen het heimwee en de eenzaamheid, ondanks de goede opvang door oom Papi en tante Rosa op Fleur de Marie, maar als blijkt dat hij niet bang is en recht door zee, beginnen de medeleerlingen hem te waarderen en krijgt hij enkele vrienden.

Langzaam leert hij minder op te zien tegen de zelfverzekerde Curacaose jongens, wier ‘moed’ vaak alleen maar aan de buitenkant zit, in veel bombastisch vertoon. Hier levert Diana Lebacs impliciet kritiek op het ‘verwende en rijke’ Curacao tegenover het ‘arme’ Bonaire. Als Nancho het eiland beter leert kennen, gaat hij het meer waarderen en raakt hij er ook beter thuis, en aan het eind laat hij zich door niemand meer op zijn kop zitten.

 

De structuur van het boek is sterk gesloten. Aan het begin staat: ‘Hier op Curacao, was hij voortaan Nancho Macares totdat hij zo ingeburgerd raakte dat ze hem misschien wel Nancho van Bonaire zouden noemen.’ Dit is aan het eind het geval, wat het teken van zijn inburgering is. Dan is het een jaar later en gaat hij zelf naar het Radulphuscollege om zich als eerste te laten inschrijven voor het nieuwe cursusjaar. Als je de zaken voor elkaar wilt hebben moet je ze zelf regelen en je niet verlaten op iemand anders!

 

De geschiedenis van Nancho vindt zijn parallel in die van Joao, de Portugees ijsverkoper, die ook ‘vreemdeling’ is op Curacao. Maar deze slaagt niet in het leven, omdat hij te bang is en niet voor zichzelf durft op te komen.

[p. 120]

Nancho, de jongen, maar met een sterk karakter moet hem, de volwassene, maar zwak, dan ook steeds helpen. De twee geschiedenissen zijn mooi verweven; inwortelen is afhankelijk van je durf te knokken.

 

Diana Lebacs zet met dit deel de serie overtuigend voort. Wie een vervolgserie wil schrijven, ondervindt daarbij de problematiek van het serie-boek dat ook zelfstandig gelezen moet kunnen worden. Simpel doorgaan waar je in het vorige deel gebleven bent, roept vraagtekens op bij wie de eerste delen niet kent; teveel herhalen wordt saai voor de anderen. Ze is erin geslaagd een aanvaardbaar gemiddelde te vinden, zodat dit boek als vervolg en zelfstandig gelezen kan worden.

Er wordt in dit deeltje niet meer zo nadrukkelijk geschreven ‘over oude gebruiken’ of ‘over zoals het toen was’. Het beeld van Curacao anno 1960 is meer verweven met de persoonlijke geschiedenis van Nancho, wat ik een aanmerkelijk winstpunt vind. Alleen hoofdstuk acht met zijn terugblik op de Curacaose geschiedenis voor en na de Shell staat te veel los van de rest van het verhaal, maar dit is de enige plaats waar de schrijfster zich tot een dergelijke uitweiding laat verleiden. Welke functie krijgt dit hoofdstuk met zijn verwijzing naar ‘mei 1969’ misschien nog voor het laatste deel uit de serie, want Diana Lebacs heeft met Nancho nog een heel eind te gaan voor hij zijn middelbare school diploma heeft en voor hij kapitein zal zijn.

 

Natuurlijk is het mogelijk ook kritiek op dit boek te hebben. Sommigen zullen hoofdstuk een, waar Nancho op school geweigerd wordt, ongeloofwaardig vinden, en het slot melodramatisch. Diana Lebacs maakt in het boek beide situaties literair aanvaardbaar door op het eerste achteraf door middel van verklaringen terug te komen en het slot het gehele boek door voor te bereiden in het steeds groter wordende ongeluk van Joao.

Dit soort literaire kunstgrepen brengt vaart en spanning in het werk.

Storend vind ik wel het vaak slordige taalgebruik. Het kost weinig moeite een lijstje aan te leggen van ongelukkig gebruikte uitdrukkingen en zelfs taal- en spelfouten: De wind bolde gul de zeilen; de multiculturele smeltkroes van mensen; een wagen, die rakelings wegreed; we zochten je rot; Curacaosche; zondagsche; enz. Een dergelijke kritiek is echter alleen nuttig en eerlijk, als we tegelijkertijd bedenken dat Diana Lebacs op dit moment op de Antillen jeugdliteratuur schrijft van een zodanig niveau dat ze met kop en schouders boven de anderen uitsteekt. Daarom is ook dit derde deel zonder meer een aanwinst voor de Nederlands-Antilliaanse jeugdliteratuur. Heel wat lezers van de hoogste klassen van de lagere school en de brugklassen van het voortgezet onderwijs zullen het ‘knokken’ en ‘inwortelen’ in een vreemde omgeving als een eigen strijd herkennen of met dit boek leren zien.

[p. 121]

Het vierde en laatste deel Nancho kapitein verscheen tenslotte in 1982

4.4. Diana Lebacs; Nancho-serie afgerond met Nancho kapitein

NANCHO KAPITEIN is een goede voortzetting van de eerdere delen, maar kan ook prima zelfstandig gelezen worden. Diana grijpt voortdurend even terug naar vorige delen, zodat de lezer die deze al gelezen heeft een geheugensteuntje krijgt, en de ‘nieuwe’ lezer even geïnformeerd wordt. Dit teruggrijpen heeft ook tot effect dat het deel echt als afsluiting ervaren wordt.

Het verhaal speelt zich in de jaren 1965 tot 1968 af, beurtelings op Curacao en Bonaire. Nancho zit in de examenklas van het Radulphus College en haalt zijn H.B.S.-B diploma. Maar hij kan niet zijn eigen en zijn vaders vurige wens om verder te studeren voor het kapiteinsdiploma verwezenlijken, omdat Curacao daarvoor nog geen opleiding heeft, ondanks jarenlange plannen. Nancho moet nu kiezen tussen een studie in het buitenland, i.c. Nederland en daardoor zijn vader nog langer alleen laten, of terugkeren naar Bonaire. Hij kiest het laatste als hij kans ziet een aardige baan bij de pas op Bonaire gevestigde Canadian Fish Company te krijgen. Hier werkt hij zich op en wordt een belangrijk man. Gedurende zijn werk volgt hij een opleiding tot stuurman en sleepbootkapitein, zodat hij wel niet op de grote vaart terecht komt, maar toch zijn eigen en zijn vaders idealen verwezenlijkt ziet.

Ik zal de inhoud niet verder vertellen. Die blijft voor de lezer, en wie het boek eenmaal in handen genomen heeft zal het niet wegleggen eer het uit is. Het is, evenals de vorige deeltjes, zeer vlot en onderhoudend, met heel wat afwisselende gebeurtenissen verteld. Maar ik wil wel wat kanttekeningen maken, omdat het verhaal gebeuren me niet geheel bevredigt.

Allereerst heeft de tijdsbehandeling me voor raadsels geplaatst. Aan het eind van het derde deel ging Nancho naar het Radulphus College. Dit laatste moest dus de Middelbare school èn daarna in zijn totaliteit behandelen, een veel groter tijdbestek dan de vorige delen. Diana Lebacs heeft dit opgelost door aan het begin Nancho direct in de examenklas te plaatsen en daarna flinke tijdverdichtingen te gebruiken: ‘een jaar later’ (tot twee keer toe).

Tot zover prima en een goede oplossing, maar de aandachtige lezer die aan het rekenen slaat zal in de war raken met de tijdsaanduidingen in de verschillende hoofdstukken. Het verhaal begint een paar weken vóór en óp Statuutdag 1965, een datum die uitgebreid genoemd wordt. Alfredo, de vader, constateert dan dat het Nancho's laatste studiejaar is, wat in een volgend hoofdstuk herhaald wordt.

Maar dan heeft er al eerder de zin gestaan: ...toen hij nog op Curacao op school ging... Een dergelijke formulering veronderstelt toch een niet meer op school zitten? Dan solliciteert Nancho naar de Canadian Fish Company en doet hij examen, wat dus in 1966 moet zijn. Het volgend hoofdstuk heeft dan wonderlijk genoeg ‘Bonaire 1966’. Een jaar later’, waarin verteld wordt over ‘dat jaar van nauwe, goede samenwerking’ met kapitein Glissant van de C.F.C. Dus 1967? Nee, volgens het boek is het nog steeds 1966, zoals uit de gehele rest van het verhaal blijkt. Ik heb de gegevens om dit raadsel te kunnen oplossen, niet gevonden. Het boek begint als Alfredo begin december 1965 vis aan het verkopen is op Curacao. Daarna volgen de gebeurtenissen op Statuutdag 1965.

[p. 122]

Als Nancho diezelfde avond aan zijn vader vertelt dat hij misschien naar het buitenland gaat om te studeren, is deze zo teleurgesteld dat hij zonder groeten wegvaart de andere dag. Na het examen haalt Alfredo zijn zoon die die dag zegt: ‘de laatste keer dat Alfredo hier was’... Zou deze een half jaar lang geen vis hebben geleverd? Alfredo haalt Nancho op voor een sollicitatiegesprek met directeur Massour van de C.F.C. op zaterdagmiddag. Het gesprek zal ‘morgenmiddag’ plaatsvinden; op zondag? Verderop in het verhaal blijkt dat Massour wel vaker in de weekeinden werkt, maar een schrijver zou de lezer toch even een reden moeten geven voor een zo ongebruikelijk tijdstip om te solliciteren.

Een schrijver stimuleert een lezer, ook een jeugdige, tot zelf denken en combineren, maar mag geen raadsels opgeven. Een lezer is geen helderziende.

 

Nu kan het bovenstaande lijken op Spijkers-op-laag-water-zoekerij, maar een verhaal moet duidelijk zijn tot in de details. En ik heb meer en belangrijker bedenkingen. Voortdurend wordt er gewezen op het belang van het terugkeren naar het eigen eiland om daar te werken en dat op te bouwen. Bonaireanen voelen zich ‘gastinwoners’ van Curacao en keren als het enigszins mogelijk is, terug. Ook Nancho keert terug en vervult op Bonaire een belangrijke functie. Hij is het helemaal eens met de gedachte om op eigen eiland te blijven en je erop te bezinnen wat je daar kunt bereiken. Maar aan het eind van het boek, als hij weer op Curacao is als sleepbootkapitein, is er van de hele eigen-eilandfilosofie kennelijk niets meer over. Het was er toch niet om begonnen Nancho alleen maar tot kapitein te maken, maar ook de ontwikkeling van Bonaire te schetsen? Dat doet Diana Lebacs in een ander verband wèl, maar aan het eind van het boek niet.

Bovendien, directeur Massour helpt Nancho op een zeer beslissend moment, erg belangrijk voor hem als persoon én voor het eiland Bonaire. Nancho doet examen en over diezelfde directeur lezen we geen woord meer. Hij wordt door Nancho kennelijk maar zo in de steek gelaten; en wordt althans niets over verteld. Nu is goed schrijven wèl de kunst van het weglaten, maar het mag geen verdonkeremanen van essentiële gegevens worden.

Het slot van het boek is m.i. een misser, ook omdat de verteller laat doorschemeren dat Nancho om persoonlijke redenen (de liefde voor een meisje) liever op Curacao zit dan op zijn geboorte-eiland. Het lijkt wel alsof Diana zo'n haast had het werk af te krijgen dat de laatste hoofdstukken wel erg kort werden gehouden, of was de door de uitgever toegestane ruimte op?

 

Naast de slordigheid in de tijdsbehandeling en in de presentatie van het thema vind ik nog een derde slordigheid in het taalgebruik. Diana neigt naar een storende clichématigheid in haar beeldspraak. Enkele voorbeelden:

‘... als door een pin gestoken...; wat zijn weerga niet kent...; door de Caribische zee omhelsd worden, ook al liggen ze ver...; de tijdloos ruisende branding...’ De presentatie van directeur Massour en dienst uitstapje naar Lac wordt haast karikaturaal. Zo beeldend als Diana de mensen van Bonaire en Curacao tekent, zo houterig doet ze dat met de niet-Antillianen. Wie zich al die jeugdboeken van Fabricius, Van Heerde, Robé en andere Nederlandse auteurs over de Antillen herinnert, waarin de Antilliaanse jeugd het domme of bijgelovige figurantenrolletje mocht spelen, kan hier een historische rechtvaardiging in zien, maar juist is het natuurlijk niet...

Tenslotte bevrijdt Diana Lebacs

[p. 123]

zich niet geheel van het ‘exotisme’ in haar beschrijvingen van bijvoorbeeld de visvrouwen en de tambú, wat blijkbaar onvermijdelijk is als je mede voor niet-Antilliaanse Kinderen schrijft:

‘De Curacaose visvrouwen kochten hun manden vol. Met schijnbaar gemak plantten ze die op een tulbandje boven op hun hoofd. Eén hand drukten ze fors in hun zij, terwijl ze met de andere de zware mand in bedwang hielden. In hun karakteristieke, wiegende gang schoven ze de kade af. Zo zacht als de alpargatas aan hun voeten over het asfalt schuurden, zo schril-hard klonken hun stemmen tot ver in de omtrek.’

 

In een interview met Jos de Roo in de Amigoe van 26 juni 1976 verzuchtte Diana Lebacs: ‘Wij Antilliaanse schrijvers moeten iets dubbel zo goed doen als anderen’, waarop het wel lijkt na deze kritiek. Daarom nu de andere kant, waar we na de korrels zout die ik net strooide een klomp goud vinden. Nancho kapitein is een sterk politiek boek geworden. Nancho wordt door de Bonaireaanse vissers een ‘witteboordzeeman’ genoemd. Hij combineert namelijk twee essentiële zaken in zijn persoon: studie en praktijkervaring. Door zijn vijf jaren H.B.S. is zijn taalgebruik veranderd, maar hij is zijn feeling voor de zee, geleerd bij zijn vader en de oude vissers, niet kwijt geraakt. Drie keer bewijst hij dat, waardoor hij een diep respect verwerft bij de vissers èn bij zijn trotse vader.

Aan het eind, en dat is heel zuiver gezien, toont de verteller dat ervaring belangrijker is dan theorie. De studie heeft Nancho niet als zovelen die naar het buitenland gingen, vervreemd van zijn eigen mensen. Hij blijft deel van hen uitmaken en laat iedereen in zijn eigen waarde. Omdat hij gestudeerd heeft kan hij belangrijke zaken ook met woorden behartigen, wat de pure praktijkmensen niet aandurven.

De partijpolitiek wordt getekend zoals ze zou moeten zijn in de figuur van gedeputeerde El Toro, de dynamische leider van de Jonge Progressieve Partij, waarvan vader Alfredo nog steeds een vurig aanhanger is. Moeder Maria is met het klimmen der jaren haar vroegere radicaliteit kwijtgeraakt. Nu Nancho volwassen is, raakt de moederfiguur op de achtergrond en krijgt de maatschappelijke rol die hij vervult groter nadruk.

In directeur Massour en dienst Canadian Fish Company wordt de ideale buitenlander en de ideale multinational getekend. Massour is solidair met de eilandbewoners tegen de steriele voorschriften van de Company in en werkt vanuit de compromisgedachte: werk voor veel mensen maar toch niet ten koste van de kleine zelfstandige. Tussen traditie en rationele technische vooruitgang hoeft er geen strijd te zijn, maar is er met een goed overleg plaats voor beide in het belang van het gehele eiland en àl zijn bewoners: ‘De oude vissers zijn de laatste traditionele vissers van dit eiland. Dat moeten we in ere trachten te houden.’

Rest me nog Nancho's liefde voor het meisje Danique te vermelden. Deze heeft dezelfde politieke ideeën als Nancho en symboliseert in haar afstamming een Antilliaanse eenheidsgedachte. Ze heeft een Arubaanse vader en een Curacaose moeder, maar ze houdt het meest van Bonaire, waar ze vijf jaar woonde. ‘Ik weet eigenlijk nooit precies wat ik ben. Op Aruba zeggen ze nadrukkelijk: ‘Je moeder is van Curacao’ Maar hier op Curacao zeggen ze dan weer: ‘O, die is zeker van Aruba. Kijk maar naar haar Indiaans uiterlijk’.

‘Eh wat zeggen ze op Bonaire?’ ‘Hee, nou ik er goed over nadenk viel ik daar helmaal niet eens op. Er werd tenminste nooit iets

[p. 124]

gevraagd.’

Nancho is verliefd op de Benedenwinden als eenheid...

 

Het is verleidelijk om, nu de serie Nancho-boeken compleet is, even op alle vier terug te kijken. De grootmoeder Ma Chichi, ‘een pikzwarte magere, maar taaie vrouw’, wekte in haar jeugd de begeerte op van de rijke eigenaar van de aloëplantage waar ze werkte, Sjon Herman, en Maria de dochter uit deze verbintenis. Ze wordt opgevoed bij Sjon Hermans rijke familieleden op Aruba. Zij erft tenslotte alles van haar vader, maar uit trots doet ze ‘waardig en vrijwillig’ afstand van haar erfenis, waarna ze naar Rincon op Bonaire teruggaat. Ze trouwt er met de onafhankelijke zeeman Alfredo. Maria beslist zelf als het huis verwoest wordt in een orkaan en een nieuw gebouwd moet worden; zij beslist over Nancho's studie. Alfredo bouwt zijn boot beter en sneller dan de traditionele Bonaireaanse vissersboten, en is ook politiek progressief. Door hun vasthoudendheid bereiken ze ondanks allerlei tegenwerking dat wat ze willen.

Zo stamt Nancho uit een familie van sterke, onverzettelijke karakters, die niet voor tegenspoed wijken. Mensen die hun eigen gang durven gaan en van traditie-om-de-traditie durven afwijken, als het nieuwe volgens hen beter is.

In Nancho zien we wat werkelijke onafhankelijkheid inhoudt. Een moeizaam verworven bezit, maar kostbaar.

De driftige, onbezonnen NANCHO VAN BONAIRE, de verlegen NANCHO NIEMAND, is via vaders lessen toen hij NANCHO MATROOS was, de rustige zelfverzekerde, volwassen NANCHO KAPITEIN geworden.

De rode draad die door alle vier boeken loopt is dat Nancho openstaat voor vernieuwing, met respect voor de traditie, waardoor hij een ontwikkeling belichaamt, die exemplarisch is voor de weg die Bonaire en de Nederlandse Antillen moeten gaan.

[p. 125]

5. Over Suikerriet Rosy

De s