terug  begin  verderprepost
[p. 141]

Hoofdstuk 6. Vier debutanten

1.Desiree Correa
1.1.Bio- en bibliografie
1.2.Over Mosa's eiland
2.Josette Daal
3.Frances Kelly
4.Richard Piternella
‘Ik geloof dat het culturele nationalisme op Aruba uiteindelijk een sterkere kracht is dan het politieke. De kunstenaars richten zich op de eigen omgeving en zijn voor hun inspiratie niet meer afhankelijk van gebeurtenissen buiten het eiland. Bij de politici vraag ik me wel eens af, of er wel ooit een politiek nationalisme ontstaan zou zijn, als Curacao er niet geweest was. Terwijl de politici zich laten obsederen door de fouten die Curacao maakt, richten de kunstenaars hun aandacht op de wantoestanden op Aruba zelf. Ze lichten hun eigen maatschappij kritisch door. De nieuwe uitgeverij Charuba wil zelfs voornamelijk werk uitgeven, dat de Arubaanse jeugd kritisch tegen de eigen maatschappij leert aankijken.’

(Jos de Roo in Trouw 12 juli 1984)
[p. 142]

1. Desiree Correa

1.1. Bio- en bibliografie

Desiree Clotilde Correa (Daisy) werd op 20 oktober 1953 geboren op Aruba. Na haar opleiding aan de Arubaanse Pedagogische Akademie was zij enkele jaren werkzaam aan het Maria-College, afdeling E.T.A.O., als lerares Spaans en sinds augustus 1984 werkt ze op Sint-Maarten, ook in het onderwijs, waar ze op het Milton Peters College, afdeling Mavo, opnieuw Spaans geeft. Op Aruba heeft ze een groot gedeelte van haar vrije tijd besteed aan kindertoneel; haar kindertoneelgroep Chi-ku-cha heeft gedurende vijf jaar heel wat stukken op de planken gebracht.

In 1979 organiseerde het Cultureel Centrum Aruba voor het eerst een ‘Festival di Teatro Juvenil’ (een jeugdtoneelfestival), waaraan naast tien andere groepen ook het Arubaanse Jongens en Meisjes Gilde (A.J.M.G.) deelnam met een stuk E kiniki (= de knikker), dat geschreven werd door de Arubaanse auteur Ernesto Rosenstand en geregisseerd door Ana Tromp, die het district Noord vertegenwoordigde, en Desiree Correa voor Oranjestad. Elk van de zes Arubaanse districten deed mee in dit gezamenlijke stuk van zang, muziek, dans en toneelspel.

Het stuk werd een succes, zodat men het jaar erop, tijdens het tweede festival een nieuw toneelstuk presenteerde Hopi scuma,... poco chocolate (= veel geschreeuw en weinig wol), ditmaal onder de naam van Grupo Chi-ku-cha. Dit stuk werd na het festival nog veel gespeeld bij allerlei gelegenheden over het hele eiland, in de diverse bario's.

De groep Chi-ku-cha was onder regie van Desiree Correa elk jaar tot 1983 vertegenwoordigd op het Festival di Teatro Juvenil.

De opzet was steeds om zo weinig mogelijk decor te gebruiken en te spelen zonder allerlei speciale belichtingseffecten, die in Cas di Cultura natuurlijk wel mogelijk zijnmaar op de eenvoudige podia in de bario's niet. Ernesto Rosenstand leverde steeds een ruwe tekst, waarover gediscussieerd werd, om zo samen tot een definitieve afspraak voor de wijze van presentatie te komen.

Desiree schreef zelf ook enkele stukken die tot nu toe niet zijn opgevoerd of uitgegeven. In twee ervan kreeg ik inzage. Om een indruk te geven van de onderwerpen waarover Desiree Correa in deze tijd voor kinderen schreef, geef ik de inhoud kort weer.

In het korte E portret (= Het portret, de foto) vindt een Indiaanse man, een van onze verre voorouders, een spiegel - iets wat hij tot nu toe nooit eerder gezien had - en denkt dat zijn vader teruggekeerd is. Een Indiaanse vrouw die ook in de spiegel kijkt ziet alleen een erg lelijke vrouw... Ze maken ruzie over wat het portret voorstelt tot de ‘bruho’ (= medicijnman, waarzegger) komt die in de spiegel kijkt en daarin de almachtige god Boratio denkt te zien...

Geestig steekt Desiree Correa hier de draak met het verheven Indianenverleden waar de Arubaan zich op beroemt en op de mens die zonder zelfkennis is.

Een tweede stuk zonder titel vertelt over verwende Carolina die haar speelgoedbeesten en poppen slecht behandelt. In haar droom wordt ze door haar speelgoed meegenomen naar de koning van Popchilandia die haar ernstig terechtwijst. Als Carolina wakker wordt weet ze dat ze haar speelgoed voortaan beter zal behandelen. Een traditioneel gegeven.

[p. 143]

De kindertoneelstukjes die Desiree Correa schreef en regisseerde zijn alle in het Papiamento, de taal die ze dagelijks gebruikte tot ze naar Sint-Maarten ging, waar ze nu Engels spreekt tegen haar twee kinderen. Maar van huis uit is ze eigenlijk Spaanstalig - dat is de taal van haar moeder, haar moedertaal.

Toen in Venezuela een workshop werd georganiseerd, waarop het hele proces hoe een kinderboek tot stand komt, behandeld zou worden, kreeg Desiree Correa een beurs van Aruba - samen met twee anderen - en kwam zo in de gelegenheid een maand intenstief in Caracas te werken.

In die volledige cursus om een kinderboek te maken, moesten er natuurlijk eerst manuscripten komen; dat was de eerste opdracht aan de deelnemers.

Desiree's verhaal Elefina Elefante werd uitgeroepen tot het beste manuscript van de cursus; een Surinaamse deelnemer maakte de beste illustraties, en zo kwam tijdens de workshop Desiree Correa's Spaanse kinderboek Elefina Elefante in 1980 in een oplage van duizend exemplaren van de pers en werd in Venezolaanse basisscholen verspreid. Een succes story!

De professor die het project begeleidde vroeg om meer werk van Desiree, dat ze beloofde te sturen. Ze schreef drie verhalen, die evenwel zijn weggeraakt op hun weg van het op Aruba gevestigde Centro Bolivar y Bello naar Caracas. En Desiree had geen fotocopie laten maken of een doorslag!

Eén van die verhalen, herinnert ze zich, ging over een paar ‘alpar-gatas’ (= sandalen) die meedoen aan het Arubaanse carnaval. Ze stoten tegen allerlei lege flessen en worden moe... Eigenlijk is het verhaal een protest tegen dronkenschap tijdens het carnavalsfeest.

Het tweede was een heel sentimenteel verhaaltje over een Indiaanse Arubaan die verliefd raakte op een prinsesje van de Overkant (Venezuela). En een kleine kano is een riskant vaartuigje om elkaar te ontmoeten!

Het derde tenslotte heette ‘Ik neem afscheid’ - een kind verlaat de lagere school en moet van haar eiland af om voortgezet onderwijs te kunnen volgen. Ik heb hierbij, zegt Desiree, aan Saba gedacht waar kinderen al zo jong uit huis moeten voor hun studie.

Maar ja, alle drie verhalen zijn definitief weg! Deze Spaanse verhalen waren eigenlijk wel de aanleiding om in het Nederlands te gaan schrijven. Toen Miep Diekmann op Aruba was, bracht Philomena Wong, die gedichten schrijft, Desiree met haar in aanraking. Desiree liep toen al een tijd rond met het idee voor Mosa's eiland voor de jeugd, maar ze wist niet hoe ze de compositie van een uitgebreide jeugdroman moest aanpakken.

Miep Diekmann gaf toen de raad het verhaal aan de bandrecorder te vertellen. Zo heeft Desiree heel wat cassettes volgesproken - het was praten, praten, praten ... in het Nederlands, de taal die ze via haar schoolopleiding en haar lespraktijk natuurlijk ook beheerst. Nadat Desiree zo haar verhaal verteld had, heeft ze alles uitgetypt en in compositie gebracht, tot op deze manier Mosa's eiland ontstond. Ook Sonia Garmers begon op die manier te schrijven, toen ze Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter op de recorder insprak; alleen werkte zij nog met de tussenstap Papiamento. - Nederlands, wat dus nog een stapje ingewikkelder was dan bij Daisy.

 

Op het door Hedi Verhaar getekende omslag van Mosa's eiland zit een klein meisje op een grote steen, triest en eenzaam voor zich uit te staren in een nagenoeg leeg en kaal heuvellandschap, met in de verte een paar cunucu-huisjes, enkele cactussen en de zee. Desiree vertelt over haar boek, het eerste Nederlandstalige jeugdboek dat er op Aruba geschreven werd, in een interview op

[p. 144]

21 februari 1984.

‘Het verhaal over Mosa bevat eigen, persoonlijke ervaringen, maar gaat ook over wat ik van mijn leerlingen op de E.T.A.O.-school waar ik lerares Spaans ben, hoor over hun leef- en denkwereld en hun situaties. Mosa's eiland gaat eigenlijk over het Caraïbisch gezinspatroon, over de rol van de centrale, dominerende moeder in het gezin.
Op Aruba is de moeder veel belangrijker dan de vader. De laatste brengt wel geld in en is in naam wel machtig in huis, sterk, streng en soms zelfs tiranniek, maar de kinderen hebben meer contact met de moeder (of de grootmoeder). Haar “nee” is “nee”; zij bepaalt wat er gebeurt, maar zij is ook de vertrouwensfiguur bij wie alle problemen terechtkomen. Zij geeft raad en troost; zij is centrum en spil om wie het gezinsleven draait.
Ik heb geprobeerd om direct herkenbare elementen in mijn verhaal te verwerken, specifiek Arubaanse uitdrukkingen en iets van onze folklore en tradities, die toch weer anders zijn dan op Bonaire en Curacao. Ik wilde realistisch blijven; wat me het meeste bevalt, achteraf, is de eerlijkheid waarmee ik Mosa's eiland geschreven heb.
Mosa's eiland gaat over het eiland Aruba, maar je kunt de titel ook symbolisch interpreteren: het eiland als beeld van isolement. Door haar ervaringen komt Mosa terecht op een “eilandje van eenzaamheid”. “Mosa” betekent “meisje” en draagt zo de idee uit dat niet alleen de ervaringen van één individu beschreven worden, maar ook van opgroeiende meisjes in het algemeen. Maar het is niet een typisch meisjesboek geworden, ondanks de vrouwelijke hoofdfiguur. De gezinssituatie die ik beschrijf is net zo goed een probleem voor jongens. Een jongen zou even hard huilen als hij ziet hoe het gezin uit elkaar spat...
Ik wil met mijn boek bereiken dat de lezers ons leren begrijpen, maar ook dat jongens en meisjes van Aruba zich kunnen herkennen en identificeren in en met wat ik beschrijf.
We hebben zo weinig eigen schrijvers; er zijn geen Arubaanse jeugdboeken. Curacao heeft wel eigen schrijvers, maar Aruba is toch weer anders. Er leeft hier zo veel onder de jeugd. Daar liep ik al zo lang over te denken en daar wilde ik over schrijven.
Samen met een groep anderen had ik al een methode Spaans gemaakt, die op de basisschool algemeen gebruikt wordt. Toen ik op de Pedagogische Akademie studeerde, vond ik het al leuk om opstellen in het Nederlands te schrijven. Maar ik was toch een beetje bang om in die taal te beginnen, tot Miep Diekmann me een push gaf en ik eindelijk durfde. Wij durven vaak zo weinig!
Ik zal Mosa's eiland zelf in het Papiamento vertalen, waarna het ook in die taal door Charuba zal worden uitgebracht. Daarnaast heb ik plannen om door te gaan, onder andere met een verhaal in het Spaans voor kinderen van de zesde klas en een verhalenbundel in het Papiamento.
Nu is het eerste boek er, maar ik laat het niet dopen hoor! Ik gooi er geen fles champagne ovrheen, zoals ze dat hier altijd doen met nieuwe grammofoonplaten en zo!’

Wie de indruk mocht hebben dat het allemaal nogal zwaar en somber toegaat in Mosa's eiland, zou Desiree Correa zélf moeten leren kennen: vlot, goedlachs, direct in haar reacties en commentaren, en heel humoristisch. Ze is fel en overtuigend in haar betoog, ernstig en vrolijk.

 

Bijna twee jaar later praat ik

[p. 145]

opnieuw met de auteur, namelijk op 30 december 1985, als ze een paar weken van Sint-Maarten op vakantie naar Aruba gekomen is en met haar twee kinderen bij haar moeder logeert.

‘Het volgende boek wordt toch weer Nederlandstalig. Het thema is al aanwezig. Het boek zal gaan over de eigen identiteit, in verband met de Status Aparte van Aruba per 1 januari 1986: Wie ben ik? Wat ben ik? Wat wil ik? Ik houd van mijn eiland en wat gaat er nu gebeuren? Veel ex-leerlingen zeggen tegen me: “Juf, ik weet het niet, wat gaat er met ons gebeuren?” Dat wil ik behandelen. Ik doe zo een heel zakelijke keuze om tot een onderwerp te komen, dat volgens mij van maatschappelijk belang is.
Papa is geel (de kleur van een bepaalde politieke partij) en dus hoor je als jongere ook geel te zijn? De jeugd komt in opstand tegen de tradities, zoals bijvoorbeeld de laatste tijd zoveel jongeren die in het buitenland hebben gestudeerd terugkomen met andere gewoontes en andere waarden. Schrijven is emotioneel en rationeel beide! Ik wil zo schrijven dat mijn ideeën duidelijk naar voren komen, ik mag niet te ingewikkeld te werk gaan, maar het moet èn niet saai, leesbaar, èn niet vaag zijn. Maar dat is de techniek van de compositie.
Ik wil voorlopig in het Nederlands doorgaan. Wat ik in het Spaans geschreven heb, ik heb enkele stukken en ook wat poëzie, wil Charuba niet. En mijn werk in eigen beheer uitgeven, dat kan ik niet betalen. Het gouvernement geeft geen steun.
Laten we eerlijk zijn, een auteur wil gelezen worden, hij zoekt een afzetgebied. De laatste tijd wordt er op Aruba gelukkig meer gelezen, maar nog steeds geen Papiamentstalige boeken. Kinderen lezen liever Nederlands dan Papiamento, als je het ze vraagt.
Dat is omdat boeken lezen verplicht is, en de school heeft de kinderen geïndoctrineerd om in het Nederlands te lezen. Nu doen ze het ook voor hun romannetjes uit de Boeketreeks voor hun ontspanning. Het Papiamento kòmt wel, maar het is nog niet zo ver!
Als ik in het Papiamento schrijf, werk ik veel te slordig - in spelling en in woordkeus. Gemakshalve gooi ik er maar Spaanse woorden doorheen als me geen Papiamento te binen schiet. Toneel wordt gespeeld - een gebaar zegt al heel veel soms, maar in een verhaal moet je alles nauwkeurig beschrijven. Die discipline mis ik in het Papiamento. Omdat ik van huis uit Spaans spreek, komen de woorden in die taal het gemakkelijkst. Voor het Nederlands heb ik daarom nog wel eens een woordenboek Spaans-Nederlands nodig. Emotie geef ik het best in het Spaans weer; dat is in het Nederlands het moeilijkst. Ik schrijf het Nederlands zoals we het hier gebruiken, vooral in de dialogen. “I do it the way they do it!”
Ik vind het heerlijk om een blanco blad papier voor me te hebben en om me helemaal te kunnen uitschrijven. Papier is geduldig. Ik schrijf altijd, ik houd niet van typen. Als ik typ, heb ik het idee: dat zijn mijn woorden niet. Aan mijn handschrift kun je zien of ik op dat moment kwaad ben of triest bijvoorbeeld; mijn letters gaan mee met mijn gevoelens.
Ik schrijf - lees - herschrijf herlees... Als het naar mijn idee af is en ik heb het netjes geschreven, dan laat ik het liever door iemand anders uittikken. Anders komt er nooit een einde aan.
Soms ben ik jaloers op iemand die full time auteur kan zijn; dat zou ik ook willen!’
[p. 146]
‘Ik begin altijd met een idee - dat is bijvoorbeeld niet meer dan een bepaald zinnetje. Dat roept associaties op, die je allemaal verzamelt en in je hoofd opbergt. Ik zoek kranteknipsels over mijn onderwerp, ik lees boeken die in relatie staan tot het thema, ik hoor soms dingen op straat in gesprekken tussen en met mensen. In mijn lespraktijk zie ik ook veel en hoor ik heel wat van mijn leerlingen: op Aruba acht jaar lang en nu op Sint-Maarten ook al weer ruim een jaar.
Van al dat materiaal maak ik aantekeningen in schriften. Ik had op een gegeven moment zo'n drie schriften vol.
Dan probeer ik het verhaal in te delen. Er gebeurt heel wat met het materiaal, omdat ik nu moet zien hoe ik de gegevens met elkaar kan verbinden. Wat hebben alle notities met elkaar te maken? Wat moet er beslist in en wat laat ik achteraf toch maar liever weg? Het verhaal moet voldoende actie hebben, het mag niet saai worden.
Hoe ga ik van het ene hoofdstuk naar het volgende, zodat er uit al die losse gegevens één verhaal ontstaat? Ik ga mijn ideeënvoorraad in een schema plaatsen om de grote lijn van het verhaal te pakken te krijgen. Bij al die ideeën maak ik mijn figuren. Als ik het idee heb dat iemand op een bepaalde onbeschofte manier moet handelen, dan geef ik hem een agressief karakter. Ik maak die figuur zoals ik hem wil hebben, zodat hij in mijn verhaal past.
De volgende stap is een duidelijk ingedeeld schema te maken met een hoofdstukindeling. Ik weet mijn figuren en kijk wat er gaat gebeuren in elk hoofdstuk. Ik bekijk de korte inhoud ervan, de overgangen, de climax, de rustpauzes... Zo heb ik mijn boek in gedachten al nagenoeg klaar. Maar dan komt het beschrijven van die grote lijn en dan moet je letten op de kleinigheden en kijken wat er allemaal gebeurt met de figuren. Iemand komt niet zomaar ergens, hij komt ergens vandaan. Om tot een bepaalde situatie te geraken zijn er allerlei kleinigheden nodig in de handeling, die je alle moet beschrijven als ze voor het verhaal nodig zijn. Met andere woorden: wat beschrijf je en wat laat je weg, wat laat je over aan de fantasie van de lezer?’

‘Ik merk dat er niet meer dan oppervlakkige verschillen zijn tussen kinderen van de Benedenwinden en de Bovenwinden. De laatsten lijken mondiger, de eersten van Aruba wat geremder, maar ook beschaafder aan de oppervlakte. Toch zie ik typerende handelingen van Antilliaanse kinderen gezamenlijk en die beschrijf ik in mijn werk.
Kinderen vragen me wel eens of ik er lang over doe om een boek te schrijven. Je hebt drie jaar een idee, waarmee je rond blijft lopen, maar dat je dan in één maand opschrijft.
Als je in principe weet wat je wilt gaan doen, dan moet je realistisch blijven en vooral eerlijk tegenover jezelf.’
[p. 147]

1.2. Over Mosa's eiland

Een dochter als ouderdomspensioen; Eerste jeugdboek van Aruba

De ouders van de zesjarige Mosa Fingal en haar vier jaar oudere zuster Milva hebben vaak ruzie. Dat sleept zich een aantal jaren voort met ‘gillen’, ‘schreeuwen’, en zelfs handgemeen, tot moeder Sarita het niet langer neemt dat vader Carlos zo handelt en er een vriendin op nahoudt, en wegloopt naar familie op het zustereiland Curacao. Nu worden de kinderen door de autoritaire vader ‘opgevoed’; dat wil zeggen dat ze het materieel goed hebben, maar er is geen enkel warm persoonlijk contact. Vader wil Mosa zelfs chanteren om er achter te komen wat moeder op Curacao doet. Daarom gaat Mosa uit afweer steeds meer snoepen in het winkeltje van grootmoeder Chana, en wordt ze ontzettend dik, waarmee ze geplaagd wordt, bijvoorbeeld als ze in het ziekenhuis ligt voor een operatie aan de amandelen.

Als moeder terugkomt en bij grootmoeder gaat inwonen, lopen Mosa en Milva weg van hun vader met zijn grote luxe-huis en gaan ze naar het kleine huisje van oma en hun moeder, die daar niet zo blij mee is omdat ze bang is voor de reactie van haar man. Die probeert de kinderen onder morele druk te zetten door de zielige figuur te spelen. Moeder zoekt werk, ze laat zich scheiden ondanks de protesten van de familie, en gaat haar eigen gang. Ze hebben het een tijd goed samen. Mosa wordt groter, slanker, ze menstrueert voor het eerst als ze dertien is (het eerste hoofdstuk!), ze snoept niet meer.

Maar dan krijgt moeder een vriend, waardoor ze in Mosa's ogen helemaal verandert, en beginnen de problemen opnieuw. Na enkele ruzies met vriend George blijft deze weg en is moeder alleen, wat haar geen goed doet; ze is er echt verdrietig van. Vader woont samen en trouwt later met Susana die helemaal niet goed met de meisjes overweg kan. Maar Mosa kan nu wel wat beter met vader opschieten. Ze gaat op de mavo over met heel goede cijfers en krijgt daarvoor nogal wat geld van de familie. Ze spaart vlijtig, maar raakt het grootste deel kwijt door het aan haar moeder die er de telefoonrekening mee moet betalen, te geven, te ‘lenen’. Ze heeft immers een ‘Belofte’ gedaan haar moeder altijd te helpen? Daarom gaat Mosa ook proberen George te vragen om terug te komen, maar die blijkt al weer een andere vriendin te hebben. Mosa probeert meer geld te krijgen via een vakantie-job, waarbij ze de handtastelijke baas trotseert. Nadat ze haar mavo-diploma heeft, gaat ze naar de derde klas havo van het Colegio. Ze heeft geen geld om haar boeken te kopen, maar vraagt om een overheidssubsidie, waardoor haar vader weer beledigd is, dat zijn dochter gaat ‘bedelen’. Maar Mosa leert voor haar eigen zaken op te komen! Ze wordt zelfstandig.

Vader raakt in financiële problemen door de economische recessie en wil naar Sint-Maarten verhuizen. Hij wil dat Milva - die nu werk heeft - de alimentatiezorg op zich neemt, maar deze weigert woedend. Mosa moet opnieuw voor de financiële problemen van het gezin opdraaien; ze werkt 's middags, 's avonds en in het week-end. En daartussen door maakt ze haar huiswerk voor het Colegio!

Maar ze wordt geen ‘hoer’, zoals haar vader haar steeds voorspelde, terwijl ze via het werk in het hotel toch makkelijk de kans krijgt om veel geld te verdienen op deze manier; bijvoorbeeld via de Engelse toerist Charly.

[p. 148]

Maar Europa, waar Charly haar mee naar toe wil nemen, is ook niets voor een meisje van Aruba in verband met de toenemende discriminatie daar.

Zij zit op haar eilandje waar ze niet afkan. Ze zit in de zorgen om geld, dat steeds voor haar moeder is, die steeds weer en meer vraagt...(om er een paar maanden later een auto van te kopen...) Mosa zit muurvast en kan geen kant meer op!

 

Als het verhaal begint is Mosa dertien jaar en wordt ze voor de eerste keer ongesteld. De vier hierop volgende hoofdstukken behandelen in flash back wat vooraf ging, tot in het zesde hoofdstuk de vertelde tijd enkele maanden na hoofdstuk een is. De overige hoofdstukken beschrijven de ontwikkelingen daarna in chronologische volgorde tot Mosa ongeveer zeventien jaar is. De leeftijd is niet precies op te maken. Door het naar voren halen van Mosa op haar dertiende jaar wordt de gezinssituatie van de ‘familie’ Fingal direct duidelijk neergezet: vader weg, moeder en oma met de volwassen (wordende) dochters, het zich hulpeloos voelende, onnozele, onwetende meisje dat door niemand geholpen wordt.

De verste flash back gaat terug tot Mosa zes jaar oud was. Ze mocht ‘strooimeisje’ zijn op de bruiloft van haar schooljuffrouw; als ze blij thuis komt barst de eerste ruzie tussen vader en moeder los omdat het eten niet op tijd op tafel staat. Een tweede herinnering aan haar zesde jaar is die van een door haar vader zelf toegediende injectie, die infectie veroorzaakt. Mosa houdt er een steeds terugkerende angstdroom aan over (p. 35), die echter in het verhaal niet wordt uitgewerkt. De verste flash backs zijn dus beide sterk negatief geladen!

De ruzies blijven aanhouden: flash back van Mosa op haar achtste jaar toen vader zijn vrouw wilde slaan. Als Mosa tien is, gaat de moeder weg; daarna leven Mosa en Milva ongeveer een jaar bij hun vader; als Mosa twaalf is komt moeder terug. Op haar dertiende wordt de echtscheiding uitgesproken. De flash back laat dus de verwijdering tussen vader en moeder Fingal zien, die aan het begin van het verhaal al een feit is. De nog hulpeloze dertienjarige is aan het eind een zeventienjarige, die dan echter nog net zo in de knoei zit; nu niet meer door de ruzie, maar door de tirannieke houding van de moeder. Het verhaal is nogal fragmentarisch, als via een collagetechniek, een aaneenrijging van losse stukjes opgebouwd. Tussen deze uitvoering vertelde episoden springt de tijd soms in een keer maanden of meer vooruit. Dat geeft het verhaal tempo, maar ook iets brokkeligs. De stukjes worden via herhalingen en een zekere cyclische bouw toch weer verbonden met elkaar (wat ik nog zal aantonen).

Soms kwam ik niet helemaal uit de gegeven aanduidingen. Twee voorbeelden. Mosa is dertien jaar, Milva vier jaar ouder en dus zeventien. Vader en moeder zijn drie jaar gescheiden, maar op p. 15 staat dan: ‘Milva, luister nou even. Toen papa bij ons weg ging, was jij bijna net zo oud als ik nu.’ Afgezien van het feit dat niet ‘papa’ wegging, maar ‘mama’ wegliep en later de kinderen, klopt het niet: Milva moet toen juist een jaar ouder zijn geweest dan Mosa nu is. Op bladzijde zeventien is het vrijdag over welke dag heel uitvoerig wordt verteld op p. 18, 19, 20 en 21. Maar daar staat plotseling dat het ‘vandaag’ zaterdag is. Dat kan niet.

Maar dit soort slordigheidjes zijn uitzondering. Ik heb er alleen nog een gevonden met een ‘auto’. Mosa's moeder heeft in hoofdstuk één een auto, maar op p. 152 (enkele jaren later dus)

[p. 149]

staat: ‘Had ik toen maar geweten dat mama een paar maanden later een auto zou kopen!’ Duidelijker zou geweest zijn: een nieuwe auto. Ook verder gezien is deze opmerking niet zo gelukkig, omdat ze suggereert dat als Mosa er achter komt dat moeder haar geld aan ‘luxe’ besteedt, ze niet meer financieel zal hoeven te steunen, terwijl het slot van het verhaal dat wel aangeeft: Mosa wordt uitgebuit en kan (financieel) geen kant op.

 

Dit ‘vastzitten’, dat in de titel Mosa's eiland gesuggereerd wordt, komt in het boek drie keer terug. ‘Ik stond daar alsof er een cirkel om me heen getrokken was waar ik niet uit kon. Een eigen eilandje, en ik kon er niet af.’ (p. 39) ‘Hier wilde ik blijven. Een muur om me heen. Een eilandje voormíj alleen. Niemand zou bij me kunnen komen. En ik zou naar niemand toegaan.’ (p. 64). Het zelf opgetrokken eilandje van ontoegankelijkheid en het eiland Aruba beletten samen elke ontsnappingsmogelijkheid uit Mosa's isolement. ‘Ik herinnerde me mijn cementblok: dat ik eens gewenst had dat dat mijn eilandje zou zijn.’ (p. 156) En een vlucht van het eiland naar Engeland wordt belet door de daar heersende discriminatie!

Vader verlaat zijn eiland en zijn verantwoordelijkheid, maar Mosa met haar Belofte kan geen kant op. Haar moeder tiranniseert haar en buit haar uit. Door de karaktertekening van de verschillende figuren zal ik proberen dit te verduidelijken.

 

Mosa Fingal is heel anders dan haar vier jaar oudere zus Milva. ‘Ik zat altijd met mijn neus in een boek, en mooie Milva met haar slanke figuurtje had een leven vol vriendinnen en vriendjes.’ (p. 31) Zij lijdt aan de verwijdering tussen vader Carlos en moeder Sarita; Milva is veel harder en weerbaarder.

Mosa probeert te overleven door te snoepen, waardoor ze dik en lelijk wordt.

Op de kritieke momenten in haar leventje valt ze steeds weer terug op haar snoeplust; als het beter gaat in het huiselijk verkeer verdwijnt de snoepmanie. Ze vlucht in het lezen van dierenverhalen; ze haalt op de mavo goede cijfers en gaat naar de havo.

Milva slaagt tot slot voor haar secretaresse-opleiding, maar heeft meer aandacht voor plezier dan voor leren. ‘Bij Milva zit het mooie aan de buitenkant. Bij Mosa zit het hier,’ zegt moeder over haar kinderen, en ze wijst daarbij op haar voorhoofd. (p. 82/83)

Doordat het verhaal in de ik-vorm geschreven is, leren we vooral Mosa goed kennen: op haar valt de volledige aandacht en door haar ogen zien we de anderen.

De vader wil de man zijn, de autoritaire figuur met gezag, dat hij echter lang niet waar kan maken. In Mosa's ogen valt hij regelmatig door de mand, tot ze tenslotte zelfs een beetje medelijden met hem krijgt.

‘Ineens kreeg ik medelijden met hem. Hij had het altijd goed gehad. Hij had altijd opgeschept over zijn mooie, grote huis en dure meubels, die hij uit Venezuela had laten overkomen.

Een dan zijn prachtige wagen... Ik vond het zo zielig voor vader. Zoals hij daar zat... zo oud... met die vreemde blik in zijn ogen...dik en bezweet. Hij kon het ook niet helpen dat het zo slecht met de zaak ging.’ (p. 146-147) En passant merken we op dat het bij de vader om uiterlijke, materiële zaken gaat, bij Mosa meer om het innerlijk.

In het begin hangt Mosa sterk aan haar moeder, die ze wil helpen in haar verdriet dat vader haar aandoet. Maar als moeder later een in haar ogen ‘domme’ vriend (George) zoekt, daarna steeds stuurser wordt en haar tenslotte financieel

[p. 150]

uitbuit en voor haar laat werken van de ochtend tot de avond en in het weekend, wordt ze steeds ongunstiger getekend tot het tot een complete ‘clash’ komt aan het einde. Mosa is tenslotte helemaal alleen: ze heeft geen contact met de harde Milva, vader is weg, moeder is een tiran, oma Chana komt steeds achteraf met haar wijsheden, op school is er ook geen begrip. ‘Mosa's eiland’ is aan het einde compleet...

Vijf figuren krijgen de volledige aandacht; de andere fungeren slechts als figurant. Desiree Correa heeft in haar debuut het zekere voor het onzekere genomen en weinig figuren goed uitgewerkt.

 

Het voor de eerste keer ongesteld worden met alle gevoelens van hulpeloosheid en onzekerheid die daar bij horen als je van toeten noch blazen weet, geeft vanaf het begin de positie van Mosa aan. Moeder schuift de voorlichting af op vader; die komt alleen met waarschuwende praatjes tegen jongens; het oudere zusje heeft geen tijd om het uit de doeken te doen; de verhalen op school maken je ook niet veel wijzer... Het is tenslotte de soeur die met behulp van een boekje Mosa wat wegwijs maakt. Mosa's onnozelheid wordt weerspiegeld in de onzekerheid van de moeder, die stiekem het boekje gaat lezen dat ze Mosa afpakt. ‘Misschien had mama nog nooit eerder zo'n boekje gezien. Misschien wist zij ook niet precies hoe het allemaal in elkaar zat, en kreeg ze nu pas de kans om zo'n boekje te bekijken. Misschien waren er vroeger niet van dat soort boekjes. Of misschien mocht mama toen ze een meisje was, die boekjes niet van háár ouders lezen.’ (p. 21)

Als het tussen de ouders niet goed gaat, worden de kinderen de dupe. Ze zitten tussen de strijdende partijen in, wat door de hoofdstuktitels: ‘Zíjn manier’, ‘Háár manier’ en ‘Hún manier’ nadrukkelijk naar voren komt. Mosa kiest aanvankelijk moeders kant, maar ze is toch onzeker. Milva verbergt haar ware gedachten door cynisme. Zo zien we dat kinderen verschillend reageren op gezinsmoeilijkheden. Door ‘slecht’ over de partner te praten, probeert men de kinderen aan de eigen zijde te krijgen. Beurtelings dingen de ouders om de gunst van hun kinderen door zielig of verdrietig te doen, wat Mosa compleet in verwarring brengt. Vader argumenteert: ‘Ze heeft haar kinderen in de steek gelaten, dus nu hebben jullie haar niet meer nodig. Begrepen? Jullie hebben het goed bij mij. Jullie hebben niemand anders nodig.’ (p. 43) En als de kinderen weggegaan zijn: ‘Of komen jullie terug?... Of komen jullie me een nieuwe teleurstelling in mijn leven bezorgen?

Ik heb er al zoveel gehad, ééntje meer of minder komt er niet op aan.’ (p. 52) En over de moeder: ‘Ik merkte dat mama strak keek. Ze lachte niet mee. Dat gebeurde nou altijd als vader een grapje maakte. Wanneer hij langs kwam, was ze wel in de kamer, maar ze deed nooit mee. Dan durfde ik verder ook geen grapjes meer te maken.’ (p. 91)

Kinderen kijken wel heel kritisch naar een tweede vader en moeder! George wordt met zijn kinderachtige geruzie om niets, iemand die koste wat kost zijn prestige wil handhaven. Susana wordt ‘die vrouw’ (p. 93) genoemd, die zich laat verwennen en erg onhartelijk en ongastvrij is.

De gezinsstructuur is bepaald door het autoriteitsbeginsel. De oma probeert te bazen over de moeder en is pas tevreden als ze haar gezag kan laten gelden. (zie bijv. p. 87!). De man denkt de baas te kunnen spelen. Hij meet zich vrijheden aan door uit te gaan, er vriendinnen op na te houden, hij ontloopt zijn verantwoordelijkheden. ‘Altijd was het weer de schuld van de vrouw. Als of een vrouw alleen de kinderen moest opvoeden. Een man hoefde alleen maar te bewijzen dat hij een man was.’ (p. 23)

[p. 151]

Kinderen moeten gehoorzamen, maar Milva heeft de zaak al gauw door! ‘Alle mannen zijn hetzelfde aan de binnenkant. Allemaal willen ze hetzelfde van een vrouw. En zij willen een vrouw commanderen. En een vrouw moet thuis blijven, maar zij mogen altijd de straat op. Er is geen man die van binnen anders is. Als dan hun buitenkant er leuk uitziet, kan je daar tenminste plezier aan beleven.’ (p .74)

De moeder ontpopt zich als een uit-buitster van haar kinderen. Haar Aan verlaat haar voor een vriendin, haar vriend laat haar in de steek voor een ander. Nu zullen haar kinderen niet aan haar gezag kunnen ontsnappen. Mosa voelt zich aan haar gebonden door haar Belofte: ‘Nooit zal ik mijn moeder in de steek laten. Ik zal haar nooit laten lijden, ze zal alles van me krijgen wat ze nodig heeft... niet alleen geld en kadootjes, maar ook liefde en alles wat vader haar nooit gegeven heeft. Nu ga ik haar vertroetelen. Nu wordt ze mijn kind.’ (p. 42)

Vrouwen hebben geen rechten, maar moeders zijn machtig tegenover hun kinderen. ‘Een dochter hoort voor haar moeder te zorgen. Wie anders? Daarom brengen moeders kinderen ter wereld, zodat die later voor hun moeders gaan zorgen. Jij moet mij alles geven wat ik nodig heb. Daarom studeer je verder. Daarom moet je later ook in het onderwijs gaan, om goed geld te verdienen...’ (p. 157)

Grootmoeder Chana en vader Carlos dreigen de dochters voortdurend dat ze als ‘hoer’ zullen eindigen. Een meisje moet thuis zijn, anders wordt over haar gekletst; ze moet haar goede naam zorgen te bewaren. Charly, de Engelse toerist vraagt: ‘...“ik zou zo graag meer van het eiland weten. Hoe Arubaanse meisjes zijn. Hoe een Arubaanse familie is. Denk je dat het vrijpostig is wanneer ik bij jou thuis op bezoek kom? Kan dat?” Ik moest het even werwerken. “Lieve jongen, dan ken je de moeders, grootmoeders en vaders van Aruba niet. Als ik thuis aankom met een vreemde, notabene een buitenlander... Het eiland is te klein, de mensen kletsen te veel. En wanneer jij weggaat blijf ik met een slechte naam achter.”’ (p. 154)

Maar intussen! De ambtenaren verkopen liever obsceniteiten aan de jonge Mosa, dan dat ze hun werk naar behoren doen; Shon Fresku maakt van zijn positie misbruik om de meisjes te dwingen; de Colegio-leerling Mirto begint al jong met zijn handtastelijkheden die niet gemeend zijn; de vader en George lopen van de een naar de ander ... De man met zijn ‘macho-gedrag’ komt er wel heel slecht af in dit boek, en niet alleen de oudere generatie!

Maar Mosa bezwijkt niet, hoewel ze het geld goed had kunnen gebruiken, hoewel anderen het wèl doen, hoewel het haar eenzamer maakt op haar eilandje...

Ze leert zich zelfstandiger op te stellen, maar dat is moeilijker dan de weg van de minste weerstand die uit toegeven zou bestaan...

 

Diana Lebacs schreef in haar jeugdroman Suikerriet Rosy dat een dochter betekent dat er ‘twee handen meer om te werken’ zijn (p. 28). Dit gegeven werkt Desiree Correa uitvoerig uit in haar debuut. De oma wil de moeder voor zich hebben, de moeder eist de dienstbaarheid van de dochter op: ‘... zo zijn alle moeders op de Antillen... hun dochters zijn hun ouderdomspensioen...’ (p. 87/88)

Mosa merkt dat opgroeien tot volwassenheid betekent dat je steeds meer wordt binnengetrokken in de problemen en tradities van de oudere generatie. Er zit een duidelijk cyclisch karakter in het werk: Moeder geeft geen sexuele voorlichting aan haar dochter omdat ze die zelf waarschijnlijk ook nooit gekregen heeft; de kinderen lopen naar hun moeder, zoals die op haar beurt naar haar moeder gegaan was; de jongens gedragen zich net zo tegen meisjes als de mannen

[p. 152]

tegen vrouwen; ‘Mama gaf Chana de schuld... ik gaf mama zo vaak de schuld... Als ik later kinderen had, zouden die mij dan ook de schuld geven? Zou het altijd zo doorgaan?’ (p. 88)

Mosa zit in het begin èn in het eind in de knoop. De cirkel van eenzaamheid, het eiland waarop Mosa zit, suggereren de onoplosbaarheid van het probleem:

‘Hoe moest het nu verder? Dat waren precies de woorden die Chana een paar jaar geleden tegen moeder had gezegd. Ik kon geen kant op.’ (p. 157)

Een vrouw heeft van het leven weinig te verwachten. De ‘machoman’ denkt aan zichzelf en bewijst zichzelf ten koste van de vrouw; zowel de oudere als de jongere. Als moeder kan de vrouw haar macht laten gelden op de dochter, wat in de boek van generatie op generatie doorgaat: oma Chana... moeder Sarita... dochter Mosa...

 

Desiree Correa vertelt haar verhaal in de ik-vorm, een niet zo vaak gebruikt procédé. Diana Lebacs en Sonia Garmers schrijven in de derde persoon vanuit een alwetend vertelperspectief.

Haar vertelwijze is afwisselend. Neem bijvoorbeeld het hoofdstuk ‘Hún manier’, dat uit zes korte ‘afleveringen’ bestaat om de geschiedenis van de scheiding even weer te geven. Als Mosa tevergeefs naar George is geweest, volgt een lange innerlijke monoloog die haar stemming over de mislukte tocht uitstekend suggereert: ‘Rot George, allemaal zijn schuld... rot straat... weer een gat in de stoep... en natuurlijk doet de lantaarn het niet... waarom zetten ze hier geen lampje bij ... rotbuurt... wel mooie huizen, maar de stoepen? ...rot George...’ Enz. (p. 106) Deze gedachtenstroom komt nog vaker voor op belangrijke plaatsen in het boek, bijv. aan het einde.

Desiree werkt kwistig met herhalingen en tegenstellingen. Als ze haar Belofte doet, is er sprake van een ezel: ‘Ia... ia... riep hij. Het klonk alsof hij ja... ja... riep.’ (p. 42). Deze komt op p. 98 terug: ‘Maar mijn Belofte dan? Die moest ik houden. Er was toen een ezel geweest, en die had nog wel ja-ja gezegd. Die had het gezien dat ik daar stond en plechtig beloofde...’ Deze herhaling vinden we ook op korte termijn. Vader wil een schuurtje bouwen voor zijn turntoestellen. Even later denkt Mosa: ‘Die heeft geen turntoestel nodig... Die blijft wel in training. Susana laat hem draven.’ (p. 116)

Dit soort herhalingen heeft een humoristisch effect evenals de tegenstelling: ‘Ja, zeker, twee vliegen in één klap. Maar ik voelde me als één vlieg, die twee klappen kreeg.’ (p. 150)

Desiree speelt met woorden en begrippen. Zie bijvoorbeeld in het begin de verschillende betekenissen van ‘ongesteld’ in ‘de minister is ongesteld...’ Een een laatste voorbeeld: ‘Hij dacht er niet aan om haar te slaan. Hij leek eerder zelf verslagen.’ (p. 38)

Soms doet dit wel gewild aan. Als Mosa denkt om op school te vragen wat ‘ongesteld zijn’ betekent, lezen we: ‘Maar in welke les heb jij het dan aan de zuster gevraagd? Onder rekenen? Want je zei: “Vier of vijf dagen, elke maand...”, dat wordt toch een rekensommetje? Of misschien onder godsdient. Want het is een zonde als je een baby krijgt, en je bent niet getrouwd.’ (p. 15/16)

Het is de humor die ook Sonia Garmers in Orkaan toepaste. Die grappigheid zit aan de oppervlakte; ze maakt het verhaal vlot en prettig leesbaar. Maar tussen de regels door, onder de oppervlakte, zit heel terloops steeds weer een pedagogische laag, waar Desiree Correa kritiek uitoefent, zonder dat ze het direct vermeldt. In de scène naar de ‘drive-in’ is dat bijvoorbeeld heel mooi uitgewerkt. Dit terloops kritische is een van de sterkste stijlmiddelen van dit boek!

Desiree Correa gebruikt nogal wat Antilliaans-Nederlandse woorden

[p. 153]

als porch, gedropt, kedsen, refresquería, toko, great, enz. Kotex is hier soortnaam voor maandverband. Ook in haar zinsbouw vaak Antilliaans-Nederlands; vooral in de directe rede; ik weet niet, gewoon...; ik ga het je uitleggen...; beter was hij naar mij toegekomen ...; die meisjes gaan hoeren worden...; enz.

De schrijfwijze suggereert vaak eerder een verteller die direct tot een luisteraar die aanwezig is praat, dan een schrijver die communiceert met een abstracte onbekende lezer. De verteller richt zich rechtstreeks tot de lezer in zinnetjes als: zo was mijn vader dus!; dik-zijn was altijd een teken van het goed hebben; (maar die is het haar nooit komen vertellen); en vele andere.

 

Mosa betekent niets anders an alleen maar ‘meisje’, maar het is een aardige coïncidentie dat Desiree Correa haar eerste Nederlandstalige jeugdroman van Aruba de naam geeft van de tot nu toe oudst bekende Arubaanse Nederlandstalige ‘dichteres’, die al in 1824 een gedicht publiceerde: Mosa Lampe! Maar dit gedichtje stelt niet veel voor, in tegenstelling tot Desiree's boek dat om een aantal redenen de moeite waard is. Dat is allereerst het onderwerp, waar ze indringend de verhouding kinderen - ouders, of nog scherper dochter - moeder naar voren komt. Ik ken geen tweede jeugdroman van hier waar dat zo haarscherp gebeurt. De Curacaose auteur Boeli van Leeuwen, schreef in De rots der struikeling: ‘Ouders krijgen geen kinderen, maar kinderen krijgen ouders: kinderen worden geboren in een bepaalde situatie, waar ze niet aan kunnen ontkomen.’ Desiree Correa laat zien hoe Mosa (en ook Milva enigszins) kind van de rekening wordt. De moeder presenteert voortdurend rekeningen die door de dochter vereffend moeten worden: ‘Het was een lopende band van rekeningen.’ (p. 152)

Er is wel eens beweerd dat de jeugdliteratuur ver achterloopt in ontwikkeling op de romans voor volwassenen, die een veel levensechter beeld zonder nadrukkelijke ‘goede afloop’ zouden presenteren.

Dan is hier een jeugdboek dat deze achterstand inhaalt want het ‘open einde’, door de lezer zelf in te vullen, spiegelt geen enkele vals-optimistische, onrealistische verwachting voor... Desiree Correa heeft het aangedurfd een brok authentieke levens-ervaring van mensen op te tekenen, zonder allerlei gewichtige ideeën, maar rechtstreeks uit een familie-situatie voortvloeiend. Ook dat is nieuw binnen de Antilliaanse jeugdliteratuur. Ze heeft dat in de ik-vorm gedaan, in een zeer gevarieerde stijl die veel humor verraadt.

Ik wees op het fragmentarisch karakter van de compositie, op enkele onjuistheden. De uitwerking zou in mijn ogen soms wat evenwichtiger gekund hebben; bijv. de ‘steeds terugkerende droom’ die niet voldoende aandacht krijgt in de compositie. Het belang van de openings-scène en de reden waarom deze zo naar voren gehaald is, buiten de chronologie om, zou via herhaling wat aannemelijker gemaakt kunnen zijn als zeer kritieke fase in Mosa's leven; nu lijkt ze slechts een blikvanger voor de aandacht van de lezer. De discriminatie in Engeland, waardoor Mosa niet van haar eiland af zou kunnen, is er bijgesleept en vindt geen voorafgaande allusies; dit had m.i. weggelaten moeten worden.

De tegenstellingen zijn wel eens gewild grappig of al te nadrukkelijk. Dat het wel ‘werkt’ voor de jeugd heb ik op het Colegio Arubano kunnen constateren, maar het gevaar dat het tot een maniertje wordt zit er in.

Maar dit zijn bezwaren van de volwassen lezer, waarmee je bij een boek voor de jeugd voorzichtig moet zijn; de eerste eist subtiliteit, waar de laatste duidelijkheid wil.

Een auteur bewijst echt auteur te zijn met een tweede boek.

Maar dat Desiree Correa nu in elk geval een debuut van formaat heeft gepresenteerd, kan niemand haar meer ontnemen!

[p. 154]

2. Josette Daal

Josette Daal (geboren in 1956 op Aruba) volgde aanvankelijk de opleiding tot kleuterleidster aan de Arubaanse Pedagogische Akademie, maar toen er na de afronding van die studie geen werk voor haar was - er was een overschot - is ze doorgegaan met haar studie aan de onderwijzersopleiding, waar ze in 1983 slaagde. Gedurende die laatste opleiding maakte ze grondig kennis met de kinderliteratuur tijdens de lessen, maar ook via een net in die tijd ontwikkeld initiatief om kinderboeken vanuit het Nederlands in het Papiamento te vertalen.

In het cursusjaar 1981/1982 besloten Joyce Pereira en Auke Vogelzang, respectievelijk docent Papiamento en Nederlands aan de Arubaanse Pedagogische Akademie, de programma's van hun vakken meer op elkaar af te stemmen. Zo werd het idee geboren om Nederlandstalige kinderboeken door de studenten in het Papiamento te laten vertalen, om ze zodoende intensief met beide talen bezig te laten zijn en het tekort aan Papiamentstalige kinderliteratuur een beetje te helpen opheffen. De directrice van de Openbare Bibliotheek, Alice van Romondt, opperde toen het plan deze vertalingen eventueel te laten drukken, omdat men net in die tijd bezig was met een compleet nieuw bibliotheekgebouw, waarin ook offset apparatuur zou komen voor dergelijke niet-commerciële cultureel belangrijke doeleinden.

De eerste groep examinandi die deze opdracht als werkstuk moest inleveren bestond uit Diana Britten, Josette de Cuba-Daal (inmiddels getrouwd), Silvio Rasmijn, Mayra Sno, Rina Tromp en Jeanet de Windt. Min of meer toevallig koos de groep voor het dunne boekje van Miep Diekmann: Nildo en de maan, om daarmee te beginnen; dat was in voldoende exemplaren aanwezig op dat moment.

In die zelfde tijd, vanaf 1980, begon Miep Diekmann regelmatig een paar maanden per jaar naar Aruba te komen om hier te werken. Toen ze in februari 1983 hier weer was, kwam zij met het idee de vertaling inderdaad te publiceren, maar dan officieel via een uitgeverij. De plannen voor de eigen uitgeverij Charuba hadden toen langzamerhand vaste vorm aangenomen, zodat al deze gebeurtenissen (toevallig?) in elkaar grepen. Doordat Miep Diekmann afzag van vertaalrechten was het initiatief ook financieel haalbaar.

 

In een interview op 18 februari 1984 vertelde de groep over de ervaringen.

‘In eerste instantie werd Nildo en de maan in zes “stukken” verdeeld, waarvan iedereen zijn deel vertaalde. Zo was het voldoende voor het examen-werkstuk, maar nu moesten deze vertalingen natuurlijk op elkaar worden afgestemd qua woordkeus, zinsbouw, spelling, enz. Met andere woorden: het taalgebruik moest consistent worden.’

Jeanet de Windt: ‘Al vertalend kwam ik erachter dat je niet zomaar een stukje kunt nemen uit een boek. Voor een goede vertaling moet het hele werk eerst grondig gekend worden.’

De groep praatte veel over de ervaringen en wisselde nu voortdurend gegevens uit; de publicatie dwong tot samenwerken om van de zes werkstukken een eenheid te maken.

Mayra Sno: ‘Vaak kun je ook niet te letterlijk vertalen; het moet goed en begrijpelijk Papiamento worden. Dat was wel heel moeilijk soms. Maar als je dan zo'n vertaald stukje voorleest aan kinderen, merk je hoe leuk ze het vinden over eigen situaties in de eigen taal te horen.’

De aanvankelijke bedoeling om uit collectief een vaste groep voor meer vertalingen te vormen is niet gelukt, al was de groep op dat moment wel enthousiast. Rina Tromp: ‘Eerst “moest” het als opdracht voor ons examen, maar als je bezig bent wordt het echt leuk. Je raakt thuis in de stijl en problematiek van een auteur,

[p. 155]

je doet iets aan je eigen taalontwikkeling en je maakt goed en aangepast materiaal voor je leerlingen.’

Maar na het slagen verlieten enkelen het eiland om elders te gan werken, zodat men het contact verloor. Maar op de A.P.A. ging men wijzer geworden door de ervaringen van het eerste, experimentele jaar door met een volgende examengroep. In het cursusjaar 1982/1983 vertaalde een ander collectief Miep Diekmann Shon Karkó en Padu is gek. Daarna werkte men met een volgende groep aan Jossy wordt een Indiaan, dat als tweede uitgave in 1985 werd gepubliceerd.

Docente Joyce Pereira: ‘Door de ervaringen van het begin zijn we nu heel anders gaan werken. Iedereen vertaalt het hele boek thuis, waarna we tijdens de les deze verschillende vertalingen bespreken. Eén persoon noteert de definitieve tekst, maar vóór die er is wordt er vaak heel wat gediscussieerd over allerlei grammaticale kwesties.’

Shon Karkó vertalen was voor de vijf studenten Charité Brion, Omayra Geerman, Debrah Gietel, Robert Klein en Myrilla Raven een moeizaam proces van woorden opzoeken, spellingsvoorschriften nakijken, zoeken naar de juiste equivalenten en een eenvoudige zinsbouw die voor jonge kinderen begrijpelijk is. Omdat het Papiamento nu nog in de beginfase van een officiële standaardisering verkeert, was deze discussie tijdrovend en intensief.

Tijdens een gesprek op 24 juni 1985 ziet de groep voor het eerst het resultaat van hun werk in boekvorm. Al bladerend in Jossy ta bira Indjan komen ze weer de discussiepunten tegen en de voor en tegens van bepaalde vertalingen, waaruit ik begrijp dat inderdaad zin voor zin en woord voor woord gewikt en gewogen werden. Hoe blijf je zo dicht mogelijk bij de tekst en geef je toch de sfeer weer, zodanig dat het ook nog lekker leest?

Op deze manier maak je wel heel diep kennis met de idiomatische karakteristieken van twee talen. Als Miep Diekmann ‘bons’ schrijft, wordt dat in het Papiamento ‘bragadam’, want in het Papiamento vallen de dingen nu eenmaal anders!

Joyce Pereira heeft inmiddels - medio 1986 - Shon Karkó nu volledig voor een uitgave in het najaar gereedgemaakt; Miep Diekmann voegde in de laatste druk een nieuw hoofdstuk toe dat nog vertaald moest worden. Aan Het geheim van Dakki Parasol werkt men nu ook nog verder, maar dat is pas zeer gedeeltelijk klaar. Als dat voltooid is, heeft de A.P.A. alle vier boekjes die Miep Diekmann in het begin van de jaren zestig in opdracht van de Antilliaanse Regering voor het Antilliaanse onderwijs schreef - de serie met de Papiamentstalige titel Cu luz na man, maar in het Nederlands geschreven - in de eigen taal voltooid: een symbolische weergave van de ontwikkeling naar een eigen Papiamentstalig onderwijssysteem, door middel van een uniek vertaalproject.

 

Deze kennismaking met kinderliteratuur en met de auteur Miep Diekmann waren van doorslaggevende betekenis voor Josette Daal. Ze deed haar besluiten door te gaan en zelf een kinderboek te schrijven in het Nederlands. Het resultaat werd het in 1985 verschenen debuut Warwind.

 

Naar aanleiding van dit eerste boek van Josette de Cuba-Daal sprak ik met haar op 17 september 1985.

‘Aanvankelijk heb ik de kleuterleidstersopleiding gevolgd, maar toen er na die studie geen werk voor me was, ben ik doorgegaan op de onderwijzersopleiding; ik slaagde in 1983. Ik heb nu een paar jaren de diensturen van drie school-
[p. 156]
hoofden waargenomen in San Nicolas. Ik gaf les in een vierde, vijfde en zesde klas. Een aantal ervaringen die ik daarmee opgedaan heb, zijn ook in dit boek verwerkt.
Ik ben zelf nogal klein van stuk en ik herinner me nog hoe de tweede dag op school een paar grote jongens aan het vechten waren. Ik kon ze niet uit elkaar krijgen en werd geholpen door een grote jongen die mijn getrek een poosje had staan bekijken: ik zal die kleine juf wel even helpen...’
Maar in het boek kan de juf best met de kinderen overweg, al is het wel vaak erg rumoerig in de klas. De juffrouw kan zelfs een beetje toveren, waarbij het zo geliefde kauwgum - bubbeljum - centraal staat. ‘Jufjum’, zoals ze genoemd wordt, verandert het kauwgum in een pluisje of in een luchtballon als de ‘warwind’ aan ramen en deuren rammelt en er een glazen blik in haar ogen komt...
Het verhaal zelf heeft een erg aardige structuur. Er worden vijf schooldagen beschreven, waarop vijf keer iets geheimzinnigs gebeurt. Die gebeurtenissen liggen steeds verder uit elkaar, waardoor de lezersspanning op de proef gesteld wordt. Maar die wordt beloond door de climax die er in de steeds uitvoeriger beschreven, steeds fantastischer geheimzinnigheid zit.
Tegenover de jonge, speelse jufjum, die steeds solidair is met de leerlingen, staan wel heel zwart-wit het strenge hoofd Schaarbaai en onderwijzer Kruis van de vijfde klas.
Josette Daal: ‘Ik herinner me mijn eigen schooltijd bij de strenge soeurs nog. Als je kauwgum in je mond had, moest je bladzijden vol strafwerk schrijven. Ik heb in mijn boek de oude generatie onderwijskrachten die autoritair was, willen plaatsen tegenover een jongere waarbij de kinderen gelukkig veel meer zichzelf kunnen en durven zijn.
Dat is de serieuze ondertoon van het boek. Ik heb tussen de regels door veel werkelijkheid gestopt. Je kunt er denk ik, een heleboel uithalen, als je dat wilt. Maar ik houd er vooral van om te fantaseren. Dat heb ik gedaan met die geheimzinnige gebeurtenissen, die een geheim tussen de klas en de juf zijn.
Serieus is dan wel weer dat ik laat zien hoe door een gefantaseerde gebeurtenis al ontzettend snel de wildste geruchten als waar gebeurd besproken worden, van Oranjestad tot in San Nicolas toe!’

‘Ik heb de figuren in mijn boek gemaakt uit een combinatie van kinderen die ik op de verschillende scholen in de klas had.
Als je les geeft, zie je veel leuke dingen die je eigenlijk op moet schrijven. Ik vind het ontzettend leuk om in San Nicolas te werken. Bij Sharon heb ik van twee kinderen één gemaakt, maar eigenlijk zijn ze allemaal een combinatie van de kinderen in de klassen en mijn fantasie. Zo'n Amy bijvoorbeeld, zo'n bangerdje, die zat echt in mijn klas.
Of de kinderen zichzelf kunnen herkennen? Ik denk van wel. Zo'n Jessica-figuur zit er ook vaak in een klas: een keurig kind uit een gegoed milieu aan wie je merkt dat ze zich tussen andere kinderen niet helemaal thuis voelt. Maar aan de andere kant heb ik ook weer veel gefantaseerd, zoals Ricardo en Khing en de verhouding tot hun vaders. Jessica en Sharon zijn aanvankelijk elkaars tegenpolen, maar worden later dikke vriendinnen. Met Khings toekomstplannen en met de terugkeer van Ricardo's vader heeft het boek een happy ending gekregen.
Toen Miep Diekmann op Aruba was en onze school zou bezoeken om er over haar werk te vertellen, zat ik tussen de leerlingen. Miep kwam met het hoofd de klas binnen en toen ze me niet tussen die grote leerlingen onderscheidde, vroeg ze: waar is Josette? Dat gegeven heb ik gebruikt omdat ik
[p. 157]
het zo leuk vond, maar ik heb het naar de inspecteur die op bezoek komt getransformeerd. Een echte inspecteur is er bij mij nog nooit geweest.’

Ik liep al een paar jaar met het idee rond. Als je echt gaat werken met een klas is dat toch weer heel anders dan in het praktikum van de Pedagogische Akademie. Bij je werk zie je de kinderen pas goed en vraag je je af: waarom zijn kinderen zo?
Maar hoe moet je beginnen, hoe beschrijf je de figuren die je wilt gebruiken, hoe begin en eindig je een hoofdstuk? Dit soort vragen heb ik met Miep Diekmann besproken die voortdurend aandrong door te gaan.
Toen heb ik ruim een maand zitten schrijven. En dan is het doorbijten! Je moet doorgaan. Daarom schreef ik voor schooltijd, soms van twee tot zes uur in de ochtend.
Je denkt voortdurend na over het verhaal, maar je kunt ook weer niet te veel van te voren bedenken, want dan loopt het verhaal zelf niet meer lekker. Als je te veel symboliek zoekt is de echtheid van het verhaal weg; het vertelt zichzelf ook in de loop van het schrijf-proces. Al schrijvende kom je vanzelf weer op ideeën, al is het gevaarlijk, want ze moeten passen in het geheel.’

Ik ben eigenlijk tweetalig. Wij Arubanen leren gemakkelijk talen. Ik ben een half jaar in Nederland op school geweest tijdens een lang verlof van mijn ouders. Tegen mijn jongere broer praat ik Nederlands, tegen mijn oudere Papiament. Ik gebruik beide talen; vaak begin ik in het Papiament en eindig ik in het Nederlands.
Maar ik denk dat ik nog wacht met in het Papiament te schrijven, ook al wegens de problemen met de spelling tussen Curacao en Aruba, waardoor onze Papiamentse boeken nauwelijks verkocht worden op de andere eilanden.
Plannen voor een tweede boek zijn er al wel, maar ze hebben nog geen vaste vorm aangenomen. Daarin kan nog heel veel veranderen.’
Op de vraag of Josette Daal haar eerste boek zelf ook heeft gelezen nu het gepubliceerd is, zegt ze: ‘Ja, ik was erg nieuwsgierig naar mezelf.’
[p. 158]

3. Frances Kelly

Frances Dorothy Kelly (Aruba, 1946) haalde aan het Colegio Arubano haar h.b.s.-A diploma en aan de Arubaanse Pedagogische Akademie haar onderwijsakte, waarna ze in Nijmegen de volledige bevoegdheid verwierf. Sinds 1968 werkt ze bij het buitengewoon onderwijs op Aruba. Ze heeft twee kinderen en getrouwd met de bekende politicus Guillermo Trinidad.

Als eerste uitgave verscheen van haar bij Charuba/Leopold een bundel met tien verhalen: Wi-ki-ki-ri-ki-ki (1986) in het Nederlands, terwijl er onder dezelfde titel een bewerking van deze verhalen in het Papiamento verschijnt.

Het is een dubbel-primeur, omdat dit de eerste bundel met dieren-fabels van Aruba is en - waar andere auteurs òf voor Nederlands òf voor Papiamento kozen - hier van beide talen gebruik gemaakt wordt.

 

‘Ik had die eerste bundel van de verhalenwedstrijd “Storia pa nos muchanan” gelezen en die vond ik zo slecht dat we op school besloten aan de tweede ronde mee te doen. Alice van Romondt, de directrice van de bibliotheek, las mijn verhaal dat ik inzond en vroeg me eens langs te komen en of ik nog meer verhalen had.

Ik had wel wat in een schrift staan en bovendien heb ik altijd veel verteld aan mijn kinderen en op school. Maar ik hield ze nooit bij omdat ik dat heel gewoon vond; iedereen kan wel een verhaaltje verzinnen. Maar toen ik Contami un storia las, was dat voor mij een push om mijn verhalen te gaan noteren. Ik vond het zo erg wat ik las, dat iemand niet een verhaal kan schrijven, een echt verhaal. Ik las over een hond; zo van “ik heb een hond en ik zorg goed voor hem en als jij een hond hebt moet je er ook goed voor zorgen, enz.” En dan zag ik eronder staan dat het van een onderwijzeres was. Ik dacht dat iedereen in het onderwijs wel een goed verhaal kon vertellen. Ik vertelde alleen maar voor de lol, voor thuis en zo. Ik vertelde verhaaltjes in allerlei pedagogische situaties, ze waren ook nogal moralistisch. Andere waren weer alleen grappig. Ik vertelde bijvoorbeeld tegen jaloersheid en noem maar wat, aan de hand van dierenfabels. Maar ik had nooit het idee een boek uit te geven. Ik moet zelfs nu nog aan het idee wennen, nu Wi-ki-ki-ri-ki-ki er is.

Ik merk nu al wel dat het uitgeven van een boek consequenties heeft. Men vraagt nu “eventjes” een verhaaltje te schrijven voor een leesmethode bijvoorbeeld.

In Nederland zou je zoiets niet doen zonder er geld voor te vragen, maar hier liggen die zaken heel anders. Men doet van allerlei kanten een beroep op je zonder dat men geld heeft om ervoor te betalen.’

 

‘In deze eerste uitgave zijn een tiental verhalen in het Nederlands bewerkt en uitgebreid die er al eerder waren in het Papiamento. De kern van die verhalen is er altijd gebleven en soms is er er ook nauwelijks iets veranderd, maar alleen wat uitgediept. Naar aanleiding van deze Nederlandse verhalen zijn de verhalen opnieuw bewerkt in het Papiamento. De Papiamentse bundel bevat dus niet de oorspronkelijk vertelde verhalen, maar de herschreven bewerking van de Nederlandstalige, vermeerderd met een aantal gedichten.

Sonia Garmers heeft deze Papiamento-versie gelezen en vond het taalgebruik heel goed. Het Papiamento ís ook heel rijk aan allerlei uitdrukkingen; die heb ik proberen te gebruiken, maar je moet vaak wel heel wat nadenken eer je de juiste zegswijzen vindt. Die bewerking in het Papiamento was echt een vreselijke taak, waar ik ontzettend veel tijd in gestopt heb. Het is geen letterlijke vertaling omdat dat gewoon niet kan, want je krijgt een heel andere sfeer. Het moeilijkste vond

[p. 159]

ik dat er bepaalde termen in het Papiamento niet bestaan. Dan moet je omschrijvingen gaan geven die vaak multi-interpretabel zijn. Dan schrijf ik iets en dan kan iemand het heel anders begrijpen. Ik heb wel erg veel steun gehad hierbij van mijn man. Eerst vertaalde ik gewoon letterlijk, maar op het laatst zijn ze toch heel anders geworden; niet qua inhoud, maar qua taal en formulering.

In de Nederlandse versie moest ik vaak dingen uitleggen die voor hier niet nodig zijn. Iedereen weet hier dat een shoco in een hol woont, maar in Nederland moet je dat er wel bijschrijven.

Aanvankelijk dachten we aan verhalen voor kinderen van acht jaar en ouder, maar de uitgever heeft er nu vanaf elf jaar van gemaakt. De Papiamentse versie is voor dezelfde leeftijd, al zijn de gedichtjes wel wat eenvoudiger. De verhalen zullen geschikt zijn voor de hoogste klassen en de brugklas, omdat ik nogal wat gezegdes en woorden van vroeger verwerkt heb, wat pittig is. Toen ik laatst een middag in de bibliotheek vertelde tijdens het wekelijkse verteluurtje, merkte ik hoe weinig onze kinderen van het Papiamento weten. Ze kunnen het niet lezen en niet schrijven en ze begrijpen er ook niet veel van. Ik verzorgde een poëziemiddag. Aan de hand van een kort gedicht praatte ik over wat een gedicht is, kenmerken ervan zoals rijm en andere vormverschijnselen. Toen heb ik wat voorgelezen wat de kinderen wel leuk vonden. Maar toen ze zelf iets moesten proberen te maken lukte het niet meer.

Eerst wilde ik de bundel Hier en dáár noemen. Maar we vonden die titel toch te weinig zeggend. Daarom hebben we er Wi-ki-ki-ri-ki-ki van gemaakt. Dat is ook in het Nederlands goed uit te spreken: Hop-sa-sa, héi-sa-sa / Wí-ki-ki, rí-ki-ki. Maar in het Papiamento is het natuurlijk Wi-ki-ki-ri-kí-ki; dat zeg je in het Papiamento vrij gemakkelijk. In beide talen kan de titel gebruikt worden.’

Hier en dáár is een verhaaltje dat ik één van de leukste uit de bundel vind. Ik had het verzonnen voor mijn zoontje die vreselijk lui was. Het einde was eerst ontzettend moralistisch maar dat heb ik later veranderd. Luie MIER wordt voor de gek gehouden, maar bedriegt op zijn beurt de andere mieren weer: het dorp van zoetigheid waar je nooit hoeft te werken is niet daar, maar hier!

Allemaal hebben we een bepaald stramien waarin we moeten lopen. Als mier heb je een etiket: je moet ruiken, je moet zuigen, je moet sjouwen, en slepen en zwoegen, maar “schommelen - nietsdoen” dàt doe je toch niet. Dat zijn dingen die je bij de mensen ook vindt. Als vrouw heb je een bepaalde bagage, als man ook.

Van ieder wordt verwacht dat hij in een bepaald stramien loopt. Als je dat niet doet, wordt je niet geaccepteerd.

In dit verhaal heb ik ook het geroddel van hier, het zich verspreiden van geruchten die niet gecontroleerd worden, verwerkt: één mier zit daar te schommelen, een ander zegt: er zitten er tien; weer een ander: jo, er zijn er honderd en ze zeggen dat ze nooit meer willen werken. Maar ik ben bang, dat kinderen daarover heen lezen, dat ze dat niet zullen begrijpen.

Eigenlijk hebben alle verhalen een dubbele bodem. In Wi-ki-ri-ki-ki vind je de kracht van iets wat je zelf schept en wat je op de duur zelf niet meer de baas kan. De grootste vijand is de mens terwijl de dieren zelf ook onderling vijandig zijn. Het aardige in dat verhaal is dat een Arubaan nooit een shoco zal doodschieten, want hij gelooft dat dat “mala suerte” (ongeluk) brengt. De beschrijving die ik van alle mieren geef, klopt wel met hun uiterlijk gedrag, maar het karakter dat ik ze meegeef is helemaal gefantaseerd. Er is geen verband tussen hun uiterlijk

[p. 160]

en hun karakter. Toen de karakters in de verhalen vaststonden, heb ik de dieren zich als zodanig laten gedragen. De karakters hebben dus met de natuur zelf niets te maken. De illustratrice Giolina Henriquez heeft voor haar tekeningen nog een hele studie moeten maken van diverse Arubaanse dieren: hoe vliegt een shoco (uil), hoe zwemt een caret (schildpad)?

Oudere mensen - vissers - hebben me verzekerd dat wat ik vertelde wel klopt met de natuur. De zand-haai zit bijvoorbeeld inderdaad altijd verborgen en is nogal een ongevaarlijke sul onder de haaien. Mijn broers die enthousiaste duikers zijn, spelen gewoon met het beest als ze het tegenkomen.

Ook vind je verschijnselen van de mensen van hier, die via de dieren verteld worden: meeuwchi en chuchubi zijn de roddelaars, in Spook zonder hoofd vind je de vriendschap, het buitenbeentje komt voor in Jan Keke, de mooie miss in Hoe mooier hoe doojer: Ik ben mooi en jullie tellen allemaal niet mee! Ze heette kip is eigenlijk een verhaal voor feministen. Eerst had ik een heel ander einde, maar nu doet “kip” zich voor als allebei: als kip en haan. In dit verhaal heb ik folkloristische elementen als hanengevechten en San Juan met zijn Dera Gai verwerkt. Sommigen zijn “anders”: de kip wordt niet als haan (h)erkend, ook niet door zijn eigen moeder. Dat merk je op school ook vaak, dat mensen in de naaste omgeving juist niet zien dat een kind iets heeft, terwijl een moeder dan zegt: ik had het moeten zien!’

 

‘Sommige verhalen hebben een nogal cru einde, zoals in Het plan. Dat vinden kinderen vaak niet zo leuk, maar het is in het leven ook niet allemaal mooi en romantisch. In een eerdere versie was het nog veel erger, maar dat hebben we weer veranderd. Kinderen houden niet van een slecht einde, zo'n verhaal willen ze later ook niet meer lezen. Als ze eenmaal weten hoe slecht het afloopt, hoeft het voor hen niet meer

Achteraf vind ik het eind van De mondi van gezien-en-weg te lang. Je wilt de karakters toch een beetje uitwerken, maar ik vind het slot gewoon te lang geworden. Ook illustratrice Giolina Henriquez vond dat het laatste stuk best weggeschrapt had kunnen worden.’

 

‘We hebben heel lang gezocht naar een goede volgorde van de verhalen. Ik wilde niet twee keer deselfde moraal achter elkaar: twee keer “egoïsme gestraft” kan niet. Ook inhoudelijk heb ik erg op de volgorde gelet; niet twee keer een verhaal van een shoco bijvoorbeeld, of over vogels. Toen we de titel eindelijk gekozen hadden, moest ik de verhalen weer anders rangschikken. De moeilijker verhalen heb ik ook wat naar achteren geschoven, maar er is geen schuiven om een bevredigende indeling te maken, die variaties aanbood en de sleur vermeed.’

 

‘Alice van Romondt, die immers verhaaltjes van mij gelezen had, bracht me in contact met Miep Diekmann die op Aruba was. Miep heeft mij geleerd hoe je karakters uitdiept en tegenover elkaar plaatst, hoe je een verhaal in schetsvorm op papier zet zodat je weet waar je naar toe gaat. Ze heeft me ook begeleid wat technische dingen betreft en ze gaf advies over wat ik wilde uitwerken: dat is te ouderwets, dat is te zeikerig, enz. Bovendien wees zij erop dat wat hier gewoon is toch voor Nederlandse lezers uitgelegd moet worden. Dat pinda's onder de grond groeien bijvoorbeeld, dat moet je even vermelden. Ik was ook een beetje bang voor mijn Nederlands omdat ik op school alleen Papiamento gebruik. Wij lezen al jaren in het Papiamento, met uitzondering van Nederlandse studieboeken en de Amigoe. Ik wist niet of ik wel in het Nederlands zou kunnen schrijven, maar het verhaal Wi-ki-ki-ri-ki-ki is toch

[p. 161]

direct in die taal ontstaan.

Ik begon aanvankelijk met een verhaal De kapotte klok aan Miep voor te leggen, maar het ging helemaal niet. Ik was van plan om te stoppen. Toen heb ik een tijd niets gedaan en ben ik aan Spook zonder hoofd begonnen. Vanaf dat moment ging het gelukkig beter. Omdat Miep Diekmann maar vrij kort op Aruba was, moest ik wel haastig doorgaan. Ik kón het gewoon niet langer laten liggen, het moest af.’

 

‘Ik heb wel een paar ideetjes over wat ik nu ga doen, maar ik heb er nog een beetje moeite mee. Wel wil ik wat langere verhalen gaan schrijven, misschien zelfs een roman.

Het idee is dat je in het Papiamento wilt schrijven, maar om de financiën moet je het wel in het Nederlands doen. Schrijven in het Papiamento wordt een groot verlies, maar misschien lukt het opnieuw om tweetalig te werken. De mensen kopen het Papiamentstalige werk niet en dat is het probleem. Een wanneer gaat Papiamento naar school?

Ik hoor het al achttien jaar dat het zal gebeuren.

Een paar dingen heb ik al in schema opgeschreven. Ik denk dat het maatschappijkritische mij wel ligt en dat ik in die richting doorga.’

[p. 162]

4. Richard Piternella

Het Curacaose meisje Misha, vijftien jaar oud, in de eindexamenklas van de mavo, ‘gaat’ met de knappe Erik, die haar zwanger maakt. Misha kan het niet geloven: ze is daar toch nog veel te jong voor? Haar wat oudere vriendin Carla, die zelf een goede en open relatie heeft met haar vriend Gachi, stuurt haar via de school-directrice naar hulpverlener Dick, die haar doorverwijst naar de dokter. Daar krijgt ze tijdens het consult een spontane abortus. Door haar gesprekken met Dick weet Misha daarna wat ze wil: Erik houdt niet van haar - hij gaat immers al weer uit met het makamba-meisje Martine? Ze maakt een einde aan de relatie, wat macho Erik niet wil en kan accepteren. Hijneemt lafhartig wraak. Misha weet dat ze een juiste beslissing genomen heeft.

 

Dat is in enkele woorden de globale inhoud van een nieuw Arubaans jeugdboek. Niet huilen bij de zee, dat geschreven werd door Richard Piternella, die in 1950 op Aruba geboren werd.

 

‘Op Aruba ging ik naar de mulo, waarna ik naar Nederland ging om mijn h.b.s.-diploma te halen. Daarna heb ik een poosje psychologie gestudeerd; ik wilde me vooral op kinder- en jeugdpsychologie specialiseren. Maar ik ben al snel overgestapt naar de pedagogiek, met het specialisme ‘gezinsleer’. Ik studeerde aan de Universiteit van Amsterdam.

In 1980 ben ik op Curacao gaan werken bij de overheid, maar ik heb na enkele jaren ontslag genomen en ben een Pedagogisch Adviesbureau begonnen.

In 1984 ben ik volledig afgestudeerd met een Curacaos onderzoek en een scriptie over sexuele voorlichting voor tieners. Momenteel ben ik over het thema ‘sexualiteit en jongeren’ met een promotie-onderzoek bezig, dat ik dit jaar 1988 nog wil proberen af te ronden Tussen mijn studie door heb ik nog een poosje Engels MO-A gestudeerd; ik deed wel mondeling examen, maar ik had het schriftelijk niet afgerond. Toen ik een half jaar stage moest lopen voor mijn pedagogiek was er op Aruba geen plaats en ging ik naar Curacao bij het Bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden. Daar verdiende ik als stagiaire heel weinig en omdat ik werkstudent was, moest ik wat bijverdienen en heb ik Engelse les gegeven. Daarna heb ik op Curacao gewerkt bij hetzelfde bureau. Ik heb in die tijd ook meegewerkt aan radio-programma 's van Sonia Garmers en Stan Komdeur.

Mijn moeder overleed in 1985. Toen ik overkwam met de begrafenis, kreeg ik hier op Aruba een job aangeboden. Ik heb anderhalf jaar gewerkt bij Sociale Zaken, Sectie jeugdzaken. Nu werk ik als opleidingsfunctionaris bij het Bureau Organisatie en Efficiency. Voor Cede Aruba verzorg ik nu een radio- en televisieprogramma over opvoedingsvoorlichting. Dat betreft zeventien teksten van vijf minuten over telkens een onderwerp ‘Un fundeshi fuerte pa bo Yiu’.

 

‘Uit mijn werk op Curacao resulteerde in november 1984 een voorlichtingsfolder voor scholen, het zestien pagina's tellende “Informashon Seksual”, uitgegeven door de “Asosashon di Mayor di Berg Carmel College”. Cede Antiyas organiseerde op Curacao een oudercursus die door de Bernard van Leer Foundation gesteund werd. Het ging om een project over nul- tot vier-jarige kinderen uit minderbedeelde milieus. Ik werkte ook nog een jaar bij Ayudo Sosial Kòrsou, met alleenstaande moeders. Ik heb vrijwilligers gecoacht die dat werk daarna moesten overnemen. Uit deze projecten is mijn “Abo i bo maletin pa ku komunikashon” gekristalliseerd. Dat is een voorlichtingsboekje van 54 pagina's, dat in mei 1986 is ver-

[p. 163]

schenen.

Mijn moeder schreef altijd al gedichten, al heel lang. Hoewel ze tien kinderen had en naast het verzorgen van haar gezin ook nog als naaister moest werken, ontwikkelde ze toch haar eigen creativiteit door middel van het schrijven van poëzie en trouwens ook proza. Ze heeft drie novellen geschreven die ik nog nooit gezien of gelezen heb. Maar ze zijn er nog wel.

Toen ik in Nederland studeerde, stuurden we elkaar gedichten, soms over allerlei onderwerpen, soms als antwoord op elkaar. Toen ze me een keer opzocht in Nederland, hebben we plannen gemaakt om een aantal ervan uit te geven. Dat was in het begin van de jaren zeventig. Stanley Cras was toen nog in Nederland met zijn “Flamboyant”. De Sticusa adviseerde ons om contact op te nemen met Frank Martinus Arion, maar die konden we niet bereiken. Zo is het plan blijven liggen, maar we bleven wel schrijven. Toen ik aan het begin van de jaren tachtig weer terug was, probeerde ik de gedichten hier uit te geven. Toen ik eindelijk een goede drukker gevonden had - ik kende de juiste mensen niet - overleed mijn moeder. Toen heb ik daarna eindelijk in september 1987 een keuze van de Spaanstalige en enkele Papiamentstalige van mijn moeders gedichten in eigen beheer uitgegeven: Viola S. Piternella: Dulce mentira (zie Amigoe 14-9-1987)

We hebben op ons eiland heel wat talenten, maar er wordt zo weinig mee gedaan. Omdat ik zelf ook gedichten schreef, zou de tweede stap zijn om een “gemengde bundel” uit te geven met gedichten van ons beiden die op elkaar reageren. Maar de mensen hier lezen zo weinig dat het niet stimuleert om te Publiceren in je eigen taal. Ook et die voorlichtingsboekjes merkte ik steeds weer het probleem van de ongelijke spelling van het Papiamento op Curacao en Aruba. Eerst moet ik mijn dissertatie afmaken; daarna zal ik een keuze uit de gedichten en de drie novellen van mijn moeder alsnog proberen te publiceren.’

 

Niet huilen bij de zee heb ik in het Nederlands geschreven, omdat je dan een groter publiek bereikt: de scholen zullen er gebruik van kunnen maken, het wordt gelezen door Antillianen en Arubanen die in Nederland opgroeien, en ook Nederlanders zullen de problemen in mijn boek herkennen. Relatieconflicten zoals die bij de hoofdfiguur Misha optreden zijn universeel. De opvoedingssfeer waarin een meisje zo weinig mag en een jongen alles is natuurlijk wel meer specifiek. Dat ik in het Nederlands schreef komt ook wel door Miep Diekmann. Ik was van plan om me te concentreren op voorlichtingsboekjes en wetenschappelijk werk, maar zij drong er bij mij op aan om mijn voorlichtings-ervaringen op te schrijven in de vorm van een jeugdboek dat bestemd is voor jongeren van twaalf tot zeventien jaar.’

 

Ik schrijf altijd 's avonds; dan ga ik er tussen negen en twaalf uur echt voor zitten.

Daar trek ik dus veel tijd voor uit, en als het meezit ga ik ook wel tot twee uur 's nachts door. Ik beleef de dingen die ik wil schrijven zelf heel sterk; ik treed eigenlijk uit mezelf in anderen. Na het schrijven word ik pas weer heel langzaam mezelf. Zo heb ik me heel sterk met hoofd-persoon Micha vereenzelvigd, zo dat ik me steeds afvraag ‘Wat zou ik doen in haar plaats?’

Ik werk heel snel en wat er staat dat staat er - ik verander weinig. Als het een avond niet lukt, houd ik gewoon op. Ik heb maar een korte inlooptijd nodig om verder te gaan, maar het begin van het boek duurde lang.

Dat kostte me veel tijd en toen heb ik heel wat papier verscheurd. Je zit met een introductie, je moet een pakkend begin hebben.

[p. 164]

Daar heb ik lang over gedaan. Maar daarna was schrijven voor mij eerder ontspanning dan inspanning. Toen Miep Diekmann met haar plan kwam een jeugdboek te maken, hebben we in 1985 de algemene schets ervan besproken. Het schrijven zelf heeft me zo'n vijf maanden van oktober 1986 tot februari 1987 gekost.’

 

‘Het onderwerp van mijn verhaal is uit praktijkervaringen voortgevloeid, die nooit bekend raken maar die je toch vaak tegenkomt als hulpverlener. Een meisje raakt zwanger, terwijl ze denkt dat ze het niet is. Maar haar vriendin ziet het. Deze praktijkervaring heeft me sterk aangegrepen. Jongens en meisjes begrijpen zichzelf vaak niet en kennen hun eigen lichaam niet: een meisje dat vijftien is en al vanaf haar dertiende menstrueert en toch denkt dat ze voor haar twintigste niet zwanger zal kunnen worden! Ook het erkennen voor jezelf dat je met iets zit, dat je een probleem hebt.

Eerst was ik van plan een deel vanuit Misha te schrijven, een volgend deel vanuit het perspectief van de jongen (Erik) en een laatste deel vanuit die twee samen. Maar ik heb die opzet veranderd en nu het hele gegeven vanuit Misha beschreven, ook Erik zien we alleen via Misha.

Daarom heb ik er ook een “ik”-verhaal van gemaakt; ik vind “zij”, over iemand vertellen, zo afstandelijk. Wanneer ik in de praktijk hulp verleen, moet ik me inleven en toch afstand nemen. Ik wil de dingen zien zoals mijn cliënt se ziet. Daarom stel ik altijd ontzettend veel vragen over het “hoe” en “waarom”. Ik moet eerst een beeld van een persoon hebben, hoe die denkt en voelt. Daarna komen voor mij pas de feitelijke gegevens. Ik ben het dus gewend om in andermans huid te kruipen. Dat gevoel was heel sterk toen ik aan het schrijven was. Ik had niet veel problemen met het leeftijdsverschil tussen mijzelf en mijn hoofdpersoon, wel met het meisje-zijn.

Want je bent toch zelf ook in een bepaald patroon opgevoed; jongens worden als rationeler beschouwd en meisjes als emotioneler, ook al wil je geen onderscheid maken en iedereen als mens benaderen. Maar ik heb veel met vrouwengroepen gewerkt, die erg spontaan en open waren. Daarom heb ik de leefwereld en de sekserol van een vrouw in onze samenleving leren invoelen. Miep Diekman heeft me wat dit betreft ook veel steun gegeven. Op mijn werk heb ik stukjes voorgelezen aan vrouwelijke collega's en ik heb hun gevraagd of ze zichzelf hierin herkenden.’

 

‘Zoals de hulpverlener Dick optreedt, zo doe ik zelf ook. Hoe kom je over wanneer je helpt? Vaak vraag ik aan de mensen om commentaar op mijn wijze van optreden. Op mijn werk speel ik daarom een sociale rol die heel anders is dan op straat - in mijn werk ben ik stil en serieus, op straat niet. Dat mensen vaak reageren op iemands uiterlijk heb ik ook in het verhaal ingebracht. Zo'n hulpverlener wordt toch al gauw als een half gare beschouwd. Dat is zo leuk van schrijven, dat je jezelf anders gaat zien, of je probeert in te leven hoe anderen jou zien. Normaal sta je daar niet zo bij stil.

Voor de arts heeft ook iemand die werkelijk bestaat model gestaan, iemand naar wie ik vaak doorverwees. Zo is het ook met de directrice van de school. Ze zullen zichzelf wel herkennen. De vriendin Carla kende ik vrij vaag - ik heb haar karakter afgeleid uit wat “Misha” me vertelde over haar en de rest heb ik maar gefantaseerd.

Wat de entourage betreft heb ik zaterdags de tieners in Punda vaak geobserveerd. Ik heb met hen gepraat. Ik wilde zien hoe ze op elkaar reageerden, ik voerde eens even een gesprekje en liep weer door. Dat staan op straat heeft voor deze tieners betekenis; daar moet je achter zien te komen wat dat is. Je moet jongeren serieus nemen in wat ze doen.’ ‘De snontane abortus?

[p. 165]

‘Nee, die is toch niet toevallig! Op Curacao ben ik indertijd een onderzoek begonnen naar zwangerschap onder tieners, maar dat is nooit helemaal afgerond. Daar wist ik van een meisje van zeventien dat zwanger was en het aan niemand durfde te zeggen. Toen ze op een keer op een feestje was op schoenen met heel hoge naaldhaken, gleed ze uit, viel, en kreeg een spontane abortus. Omdat abortus illegaal is, wilde ik dat liever niet gebruiken. De spontane abortus van Misha is dus afkomstig van een praktijkvoorbeeld.’

 

‘Door het Hollandse meisje Martine laat ik zien dat meisjes ook anders kunnen zijn dan Misha die niets durft te weigeren. Martine is gelijkwaardig in haar relatie met Erik. Ik heb ook willen laten zien dat van buitenlandse meisjes meer wordt geaccepteerd dan van eigen. Misha is jaloers op Martine die zelfbewust en zelfstandig is en Erik om haar vinger kan winden. Door middel van de personages Carla en Gachi heb ik getoond dat een verhouding ook helemaal goed kan zijn: zij tweeën hebben een goede relatie omdat ze veel met elkaar praten.

Aan hetslot wordt Erik in zijn mannelijke status onderuit gehaald door Misha. Dat vergeeft een Antilliaan of Arubaan nooit, die wil het laatste woord hebben en als hij dat verbaal niet kan krijgen wordt hij agressief en wreekt hij zich non-verbaal. Dat is de achtergrond van het doden van Dicks honden.

Erik is de knappe versierder die niet in de steek gelaten wil worden. Misha maakt door dat wel te doen Eriks image kapot. Dat zijn culturele gegevenheden. We praten wel over emancipatie, maar in de praktijk schikt de vrouw zich. Iedere keer merk ik dat weer als hulpverlener.

Om een relatie op te bouwen moet je met elkaar praten. Erik praat alleen met zijn lichaam (sex).

De moeder durft pas aan het slot van het verhaal te praten, al voelt ze wel intuïtief dat er iets niet in orde is met haar dochter; toch doet ze de stap niet om het bespreekbaar te stellen omdat ze band is haar dochter daardoor kwijt te raken.’

 

‘Ik heb plannen voor een tweede boek, dit keer voor jongere kinderen van zeven tot twaalf jaar. Het zal gaan over een gezin met zeven kinderen waarin plotseling bepaalde nare dingen gebeuren.

Ik wil daarover schrijven door elk van de kinderen in één hoofdstuk centraal te stellen. Het zal zich in de carnavalstijd afspelen. Het begin en einde zijn er, maar het middenstuk moet ik nog helemaal invullen.’

[p. 166]

Richard Piternella: Niet huilen bij de zee is het vierde van Aruba afkomstige Nederlandstalige jeugdboek van de laatste drie jaar. Frances Kelly beschreef in haar tweetalige uitgave Wi-ki-ki-ri-ki-ki (1986) een aantal Arubaanse dieren op fabelmanier, met een ironische blik naar menselijke situaties.

Josette Daal: Warwind (1985) hield een pleidooi in voor een grotere rol van de fantasie in ons huidige schoolsysteem, als reactie op de strengheid van vroeger.

Eersteling was Desiree Correa: Mosa's eiland (1984) waarmee Niet huilen bij de zee veel punten van overeenkomst heeft, die een vergelijking nuttig maken. Beide verhalen gaan immers over de ontleding van een gezinssituatie; beide zijn ik-vertellingen door vrouwelijke hoofdpersonen van zo'n vijftien à zestien jaar. In beide komt pijnlijk duidelijk naar voren hoe het op onze eilanden aan sexuele voorlichting schort: Mosa weet zich niet te redden als ze voor de eerste keer menstrueert, Misha denkt dat een meisje van vijftien niet zwanger kan worden. Er wordt in de gezinnen niet aan voorlichting gedaan.