terug  begin  verderprepost
[p. 168]

Deel III Een lezer op excursie

[p. 169]

Hoofdstuk 7. ‘Epe lijkt net Curacao’

1.Wat niet weet, wat niet deert?
2.Over wederzijdse (voor)oordelen in Antilliaanse en Nederlandse jeugdliteratuur
‘Ik hoop dat dit boek een bijdrage vorm aan een betere verstandhouding tussen onze volkeren die zoveel overeenkomsten hebben maar toch verschillend zijn van elkaar.’
(Jules Niemel in een brief n.a.v. zijn boek De bakru is gevlogen)
[p. 170]

1. Wat niet weet, wat niet deert?

Wie heeft nog nooit het bekende - sterke - verhaal gehoord van die Nederlandse onderwijzer die wel eens wat meer van de wereld wilde zien en naar een baan in Suriname solliciteerde? Hij schreef in zijn brief dat hij graag in Paramaribo wilde werken, maar dat het hem leuker leek in Willemstad op Curacao te gaan wonen.

Iedere morgen zou hij dan per fiets naar zijn werk rijden.

Een sterk verhaal? Een onderwijzer die niet eens weet dat Curacao een eiland is en bij de Nederlandse Antillen hoort dat 1500 km van Suriname ligt? Even ver als Curacao - Miami of Amsterdam - Madrid?

De beroemde Belgische schrijver Marnix Gijssen schreef in een bekend verhaal, ‘De tram naar Blaren, 1916’:

‘De neger, die haast tot het plafond reikte, begon te zingen, onverstaanbaar. Slechts veel later heb ik begrepen dat het Papiamento was, de taal van Curacao en Suriname.’

Hij wist niet dat er in de twee landen geheel verschillende talen gesproken worden. Maar dat is natuurlijk al een ouder voorbeeld van iemand die geen Nederlander is. Daarom uit het kleurkatern van Vrij Nederland (van 5 januari 1985) een recenter ‘sterk verhaal’.

Marjo van Soest bespreekt de bloemlezing Ons Surinaamse ik, die nota bene gepubliceerd is om Nederlandse kinderen iets van Suriname te leren. Zij begint met:

‘Je kunt een mens wel uit de knoek halen, maar de knoek niet uit de mens’ luidt een oude Surinaamse wijsheid.’ Maar ‘knoek’ is de verhollandsing van het Papiamento en het is een Antilliaans spreekwoord dat ze waarschijnlijk kent van de Curacaose auteur Sonia Garmers die het als motto in Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter gebruikte.

Antillianen en Surinamers worden wel eens een beetje moedeloos als ze weer eens het verschil tussen hun landen en hun talen moeten uitleggen, terwijl ze zelf uit ten treuren hebben geleerd dat de Rijn bij Lobith ‘ons land’ binnenstroomt.

In dit hoofdstuk zullen we nagaan wat Antilliaanse schrijvers over Nederland gezegd hebben en Nederlanders over de Antillen in hun jeugdboeken.

[p. 171]

2. Over wederzijdse (voor)oordelen in Antilliaanse en Nederlandse jeugdliteratuur

In het begin van Dan ben je nergens meer (1975) beschrijft Miep Diekmann de vermeende reactie van een paar Nederlandse vrouwen als deze op straat twee donkere mensen zien lopen, die gekleed zijn als verpleegster en dominee. Verpleegster Edmee ziet de vrouwen denken: ‘...daar heb je er weer twee, twee van die zwarten.... aanranders, moordenaars, messetrekkers, pooiers ... de enige weg die ze hier in Holland kennen is naar de Bijstand.’ (p. 7) En daarmee zet de verteller dan meteen een aardig aantal Hollandse vooroordelen tegen donkergekleurde buitenlanders op een rijtje.

Acht jaar eerder beschreef dezelfde Miep Diekmann de andere kant van deze medaille in Geen mens is van de ander (1967). Het slot luidt: ‘... gruwelijke werkelijkheid. Zo erg, dat zwarte mensen hun kinderen nu nog waarschuwen: ‘Vertrouw nooit een blanke, al is hij je beste vriend. Er komt altijd een moment, waarop hij je in de steek laat en verraadt! En geef ze 'ns ongelijk!’ (p. 72)

Deze twee voorbeelden uit twee jeugdboeken van de Nederlandse auteur Miep Diekmann, die een deel van haar jeugd op Curacao woonde en die zoveel over de Antillen schreef, suggereren dat ondanks (of misschien juist: dank zij?) driehonderdvijftig jaar ‘contact’ tussen Nederlanders en Antillianen, er geen wezenlijke verstandhouding tussen deze twee volkeren is gegroeid, geen begrip, geen vriendschap...; de beeldvorming over en weer, dat wat men van elkaar denkt, lijkt overwegend negatief te zijn. Miep Diekmann staat met haar beschrijvingen over deze wederzijdse beeldvorming (die ze ook in ander Antilliaans werk beschrijft) bepaald niet alleen. Er zijn heel wat meer auteurs die zich over de verhouding Antilliaan - Nederlander en omgekeerd geuit hebben, zowel auteurs die voor volwassenen schrijven als auteurs van jeugd-boeken.

Over deze laatste groep wil ik het hieronder hebben: Wat hebben jeugdboekenauteurs in hun werken gezegd over de ander, i.c.

Nederlandse auteurs over de Neder-landse Antillen en omgekeerd Antilliaanse auteurs over Nederland?

Over dit motief ken ik geen ander dan Nederlandstalig werk, zodat ik me daartoe beperk. Enig zoek-werk leverde het volgende rijtje op.

- Nederlandse verhalen op de Antillen:

-Johan Fabricius: Het geheim van het oude landhuis (1965)
-Anton Quintana: Duel in de diepte (1979)
-Wilko A.G.M. Bergmans: De bas-taard van Bonaire (1980)

Hoewel dit laatste misschien niet als jeugdboek bedoeld is, reken ik het er toch maar toe wegens de eenvoudige vertelwijze en de titelheld, de jongeman Bastiaan Fischer.

Er bestaan uiteraard meer jeugd-boeken in deze categorie, vooral uit de jaren vijftig, maar omdat deze nu volstrekt onbereikbaar zijn, moesten ze buiten beschou-wing blijven.

Het vele werk van Miep Diekmann dat dit motief behandelt, of ze nu schrijft over puur Antilliaanse leefgemeenschappen of over Neder-landers op Curacao en hun ver-houding tot Curacaoenaars laat ik hier buiten beschouwing, omdat het zo uitgebreid is én omdat ik daar al eerder over schreef.

- Antilliaans werk, geheel of ge-deeltelijk in Nederland:

-Diana Lebacs: Sherry (1971), dat de sociaal-culturele be-wustwording beschrijft van een meisje dat op Curacao op-groeit, in Nederland studeert voor maatschappelijk werkster en teruggaat om op haar geboorte-eiland buurthuiswerk
[p. 172]
op te zetten.
-Angela Matthews: De witte pest (1978), over een Arubaans meisje dat als kind naar Nederland wordt gestuurd, waar ze voortdurend aanpassingsproblemen heeft.
-Sonia Garmers: Orkaan en Mayra (1980), waarin Curacaose Mayra tijdelijk in Nederland een timmercursus volgt om daarmee later zelfstandig een vak te kunnen uitoefenen.

Omdat ik me wil beperken tot de jeugdliteratuur, worden kinderboeken als van Mia Robé: Hier is Flossie e.d. ook niet behandeld.

Sonia Garmers: Lieve koningin, hierbij stuur ik U mijn dochter (1976) is een probleem, omdat het geen jeugdboek is. Maar het is eenvoudig verteld, het gaat voor een aanzienlijk deel over haar dochters, is uitgegeven bij de jeugdboekenuitgever Leopold, en Sonia Garmers is een echte jeugdboekenauteur. Omdat dit boek veel materiaal oplevert voor mijn onderwerp, zal ik het ter vergelijking gebruiken; in ‘Lieve koningin’ is de verhouding Antilliaan - Nederlander zelfs thema!

Een probleem leverde ook nog de jongensdetectieve van Siny van Iterson: Schaduw over Chocamata (1954, 1975 2)op. Het boek speelt zich af op Curacao en is geschreven door een op Curacao geboren auteur; daarom hoort het in dit schema niet thuis, hoewel het gedeeltelijk past in de traditie van Nederlandse auteurs over de Nederlandse Antillen. Ik zal het ter vergelijking gebruiken.

[p. 173]

Wilko A.G.M. Bergmans; De bastaard van Bonaire

De Jood Oscar Fischer is met zijn Oostenrijkse vrouw Maria in 1938 vanuit zijn geboorteland gevlucht naar Venezuela, waar ze dan net niet meer binnen mogen. Zodoende komen ze op Curacao terecht, waar ze op 10 mei 1940 met ‘alle leden van een vijandelijke natie’ worden gearresteerd en geïnterneerd op Bonaire. Dat wil dus zeggen dat ze als Joden met Nazi's en nationaal-socialisten in één kamp terechtkomen... Pas op 31 augustus 1941 worden de Joden vrijgelaten. Oscar en Maria krijgen dan een bovenkamertje van winkelier Gerreknap bij wie Oscar ook werk krijgt. Als hij een militaire jeep op de kop tikt, begint hij ook voor zichzelf wat bij te verdienen. Hij is ook amateur-fotograaf en een heel goede monteur. Hij wordt lid van de burgerwacht, ‘milicien bij de hulppolitie’. In die hoedanigheid arresteert hij met Piet Winklaar pastoor Mol als die lichtsignalen in morse seint naar een Duitse onderzeeboot (het begin van het verhaal).
Diezelfde nacht (2 mei / 16 oktober?) krijgt Maria een zoon na een heel moeilijke bevalling, die door de priester Brakensiek die nazi-sympathieën heeft een vloek meekrijgt: ‘...je zoon, die je Bastiaan hebt genoemd, zal als bastaard gestraft worden voor jouw zonden... je had nooit met een jood mogen trouwen...!’ (p. 33)
Na de oorlog begint Fischer een vervoersmaatschappijtje, Pater Brakensiek heeft veel spijt van zijn vloek; hij doet veel aan het Bonaireaanse jeugdwerk. De Fischers nestelen zich helemaal, net als zoveel Duitsers die blijven, en hebben het uitstekend naar hun zin. Pastoor Mol die na de oorlog wordt vrijgesproken, keert in 1950 terug op Bonaire. Hij en zijn huishoudster Juliana Linkels raken verliefd op elkaar; ze gaan trouwen en hij neemt ontslag als pastoor. Hij wordt opgevolgd door pastoor Brakensiek. Mol en zijn vrouw worden getreiterd met pamfletten en brandstichting, vooral na de geboorte van hun zoon Immanuel, en de adoptie van een Colombiaans jongetje. Maar Bastiaan ontmaskert de daders.
Bastiaan hoort veel over de geschiedenis van Bonaire; hij schrijft de biografie van slaven-pastoor Fornar en de non Euleutheria Anna de Palm.
Bastiaan raakt via de vader van zijn vriendje Metardo Martijn bezeten van de duiksport en raakt daarin al gauw helemaal thuis. Hij heeft een eigen duik-schooltje, zodat hij in 1960 Prins Bernhard begeleidt als die bij Klein Bonaire gaat duiken. De prins raakt in moeilijkheden en meneer Martijn en Bastiaan redden hem maar ternauwernood van de verstikkingsdood.
Bastiaan wordt natuurbeschermer en treedt op tegen ‘black-coral’ dieven. Hij raakt bevriend met de oud-geworden pastoor Brakensiek. De jaren gaan snel voorbij! Immanuel Mol sterft plotseling. Op de begrafenis vertelt pastoor Brakensiek dat er voor de kust bronzen kanonnen uit 1829 liggen. Men duikt er twaalf op, nadat Bastiaan de juiste plek ontdekt heeft. Door het succes wordt hij overmoedig en sterft aan de duikersziekte, zodat de vloek van Brakensiek toch nog uitkomt. Bij de dode zoon verzoent Oscar Fischer zich met Brakensiek.
[p. 174]

De auteurs

Johan Fabricius situeert zijn verhaal over een aantal Curacaose jongelui die door smokkelaars worden gevangengenomen en naar Venezuela ontvoerd, op een niet met name genoemd of via geografische aanduidingen zonder meer te herkennen eiland, maar het is duidelijk dat het Curacao is, waar de auteur in elk geval enkele keren geweest is, o.a. in 1961 tijdens de boekenweek. Sonia Garmers zegt over hem: ‘Een aardige man, heel aardig, met veel belangstelling voor het eiland... Bij zijn tweede bezoek waren we op visite in een landhuis... Toen later zijn boek “Onder de hete Caraïbische zon” uitkwam, stond daar een pracht-verhaal in over dat huis, waar hij maar één uur in geweest was...’ Ik citeer dit om te laten zien hoe een Nederlandse schrijver zijn korte Antilliaanse verblijf gebruikt.

Of Anton Quintana op Bonaire geweest is, weet ik niet; maar gezien de geografische betrouwbaarheid zal hij het eiland bezocht hebben voor de film Duel in de diepte. Meer dan decor is het eiland echter niet geworden voor deze geschiedenis waarin een Nederlands zangeresje betrokken raakt bij een diamentenaffaire tussen een Venezolaanse bende en de op Bonaire wonende Hollanders Rob en Lucas.

Wilko Bergmans daarentegen bleef, getuige de achterflap, ‘lange tijd op de Antillen’; hij was op Bonaire correspondent voor de Amigoe. Zijn boek berust wel op feitelijke, historische gegevens over de tijd van de slavernij en de Tweede Wereldoorlog op Bonaire. De Antilliaanse auteurs zijn alle bekend met Nederland door hun studietijd en hun langdurige of zich regelmatig herhalende verblijf aldaar.

Siny van Iterson werd in 1919 op Curacao geboren als dochter van een Nederlands ingenieur, maar woonde vanaf haar tweede jaar in Nederland. Na de Tweede Wereld-oorlog keerde ze - als vrouw van een ingenieur - weer terug op Curacao, waar ze jeugdboeken begon te schrijven. Daarna verhuisde ze naar Colombia waar ze nu al jaren woont. Ook haar werk is dus wel enigszins als Nederlands werk te beschouwen, reden waarom ik het ter vergelijking gebruik.

De auteurs kennen de ruimte waarover ze schrijven vanuit eigen aanschouwing. Maar de duur daarvan verschilt aanzienlijk, ook aan Antilliaanse kant.

Angela Matthews (ps. voor Velma Salomons) verbleef al twintig jaar in Nederland; Sonia garmers schreef haar ‘Lieve koningin...’ na één keer haar dochter opgezocht te hebben in dat land; als ze Orkaan en Mayra schrijft is ze er vaker en langdurig geweest.

[p. 175]

J. Fabricius: Het geheim van het oude landhuis

Een vijftal jongelui van rond de zestien jaar: Mark, Eddie, Mary, Liana en Hein (de ik-verteller) gaan picknicken in een verlaten landhuis en ontdekken op de zolder daarvan gestolen goederen uit de kerk en van Liana's grootmoeder, en smokkelwaar voor Venezuela. Via de Indiaan Nicodemo ontdekken ze de grot waarin de smokkelaars zich schuilhouden; ze gaan ernaar toe en worden gevangen genomen. Met El Conquistador, een smokkelschip, worden ze in Venezuela afgezet op een onbewoond eilandje in de grote rivier, temidden van het onherbergzame oerwoud.
José (door de jongelui Sugar Ray genoemd) wil kennelijk een losgeld krijgen van de rijke ouders van Liana.
Na enkele dagen komt Barendje, de Hollandse koksjongen die ze op El Conquistador ontmoet hebben ze helpen met een motorboot. Mark gaat hulp halen in deze motorsloep die hij bij de kust ‘omruilt’ voor een visserskano. Na enkele dagen pikt een schip met Cubaanse revolutionairen hem op. Men wil hem gebruiken als tolk, maar Mark springt overboord als hij een visser ziet. Het blijkt Nicodemo te zijn! José blijkt inderdaad om losgeld gevraagd te hebben. Mark licht iedereen in.
Ondertussen ontstaat er bij de achterblijvers op het oerwoudeiland ruzie tussen de Hollandse Barend en de Curacaose Eddie. Maar dan komt Mark met een marine-vliegtuig allen redden.
Terug op het eiland; José verdrinkt als hij het losgeld wil hebben. Alles loopt toch nog veilig en goed af; eind goed al goed en grootmoeder De Lasalle geeft iedereen een beloning voor de teruggevonden sieraden.
[p. 176]

Hoofdfiguren

De hoofdfiguur in de diverse boeken zijn wat de Antilliaanse auteurs betreft, allemaal Antilliaans. Diana Lebacs confronteert de Curacaose Sherry, Sonia Garmers de Curacaose Mayra en Angela Matthews de Arubaanse Thalma met de Nederlandse samenleving.

Van de andere kant beschrijft Fabricius een aantal Curacaose jongelui in zijn boek, maar de hoofdfiguur-verteller, Hein, heeft banden met Nederland:

‘Verhalen uit het verre Nederland deden mij tegelijkertijd vertrouwd en toch weer niet vertrouwd aan. Nederland was mijn vaderland; mijn ouders waren er geboren, ik had er nog ooms en tantes, en op school leerden wij de geschiedenis ervan; wij wisten alles over de grote steden, de rivieren, het landschap met zijn nu verdwijnende windmolens, zijn grazend vee in de malse weiden, zijn boeren op klompen. Maar ik was er zelf nooit geweest en vond het vooral moeilijk me een Hollandse winter voor te stellen en het huiselijk leven. Wij leefden grotendeels buiten en kenden het leven binnenskamers niet; wij kenden geen kou, geen sneeuw, geen “bloemen” op de ruiten en waar je allemaal over hoorde.’ (p. 161)

Duel in de diepte gaat over het Nederlandse zangeresje Sylvia Sommer, de Nederlander Rob van de Berg (El Loco) en de Nederlander Lucas Achterberg. In vergelijking met hen hebben de Antillianen Eddy (en zeker zijn zus Calina) een bijrolletje.

Wilko Bergmans beschrijft de gevluchte Oostenrijkse Jood Oscar Fischer, zijn vrouw Maria en zijn zoon Bastiaan, de Nederlandse pastoor Mol, de Duitse priester Brakensiek en de Nederlandse slaven-pastoor Forner. Voor de Antillianen zijn de bijrolletjes.

Men schrijft dus van weerskanten vanuit het eigen perspectief, vanuit figuren die van buiten komen, zoals de auteurs zelf ook ‘van buiten’ het beschreven land komen.

Opvallend is, dat wanneer het verhaal wel over Antillianen gaat, men toch Nederlandse bijfiguren zoekt. Zo treedt er een Amsterdamse volksjongen Barend Boender op in Het geheim van het oude landhuis, en gebruikt Siny van Iterson naast de praktische Curacaose Chimi de pas uit Nederland gekomen stoere praatjesmaker Hans, die nu op het plantagehuis woont:

‘Zijn gedachten gingen terug naar het kleine, lage land aan de grijze Noordzee, dat hij nog niet zo lang geleden verlaten had. Waar glanzende weiden en vlakke vruchtbare bouwgrond elkaar afwisselden. Waar smalle sloten met zoet water, koele drinkplaatsen vormden voor het talrijke vee. Onwillekeurig vlogen zijn ogen over de ruwe stenen koraal, waarin schonkige koeien onrustig bewogen. Over de wijde eenzame kunuku om dan te blijven rusten op het trotse eeuwenoude landhuis, dat fier op de kale rondgeschroeide heuvels lag. En opeens voelde Hans zich trots dat deze stoere, rustige sjon Fifi zijn oom was en dat hij Chimi tot vriend had, met wie hij al zijn avonturen kon delen.’ (p. 89)

Defunctie ervan lijkt te zijn het verhaalgebeuren dichter bij de Nederlandse lezer te brengen, een procedé dat ook voor in Suriname gesitueerde jeugdboeken gebruikt wordt.

Van de andere kant houden Antilliaanse auteurs ook voortdurend rekening met de Nederlandse lezers, bijv. door woorden en situaties te verduidelijken voor wie niet met het eiland bekend is. Beide groepen van boeken zijn in de eerste plaats bestemd voor Nederlandse lezers, de Nederlandse boekenmarkt; de hier te bespreken boeken zijn dan ook alle in Nederland gepubliceerd. De mensen van het eigen land wijden de figuren van buiten in het Antilliaanse leven in:

[p. 177]

Hans, door zijn oomen Chimi; Sylvia door Eddy en Calina; Oscar Fischer door Piet Winklaar e.a. Omgekeerd is dat ook het geval. Sherry én Mayra én Norine komen in een Nederlands kostgezin, Thalma bij haar eigen vader en later de pleegouders Broers.

Maar dat wil nog niet zeggen dat iedereen zich vanzelfsprekend aanpast en ‘eigen’ wordt met de mensen in het nieuwe land. Bij Thalma mislukt dat proces volledig, en in de schuld daarvan wordt gegeven aan de Nederlandse samenleving.

In Duel in de diepte gaan de Nederlandse figuren na kortere of langere tijd weer weg, hun verblijf is tijdelijk. In de andere Nederlandse boeken blijven de hoofdfiguren, zoals dat ook met De witte pest het geval is. Maar Thalma kan blijven omdat ze haar eigen zwarte cultuur in de muziek gevonden heeft. Blijven wil voor haar niet zeggen: zich aanpassen aan Nederland.

‘Power... Soul Power. Hún magie, háár magie. Al haar emoties, fantasie en intuïtie legde ze in haar zingen. Ze had in een wereld geleefd, die besmet was door de Witte Pest - levensangst, pessimisme (...) Hier, in deze zaal, creëerden ze samen een nieuwe werkelijkheid, zonder problemen van sex, kleur en identiteit.’ (p. 88)

Aanpassing wordt hier als negatief ervaren; schadelijk voor de eigen identiteit, maar ze wordt ook onmogelijk gemaakt:

‘Jullie Nederlanders zien me als negerin, wanneer het jullie te pas komt. Als ik iets doe wat niet door de beugel kan is het: “Weer zo'n Surinamer.” Dat ik Antilliaanse ben, doet er niet toe. Voor jullie is het allemaal zwart. En als ik zeg: “Ik ben anders, ik ben Antilliaanse”, dan ben ik ineens een Nederlandse met dezelfde plichten. Maar dezelfde rechten, ho maar!’ (p. 78)

Sherry ergert zich eraan dat de Nederlander zich op de Antillen niet aanpast, terwijl dat van haar in Nederland wel verwacht wordt; zij maakt wel vrienden in Nederland en ze laat veel achter als ze weggaat.

‘... Ik hoefde me niet aan te passen, we kwamen daar werken omdat het ons was gevráágd. Ineens was Sherry ziedend... “Jîj hoefde je niet aan te passen?” snauwde ze. “En wij hier? Wij moeten dat zeker wel? Het moet dan toch maar, hè? Nee, wij zijn niet gevraagd, we komen vanzelf wel als bijen aanzwermen. Patat frites, puree, gekookte piepers en dan omgekeerd. Een heel bord vol en het derde deel van één karbonaadje erbij Een maar aanpassen, wát, júllie zijn toch hier? En het gekke is, dat we het nog doen ook.”’ (p. 97)

Andere figuren

Een eigenaardigheid die de Nederlandse auteurs aan de dag leggen is het voortdurend noemen van iemands huidskleur of de aanduiding ‘Antilliaanse’ e.d. die in het verhaalverband volstrekt overbodig zijn. Quintana schrijft ‘een middelbare koffiebruine zakenman en zijn dochter, de mooie, zwarte Calina.’. Over een oude verkoopster schrijft hij ‘haar tandeloze mond viel open... Toen begon ze onverstaanbaar te kakelen...’ Feliciano, een ‘ploert met een mooi pak aan,’ wordt voortdurend ‘de Antilliaan’ genoemd, wat ook gebeurt met andere figuren. Soms is de taal ook beschermend neerbuigend: ‘Zo'n schattig stokoud negerinnetje...’ Fabricius schrijft over Indianen op Curacao die zich kalmer gedragen dan de Creolen, ‘maar ze zijn ook vaak lui.’ En over hoofdfiguur Mark, die half-Indiaan is, lezen we dan de volgende verrassende mededeling:

‘Hij sprak wat Indiaans; dat had hij zichzelf geleerd - wij kenden behalve Nederlands alleen maar het Papiamentoe van de Creoolse bevolking en een mondjevol Spaans, maar hij verraste een oude Indiaan in de Knoekoe graag door hem in zijn al bijna vergeten taal aan te spreken...’ (p. 21/22)
[p. 178]

Anton Quintana; Duel in de diepte

De hoofdfiguur, Sylvia Sommer, is een beroemde Nederlandse popzangeres die tijdens een concert overspannen raakt en naar Bonaire gaat om daar weer wat op verhaal te komen. Daar wordt ze door allerlei mensen ‘herkend’. Twee Venezolanen, Chepito en Laro, ontvoeren haar, maar ze wordt bevrijd door Rob van den Berg, die vroeger een duikschool beheerde maar nu in een hutje helemaal alleen woont en El Loco wordt genoemd, en de Nederlandse Lucas die slakken bestudeert voor zijn proefschrift. Het blijkt dat Sylvia sprekend lijkt op een meisje Alma, dat een paar jaar geleden op Bonaire woonde, maar dat ‘gestorven’ is. Ze had iets met diamanten te maken, die ze met haar broer en Rob (El Loco) in Venezuela opgedoken hadden. Nu denkt men dat Alma weer in leven is en dus in het bezit is van de diamanten. Vandaar ook de ontvoering en een poging om Lucas te vermoorden, om achter het geheim van de diamenten te komen.
Feliciano, een van de grote jongens in de organisatie, wil El Loco vermoorden; Marco waarschuwt omdat de boeven zijn brommer hebben vernield. Feliciano wordt gevangen genomen als hij El Loco wil doden, waarna een gesprek volgt in de hut van Rob. Omdat zijn leven gespaard wordt, waarschuwt hij Rob voor eventuele volgende aanslagen.
John van de Velde komt opdagen, omdat de Venezolaanse organisatie de bewijzen dat Sylvia Alma niet is kennelijk onvoldoende acht. Met de Estrella, een vissersboot, gaan Eddy (een vriend van de duikschool), Lucas, Sylvia en Miguel de visser, duiken, waarbij Sylvia bijna omkomt. Eddy wil de Cucaracha zoeken, het schip van Rob en Alma dat vergaan is en waar de diamanten nog in verborgen zitten. Bij de tweede poging gaat ook Rob mee en ook John is van de partij. Chepito en Laro duiken ook op en denken er met de buit vandoor te kunnen gaan. Maar Lucas merkt onraad en waarschuwt de kustwacht.
In de Caraïbische zee op het koraalrif, wordt het definitieve gevecht geleverd, dat John van de Velde doodt. Rob vindt het lijk van Alma en neemt haar mee naar boven, maar de diamanten dwarrelen uit het vergane linnen zakje dat ze nog in haar handen geklemd houdt, naar de bodem van de zee...
[p. 179]

Over documentatie gesproken! Ook hij vermeldt graag ‘een paar Creoolse agenten’, ‘de donkere politie-agent’, ‘de Creoolse huis-knecht’, ‘zijn zwarte kroeshaar’ op plaatsen waar het niet functioneel is. Er is in zijn boek ook een enorm standsverschil en een onderscheid stad - platteland: ‘Ze zal wel wat getikt zijn - dat zijn de meesten hier in de Knoekoe...’ Ook Bergmans gebruikt dit soort overbodige aanduidingen: ‘een corpulente Antilliaanse’, ‘giechelende zwarte meisjes’, ‘de trouwe, zwarte vrouw’, ‘liefde voor de donkere vrouw’, ‘een donker verpleegstertje’, ‘de drie donkere knapen’, ‘een van haar vijf onwettige kinderen.’

In dit verband schrijft Diana Lebacs over latent racisme in kinderboeken:

‘Ze hadden een verhaal gelezen over een goed meisje en een kwaad mannetje. En dat mannetje was zwart. Zwart en vies en slecht. En hij werd gedood door het blanke, blonde, lieve meisje met de reine, blauwe oogjes. Wel een week lang had Sheritsa in bed gehuild, want het boek was prachtig. En wat in de boeken stond, was waar.’ (p. 7)

Ik ben nauwelijks voorbeelden bij de Antilliaanse auteurs tegengekomen, waar die meteen over de blonde, blauwogige blanke melkhuid praten. Alleen Siny van Iterson: ‘Machi Nènè lachte een beetje. Ze kon die blonde jongen niet verstaan...’ (p. 40)

Ruimte

Hoe onderdaan de figuren het overgeplaatst worden in een nieuwe, andere omgeving? Nederlandse auteurs zijn vòl van de exotische pracht van Curacao en Bonaire, Johan Fabricius komt tot de volgende lyrische passages als het regent:

‘...het regent bij ons maar zo zelden, eens in de paar jaren, niet vaker. Op het land - in de “Knoekoe” zoals wij zeggen - worden dan zeilen uitgespannen om het hemelwater in op te vangen dat zoveel beter smaakt dan het soms wat brakke water uit de putten. De kinderen dansen naakt op straat; mannen en vrouwen lopen vrolijk opgewonden rond, de handpalmen naar boven gekeerd, om er het water op te voelen spatten. De ezels, op het Eiland bijna nog talrijker dan de mensen, staan gelaten in de regen en genieten er de weldaad van, de kop met de lange oren omlaaggebogen. Alleen de kippen en de geiten houden niet van de regen; ze schuilen triest bijeen onder een afdak van gegolfd plaatijzer waarop het water met oorverdovend geraas neerstort, of ze zoeken hun toevlucht in een oud auto-karkas, dat ergens op een achtererf is blijven staan toen de eigenaar zich een nieuwe auto aanschafte.
Geen wonder dat ons Eiland dor is, als het zo zelden regent. De zon staat er dag-in-dag-uit meedogenloos op te branden, en dan is er nog de eeuwig waaiende passaat die alles zo droog maakt. Behalve de manshoge kaktussen, die hun doornige stengels omhoogsteken als de vingers van een waarschuwende hand, wil bij ons eigenlijk alleen nog maar de dividivi-boom gedijen: die zie je overal, scheef gegroeid door de wind en grijs van het stof. Overal tussen de kaktussen liggen lege blikken en kapotte flessen en tot op de draad versleten autobanden; voor de rest zie je meer stenen dan aarde; je vraagt je af wat een dier er nog te grazen vindt. Maar natuurlijk, een ezel is al tevreden met distels en een geit bezit een bijzonder talent om ergens onder de stenen nog wel een grassprietje te vinden dat hij er met een nijdige zijdelingse ruk van de kop uittrekt. Maar dan na de regen! Binnen een week is het Eiland met een zachtgroen dons overdekt; uit de kaktusstengels komen tere bloemknoppen. Van een veranda of uit een open raam klinkt het getokkel van een gitaar; een mannestem zingt een oud Indiaans lied of een vrolijke Spaanse copla; een oude vrouw zingt een langgerekte klacht
[p. 180]
uit de slaventijd.’ (p. 11/12)

En het Venezolaanse oerwoud langs de rivier ziet hij aldus:

‘Al gauw maakten de mangroven trouwens plaats voor tropische woudreuzen. Armdikke lianen omstrengelden de enorme stammen; aan de takken hadden zich mossen en varenachtige planten gehecht; naar de rivierzijde toe hingen schermen bloemen, ook veel orchideeën. Nu en dan hoorden we vogels, het krijsen van parkieten of kakatoes; een hele vlucht ervan, rood glinsterend in de zon, fladderde met veel misbaar naar de overkant van het water...’ (p. 84)

Een zonsondergang:

‘De zon ging prachtig onder; achter de bomen aan de overkant stond de hemel helemaal in brand; de gloed ervan weerspiegelde in de rivier, die breed en kalm onder ons voorbijstroomde. In een machtige oeverboom, waarvan de takken zich ver over het water uitbreidden, kwetterden honderden vogels dooreen, die elkaar hun slaapplaatsen voor de nacht betwistten; het was daar een gefladder van belang. Maar gaandeweg werd het er stiller...’ (p. 92/93)

Dit is exotisme van het zuiverste water! Ook in Duel in de diepte vind je dit soort exotische landschapsbeschrijvingen. Over de knoek:

‘Een woestijnachtig landschap vol cactussen en grillige bomen, met hier en daar lange afrasteringen van dode cactusstammen die de verwilderde geiten van de akkertjes moesten houden. Een dor en stoffig landschap op het eerste gezicht, totdat je de rijkdom aan bloemen en kleuren begon te ontdekken.’ (p. 19)

Allerlei aspecten van het eiland krijgen uitvoerig de aandacht: het klimaat, flora en fauna, zee, strand, schelpen, koraal, flamingo's, plantages, duiken, de noordkust, de grotten, enz. Het privéstrand van Hotel Bonaire doet Lucas denken ‘aan een reclamespot voor een paradijselijk verblijf op een Zuidzee-eiland. En een beetje gelijk had hij wel.’ De Zuidzee is natuurlijk nóg mooier, want nóg exotischer. Nog een voorbeeld uit De bastaard van Bonaire, waar ook het eiland, zijn natuur, de droogte en de regen, zon, zee, flamingo's, zee-arenden, koraal en natuurbescherming aan de orde komen: Bonaire moet een oase blijven voor mens en dier!

‘Het nieuwe etmaal was nog maar net begonnen en het beloofde een snikhete ouderwetse tropendag te worden op het verstilde vredige Bonaire, dat niet meer was dan een speldeknop in de lauwwarme zee, waar het leven eeuwen en eeuwen voorbij was gegleden in een gelijkmatig ritme, dat alleen zijn bewoners kenden.’ (p. 15)

Siny van Iterson ging de Nederlandse auteurs voor in deze gewoonte. In haar verhaal zoeken de twee jongens een ontvluchte misdadiger en een verborgen schat, maar aan het einde moraliseert de oom van Hans, dat de prachtige Curacaose natuur de eigenlijke echte schat is:

‘De eenvoudige bekoring van dit ruwe landschap is ook een verborgen schat, meer waard dan geld. En hij is voor iedereen, die hem maar ontdekken wil. (...) De zon was eindelijk helemaal onder. Nog gloeide de lucht van tintelende kleuren, die weerspiegelden en vervloeiden in de wijde Caraïbische zee. De warm paarse sluier van de tropennacht vlijde zich langs de flanken van de vale bergen en vervaagden de omtrekken van de scheve dividivi en de verwaaide palmen. Hij dekte de barre rotsen en de verdroogde, gebarsten grond toe. En omhulde de nietige huisjes en de eenzame landhuizen met een steeds inniger, diepe gloed. Bij de oude koraalmuur waren de gestalten van de man en de twee jongens nauwelijks meer te onderscheiden. Maar hoog op de heuvels staken de fiere kadushi nog scherp af tegen de lichte lucht, als trouwe wachters van een klein eiland.’ (p. 127/128)

Maar ook Diana Lebacs sluit zich bij dit soort beschrijvingen aan:

‘Op de weg naar Westpunt sloegen
[p. 181]
ze op een gegeven ogenblik rechtsaf en hobbelden een zandweg op. Ineens verrezen er links van hen oge cactuszuilen, hele rijen tegen een achtergrond van grimmige rotsen. In de verte, rechts van hen gloeide de grond roodachtig, warm en diep. Ze gingen die kant uit. Het was een prachtig gezicht. Da intense kleur van het zand, de schaarse, maar unieke begroeiing. Een eenzame cactusboom met machtige, omhooggeheven armen, nederige grondplantjes, grillige composities van witte droge takken. Verderop verweerde, uitgedroogde, stramgebogen divi-divi's als natuurlijke richtingwijzers van de wind. Er zat regen in de lucht. Plotseling, zomaar. Waar de hemel de aarde raakte, donderde de wispelturige zee en spatte aanhoudend wolken waterdruppels, als een doorzichtige damp hóóg op. De hemel was zwart en levend.
Het water had zich door de eeuwen heen steeds verder teruggetrokken van een rotsketen, die zich recht en glad omhoog verhief: een lange rij prachtig gepolijste stenen kubussen in alle vormen gerangschikt - als een modern, imposant natuurwerk. Boy strekte zijn armen er bijna eerbiedig naar uit. Zoveel mogelijkheden, zoveel materiaal! “Dit,” zei hij, “wordt mijn nieuwe materiaal. Ik zal er taferelen in uithakken, wand voor; wand.” Ze waren er allemaal stil van, ademloos als de ademloze vlakte zelf. Geen hagedis schoot langs, geen vogel scheerde voorbij, er trilde geen blad. Alleen in de verte beukte dof de zee. Ze reden terug.’ (p. 164/165)

Als Sherry terugkomt uit Nederland, ondergaat ze het klimaat en het eiland als een weldaad. Maar voor haar verblijf in Nederland zag ze het ook als een gevangenis, dat haar belemmerde in haar vrijheid:

‘Ze mocht zich niet laten opsluiten in de kooi van haar familie, haar eiland - met zijn wetten van vroeger, zijn angst voor verandering. Ze moest uitvliegen, mens worden, leren, observeren.’ (p. 50)

Omgekeerd hebben de Antillianen weinig goede woorden over voor de natuur en het klimaat van Nederland. Als Sherry in Nederland aankomt, zijn haar eerste indrukken:

‘Eindelijk, Schiphol in zicht! Gespannen keek Sherry naar het lage, vlakke, groene land, dat steeds dichterbij kwam. Polders, rivieren, uiterwaarden, weilanden... Haar aardrijkskundeboek kwam haar een ogenblik scherp voor de geest. Vreemd keek ze op, toen ze ontdekte dat de landingsbaan een viaduct was over een autobaan! (...) In de bus, en daar reden ze door het landschap met de rechte, groene blokken. Alles was gehuld in een grijze waas. Augustus, maar Sherry voelde alleen maar een kilte, die haar telkens even deed huiveren. Als de wind langs haar gezicht streek klemde ze haar lippen op elkaar en bevochtigde ze met haar tong. Want ze deden pijn. Ze frunnikte aan het raam en schoof het dicht. Amsterdam veroverde haar hart. Het was precies zoals zij het zich had voorgesteld, deed niet eens vreemd aan. Hun begeleider noemde allerlei namen, die ze meteen herkende uit talloze lees- en studieboeken. (...) Amsterdam was geen stad waarin je je verloren voelde. Je hoofd ging er van tollen. Er was, hoe dan ook, contact met alles en iedereen. Geraas van auto's, het dolmakende geluid van boormachines in het plaveisel, tramgebel, flarden gesprekken, zo nu en dan een golf muziek als er een deur openging, het straatorgel...’ (p. 76/78)

En dan komt de winter!

‘Het werd hoe langer hoe moeilijker om 's morgens op te staan, want het bleef zo lang pikkedonker buiten. Tegen negen uur in de ochtend werd het wat lichter en dat duurde tot zo omstreeks vier uur. Dan was het weer pikkedonker en gingen
[p. 182]
alle lichten aan. Soms zag je dagenlang de zon niet. Toch miste Sherry hem niet zo erg als ze wel had gedacht. Alleen de kou was soms erg, en het eeuwig dragen van zo'n dikke vracht kleren als je de straat op moest. Wanneer het vroor, deden haar oren gewoon pijn en handschoenen hielpen ook niet voor haar handen.’ (p. 95)

Maar lente en zomer zijn beter, zeker op het platteland, als oase van rust tegenover ‘de betonnen blokken-, lawaai- en wettenwereld’. Ook Mayra moet wennen aan de drukte en aan het verkeer, bijv. de trams. Zo viel Sonia zelf teen ze voor het eerst in Nederland kwam, op:

‘Daar stond ik: op straat. Wat een kou! Wat een drukte! En wat een schok: de kruiers, de taxichauffeurs, de schoonmakers, de vuilnismannen - alles was blank. Ik had nooit geweten ...nee, er nooit over nagedacht ... dat blánke mensen dat soort werk ook doen. Want de blanken, die naar Curacao komen, komen niet voor dit soort werk. (Alleen de Portugezen).’ (p. 59/60)

Norine vindt de kou niet zo erg, hoewel ze in januari aankomt, maar ze durft niet te fietsen.

Thalma ziet het volgende:
‘Het enige waar ik naar kee waren die koeien en die groene wei. Ik blééf er naar kijken. Zo mooi! Het was zo anders...’ (p. 14)

Over het algemeen zijn de Antilliaanse auteurs niet zo uitvoerig over het Nederlandse landschap en het klimaat, maar ze beschrijven wél heel uitvoerig het leefklimaat, de andere leefwijze waar ze in Nederland aan moeten wennen.

Leefklimaat

Nederland is druk, vol de mensen hebben er altijd haast, zo doen alles op tijd, ze zijn niet vriendelijk maar op een afstand, ze werken zich een hartinfarct....

‘Het is hier ook gek als je de bus binnenkomt en je groet. Dan groet alleen de chauffeur terug. De mensen kijken alsof ze bang zijn dat je naast ze gaat zitten.’ (Orkaan en Mayra, p. 35)

Sherry maakt haar eerste tramrit,

‘En keek naar de stille, stugge gezichten, die door de ruiten tuurden.
Een andere tram gleed voorbij. Weer strakke gezichten, die terugtuurden. Sherry kreeg de neiging om een dwaze grijns te trekken tegen het gezicht voor haar. Er waren geen nonchalante, lacherige gesprekken. Ze hoorde geen plotselinge, enthousiaste begroeting.’ (p. 78)

Ook Sonia zegt dit: ‘Ineens ben je in Europa... dat is wat voor iemand van een klein eiland. Eerst ging ik naar België. De mensen lachen er veel meer dan mensen in Holland. De mensen in Holland hebben zo'n strakkerig gezicht.’ (p. 64)

Nederlanders roken zoveel in een afgesloten ruimte dat je bijna stikt, en drinken sloten koffie; als je op bezoek wilt gaan moet je altijd een afspraak maken; ze zijn nieuwsgierig en willen altijd alles weten; ze kunnen zulke gekke vragen stellen; Thalma dacht:

‘De nederlandse mentaliteit zal vol vooroordelen; compromissen die het eigen voordeel ten goede kwamen; schijnheiligheden; hulpvaardigheid uit nieuwsgierigheid. Ze moet dat niet!’ (p. 30)

Nederlanders zijn direct en op de man af!

‘Jessica was al Hollands voor ze wegging. Die durfde alles meteen op de man af te zeggen. Ze is geen Curacaose in het complaceren van mensen, en doen-alsof. Nee, die zei altijd al precies wat ze dacht.’ (p. 81)
[p. 183]

Daar staat wel tegenover dat je in Nederland zelfstandiger wordt en Kristischer:

‘Op je eigen benen staan, alleen met je gezin, zonder de bemoeizucht van je familie, kennissen en vrienden - dat was mijn ontdekking in Nederland...’ (Lieve koningin..., p. 61)

Sherry merkt dat ‘je echt wel karakter moest hebben om een zelfstandig leven aan te kunnen’.

‘In één opzicht was Sherry helemaal veranderd. Op Curacao las ze over honger en oorlog, maar het had haar koud gelaten.(...) Zoals zij er daar langs geleefd had, zo scherp werd ze hier in Holland met die zaken geconfronteerd en reageerde ze er op. Jongens en meisjes van haar leeftijd waren fel, spraken en schreven en hielden protestmarsen.(...) Door haar studie en contact met medestudenten kreeg ze meer inzicht in de sociale problematiek van de wereld. Met een schok kwam ze tot de ontdekking, dat er situaties heersten op haar eigen eiland en in haar eigen omgeving, die gewoon onvoorstelbaar waren in het jaar 1966.’ (p. 88)

Nederlanders beschrijven het Antilliaanse leefklimaat veel minder; kwamen ze daar door hun korte verblijf niet voldoende mee in aanraking? Of ligt het aan het genre van oppervlakkige, spannende verhalen die zich daar niet voor leenden?

Quintana benadrukt het feit dat op een klein eiland niets verborgen kan blijven en dat de mensen veel kletsen. Antillianen zijn gastvrij en leven erg gemakkelijk, maar hun gemeenschap is wel erg afgesloten tegen buitenstaanders, ‘... de aloude beginselen van de donkere mensen op Bonaire, wier besloten gemeenschap nimmer werd doorbroken...’ (De bastaard van Bonaire, p. 84) Antillianen zijn beter gekleed dan Nederlanders, volgens Quintana: Eddy is met zijn donkere huid en spierwitte tanden een echte knapperd! En over El Loco: ‘Het was een blanke, maar hij zag eruit als een landloper.’ De anderen letten minder op het uiterlijk. Quintana prijst de trouw van de Antilliaan, die zijn beloften nakomt; hij spreekt in dit verband van een Caraibische erecode: dienst en wederdienst. Eén aspect komt in de beschrijving van de Antillianen door de Nederlandse auteurs steeds weer naar voren: hun bijgeloof in de ogen van de Nederlandse figuren, die daar geen last van hebben. Het is mogelijk om daar een hele rij voorbeelden van aan te leggen, bij Quintana, maar ook nog bij Bergmans. Siny van Iterson geeft een heel scala van volksgeloof, al relativeert ze dat aan het einde door alle geheimzinnige verschijnselen van een redelijke verklaring achteraf te voorzien.

Bergmans maakt het wél bont als hij schrijft over de ‘diepgelovige’ Oostenrijkse Maria die Bastiaan vraagt een kruisteken te slaan voor hij gaat duiken, en even later via Metardo Martijn, de donkere Bonaireaan, tot de volgende uitvoerige beschouwing komt:

‘Geloof en bijgeloof slapen op Bonaire in één bed. Voor moeder Martijn was het scapulier minstens net zo vertrouwenwekkend en mysterieus als de wierook waarmee medicijnmannen en tovernaressen de boze geesten verdrijven. Zij geloofden er hecht in, dat de tovernarij van slechte mensen anderen te gronde kon richten door duivelse praktijken toe te passen en ook door handopleggingen en bezweringen. In het stenige tuintje voor haar huisje had zij ter afwering van het kwade aan de doornige takken der drie rozenstruiken met touwtjes een paar leeggezogen kippeëieren bevestigd, die volgens het aloude geloof der Afrikaanse voorvaderen, haar gezin moesten beschermen tegen vreemde en slechte invloeden. De slaven van weleer brachten dit bijgeloof mee op de schuiten, die hen overbrachten van Angola naar de eilanden in
[p. 184]
de Caraïbische Zee. Vader Martijn liet alles met een licht schouderophalen toe. Hij was een overtuigd methodist maar helemaal onverschillig voor het boze oog was hij ook weer niet. Hij hinkte zoals velen van zijn rasgenoten op twee benen.’ (p. 118)

De verhouding jongen - meisje, man - vrouw krijgt ook herhaaldelijk aandacht van de Nederlandse auteurs. Quintana: ‘Bij ons op de Antillen letten broers heel goed op hun zusjes. Je begint het net leuk te vinden op een feestje of daar komt zo'n snotneus naar je toe om je naar huis te sturen.’ Mensen staan direct klaar om te kletsen over een verhouding als een jongen en een meisje eens even alleen ergens zijn; ze zijn zo kortzichtig... Met de wet nemen sommige Antillianen het ook niet zo nauw als het smokkelen betreft, een sportief tijdverdrijf volgens Quintana; al worden Venezolaanse smokkelaars wel als boeven beschouwd door Fabricius. Quintana wijst ook nog op de Antilliaanse passie voor dominospel.

Het is opvallend dat figuren voortdurend geneigd zijn hun nieuwe situatie te vergelijken met die van hun eigen (ei)land.

Vooroordelen

Curacaoenaars die Nederland niet uit eigen aanschouwing kennen, zitten vol vooroordelen tegen dat land. Vooral in ‘Lieve koningin...’ komt dat naar voren:

‘Wát? Stuur jij jouw dochter naar Holland? Holland is zover weg, kind! Alle kinderen die naar Holland gaan, worden verpest. Ze komen terug en willen niet meer bij hun ouders wonen. Ze willen allemaal in een flat en ze gaan allemaal zo'n verhollandst Papiaments praten. Ze begrijpen hun eigen familie niet meer. Ze komen met andere ideeën. Ze worden allemaal communista, en socialista... en ze praten alleen nog maar in die -istastijl.’ (p. 45)

Dit citaat heeft nog betrekking op landgenoten die gaan en terugkomen, zoals ook in Sherry de veranderde mentaliteit van de Antilliaan in Nederland aan de orde komt; vaak komen ze in Nederland uiteindelijk ook heel anders terecht dan verwacht.

‘Joe, in Holland zijn ze dol op zwartjes. Je hebt daar binnen een paar minuten tientallen mannen om je heen. Ik heb gehoord dat je niet eens meer kamers kunt krijgen. O nee, meisjes wel. Jongens niet, omdat die herrie schoppen.’ (Sherry, p. 40)

Jongens in Nederland willen met een meisje meteen naar bed, jongeren slapen op de Dam, mensen in Nederland eten niet voldoende (ze krijgen één aardappel gedeeld door vieren), ze zijn krenterig, ze wassen zich niet... (Lieve koningin, p. 46/47) Eigen aanschouwing doorbreekt deze ideeën later, en dan komen er bij Sonia Garmers allerlei positieve elementen daartegenover te staan, tot en met begrip voor discriminatie toe: ‘Ik kan het best begrijpen dat de Nederlanders bang zijn, lees de kranten maar.’

Van de andere kant beschrijven Antilliaanse auteurs steeds weer de Nederlandse onbekendheid met de Antillen, terwijl zijzelf alles van Nederland moesten leren op school:

‘... geen Hollander weet waar Curacao ligt. (...) Wij zijn vroeger op school volgestopt met aardrijkskunde en geschiedenis van Nederland. Maar omgekeerd... nee hoor! Kleigrond, zandgrond, landklimaat, zeeklimaat... noem maar op! En iedereen die bruin is zal zeker wel een Surinamer zijn, denken ze in Holland. Ik ben een Curacaose en wil niet voor een Surinaamse worden aangezien. Net zoals een Hollander het niet leuk vindt als ze hem voor een Duitser of een Belg houden.’ (p. 71/72)

En even eerder:

‘“Wat een vreemd taaltje is dat,” begon die meneer.
[p. 185]
“Dat is geen Spaans.” “Nee,” zei ik, “Papiaments.” Waar komt u dan vandaan? Uit Suriname?” “Nee,” riep ik gauw, “uit Curacao. Dat is twee uur vliegen van Suriname af.” Zo kwamen we in gesprek en die heer bleek een werkstudent. Maar zelfs een student in Nederland wist niets van onze taal, en van het verschil tussen Curacao en Suriname!’ (p. 65)

Quintana schrijft er ook over; Sylvia denkt: ‘Curacao... Waar lag dat ook al weer? De Nederlandse Antillen. Suriname? ‘Nee, malle meid, Suriname hoort niet bij de Antillen! Ga je schoolgeld terughalen!’ (p. 16) Maar dat laatste hoeft ze eigenlijk helemaal niet, omdat op Nederlandse scholen helemaal geen aandacht aan de Antillen besteed werd!

De Nederlander kan al die donkere mensen die zo op elkaar lijken niet uit elkaar houden, of hij raakt in de war als hij van al die ‘kleur-, haar-, gezichts en rasverschillen’ hoort. (Sherry, p. 106)

Angela Matthews schrijft over Antillianen in Nederland:

‘Antilliaans of Surinaams, wat maakt het uit! Allemaal hetzelfde soort. Ze deugen niet. Al geef je hen uit je eigen zak te eten, ze geven je stank voor dank. Tuig is het!’ (p. 27)

Ook praat ze over het over en weer schelden om de huidskleur, waarop ze terugscheldt van: jullie kikkers met je kikkerland. Ze benadrukt het feit dat God steeds als blanke wordt voorgesteld. Bij haar boek komen de ras- en kleurverschillen het sterkst naar voren. Bergmans praat wel over de rassenwaan van Hitler en Nazi-Duitsland, maar meldt niets over kleurproblemen op de Antillen: ‘Gelukkig is er nu geen verschil meer tussen blank en zwart...’ (p. 74)

Voorlichting

De voorlichting op de Nederlandse t.v. is niet goed, vindt Sonia Garmers:

‘...er zijn de laatste jaren veel programma's over Suriname en de Antillen op de televisie. Maar die programmamakers uit Holland willen meestal alleen onze ellendige dingen laten zien. En anderen willen alleen weer de mooie baaien en de mooie hotels laten zien.’ (p. 67)

Dus daar wordt de Nederlander ook al niet veel wijzer van.

De Nederlandse pers en de politie komen er bij Angela Matthews slecht af:

‘Laatst had ik een artikel over de politie, die ons zomaar aanhoudt en fouilleert en meeneemt naar het bureau. Hoe vernederend zoiets is. Dat artikel heb ik aan mijn deur gehangen, zodat ze het konden lezen. Later hing ik nog een ander stuk op, over een doodgeschoten Surinamer. De politie had hem achtervolgd en dacht dat hij een pistool in zijn handtasje had. Iemand heeft dat kranteknipsel eraf gescheurd en op mijn deur geschreven: Stom gelul! Ze moesten ze vaker neerschieten!’ (p. 78)

Sonia Garmers spreekt over concurrentie en broodnijd in de televisiewereld, en Sherry meldt:

‘De laatste tijd leken de kranten toch al tuk op vechtpartijen, waarbij Surinamers en Antillianen betrokken waren. Goed, de hele krant stond meestal vol van de ergste gebeurtenissen, maar het was des te erger als er een Antilliaan of Surinamer bij betrokken was. Kreeg hij ruzie of had hij een moord op zijn geweten, dan waren meteen álle Antillianen en Surinamers er de dupe van. Ze kregen moeilijkheden bij het huren van kamers of konden de dancings voor een tijdje niet meer in.’ (p. 138)

Ook in De bastaard van Bonaire speelt de journalist trouwens een zeer negatieve rol, maar hier schrijft de Nederlandse correspondent tegen de Nederlandse pastoor...

Isolement

Er wordt in Nederland gediscri-

[p. 186]

mineerd bij de toelating tot dancings, naar ook bij de kamerverhuur:

‘iedere dag zocht ze in de krant naar een kamer. Soms belde ze op, en het eerste wat ze te horen kreeg, was: “Bent u soms buitenlandse?”
“Ja, Antilliaanse.” Ze was te trots om “Nederlandse” te zeggen - wat ze in feite was, volgens de wet dan! “O, nee, dank je. We willen geen kleurlingen.” En dan gingen die mensen er nog prat op, dat ze niet discrimineerden, want ze hadden niet “zwarte” gezegd.’ (De witte pest, p. 66)

Er is een duidelijk verschil tussen het in een Nederlands gezin opgenomen worden (Norine, Sherry aanvankelijk) en het zelfstandig op kamers gaan wonen, waarbij het contact met Nederlanders veel minder is.

Diana Lebacs beschrijft de diversiteit van Antillianen in Nederland, die elkaar ook in de grote stad toch steeds weer tegenkomen: het studententype die er de bloemetjes buiten zet (Ryan en Carlos); de serieuze student Edward; Humphrey die ging om te studeren waar toen dat mislukte ging werken; de zich van haar eigen cultuur bewuste Gretchen die toch blijft; Gracielle die ging om te studeren maar al gauw trouwde; Dientjie die altijd heimwee had; Boy de kunstenaar; de Antilliaan die al weer terug is in Nederland omdat hij op Curacao niet meer kan wennen... Ze laat zien hoe Antillianen in Nederland sterk betrokken blijven bij Antilliaanse problemen en cultuurverschijnselen: de reacties op 30 mei 1969 bijvoorbeeld. Sherry merkt dat ook zij verandert na een poos in Nederland gewoond te hebben.

Van de andere kant beschrijft Bergmans hoe pastoor Mol door heimwee naar zijn familie in Nederland op Bonaire in moeilijkheden komt. Zo leven de Antillianen in Nederland onder elkaar, zoals de Nederlanders dat nogal geïsoleerd op de Antillen doen. Sherry heeft naast de Antilliaanse, ook Nederlandse contacten; als ze weggaat denkt ze na over ‘de band, die ze met iedereen hier had, en niet alleen met Antillianen’ (p. 140) Maar dan duidt zo vooral op haar Nederlandse vriend Desmond. Norine gaat in Drenthe logeren, waarover Sonia Garmers schrijft:

‘Kijk, Antillianen in Holland kunnen best bij elkaar zitten, maar ze moeten ook met Hollanders omgaan. Norine heeft bij een vriendin op een Drentse boerderij gelogeerd. Ze was met vriendinnen in Groningen. Met kerst en nieuwjaar zat ze bij mijn vriendin in Amsterdam. Zo leerde ze dat Holland niet alleen Amsterdam is’ (p. 64)

Maar Thalma krijgt problemen:

‘...ook al was ze niet opgevoed als een Arubaan, een Nederlander liet je steeds voelen dat je anders, minder was. En als ze met een Nederlander kon opschieten, vond haar volk haar “white-minded”. Ze viel tussen wal en schip. Ze was een randfiguur tussen twee culturen.’ (p. 79)

En Sonia Garmers zegt: ‘... die paar Hollanders die ik op Curacao ken...; ook Sherry kreeg als kind problemen toen ze op Curacao te veel omging met blanke kinderen en ‘voor makamba’ speelde... De jeugdliteratuur schildert een beeld van naast elkaar leven, niet een integratie in de maatschappij. Het verwijt dat er zo weinig contact is gaat naar de ander die zich niet wil aanpassen.

Macamba

Een Nederlandse psychologe die in de Antillen was, oordeelt zeer negatief:

‘Alle vrouwen hebben daar 'n zooitje kinderen bij verschillende vaders. Al die vaders zijn op zee of maken bij de buurvrouw 'n kind als se in de thuishaven zijn.’ (De witte pest, p. 38)

Sonia Garmers zegt in ‘Lieve koningin’...:

‘Ik moet er wel bijzeggen dat de Nederlander in Curacao heel
[p. 187]
anders is dan de Nederlander in Nederland. Hoe dat zo komt? De Nederlander, die naar Curacao komt, denkt misschien: “Nu gaan we naar een grondgebiedje van ons, waar we de baas zijn. We zullen die zwartjes daar wel eens wat leren. En laten merken dat we de baas zijn.” Het komt natuurlijk omdat ze niks van ons afweten. Ik vind de Nederlander in Nederland veel sympathieker.’ (p. 72)

Over de macamba op Curacao, enkele uitzonderingen daargelaten, valt er geen goed woord te lezen. Sherry valt uit over de macamba die drie jaar op Curacao woonde en nog geen Papiaments verstaat, over de arrogante nieuwe leraar Nederlands: ‘Hij ziet eruit als dé Cultuurdrager, die ons, domme schapen, van alles moet bijbrengen.’ (p. 54)

Bij ons komen jaarlijks leerkrachten aan uit Holland. Niemand vraagt zich af of de aanpak van de kinderen daar totaal verschillend is of niet. Ze worden geacht het meteen goed te doen, zelfs beter dan de lokale leerkrachten. Ze hoeven zich niet aan te passen.’ (p. 96)

Sonia Garmers noemt zich ronduit een macamba-haatster:

‘Ze wisten dat ik, voor ik naar Holland ging, zo'n echte makamba-haatster was - nee, ik keek wel uit voor ik vriendschap met een makamba sloot of iets goeds zei van Holland.’ (Lieve koningin..., p. 73)

Maar door haar vakantie is ze nu anders gaan denken, omdat ze andere Nederlanders heeft gezien. Zo zelfs dat ze schrijft: ‘Laat mijn dochters maar met een makamba trouwen. Die zijn aardiger tegen hun vrouwen. De vrouwen mogen veel meer.’ (p. 88)

Haar grootmoeder zegt over Nederlanders - macamba's: ‘Een Hollander en een duif zijn ondankbare beesten’ (p. 33), en: ‘Hollanders is niet het soort beesten dat je fokt of vertroetelt, zelfs niet om je deur schoon te houden!’ (p. 36)

Buitenlanders zijn in Sherry ook een bedreiging voor de eigen werkgelegenheid. Ook in de jeugdliteratuur kwam 30 mei 1969 niet uit de Caraïbisch blauwe lucht vallen: ‘...houding was agressief, vooral tegenover Europese Nederlanders, tegen wie in de loop van de maanden al een gevoel van antipathie was gegroeid, omdat de directie van de meeste grote bedrijven op Curacao bestond uit Europese Nederlanders.’ (p. 122)

Na 30 mei zijn de macamba's of overdreven poeslief óf ze hebben nog niets geleerd:

‘De dertigste mei heeft die mensen geen moer geleerd. Ik denk, señora, dat er een veertigste mei moet komen om deze klootzakken te leren over onze eigen identiteit en wat we eigenlijk waard zijn!’ (Lieve koningin..., p. 44)

Een Nederlander als pater Brenneker, die zoveel voor de Antillen doet, blijft volgens Sonia Garmers in de ogen van de mensen toch iemand van buiten, een niet-Curacaoenaar.

Omgekeerd beschrijft Johan Fabricius de controverse tussen Hollande Barend en de donkere Curacaose Eddie, niet de andere lichtere Curacaoenaars; maar Liana kiest dadelijk de partij van Eddie tegen de Hollander (p. 163/164)

Aanvankelijk hebben Chimi en Hans ook ruzie, maar dat verandert al snel in een hechte vriendschap.

De verstandhouding tussen Oscar, Maria en Bastiaan Fischer, en de Bonaireanen is ook uitstekend, al sluiten de zwarte mensen van Rincon zich wel af (zie boven). Ook in Duel in de diepte is de verstandhouding uitstekend tussen de Nederlandse hoofdfiguren en de Antilliaanse counterparts. Hoe diep hebben de Nederlandse auteurs hier de werkelijke verhouding tussen de bevolkingssegmenten gepeild?

[p. 188]

Spaans

De Nederlandse auteurs gebruiken als tegenpool van de Nederlander niet de Antilliaan maar de Spaanse vastelander. Siny van Iterson laat de ontsnapte boef Spaans spreken; het is een buitenlandse misdadiger. Johan Fabricius' schurken zijn alle Spaans; er kan geen goed woord voor deze misdadigerstypen af.

Het zijn haveloze kerels, met ongeschoren koppen, en bijzonder ongunstige tronie, en nagenoeg of helemaal analfabeet.

‘Mary stoof verschrikt vooruit. Ze spaarden haar daarna - ik denk omdat zij zo blond was en blank van huid: voor deze donkere Venezolanen betekende dat onschuld...’ (p. 47)

Ook bij Quintana zijn de bandieten Spaans en dom en bijgelovig en geldzuchtig, zoals de kleine dikkerd Chepito en de lange magere Laro in ‘hun opzichtige pakken.’ Feliciano daarentegen ziet er keurig uit: ‘Een ploert met een mooi pak aan...’ Nederlandse jonge lezers worden bepaald niet voor vooroordelen tegen Zuidamerikanen behoed:

In De bastaard van Bonaire is de schurk in de beschreven tijd van de Tweede Wereldoorlog heel Nederlands een Duitser, in dit geval pater Brakensiek; maar die bekeert zich aan het eind. De Spanjaarden blijven schurk tot het slot en bezorgen zichzelf een welverdiende (verdrinkings)dood; ook een aantal Cubaanse revolutionairen wordt door Fabricius niet gunstig getekend - ze zijn van plan om de weerloze Mark koelbloedig in zee te gooien!

Nee, Spaans is slecht! Een verre reminiscentie aan al die boeken van vroeger over de Nederlandse Tachtigjarige Oorlog waar ook geen goede Spanjaard in voorkwam, alleen maar schurken tegenover de Hollandse Geus?

Siny van Iterson beschrijft de groentenkweker Wong zeer denigrerend: hij praat krom, hij wordt ‘die Chinees’ genoemd en ‘een zenuwachtig kereltje’. Maar dat was in de jaren vijftig, toen men in de jeugdliteratuur nog niet zo op deze zaken lette; ze had het echter in de tweede, bewerkte druk van 1975 moeten veranderen.

Papiaments

Een van de aspecten die bij de omgang tussen Antillianen en Nederlanders steeds weer naar voren komen is de taal, i.c. Papiaments tegenover Nederlands. Fabricius laat Mark zelfs Indiaans praten; de jongelui hebben geen problemen met hun taal-communicatie. Wel komt het echte Hollands - Amsterdams van Barend als vreemd element naar voren:

‘Zo'n Amsterdamse volksjongen was voor ons een bezienswaardigheid; hij sprak een ander Nederlands dan wij, gebruikte uitdrukkingen die we nooit eerder gehoord hadden, maar die we instinctief begrepen en waarover moesten lachen. Iets in hem ontroerde ons ook, misschien de gedachte dat achter hem duizenden andere Barendjes stonden die te zamen nu dat Nederlandse volk uitmaakten waartoe wij behoorden. Terwijl ik naar hem luisterde, moest ik aan de watergeuzen denken, aan de dagen van Tromp en De Ruyter.’ (p. 161)

Voor Fabricius is een Curacaoenaar domweg een Nederlander!

In Duel in de diepte kent de Nederlander Lucas na een jaar verblijf op Bonaire al goed Papiaments, ‘dat een eigen taal moest zijn, al werd er veel geleend van andere talen en leek het nog het meest op Spaans’ laat de verteller even tussendoor weten.(p. 19) Oscar Fischer leert al gauw Nederlands; zijn zoon Bastiaan kent spelenderwijs Papiaments en Nederlands, evenals de aangenomen zoon uit Colombia. De jonge generatie leert Papiaments, de oudere niet. Voor de Antilliaanse auteurs is het Papiaments als teken van eigen identiteit erg belangrijk. Het gebruik van woorden uit deze taal met de verklarende woordenlijst achterin voor de Nederlandse lezer komt dan ook steeds weer voor. Sherry krijgt problemen op school als ze les geeft in die taal.

[p. 189]

Nederlanders nemen over het algemeen niet de moeite Papiaments te leren: Marlene woonde drie jaar op Curacao en zegt:

‘Ik verstond de mensen eenvoudig niet. En zij maar hun taaltje uitslaan en maar lachen. (...)
“Zo?” zei Sherry. “drie jaar werken en wonen en nog kon je niemand verstaan? Het spijt me, Marlene, maar veel zal wel aan jezelf gelegen hebben.”’(p. 97)

En Titia: ‘Hee, hee’, berispte Titia, ‘ik versta dat taaltje niet, hoor.’

‘En je was zo lang bij ons op Curacao!’ zei Sherry verbaasd. ‘Jawel, maar kwam ik daar in aanraking met mensen die Papiamentu spraken? Op school Nederlands, thuis, in de buurt woonden alleen Nederlanders. Trouwens, de Antillianen zelf deden aardig hun best om me in het Nederlands te woord te staan. Ik hoefde niets te forceren.’ Titia lachte parelend. Sherry rimpelde haar voorhoofd. Daar had je nu een meisje dat als kind jarenlang op Curacao gewoond had zonder dat het zijn sporen in haar had achtergelaten. En daar zat Donna, vijf jaar in Nederland, ze sprak plat Amsterdams, rookte als een schoorsteen, slikte hele liters koffie naar binnen en zei: ‘Ach, je went eraan hè? Voor je het weet doe je het.’ En ze wilde nooit meer terug. Ze keek naar Titia ‘Van wie had die ook Papiamentu moeten leren? Op school mochten wij het niet eens spreken. Allerlei talen stonden op het lesrooster. Verplichte leervakken. Alleen onze taal stond er niet op.’’(p. 82)

Daartegenover heeft Sonia Garmers wel weer een Nederlandse vriendin die vloeiend Papiaments spreekt. Thalma is haar Papiaments van San Nicolas op Aruba, ze heeft een Engelstalige vader, verleerd. Ze schrijft met haar moeder in het Nederlands:

‘Dat ik geen Papiamentu kon schrijvan, was bijna “gewoon”. Op school in Aruba was Nederlands de verplichte taal. Als je je eigen taal sprak, kreeg je straf. Daarom kon ook niemand zijn eigen taal schrijven. En papiamentu had onze geheimtaal kunnen zijn!’ (p. 22/23)

Hier geldt taalverlies als identiteitsverlies; pas haar zingen in het Engels geeft die terug:

‘Ze moest de Engelse liedjes leren, omdat ze geen Papiamentu sprak. Het viel helemaal niet op, want er waren Antillianen, die thuis alleen Engels hadden leren spreken.’ (p. 82)

Het Nederlandse onderwijssysteem op de Antillen wordt in alle gevallen negatief beschreven door Antilliaanse auteurs.

Ook hier geldt weer dat de Nederlandse auteurs geen problemen zien waar de Antilliaanse auteurs die wel signaleren. Nederlandse auteurs leggen echter wel nogal eens de nadruk op de koloniale geschiedenis, waarbij ze vooral op de tijd van de slavernij wijzen. Bergmans is daarin het sterkst met zijn geschiedenis van de slavenpastoor Fornar en bijvoorbeeld in het volgende citaat: Oscar adopteert een kind om dat slavenverleden goed te maken:

‘Een van jouw voorvaderen was ook zo'n lijfeigene. Ik schaam mij daar diep over, want ook wij Hollanders hebben dikke zaken gedaan in mensenvlees, als ik het zo mag noemen. En nu gaan wij iets goed maken, als het ons lukt.’ (p. 93)

Ook Sherry gaat op het verleden in, ‘... op een gezonde manier ons bewust worden van ons eigen verleden, maar dan ook goed! Daar bedoel ik mee, dat we gaan inzien, dat bepaalde fouten in onze mentaliteit een erfenis zijn uit de slaventijd. We moeten onszelf dit zó diep gaan realiseren, dat we onszelf flink aanpakken en proberen eruit te komen. Dan pas kunnen we ons vrijworstelen van de politieke en culturele onderdrukking, die we altijd zonder meer hebben geaccepteerd.’ (p. 91)

[p. 190]

‘Epe lijkt net Curacao,’ schrijft Norine aan haar moeder Sonia. Het kan wel zijn dat zij overeenkomsten ziet tussen een Nederlandse plaats en de Curacaose eilandgemeenschap, maar over het algemeen laten Antilliaanse auteurs veel eerder zien dat Curacao en Epe nu net niet aan elkaar gelijk zijn of op elkaar lijken. De verschillen tussen Nederland en Curacao en Curacaoenaars en Nederlanders (macamba's) krijgen meer aandacht dan de overeenkomsten, zo die er zijn. Er is een verschil in (leef)klimaat, in de wijze van omgang met elkaar, in de taal, in de levensopvatting. Zij alle zijn voortdurend oorzaak van botsing en wrijving.

Twee Nederlandse auteurs (Fabricius en Quintana) schrijven een oppervlakkig avonturenverhaal en komen aan dit soort verschillen niet eens toe. Bergmans geeft een stuk Bonaire weer, waar hij in slaagt voor zover het de historische kant betreft, maar hij slaagt er niet in de karaktertekening van de individuele figuren psychologisch aanvaardbaar of zelfs maar herkenbaar te maken. Siny van Iterson laat via Chimi Curacaos plattelandsleven zien, als we de exotische franjes van bijgeloof enz. eraf trekken. Sonia Garmers en Diana Lebacs schrijven kritische jeugdboeken, die ook kritsch staan tegenover de eigen maatschappij (maar dat laatste is hier aan de orde). Hun werk is van heel ander kaliber - door de grotere inzet - dan dat van de met hen vergeleken Nederlandse auteurs, die op vlotte routine drijven.

Lebacs en Garmers schrijven serieus over Nederland vanuit Antilliaans perspectief; ook Angela Matthews doet een poging daartoe, zoals Bergmans dat van Nederlandse kant doet over Bonaire. Fabricius en Quintana komen daar in de verste verte niet aan toe; zij beschrijven niet meer dan het exotische decor. Waar zouden Epe en Curacao elkaar werkelijk kunnen ontmoeten? In de hier beschreven jeugdboeken wordt zo'n ontmoetingspunt niet gerealiseerd.

prepostterug  begin  verder