| 1. | Enkele Nederlanders over Suriname | ||||||||||||||||||||
| 2. | Surinaamse kinder- en jeugdliteratuur
|
||||||||||||||||||||
| 3. | Chronologische bibliografie van in dit hoofdstuk besproken kinder- en jeugdboeken |
‘Het is onze bedoeling de groei van een eigen jeugdliteratuur te stimuleren. Er zijn tot nu toe immers veel te weinig jeugdboeken uit en over ons land verschenen! En dat terwijl hier zoveel moois te vinden is, en er met boeken afgestemd op eigen behoeften en wenselijkheden, bij ons jonge volk zoveel positiefs te bereiken is. En bovendien, we moeten onze mede-Surinamers beter leren kennen. Pas als we meer van elkaar weten, zullen we inzien hoe rijk onze samenleving is en wat voor waardevolle bouwstenen wij allen voor de groei van onze natie kunnen aandragen.’
Leonore de Vries in Tecumseh: Haboeli en de bove Teteli (1978)
‘Zoo groot de overvloed van kinderboekjes in proza en poezy in 't Moederland is, zoo arm is Suriname in dat opzicht. Er is inderdaad gebrek aan doelmatige werkjes van dien aard,’
schreef Ds. C. van Schaick in het ‘voorberigt’ van zijn in 1853 verschenen Dichtbundeltje voor de Surinaamsche jeugd.
En het is eigenlijk nog steeds zo. Hoewel er weliswaar heel wat door niet- Surinamers - Nederlanders - over Suriname geschreven is, is de Surinaamse kinder- en jeugdliteratuur zelf nog weinig ontwikkeld. De dominee vervolgde zijn voorbericht ruim 130 jaar geleden met de constatering
‘Hoe uitnemend b.v. de kindergedichtjes van onzen eenigen VAN ALPHEN zijn, zij zijn voor 't meerderdeel hier minder gepast. Zeden, gebruiken, toestanden, daarin behandeld, zijn hier te eenemale vreemd.’
En dat is exact wat de meeste Nederlandse auteurs die na hen over Suriname schreven bewogen heeft: adaptie aan zeden, gebruiken en toestanden in Suriname, de couleur locale als vernis van wat in wezen Europese boeken gebleven zijn.
Ds. Cornelis van Schaick (1807-1874) woonde en werkte van 1852-1861) in Suriname, waar hij o.a. de Manja, familie-tafereel uit het Surinaamsche Volksleven (Arnhem, 1866) schreef en meewerkte aan het Haarlemse tijdschrift West-Indië. Ph. A. Samson schreef in de Westindische Gids, jaargang 39 - 1959, p. 35-38 over dit literaire werk van Van Schaick.
In het Dichtbundeltje voor de Surinaamsche Jeugd dicht de dominee over het land en zijn koloniale opbrengsten:
Hij schrijft over vaderlandsliefde, eerbied en ontzag voor de Nederlandse vlak, en de verjaardag van de koning:
Zedekundige schetsen in godsdienst, de tijd die je goed moet besteden, verzen tegen luiheid, voor ijver en leergierigheid, voor netheid en liefdadigheid, tegen hoogmoed, over tevredenheid, tegen ongehoorzaamheid en dergelijke algemene zedekundige lessen geheel in de geest van de tijd, vullen de bundel.
Het Surinaamse element wordt gevormd door onderwerpen als het nachtschot, de danspartij, de dronken Indiaan, en de natuur: ananas, de grote regentijd, kolibri, manja, grietjebie, de kakkerlak, het uitstapje naar de plantage in de droge tijd... Van Schaick maakt er vlotlopende jambische gladrijmende verzen van die makkelijk in het gehoor liggen, met zo nu en dan een woordje Sranan Tongo erin verweven: ‘Mi lobi Joe! Mi lobi Joe! / Mi swietie kolebrie!’ Dat Van Alphen zijn grote voorbeeld is toont hij aan met ‘De gebroken karaf’: ‘Jan had een karaf gebroken / Toen hij speelde met zijn aap...’
Deze poëzie is een produkt van de koloniale tijd, tien jaar voor de afschaffing van de slavernij in 1863 en bestemd voor de toekomstige slavenmeesters:
En dat laatste omdat ze het jonge dametje / heertje altijd helpt, nooit tegen spreekt en alles doet wat haar gevraagd wordt:
Van Schaick had geheel volgens het denkpatroon van zijn dagen wel een wat beperkte opvatting
van DE Surinaamse jeugd. Tot slot een voorbeeld als demonstratie van de 19de eeuwse kinderlijke deugdzaamheid, gepaard aan de Surinaamse koloniale situatie ten tijde van de slavernij. Ook is het volgende een mooi voorbeeld van de vlotte, gladde maar wijdlopige stijl van de auteur
Na de Nederlandse dominee blijft het een hele poos zeer stil aan het Surinaamse kinderboekenfront volgens de Sticusa-bibliografie van 1972 die ik als leidraad voor mijn overzichtje gebruik. Uit de werken die voor 1954 verschenen, kies ik ter illustratie de bekende P.M. Legêne, wiens Suriname, Land mijner dromen zoveel gelezen werd. Voor de jeugd schreef hij bijvoorbeeld Tani, het godenkind dat diverse keren werd herdrukt en vertaald in het Deens, Noors en Zweeds. Als karakterisering één alinea uit het ‘inleidend woord’:
‘Zoo wil dit verhaal van het “godenkind” ons een blik laten slaan in die donkere wereld der demonen, waar menschelijke schepselen, onze medemenschen, als gevangenen van den satan leven en sterven, maar ook in de onpeilbare diepten van de genade Gods in Christus Jezus, die weet deze menschen te bereiken en hen uit de duisternis te verlossen.’
De blanke zendeling moet de ‘boschnegers’ bevrijden van ‘de donkere wereld der demonen’ tot het christendom. Legêne vertelt ‘van den onbeschrijfelijken geestelijken nood’ van ‘die primitief-denkende schepsels.’ Een volgend jeugdboek van hem is De gevloekte plantage, een roman voor jong-volwassenen. Jan Verdonk vertrekt naar Suriname om daar op plantage ‘Zorgenvrij’ als opzichter te gaan werken. Hij probeert als godsdienstige jongeman zuiver te leven, maar vervalt alras in de liederlijke gewoontes van zijn collega's die zwelgen in drank en vrouwen. Jan is verloofd met Mien Verhorst die in Nederland is achtergebleven. Als hij een geslachtsziekte oploopt, wordt hij in Paramaribo verpleegd. Daarna vertrekt hij met enkele Indianen naar het binnenland, maar hij wordt onderweg ziek en komt terecht bij een oude creoolse vrouw die de tijd van de slavernij
nog heeft meegemaakt en haar kleindochter Minah, die hem verplegen en op het juiste - christelijke - pad terugbrengen. Jan gaat terug naar plantage Zorgenvrij, de gevloekte plantage wegens de wreedheden die er vroeger plaatsvonden en de liederlijkheid nu - en brengt daar de Blijde Boodschap door zijn goede voorbeeld. Mien komt over uit Nederland en wordt verpleegster op de plantage. Door haar voorbeeld wordt de plantage een plaats van voorspoed en blijheid. De oude vrouw en haar kleindochter - Bruine Minah - worden uit het bos op de plantage gehaald. De laatste komt bijna om als ze een kind uit de rivier redt, maar ze overleeft. Jan en Mien trouwen. Op de plaats waar vroeger de slaven werden terechtgesteld wordt nu een kleine kerk gebouwd. Directeur Kees Bout zal met Bruine Minah trouwen: er is een nieuw tijdperk van vrede en gemeenschap tussen de verschillende rassen nu een blanke zijn hand biedt aan een dochter van het oude slavenvolk. De vloek van de plantage is verzoend.
Zo is ook dit verhaal een voorbeeld van wat we een ‘zendingsroman’ zouden kunnen noemen, al zijn het deze keer niet de bosnegers maar vooral de blanke kolonialen - de heren worden ze steeds genoemd - die bekeerd moeten worden of behoed voor de verderfelijke invloed van het Surinaamse plantageleven.
In de jaren vijftig en zestig, na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen in 1954, verschijnen er een groot aantal jongens- en meisjesboeken over Suriname. Uit deze grote groep kies ik twee auteurs die later nog weer herdrukt zijn en daardoor gemakkelijker te bereiken.
C. Butner publiceerde tussen 1957 en 1962 elf jongensboeken over allerlei avonturen in het Surinaamse oerwoud. Later publiceerde hij een vijftal over Caro en Tamara in de Witte Raven jeugdpockets over dezelfde materie.
Caroline Donkers is de vijftienjarige dochter van de Hollandse directeur van koffieplantage Rustenburg aan de Commewijne. Haar beste vriendin is de even oude Tamara Voorn, dochter van een voorman. Samen beleven ze allerlei avonturen, zodat de auteur een meestal spannend verhaal kan brengen waarin hij allerlei wetenswaardigheden over Suriname verwerkt. De verhalen spelen in de jaren 1954 en 1955. Butner schrijft uitvoerig over het leven op de plantage, het Surinaamse gezinsleven, de geschiedenis van slavernij, goudwinning, verovering door Krijnsen e.d. Hij weidt uit over de natuur: flora en fauna van het bos, de houtkap, bauxiet, over geografische bijzonderheden als een tocht met de trein, met de ‘binnendoor’, over de bevolking, over de leprastichting Bethelda en vele andere zaken die hij met kennis beschrijft, maar die de loop van het verhaal wel geregeld hinderlijk onderbreken. Wonderlijk genoeg maakt hij de spin Anansi, als hij daarover in het vierde deel een verhaal inlast: ‘Anansi wedt Tijger te berijden’, vrouwelijk wat natuurlijk volkomen in strijd is met de literaire traditie. Maar over het algemeen is hij uitstekend op de hoogte en een redelijk belerende verteller.
De avonturen die de meisjes beleven zijn het vangen van dieren voor een grote tentoonstelling t.b.v. de leprastichting in het eerste deel Feest in het bos. De vreemde vogel gaat over powisi's die gebruikt worden om goud uit het binnenland te smokkelen. In dit detective-verhaal ontmaskeren Tamara en Caro de smokkelbende. In de vakantie beleven Caro en Tamara een spannend avontuur In het oerwoud, op de houtplantage van Mr. Bosch aan de Boven-Coppename. Tamara wordt ervan beschuldigd een setigon geplaatst te hebben om een varken te schieten, maar ze blijkt (natuurlijk) onschuldigd. Een echte meisjesdetective is Door bossen en moerassen, waarin de twee jonge meisjes twee bankovervallers ontmaskeren in het moerasgebied achter de plantage en daarmee de uitgeloofde tweeduizend gulden verdienen.

In de groene hel tenslotte beschrijft hoe de meisjes een noodlanding moeten maken in het zuiden van Suriname, diep in het oerwoud, als ze als passagier mogen meevliegen. Maar natuurlijk komen ze na allerlei spannende avonturen weer veilig thuis.
De vijf deeltjes volgen op elkaar maar kunnen ook afzonderlijk worden gelezen. Butner heeft zich niet helemaal aan de tijdsontwikkeling gehouden, maar het was zijn bedoeling dat de verhalen in 1954/1955 spelen als Caro en Tamara vijftien en zestien jaar oud zijn.
Avontuur en lering gaan in deze eenvoudige taal geschreven boekjes hand in hand - de bedoeling was kennelijk zoveel mogelijk kennis over Suriname in verhaalvorm te brengen. We zouden na de zendingsromans van Legene van didactische romans kunnen spreken. Al moeten we nog wel even opmerken dat het allemaal nog wel erg Hollands is van waaruit de gebeurtenissen beschreven worden; zowel vanuit de hoofdfiguren als vanuit de karakteriseringen. Zo wordt Crijnssen die Suriname veroverde voor de Zeeuwen een zeeheld genoemd en zijn steeds de Nederlanders degenen die de mooie rol spelen, die het beste reageren en het woord voeren. De psychologie is trouwens in het algemeen wel erg pover in dit werk: de schurk is volkomen slecht, tot in zijn uiterlijk toe.
Van 1959-1961 publiceerde Anne de Vries zijn Panokko-trilogie, die in 1980 werd heruitgegeven in een omnibus: Panokko en zijn vrienden, Panokko in de wildernis, Panokko en de witte mensen.
In het ‘woord vooraf’ verklaarde de auteur:
‘Ik heb de Indianen beschreven, zoals ik ze heb leren kenne. Ik heb hun land en hun dorpen bezocht en ben met ze op jacht geweest in het oerwoud... zoals Panokko hier getekend wordt, zo heeft hij daar heus geleefd op de grens van Suriname en Brazilië en zo zwerft hij daar waarschijnlijk nòg rond met zijn vrienden Wempi en Arawatta. Ik heb alleen de namen een beetje veranderd.’
Omdat Anne de Vries een serie lees- en taalboekjes voor het Surinaamse onderwijs geschreven heeft op verzoek van de Surinaamse regering, was hij goed op de hoogte.
Anne de Vries beschrijft het leven van de Indianen vanuit het perspectief van de jonge jager Panokko en zijn vrienden. Hij wijst op de verschillen in leefwijze tussen Indianen en bosnegers, die onderling wel handeldrijven maar geen vrienden zijn. De Vries tekent de boslandcreool als hebzuchtig en wreed. We maken vooral kennis met jacht en landbouw - het dagelijkse leven. In tegenstelling tot Butner worden de blanken - Nederlanders - beschreven vanuit Indiaans oogpunt in hun hebzucht, koloniale expansiedrang, hun techniek...
Maar dan komen twee blanken, een zendeling en een dokter:
‘De witte mensen hebben uw volk vroeger veel kwaad gedaan. Maar ik ben in dit land gekomen om u te vertellen, dat niet alle witte mensen zo slecht zijn, en om u een boodschap te brengen van Kapoe-ta-no, de Heer van de hemel, die ons aller Vader is...’
De oudste van de twee blanken zoekt zijn zoon die in het gebied van de Oajana's een vliegtuigongeluk heeft gehad. Het tweede deel beschrijft de tocht van een groep Indianen en de blanken op zoek naar de vliegeniers die na veel avonturen gevonden worden: één gewond in de savanne, de ander bij vijandelijke Indianen.
Als de blanken weer terug gaan naar de stad nemen ze Panokko en zijn twee vrienden mee om hen te leren lezen en schrijven. De jongens komen in een internaat en leren inderdaad heel wat.
Maar als vrije Indianen kunnen ze
niet aan het leven in de stad wennen en ze vertrekken na enkele maanden weer naar het binnenland, hun thuis. Ze kunnen nu een beetje lezen en nemen een bijbel mee.
Ook Anne de Vries schrijft dus een soort zendingsroman, maar hij heeft oog voor twee verschillende culturen die hij beide op hun eigen plaats waardeert: blanken horen in de stad, Indianen in het oerwoud. En dat is een heel andere visie dan Legene in zijn jeugdboeken vertolkte!
Tijdens de Nederlandse kinderboekenweek 1977 kreeg het boek Kon hesi baka/Kom gauw terug (1976) van de Nederlandse auteur Henk Barnard de gouden griffel. Vanaf december werd een verfilming in acht afleveringen uitgezonden voor de Nederlandse televisie. Dit boek behandelt het probleem van de ‘grote trek’ in 1975 en voorafgaande jaren van Surinamers naar Nederland en hun integratie in de samenleving daar. Als jeugdwerk is het duidelijk geschreven door Nederlandse kinderen, als ‘een pleidooi voor begrip’ bij hen voor de situatie waarin zoveel Surinaamse nieuwkomertjes verkeerden.
Het boek vertelt het verhaal van Georgien en Herwin. Ze blijven achter in Suriname, nadat hun moeder reeds, naar Nederland vertrokken is. Als deze voldoende heeft gespaard, stuurt ze de tickets voor de overkomst van de kinderen. Zo leren we beide zijden kennen: het leven in Suriname en de aankomst en aanpassing in Nederland. De ruimte verspringt exact halverwege het verhaal.
Henk Barnard blijkt goed op de hoogte te zijn van de Surinaamse feiten, zodat zelfs de kleinste details in zijn boek verantwoord zijn. Het leven in Paramaribo en in het district is zo beschreven dat een kind inderdaad begrip krijgt voor Georgien die weinig ‘problemen’ oplevert, maar ook voor Herwin die veel spijbelt van school en in zijn armoede wat probeert bij te verdienen. Soms gaat de schrijver in zijn ijver om te verdedigen tegen vooropgezette Nederlandse meningen m.i. te ver: het moeten (?) stelen uit armoede; in Suriname zijn de blanken de baas?; de grote aandacht die besteed wordt aan de wisi (= bruha)-praktijk.
Om een zekere ‘couleur locale’ aan te brengen heeft Barnard veel zinnetjes in het Surinaams gebruikt, die hij direct laat volgen door de vertaling. Dat had hij beter achterwege kunnen laten, want het maakt het lezen voor een niet Surinaams kind onnodig moeilijk. Aan elk hoofdstuk gaat een cursief gedrukte episode uit de Surinaamse geschiedenis vooraf. Ook hierin spreekt het pleidooi voor begrip, de poging de historie nu eens niet vanuit Nederlands gezichtspunt te benaderen.
Het boek eindigt met het ‘remigratie-syndroom’: de situatie van Georgien, Herwin en hun moeder is niet definitief, ‘want misschien, over een paar jaar, zullen ze terugkeren’ om hun ‘geliefd Suriname’ op te bouwen. Maar de schrijver is wel zo realistisch erbij te vermelden dat dit niet voor iedereen geldt. Barnard is erin geslaagd de confrontatie van twee werelden zodanig te beschrijven, dat deze niet een typisch Surinaams-Nederlands probleem blijft, maar een algemeen menselijk: leer begrip te hebben voor de ander, veroordeel niet wat je niet kent. Ook Antilliaanse kinderen kunnen in hun ‘gespleten samenleving’ zeker hun voordeel doen met een boek als dit.
Het enige jeugdboek, op hoge leeftijd gepubliceerd, door J.B. Charles (prof. W.H. Nagel) heeft de intrigerende titel Naar de Barbiesjes (1983). Het begint in de ‘zomer’ van 1849 als het ‘de kleine regentijd’ is - een merkwaardige aanduiding van de tijd want in juli/augustus is het juist de grote regentijd. Bovendien is het gekozen jaartal nogal vreemd.
Vier kinderen - jonge mensen van vijftien en zestien jaar, hebben besloten Paramaribo en Suriname te verlaten omdat daar nog steeds slavernij heerst
(die werd er immers pas in 1863 afgeschaft) en naar de Barbiesjes - Berbice in Engels-Guyana, te gaan, waar de negers vrij zijn sinds 1833. Met geen woord wordt gerept over de mogelijkheid naar Frans-Guyana te gaan waar de slavernij juist het jaar ervoor - 1848 - was afgeschaft. De vier jonge mensen gaan om zeer uiteenlopende redenen. De leider Abonni, die zichzelf de naam Mongelawo geeft, omdat hij is geranseld: Tania Wilkens die half-Schots, half-Indiaans is zoekt haar voorouders; Axel en Mani willen niet in de handel en eigenaar van slaven worden of weggestuurd worden om voor priester te studeren.
Samen vormen ze de ‘filosofenclub’ die over allerlei zaken nadenkt en debatteert.
Ze vluchten langs een merkwaardige weg; per korjaal naar de bovenloop van de Suriname-rivier. Als hun korjaal bij de eerste grote soela (= waterval) wordt gestolen door ene handelaar Hoef, trekken ze te voet verder tot ze bij de marrons komen, waar ook een Broeder en twee Zusters van de Broedergemeente wonen en werken. De marrons helpen hen verder op weg, tot de Indianen hen naar een waterscheiding brengen, waarna ze verder in westelijke richting kunnen gaan. Tenslotte brengen enkele Indianen hen naar Dr. Schomburg en Dr. Hahn die het gebied van de Sipalawini in die jaren in kaart gebracht hebben en er natuurhistorisch onderzoek verrichten en bovendien adviseerden over het zogenaamde ‘betwist gebied’ met Engels-Guyana; de doktoren zijn historische figuren. Veilig komen ze na de lange zwerftocht in Georgetown aan. Axel wordt later priester in Afrika, Mani gaat naar de V.S., Mogelawo en Tania worden dokter en verpleegster in Duitsland.
Het verhaal van deze trektocht uit het land van slavernij is symbolisch te interpreteren als een tocht naar het eigen innerlijk. Kijk niet naar waar je vandaan komt, kijk niet naar je voorouders, maar kijk naar wie je zelf nu bent en naar de toekomst. Als zodanig is dit werk wel het meest Caraïbisch van de tot nu toe genoemde Nederlandse boeken. Vergelijk het bijvoorbeeld met Jean D'Acosta: Escape to Last Man Peak. Albert Helman gaf zijn Het eind van de kaart de ondertitel ‘Journaal van een kleine ontdekkingstocht in twee binnenlanden, Anno 1955’ mee.
Aan de andere kant is dit boek ook weer erg Nederlands, als Charles in de veelvuldige dialogen zijn visie spuit over godsdienst, het koningshuis, feminisme, Duitsland en de huidige discriminatie van minderheden. De auteur geeft in een historisch verhaal zijn ideeën weer die ook voor onze tijd geldig zijn: een historische ideeënroman voor de jeugd. Daarbij is Charles niet ontsnapt aan het gevaar dat deze ideeënromans zo vaak bedreigt: de informatie overwoekert de handeling, de dialogen worden niet gebruikt als ondersteuning, maar zijn informatief doel op zich geworden.
Bovendien bemoeit Charles zich als verteller veelvuldig direct met het verhaalgebeuren:
‘Het is misschien goed iets meer over hem te vertellen omdat hij tenslotte de vader is van de hoofdpersoon uit de geschiedenis die nu komt...’, waarna een bladzijdelange uitweiding volgt. En zo zijn er meer.
Naar de Barbiesjes betekent traditioneel: naar de hel, de dood tegemoet. J.B. Charles draaide deze traditionele betekenis om: voor deze vier jongeren betekent ‘de Barbiesjes’ hun redding.
Uit de hierboven besproken kleine selectie van Nederlandse jeugdboeken over Suriname is gebleken hoe langzamerhand meer aandacht te bespeuren valt voor het echte Surname. Of dat bereikt wordt - daarover moet een Surinamer maar oordelen - maar er is sprake van een serieus op zoek zijn, steeds meer. Dat is bij de Nederlandse auteurs over de Nederlandse Antillen - met uitzondering van Miep Diekmann, maar die heeft in haar jeugd op Curacao gewoond - afwezig. Maar ja, na de ‘Oost’ was de ‘West’ Nederlands stiefkind, en de Nederlandse Antillen waren dat in het kwadraat.
Na de Tweede Wereldoorlog komt een eigen Surinaamse kinder- en jeugdliteratuur aarzelend op gang, in het begin via het initiatief van enkelingen, later meer geregeld en gesteund door officiële (onderwijs) instanties.
In deze excursie kan noch wil ik volledig zijn, waarom ik enkele grepen doe uit een complexe en bij mijn weten tot nu toe nog niet onderzochte materie. Ik volg in hoofdzaak een chronologische lijn, maar zal wat van dezelfde auteur is en ook enkele genres als eenheid behandelen. Op deze wijze zullen er een aantal paragrafen ontstaan, die de ‘stepping stones’ van mijn uitstapje zijn.
De Sticusa-bibliografie van 1972 - een van de weinige bronnen - vermeldt Frederik René Lansdorf (1916), die in de jaren 1935-1942 in het bosland en tot 1957 in het kustgebied als onderwijzer werkte, waarna hij naar Nederland vertrok, en die waarschijnlijk wel de eerste Surinaamse auteur van een ‘echte’ jeugdroman is. Onder het pseudoniem Kees Neer publiceerde hij in 1949 Viottoe, ‘een roman die speelt onder de Saramacanners en waarin vanuit missiestandpunt het conflict tussen christendom en traditie behandeld wordt. De schrijver geeft blijk van een grondige kennis van het leven en de gebruiken van de Saramaccaners.’ (Encyclopedie van Suriname, p. 424) J.M.M. (enkman) - W(alters) schreef in de West-Indische Gids, jrg. 30 (1949), op pagina 150 onder andere:
‘De heldin van het verhaal, een gedoopt Bosnegerinnet je, wordt op haar negende jaar “kieja” van een heidens rasgenoot, een man, van gevorderden leeftijd met minder gunstige reputatie. De ouders hebben geen stem in deze Zaak, het is de “tio”, de oudste broeder der moeder, die beslist, naar Bosneger-zede.
Wanneer het meisje volwassen is en de bruidegom haar op komt eisen, toont Viottoe zich standvastig in haar weigering zijn vrouw te worden, tot grote voldoening van den pater en den schoolmeester, die haar anders als lid der kerk zouden moeten prijsgeven. Het geval lost zich op in een overeenkomst tot schadeloosstelling, in goederen, waarvoor de jonge man zorgt, een gedoopte rasgenoot, met wie de heldin dan een Christelijk huwelijk aangaat.’
Viottoe sluit aan bij de zendingsboeken van Nederlandse auteurs; ook hier overwinnen de Christelijke moraal en de moderne normen van de stad de wetten van het bos. Maar Neer schrijft nergens neerbuigend over ‘bijgeloof’ of ‘heidense praktijken’ - hij laat de gebruiken van het bos in hun eigen waarde, wat dus toch een vernieuwing betekent.
Naast de stroom van Nederlanders die in de jaren vijftig over Suriname publiceerden in het Nederlands, vinden we in diezelfde tijd ook enkele werken in de landstaal Sranan Tongo. De Nederlandse professor Jan Voorhoeve (1923-1983)- kenner van het Sranan Tongo en het Saramaccaans - publiceerde in 1958 Foe meki wan troe Kresneti, een Surinaams kerstboekje, uitgegeven door de Stadszending in Paramaribo.
De Nederlandse geestelijke en kenner van de Surinaamse taal en cultuur A. Donicie (1912-1968) schreef in hetzelfde jaar 1958 twee bundels met vertellingen Ondrofeni sa leri ju; vertellingen in het Neger Engels met vertaling in het Nederlands; deel I samen met A. de Groot, deel II met de bekende missionaris-taalgeleerde W. Ahlbrinck (1885-1966).
De ‘ondrofeni-tori's’ behoren als vertellingen tot de orale literatuur, en bevatten een moraal of een uit ervaring (ondrofeni)
geboren levenswijsheid.
Letitia Kaarsband vertelde er in 1980 een negental na in haar door het Instituut voor Taalwetenschap te Paramaribo uitgegeven bundeltje Anansi nanga Frei frei nanga tra ondrofeni (zie hoofdstuk 10). In de jeugdliteratuur is de invloed van de orale traditie nog sterk aanwezig; in het vervolg van dit hoofdstuk kom ik er nog op terug.
Het sinds 1958 opgerichte Bureau Volkslectuur publiceerde als deel I van de serie ‘Ontspanningslectuur voor jong en oud’, het 26 pagina's tellende sprookjesachtige Baccha het ezeljong; een Surinaamse vertelling voor kinderen (1962), dat vertelt over het gezin Durga - vader, moeder en twee jongens Mohan en Sohan. De ezel Gadahi krijgt een veulentje dat Baccha (= jong, kind) genoemd wordt. Het eenvoudig vertelde verhaal wil kinderen leren dat iedereen een eigen verantwoordelijkheid heeft en ‘dat je van de dieren, die onze helpers en speelkameraden zijn, niet alleen veel moet houden, maar ze ook goed moet verzorgen en ze geregeld flink te eten geven.’ (p. 26, slot). Het boekje werd geschreven door de directeur van het bureau - Albert Helman dus.
We zullen in de Surinaamse kinderliteratuur nog heel wat keren van dit soort sterk moraliserende boekjes tegenkomen.
Pas na de onafhankelijkheid in 1975 komt er een geregelde stroom van vooral kinderboeken los.
Pionierster is dan de journaliste en auteur Thea Doelwijt, die in 1938 in Nederland geboren werd uit een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder en die van 1961 tot 1983 in Suriname woonde. Zij maakte zich op velerlei gebied verdienstelijk voor de Surinaamse literatuur. Ze schreef novellen, toneel, cabaret en stelde bloemlezingen samen als Kri, Kra! Proza van Suriname (1972) en Geen geraas of getier (1974). Bovendien publiceerde ze een drietal kinderboeken.
Sis en Sas de ruzie-strooiers (1975) is een eenvoudig, voor kleine kinderen bestemd boekje, dat gaat over twee slangen Sis en Sas die voortdurend proberen de dieren tegen elkaar op te stoken en die genieten van de steeds weer ontbrandende ruzies. Maar de planten verzoenen de dieren, zodat het verhaal eindigt in een groot feest van alle dieren en planten samen. Thea Doelwijt heeft dit verhaal voor kinderen uit de middenklassen van de basisschool op heel geestige wijze verteld.
Haar toneel- en cabaret-ervaring gebruikte Thea Doelwijt voor het tweetalige - Sranan Tongo en Nederlands - ‘theaterspel voor kinderen’ Prisiri Stari / De Pretster (1981)
‘Ik herinnerde me oude Indiaanse verhalen, legendes. De Indianen weten dat de Maan af en toe op de Aarde komt om met de kinderen te spelen en ook... om nieuwe sterren te zoeken!’
Zo gaat Toewe, het dochtertje van de Indianen Adoewa en Mese mee naar het rijk van Koning Maan in Luchtland, waar ze speelt met de Tover-Ster. Toewe wordt de nieuwe ster voor de Republiek Suriname. Daarom krijgen Adoewe en Mese een onderscheiding, de Eereorde van de Gele Ster, en trekken ze naar de stad. Ze gooien hun hele bezit achteloos in de rivier - ze breken hun land af. Toewe wil dat voorkomen:
Toewe maakt Pret-Sterren als onderscheiding voor de kinderen van Suriname, die aan de opbouw van hun land werken.
De Pret-Ster werd door het Doe-theater in 1977-1978 opgevoerd in schouwburg Thalia in Paramaribo onder regie van de bekende Henk Tjon.
‘Het idee voor de Pret-Ster begon met een krantebericht, dat wij in Suriname nu ook eigen onderscheidingen wilden hebben, omdat wij onafhankelijk waren geworden. Wat een onzin dacht ik, we moeten nog zòveel doen, zòveel verbeteren en nu beginnen ze al over onderscheidingen. Ik kijk naar die naam! Ereorde van de Gele Ster en plotseling denk ik: Waar komt die Ster van ons toch vandaan? Hij staat in de vlag, hij is er in ons Wapen, en nu ook al in die onderscheidingen. Zo begon het.’ (p. 7)
Thea Doelwijt schreef en regisseerde meer kindertoneel dat echter niet gepubliceerd werd. In 1983 werd haar laatste stuk in Suriname, Roy nanga den foefoeroeman (Roy en de dieven) een succes. In Nederland gearriveerd schreef en speelde ze Ik vang, ik vang... wat jij niet vangt. In 1985 combineerde ze beide stukken tot Roi, mi boi, waarover Trouw op 17 juni 1985 schreef:
‘In dit stuk speelt het uit Suriname afkomstige meisje Mari een centrale rol. Ze speelt met haar crossfiets in een kille Nederlandse straat. Haar Nederlandse vriendje Menno mag niet buiten komen spelen omdat het te koud is. Met een verzinsel krijgt ze Menno toch buiten. Om de kou te verdrijven gaat ze de zon voor hem vangen, een fantasiespelletje dat ze van haar Indiaanse vriendje Roi heeft geleerd toen ze nog in Suriname woonde.
Dan verlaat het tweetal de werkelijkheid. Op een zonnestraal skiën ze naar het tropisch regenwoud van Suriname, waar ze pratende woudreuzen ontmoeten, geheimzinnige klonen die hun eigen slechte ik weerspiegelen en griezelige, maar goedaardige nachtsmurfjes. Door toedoen van deze nachtwezentjes vallen Mari en Menno in slaap om in Nederland wakker te worden, waar ze uiteindelijk Roi ontmoeten, die over zoveel magische fantasie beschikt.’
De Weekkrant Suriname oordeelde op 16 mei 1985:
‘In Roi, mi boi geen zwaarwichtig gedram over discriminatie en racisme, geen ingewikkelde moraal over relaties tussen Nederlanders en buitenlanders, geen prekerige boodschap over goed en kwaad. Toch zijn al deze elementen wel aanwezig in het stuk, maar het leuke is dat Thea Doelwijt daar geen problemen van maakt. De maatschappij is zoals die is. We leven samen met allerlei verschillende mensen van alle ras en kleur. Voor niet-Nederlanders blijft het land waar ze oorspronkelijk vandaan komen voortleven in de herinnering. Op die herinneringen wordt vak een fantasie gebouwd die overleven in een vreemde omgeving mogelijk maakt.’
Maar omdat deze stukken van Thea Doelwijt niet gepubliceerd zijn, horen ze niet tot de jeugdliteratuur. Daarom terug naar haar boeken.
Reeds in 1907-1908 verscheen in Paramaribo een studie over de Indianen, getiteld De Menschenetende Aanbidders der Zonneslang, geschreven door de Surinames F.P. en A.Ph. Penard. Deze uitgave werd door Thea Doelwijt gebruikt voor het eerste hoofdstuk ‘Indiaanse vertellingen’ in haar prozabloemlezing van de Surinaamse literatuur Kri kra! Ze gebruikte het werk opnieuw in Geen geraas of getier, verhalen, gedichten, liedjes na de emancipatie vóór de tweede wereldoorlog. De gegevens uit de twee bovenstaande uitgaven bewerkte ze tenslotte in verhaalvorm in Kainema de Wreker en de Menseneters (1977).
‘Nog vóór de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, leefde er een jongen die Okojo heette’, zo begint het verhaal.
De Okojo behoort tot de stam der Caraïben die voortdurend in strijd is met de menseneters. Als hij op een dag met zijn vader op jacht is, komen de menseneters; de vader wordt gevangen en vanuit een schuilplaats in een boon ziet
Okojo hoe hij doodgeslagen wordt.
De wrede Indianen hingen het hoofd van zijn vader aan een tak van een boom, en begonnen daarna aan de voorbereidingen voor hun afschuwelijke maaltijd. De gehele nacht bleef Okojo in de boom. Hij rilde van de kou, maar hij hield zich stil, bang om één beweging te maken die hem zou verraden aan de schildwachten. Hij durfde zelfs niet te huilen om zijn vader.’
Vanaf dat moment is er maar een gedachte meer: wraak! Okojo noemt zich voortaan Kainema, wat ‘wreker’ betekent. Hoe hij de wraak voltrekt en welke avonturen hij daarbij beleeft wordt daarna vlot en onderhoudend verteld.
Toen ik het boekje las, heb ik wel even de wenkbrauwen opgetrokken bij de scène die hierboven geciteerd is, maar zoals iedereen kan lezen is de beschrijving erg terughoudend zonder details, zodat de kinderen hier zeker niet eerder van wakker zullen liggen dan van brandende heksen in ovens en andere smakelijkheden uit de oude volkssprookjes. Meer moeite had ik met een passage uit het laatste gedeelte waar het gastrecht met voeten getreden wordt door Kainema en zijn strijders: ze doden de gastheren na het feestmaal en het daarop volgende drinkgelag, maar de menseneters zijn ook zulke vreselijke wezens dat elk middel tegen hen geoorloofd is.
De auteur ziet kans in het verhaal een groot aantal gegevens te verwerken over de Indianen met hun zeden en gewoonten en uit hun oude vertellingen, zodat het boek naast onderhoudend ook instructief is. Ook historische elementen vinden een plaatsje, onder andere de verovering van de Wilde Kust door de blanke overheersers: ‘Die nacht vertelde de Kalina-piai over de blanke wreedaards. Zij waren overal aan de kust verschenen in schepen met zeilen, die op vleermuizen leken. De wreedaards zagen er heel vreemd uit. De meesten hadden geen nek, hun hoofd zat onder hun schouders. Op hun borst hadden zij een grote mond. Hun armen hingen langs hun orden. Die oren zaten onder hun oksels.
Sommigen hadden ook nog ogen in hun achterhoofd. Deze monsters waren menseneters, die moordend en rovend langs de wilde kust van Zuid-Amerika, Guiana, trokken.’ Het vermakelijke van een dergelijke beschrijving is dat in oude Europese reisverhalen over bezoeken aan de Wilde Kust dezelfde wezens beschreven worden, maar dan zijn het de Indianen. Vanuit het eigen perspectief moet het monster altijd bij het andere gezocht worden... Hier zijn we aan de kern van dit jeugdboek. Al te lang hebben de kinderen in Suriname moeten lezen vanuit een Europees perspectief, over voor hen totaal vreemde situaties, en was ‘ons land’ in schoolboeken altijd ‘Nederland.’ Daar bracht Thea Doelwijt verandering in.
Thea Doelwijt sloot met haar literaire werk voor kinderen aan bij de literatuur over de Indianen: Kainema is de Indiaanse geest der warke; planten kunnen praten; sterren worden stenen. Dat is een zo wijd verbreid gegeven, dat men in de Caraïbische literatuur voor volwassenen spreekt over ‘indigenismo’, de beschrijving en verheerlijking van het Indiaans verleden van de Caraïbische mens, die paradijselijk leefde voor de ontdekking, verovering en kolonisatie door de Europeanen.
Dat treedt niet alleen in Suriname op maar in het hele Caraïbische gebied; daarom allereerst enkele voorbeelden van de Antillen ter vergelijking.
Een van de eerste Spanjaarden die op Curacao kwamen en lange tijd woonden, was Juan de Castellanos. Hij wordt wel de eerste dichter en geschiedschrijver van het Caraïbische gebied genoemd, omdat hij de historie in een heel groot gedicht van 150 000 verzen vertelde in het Spaans:
Eligías de Varones Ilustres de Indias.
In dit werk vertelt hij in achttien strofen over Curacao en de Indianen, die hij ‘reuzen’ noemt; Cornelis Goslinga vertaalde ze in het Nederlands.
Er is na dat prille begin heel wat over de Indianen geschreven. Ik noem enkele recente werken ter illustratie. Op Aruba schreef Jossy Mansur een boekje in het: Papiamento over hen: E Indiannan Caiquetío (1981). Pater R.H. Nooyen op Curacao publiceerde: Het volk van de Grote Manaure; de Indianen op de Gigantes-eilanden (1979). Beiden geven veel van de geschiedenis en leefgewoonten weer. Ook de op Bonaire geboren Hubert Booi die jarenlang op Aruba woonde, schreef over de Indianen. Ernesto Rosenstand schreef Macuarima (ong. 1970) en de musical Wadirikiri (1976). De lerares dramatische expressie van het Colegio Arubano - Burny Every -schreef met haar leerlingen samen E misterio di Shidaharaka, dat in 1982 werd opgevoerd.
Maar dit zijn allemaal verhalen en toneelstukken OVER de Indianen, zoals H. van Cappelle al in 1926 in zijn standaardwerk Mythen en Sagen uit West-Indië met een uitvoerige inleidende beschouwing had gepubliceerd. Hij en de broeders Penard schreven hun wetenschappelijk werk voor een uitsluitend volwassen publiek.
Op de Antillen is er niets bewaard gebleven van de verhalen die door de Indianen zélf werden verteld. In Suriname daarentegen zijn er nog wel verhalen uit de orale traditie bewaard. A.C. Cirino, die zelf half Indiaan, half negor is, en die veel over de Indianen weet omdat hij voor zijn werk als proeftuinchef vaak in het bos moest zijn, vertelde Indiaanse verhalen die hij gehoord had, aan zijn kinderen en schreef ze van 1964-1968 in De Ware Tijd, een Surinaams dagblad, op onder het pseudoniem Jakono Rino (= vriend Rino). Later zijn ze verzameld in twee boekjes Indiaanse vertelingen.
‘Cirino heeft uit mondelinge overlevering geput; hij heeft uit eenvouddige-literatuur slechts enkele namen en enige inhoud gekontroleerd bij zijn ouders, naaste familie en vrienden. De meeste vertellingen behoren tot de Karaïbse traditie, weinigen zijn Arowaks en soms worden zij bij beide groepen verteld’ aldus een inleidend woord.
De eerste bundel heeft een mythisch religieus karakter. De verhalen gaan over Tamoesie: de god in de hemel, de schepping, het paradijs, zondeval en zondvloed. De Indianen leefden oorspronkelijk gelukkig als in een luilekkerland, maar ze waren ongehoorzaam aan de hun gestelde wetten. Toen was het geluk voorbij omdat als straf de blanken kwamen, die ondanks het felle verzet van de oorspronkelijke bewoners tegen de indringers, sterker bleken te zijn en slimmer. Als de blanke en de Indiaan oorspronkelijk goed samenwerken, wil Tamoesie hen belonen:
‘God liet 'n bundel en 'n boek op aarde leggen. De Indiaan mocht het eerste kiezen welk van die twee voorwerpen hij als
beloning wenste. Hij nam de bundel en de blanke moest maar het boek nemen.
Wat zat in de bundel? Een fles met sterke drank. En wat zat in het boek? Een heleboel letters met kennis over allerhande zaken. En zo komt het - zegt de legende - dat de Indianen vanaf die dag van de drank houden, en de blanken zo geleerd zijn geworden door middel van het boek.’
Cirino vertelt de oude verhalen, hoe de maan de aarde bezoekt en een aantal kinderen meeneemt, over de piai-man (= de priester) en zijn contacten met Tamoesie, het zich in dierengedaante kunnen veranderen, over de sterren, nieuwjaarsfeesten, over de wind- en watergeesten, over bos- en luchtgeesten, en hun gedrag en karakter tegenover de mensen die hen alle te vriend moeten houden. Cirino laat daarbij voortdurend merken dat hij de verhalen aan kinderen vertelt.
De tweede bundel Indiaanse vertellingen gaat vooral over de verhouding en vertrouwelijke omgang van mensen en dieren, maar ook van strijd tegen machtige roofvogels en andere beesten die kinderen roven als wraak, over de kikvors als toetemdier:
‘Vele legenden vertellen ons, dat er kikvorsen in het grijze verleden geweest zijn, die de Indianen met gunsten overlaadden. Weer andere verhalen delen ons mee, dat de kikvorsen de mensen kwaad konden doen. Tenslotte waren er ook kikvorsen, die boven geesten voor de Indianen konden weren.’
Soms veranderen mensen, tijdelijk of definitief, in dieren, maar we lezen ook over gewoner zaken als de zegen van de tabak, hoe de Indianen het lied ontdekken, enz. De verhalen in de tweede bundel lijken van jonger datum als ze gaan over het verzet tegen de blanken, over de gouverneur die in het bos gedood wordt omdat hij zich niet weet te gedragen.
Cirino besluit zijn tweede bundel met een aantal dierenverhalen die eigenschappen van dieren als de kleur van de sabakoe, de vijandschap tussen raaf en papegaai, de slang en de kikvors, de aap en de schildpad verklaren.
Het is jammer dat de over het algemeen goed vertelde verhalen er druktechnisch zo povertjes zijn afgekomen in 1970.
Tecumseh: Haboeli en de boze Teteli (1978) is de schriftelijke weergave van een Waraus verhaal door Stella Vlet (1921), die half-warause is, in het Engels. Tecumseh (1947) is het pseudoniem van een onderwijzer van Indiaanse afkomst; deze bewerkte het Indiaanse verhaal in het Nederlands.
Een oude (tover)vrouw Teteli voedt het zoontje Haboeli van de weduwe Sonohi op. Maar ze doet het om voordeel van hem te hebben; ze laat hem zodra hij tien jaar oud is, hard voor haar werken door hem op jacht te sturen. De jonge held wordt door drie nachtgeesten overvallen, maar hij slaat er zich doorheen door ze te slim af te zijn, zodat hij ontkomt. Weer veilig thuis, geeft hij de wrede vrouw straf voor haar hebzucht: hij stopt haar in een holle boomstam waar ze verandert in een kikker.
Naast de aandacht voor het literaire erfgoed van de Indianen is in de Surinaamse jeugdliteratuur een grote invloed van de orale traditie van diverse andere culturen aanwezig. Aan de Anansiverhalen wijd ik een apart hoofdstuk (10). Hier behandel ik enkele andere voorbeelden uit de Creoolse, Javaanse en Hindustaande orale traditie, die weliswaar niet als specifieke jeugdliteratuur worden gebracht, maar wel heel geschikt zijn voor dertien- tot zestienjarige lezers, die zich willen verdiepen in het sprookjesachtige, en het mytische wereldbeeld van voorgaande generaties willen leren kennen.
In 1978 gaf Bolivar Editions in samenwerking met het Jeugdlektuur Projekt van het Cultureel Centrum
Nickerie enkele werken uit, waaronder Het levenswater van Ana Bolindo-Kondre, door de ded'oso (dodenhuis) verteller uit Coronie Henry J. Balker (1922) en bewerkt door de onderwijzer-auteur Ané Doorson (1927).
Een vader vertelt het verhaal ‘A libiwatra foe Ana Bolindo-Kondre’ aan zijn kinderen: ‘Ja mi man... a tori sa waka...’ Heel lang geleden was er eens een gezin met drie kinderen, waarvan de vader blind werd door het melkvocht van een broodvrucht. De ‘loekoeman’ zegt dat alleen het levenswater van Ana Bolindo-Kondre genezing kan brengen. De oudste zoon gaat op weg maar zijn missie mislukt; die van de tweede zoon ook. De jongste zoon echter luistert wel naar de aanwijzingen van de krab'dagoe (wasbeer) onderweg, hij vermijdt de vrouwen in het prachtige paleis, hij verslaat de tijgers, slangen en soldaten die Ana Bolindo-Kondre bewaken. Met behulp van het levenswater brengt hij zijn gedode broers weer tot leven en geneest hij zijn vader.
De Afdeling Cultuurstudies van het Ministerie van Cultuur, Jeugd en Sport publiceerde in 1983 het Javaanse verhaal Dongeng Kancil, dat verteld werd door de Islamitische religieuze leider Saleman Siswowitono (1908) en voor schriftelijke uitgave uit het ‘ngoko’ (= gewoon Javaans) in het Nederlands vertaald en (enigszins) bewerkt door J.J. Sarmo en H.D. Vruggink. Beide talen zijn in de bundel afgedrukt.
Kantjil betekent in het Surinaams-Javaans het slimme konijn koni-koni, de Aziatische tegenhanger van de slimme Afrikaanse spin Anansi. De kantjil is de andere veel grotere en sterkere dieren steeds weer te slim af.
Tijger helpt de buffel die helemaal verzwakt is door gebrek aan eten in de droge tijd. Als wederdienst wil hij nu de vetbult van de buffel opeten. Kantjil helpt de buffel door middel van een paar listen, waarna Kantjil op een wereldreis gaat. Hij houdt de kaaimannen voor de gek, daarna de tijger die naar hem op zoek is maar door een horde wespen wordt gestoken. Kantjil zegt tegen de tijger in opdracht van de profeet Salomo te handelen. Naast deze religieuze invloed zien we de be=invloeding van de Anansi-verhalen door middel van een variant op het heel bekende ‘Nanzi en de teerpop’. Kantjil steelt van een groente-veld maar plakt vast aan een vogelverschrikker die daar door de landbouwer geplaatst is. Hij zal opgegeten worden maar weet te ontsnappen doordat hij de waakhonden bedriegt. Als hij later in een punt valt wordt hij door de olifant geholpen. Invloed van andere (Europese) dierenverhalen vinden we in de hardloopwedstrijd die Kantjil van de slak verliest. Tenslotte wordt Kantjil koning over de dieren en heerst als een wijze vorst.
Enkele voorbeelden van de Hindustaans oraal-literaire traditie vinden we in de verhalen van H. Narain, S. Mantoorni, H. Sovan, M. Kishna en J. Kowlessar Misier, die door de Stichting Wetenschappelijke Informatie werden gepubliceerd in een bewerking van Sita Kishna.
‘De laatste vertellers, vooral in het westen, zijn de grootmoeders en grootvaders die allerlei verhalen die ze van hun eigen vader of moeder of grootouders hebben gehoord, op aandringen van hun kleinkinderen vertellen... De verteltraditie is ook in Suriname aan het verdwijnen en het is daarom belangrijk dat volksverhalen en andere culturele rijkdommen die we in Suriname aantreffen, opgetekend en toegankelijk gemaakt worden voor de gehele Surinaamse bevolking. Hierdoor kan een bijdrage geleverd worden aan de vorming van een culturele identiteit. We kunnen dan ook boekjes lezen met verhalen die betrekking hebben op onze eigen culturele achtergronden.’
De eerste tweetalige Sarnami -
Nederlandse bundel Prins Awin en de twee leeuwewelpjes en andere verhalen (1985) vertelt over Prins Awin en zijn zus Meru. Hun moeder sterft en ze krijgen een boze stiefmoeder. Maar ook de zus is boos want ze wil Awin tot drie keer toe uit de weg ruimen. Twee jonge leeuwtjes helpen Awin de eerste en de tweede keer. Als de prins de derde keer sterft, maakt Shiwa hem weer levend, waarop Awin de duivel doodt en zijn zus wegjaat. Het verhaal heeft sterk mytische trekken.
In ‘De oude vrouw en de krokodil’ verliest een goede vrouw haar emmer in de rivier, maar ze krijgt hem van de krokodil terug vol met goud. Een slechte vrouw ziet dat en wil nu ook goud, maar krijgt alleen slangen. ‘Zet neer de rijstebrij en aai mijn staart’ tenslotte vertelt van een oude vrouw en haar zoon die erg arm zijn. Tenslotte krijgt de zoon werk, maar een gemene jakhals eet het eten van hem op. Maar het dier wordt via een list met stokslagen gestraft en is voortaan nooit meer lastig.
‘De jakhals speelt in Hindustaanse verhalen een soortgelijke rol als de coyote of prairiewolf bij de Noordamerikaanse Indianen, de vos in Europa en ook Anansi in Afrika en het Caraïbisch gebied.’
Na deze eerste bundel met drie verhalen verscheen een jaar later een tweede met vijf vertellingen, die op dezelfde manier is opgezet. Ook hier verzorgde Soeki Idodikromo de prachtige, beeldende illustraties: De fluitspeler (1986).
In ‘De fluitspeler’ raakt een koningin zo onder de bekoring van een fluitist, dat ze haar paleis verlaat en de speler volgt. Als ze zijn armelijke hutje ziet, heeft ze spijt maar is het te laat. ‘De prinses van Awadpur’ kan met haar boze blikken iemand in brand steken. Dat gebeurt met een verliefde als gewone man verklede prins. Maar als de prinses ziet dat hij onder de armoedige kleren erg rijk uitgedost is en heel knap, trouwen ze.
In ‘Kapper Bambam en de hoorntjes van de koning’ bewaart de kapper het geheim van de horentjes wel, maar de geest in de bomen heeft het gehoord. Als de boom wordt omgehakt en er van het hout muziek-instrumenten worden gemaakt, zingen die dat de koning horentjes heeft. Nu weet iedereen het!
In ‘Prins ezel’ wordt prins Rawinder door een danseres betoverd tot ezel. Hij trouwt met een prinses en wordt 's nachts weer man. Ze krijgen een zoontje. Als zijn ezelsvel verbrand wordt, verandert hij in een tijger, die door prinsje Suraj gedood wordt. Daardoor is de betovering verbroken en leeft iedereen lang en gelukkig. ‘Een klosje garen voor tienduizend gulden’ vertelt van een koning die de oude raadsheer Birbal ontslaat, maar de nieuwe en jonge vervanger is heel dom. Met een list weet Birbal wel de gevraagde tienduizend gulden voor het klosje garen te krijgen.
Ook Mani Sapotille sluit met de verhalenbundel Het tweede gezicht (1985) bij de orale traditie aan. De vijftien verhalen zijn onder andere namelijk jorka-tori (geestenverhaal), ondronfenitori (ervaringsverhaal), een fabel, parabel, sprookje, romance, een Javaanse vertelling, een Anansitori, agersitori (gelijkenis) en een didibritori (duivelsverhaal). Het is een door De Volksboekwinkel uitgegeven verhaal voor de jeugd en voor volwassenen bundel verhalen, die stuk voor stuk goed verteld zijn en veelal een dubbele bodem - een tweede gezicht - hebben. Het verhaal van de jorka gaat eigenlijk over familieverhoudingen, een eenvoudig vloerkleedje is de aanleiding bureaucratie en ‘regelen’ te analyseren, weer andere verhalen zijn enkel humoristisch. Hoe zou het met Suriname gegaan zijn als de Europese ontdekkingsreizigers vroeger voorbij gevaren waren en het land ongemoeid hadden gelaten? Zou het niet beter
zijn als er meer Surinamers uit Nederland zouden terugkeren naar hun land? Hoe zouden buitenaardse wezens over Suriname en zijn inwoners kunnen denken?
Het is een gevarieerde bundel geworden, die druktechnisch goed is uitgevoerd. Een daarmee een aanwinst voor de Surinaamse jeugdliteratuur, vooral door zijn relativerende ondertoon verkwikkend, maar vele auteurs de nationaal-pedagogische ernst op elke pagina demonstreren.
Petronella Breinburg (1931) werd geboren en groeide op in Suriname, maar verhuisde toen ze onderwijzeres was geworden naar Guyana, Venezuela en Engeland, in welk land ze nu nog woont. Ze studeerde af in pedagogie en taalkunde en werkt aan een universiteit.
In totaal schreef ze volgens eigen zeggen zo'n twintig jeugdboeken die echter niet alle gepubliceerd zijn.
Een van de eerste boeken was over de Surinaamse legendenschat: Legends of Suriname (1971).
Daarna schreef ze gedichten, verhalen en toneelstukken, die onder andere op scholen werden opgevoerd. Bekend zijn haar drie Sean-boekjes: Doctor Sean, My brother Sean en Sean's red bike. het zijn kleurrijke prentenboeken met eenvoudige korte tekst over allerlei dagelijkse gebeurtenissen.
Naast deze serie publiceerde ze op dezelfde wijze Sally-Ann in the snow, Sally-Ann's umbrella, Sally-Ann's skateboard. Ze schreef ze op verzoek van haar leerlingen om Sean een vriendinnetje te geven. Deze boekjes kunnen voorgelezen worden met uitbreidende vertellingen, terwijl ze ook geschikt zijn als first readers voor kinderen vanaf zeven jaar.
In 1980 was Petronella Breinburg in Nederland voor een vergelijkend onderzoek naar de opvang van zwarte Surinaamse migrantenkinderen op de Nederlandse scholen. Hierover verscheen van haar hand een artikel in Nederlandse vertaling ‘De mengtaal van Surinamers: een sociolinguïstisch perspectief’ in Eddy Charry (red): De talen van Suriname (1983, p. 201-209)
Ze gaf een interview in De Volkskrant van 19 april 1980, waaruit ik het slot over haar literaire werk overneem:
‘Als eerste boek publiceerde Breinburg volksverhalen uit Suriname. Ze had er geen moeite mee een uitgever te vinden: sagen en legenden konden geen kwaad. Vervolgens schreef ze een kinderboek met een zwart jongetje in de hoofdrol. Het duurde vijf jaar voordat er iemand was die het wilde uitgeven. Breinburg heeft nu tien boeken gepubliceerd en sommige daarvan zijn in het Deens en Noors vertaald.
Een aantal boeken kan ze nog steeds niet uitgegeven krijgen. Vaders die eten koken en moeders die uit werken gaan zijn ook in Engeland niet erg populair. Voor de verkoopbaarheid heeft ze een meisje dat doktertje speelde al eens moeten veranderen in een jongetje. Drie jaar geleden ontstond er grote opschudding over haar boek Us boys of Westcroft met in de hoofdrol een zwarte en een blanke jongen. Tot in het parlement werd er tegen geageerd, wat de verkoopcijfers met sprongen deed stijgen. Boeken met zwarten in de hoofdrol zijn de laatste jaren populair in Engeland. De meeste daarvan worden echter geschreven door blanken. Breinburg: ‘Zij geven uitsluitend hun eigen visie, hoe zij denken dat een zwarte zich gedraagt. Zwarten worden altijd stom opgevoerd en moeten geholpen worden met het strikken van hun das. Dat soort boeken schrijf ik niet.’
Ik las van haar nog een jeugdboek over Londen, een Nanziverhaal en een jeugdboek over Suriname;
met deze beperkte keuze hoop ik toch een beeld te geven van deze unieke, wat Engelstalige, Surinaamse jeugdboekenauteur.
One day, another day (1977) is een ik-verhaal van een zwart meisje May en haar witte vriendin Maureen Keegan, die beide in een eenvoudige Londense straat wonen. De ‘ik’ vertelt over het leven van alle dag, ze spelen cricket en ‘ik’ slaat een ruit in van de broeikas van lir. Kipper, de discriminerende buur man, die de moeder van ‘ik’ geregeld toeroept naar haar ‘jungle’ terug te gaan, omdat ze de straat bederven. De kinderen proberen het weer goed te maken door heggen te gaan knippen in een rijke buurt, maar iedereen jaagt ze daar weg.
In de vakantie doen de kinderen ‘goede daden,’ Mrs. Shank is haar kat kwijt, en ‘ik’ belooft deze terug te zoeken. Met de hulp van vriend Errol nemen ze een willekeurige kat mee van de straat, die ze helemaal met spray bespuiten omdat ze stinkt. Maar dan worden ze gepakt door een man die ‘dat gedoe van die negers’ niet vertrouwt. Maar het loopt op het nippertje nog goed af.
Petronella Breinburg geeft in eenvoudige maar heel geestig vertelde gebeurtenissen de situatie tussen rijk en arm en vooral tussen autochtonen en allochtonen, tussen wit en zwart weer; ze vertelt vanuit het perspectief van het zwarte meisje May.
Uit One day, another day blijkt, zonder dat het met zoveel woorden geschreven wordt, dat of je het nu fout doet (in ‘one day’) of goed (in ‘another day’) je als zwarte allochtoon toch altijd de schuld krijgt van sommige wantrouwende discriminerende autochtonen. Maar gelukkig gaat het beter als je elkaar leert kennen, vooral bij kinderen:
‘“Why ain't you at the play centre then?” asked Maureen in funny language. Maureen speaks always in funny language when speaking to coloured people. That is, when she does'n know them. When she knows them she speaks to them in ordinary language.’ (p. 9)
Bre-Nancy's dream (1976) werd geschreven voor kinderen. Ik zal het hier kort bespreken in plaats van in hoofdstuk 10. Het is een eenvoudig toneelstuk dat geschikt is voor schoolopvoeringen.
In een droom hoort Nanzi dat de stem van de oude heks die de dieren waarschuwt geen slechte dingen van elkaar te zeggen, want dat zal ongeluk veroorzaken. Nanzi gebruikt nu allerlei listen om zijn mededieren tot slechte gedachten en gezegdes te laten komen om ze op die manier veel eten afhandig te maken als boete. Hij bedriegt de ezel, de tijger, de slang, het konijn... Dan bedenkt de wijze uil een plannetje dat door Bre'r Rabbit wordt uitgevoerd; het lukt om ook Nanzi slechte dingen te laten zeggen, maar deze koopt het konijn daarna om. Nanzi wordt koning en broer konijn de officiële verteller, maar in feite de spion. Op aanraden van de uil gaan de dieren nu naar de oude heks zelf toe. Die helpt hen omdat Nanzi niets van het eten aan haar gebracht heeft. Men kroont Nanzi tot koning van het bos, maar hij wordt vastgeplakt op zijn troon, zodat de dieren alles van het feestmaal kunnen verorberen en Nanzi en Bre'r Rabbit het toekijken hebben. Aan het slot van het feest bevrijdt de oude heks Nanzi uit zijn benarde positie, nadat hij belooft voortaan zelf te zullen werken op zijn land.
Hier hebben we dus een voorbeeld hoe de slimme Nanzi zelf bedrogen wordt. Voor nadere gegevens zie hoofdstuk 10.
Het belangrijkste boek voor mijn onderzoek is het Surinaamse jeugdboek Gertrude, the girl from Beekhuize, dat in de vertaling van Gerda Visser onder de geheel gewijzigde titel De winst van het lakoe-spel in 1982 door Holkema en Warendorf in Bussum werd uitgegeven, met illustraties
van Reintje Venema.
Gertrude Refrum is twaalf en een half jaar oud en woont in Beekhuize(n), dat nu een buitenwijk van Paramaribo is. Ze wordt opgevoed door haar buurvrouw Mina, maar woont bij haar moeder die ze evenwel tanta Cobo noemt.
Mina is een ‘nenni dofi’, een leidster van een bloeiende lakoe-gemeenschap van het dorp en is daarom een invloedrijke vrouw. Ze heeft Trude als haar toekomstige opvolgster bestemd. Aan het begin van het verhaal wordt het meisje daarom tot ‘Pikin Nenni Dofi’ (kleine leidster) geïnstalleerd. Aan het einde voert Trude met haar klasgenoten zelfstandig een lakoe-pré op als schooluitvoering.
Een lakoe-spel is een zang- en dansspel dat vermoedelijk in het Commewijne-gebied ontstond. Edgar Cairo schrijft erover in zijn studie Krioro fa? (1979, p. 10-19); dat het
‘een uitermate dubbelzinnig spel betreft, waarin de koloniale historie (tot ± 1890) een duidelijk centrale rol speelt, vooral wat betreft de maatschappijkritiek. De gevolgen van slavernij die waarschijnlijk net achter de rug was toen het spel ontstond en de immigratiepolitiek (die naar het spel te oordelen nog op gang was), werden handig met elkaar gecombineerd tot een spel met alle mogelijkheden voor de aktualiteit.’ (p. 19)
We lezen hoe Trude opgroeit in het buiten-dorp, hoe de mensen daar leven, over de verschillen tussen rijk en arm, tussen het dorp en de stad Paramaribo. Trude is bevoorrecht door de protectie van tante Mina die als een soort leidsvrouwe wordt gezien in het dorp, omdat ze bijzondere geestelijke kracht bezit. Als trude naar de stadsschool gaat, waar ze aanvankelijk niet mee kan komen omdat ze erg achter is met de leerstof en waar ze vreselijk geplaagd wordt, blijkt dat ook zij paranormaal begaafd is: ze ‘ziet’ een verdwenen meisje van zes jaar oud en voorspelt dat de overladen veerboot zal zinken. Uiteindelijk zal ze zich ook op de stadsschool een leidende positie veroveren; dat is haar doel èn bestemming.
Petronella Breinburg geeft een psychologisch portret van dit jonge meisje, haar gezin en haar vriendinnen, maar ook een sociale schets van het leven in het Suriname van rond de jaren vijftig, denk ik. De Lawa-spoorweg reed nog tot in het hart van Paramaribo; er is sprake van ‘enkele belangrijke bezoekers’ bij het opvoeren van het lakoespel, waarvan Jan Voorhoeve er een zou kunnen zijn.
De alwetende verteller informeert via Maria, het boeroemeisje - een afstammeling van Hollandse boeren die sinds het midden van de 19de eeuw in Suriname gesettled zijn - via Sue het Chinese meisje en Hindustanen en Creolen, over diverse vertegenwoordigers van de bevolkingsgroepen in het land. We lezen iets over Sinterklaarfeest, over de slavernij, over het Sranan Tongo.
Dat deze zaken in de koloniale jaren vijftig heel anders lagen dan nu lezen we uit zinnetjes als:
‘De mensen in Afrika zijn menseneters, ze zijn slecht, we hebben daarover gelezen op school...(p. 13)
In de school van Beekhuize leerde je maar weinig. Alleen over dieren en bomen, natuurstudie, en over wilden in Afrika die mensen aten en schreeuwden als gekken. (p. 20) Onderwijzers vertelden de kinderen fantastische dingen over Holland. Er waren een heleboel grachten en hoge huizen.
Iedereen in Holland was rijk. Alle kinderen waren knap.’ (p. 20)
De zuster op school noemt de orale traditie waartoe het lakoe-spel hoort ‘allemaal leugens, één groot pak leugens’ (p. 106). Sranan Tongo is een taal van arme mensen en hoort op een nette school niet thuis.
Tegenover dit soort oordelen plaatst Breinburg de visie van tante Mina en Trude die opkomen
voor de eigen (literaire) traditie. Maar Trude wint de schooltoneelwedstrijd niet, ondanks het goede spel, ‘omdat het een negerspel is wat ze brengt en geen Nederlands stuk.’
Het lakoe-spel neemt een belangrijke plaats in het boek in (begin en einde) als symbool van het eigene; fragmentjes ervan worden beschreven, zoals over de komst van het eerste slavenschip Lakodia, de muziek en de liederen. De ‘belangrijke bezoeker’ laat alles voor zich vertalen en luistert met belangstelling. Misschien dat Petronella Breinburg hierbij gebruik heeft gemaakt van J. van Renselaer en Jan Voorhoeve: ‘Een laku-pree’ in Vox Guyanae, 3.6, p. 36-48 (1959).
Als jeugdboek vind ik De winst van het lakoe-spel maar ten dele geslaagd: weliswaar geeft het een goed beeld van een eigenzinnig opgroeiend, speciaal meisje, maar de gebeurtenissen die ze om haar heen vlecht missen consistentie - ze zijn toevallig en fragmentarisch zonder verband met het geheel. Het bezoek aan Maria, het boeroemeisje, blijft helemaal in de lucht hangen; de verhouding van Trude tot het arme meisje Becca is ook erg dualistisch, om twee voorbeelden te geven. En aan het slot legt Trude zich eerder neer bij het verlies van de eigen traditie dan dat ze zich ervoor zal blijven inzetten.
In het aan jeugdboeken nog zo arme Suriname is het echter wel een boek om terdege kennis van te nemen wegens de volstrekt eigen manier waarop Breinburg haar individuele hoofdpersonen als karakter beschrijft. Dat was opvallend in One day, another day, dat is het hier opnieuw.
Het eerste boek Het meisje uit Tapoeripa (1978) van Mechtelly vertelt over het leven van de zeven jaar oude Foki, die in het transmigratiedorp Tapoeripa woont, omdat haar eigen woonplaats is verdwenen, door de bouw van de Afobakadam in de Suriname rivier. Het leven van alledag wordt eenvoudig beschreven: hoe het in de nieuwe houten huizen heel anders is dan in de vroegere hutten, over school, de rijstoogst, enz. Alle mensen krijgen nu geld van het gouvernement, ook vader, maar hij koopt er sterke drank voor. In het weekend komen mensen uit de stad op bezoek. Een keertje gaat Foki met vrienden en vriendinnen op de visvangst, en ze bezoekt haar oma in een ander dorp.
Zo is dit eenvoudig vertelde en uitgegeven verhaal over een klein kind geschikt voor jonge lezers, maar het taalgebruik maakt dat het voor hen beter voorgelezen kan worden; om zelf te lezen zullen de kinderen zeker wel in de middenklassen moeten zitten.
In de volgende jaren gaf Mechtelly nog een viertal kinderboekjes uit: de ‘Japitrilogie’ Japi en Joewan, Japi op school en Japi bij de boer op bezoek, en Het aapje van Jaja.
Het laatste werkje dat ik van Mechtelly las is Emilina (1934). Ook dit is een heel dun, eenvoudig ingeniet boekje zoals Het meisje uit Tapoeripa, maar bedoeld als jeugdboek voor twaalf plus. Mechtelly begon er al aan in 1974, maar liet het daarna lang liggen eer ze het 35 pagina's tellende verhaal afmaakte.
Ook Emilina behandelt de problematiek van de migratie, dit keer van het binnenland (Tapoeripa) naar de stad (Paramaribo). Dat was voor velen immers de volgende stap wegens het van de geboortegrond losgeslagen zijn. Emilina krijgt een betrekking als dienstmeisje en studeert 's avonds. Ze heeft het daardoor erg druk en het kost haar moeite zich aan de zakelijke stad aan te passen. Dan ontmoet ze Jim met wie ze omgaat. Emilina en Jim slagen allebei voor hun examen, en Jim gaat naar Nederland om verder te studeren (dat is de volgende en
meestal definitieve migratie). Maar dan is Emilina al zwanger van hem; ze krijgt een abrupte afscheidsbrief ondanks de beloofde trouw. Emilina krijgt een zoontje:
‘Ik zal hard werken en het zal goed gaan. Je zal zonder problemen naar school kunnen gaan en beslist verder komen dan ik. Maar je moet en zal weten dat het offer wat ik voor je gebracht heb en nog zal brengen er één is welke de meeste Surinaamse vrouwen voor haar kinderen brengen.’ (p. 35)
De uit een transmigratiedorp afkomstige Julian With (1954) debuteerde als student met een dun boekje Ja, ik ben een Marron (1974) dat over dezelfde thematiek gaat: de verhouding stedeling - inwoner van Paramaribo - en de marron - de bewoner van het bos. Hij gaf zijn verhaal in de liefde tussen Lucenda en Glenn en zijn politieke idealen een positief einde mee. Glenn zal vechten tegen discriminatie en voor één land Suriname, dat aan iedereen gelijke kansen geeft.
Een van de bekendste en succesrijke auteurs is de onderwijzer Gerrit Barron (1954, ps. Sorava); maar omdat hij tot nu toe uitsluitend voor kinderen schreef en onze belangstelling in de eerste plaats naar de jeugdliteratuur uitgaat, zal ik relatief kort over hem zijn. Barron debuteerde met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973); Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in Powesi (1977). Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en werd hij de meest gelezen auteur van Suriname.
Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het te nadrukkelijk met een opgeheven, pedagogisch vermanende vinger; daarom is de taal in dit boekje nog stroef. Het gezin bestaat uit vader Johan hindoestaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt: integratie!) en hun vier kinderen: een meisje van 17, drie jongens van respectievelijk 15, 11 en 10 jaar. De jongsten zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattekwaad uit, maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de familie Soravasingh ‘wordt er mee gelachen dan boos gekeken.’
Titri en Toto (1979) is bestemd voor de kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over de aka's, Surinaamse roofvogels. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het bos (1980). Twee jongens gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden magazine-formaat en gedrukt op krantepapier. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken deze goedkope uitvoering aantrekkelijk voor kinderen.
Er gingen meer dan 20 000 exemplaren van over de toonbaak de scholen in.
Dezelfde Stichting Kinderkrant publiceerde ook nog Henk Zoutendijk: Het geschenk van Watramama, waarin het natuurleven en de natuurbescherming centraal staan. Het boekje is overvloedig geïllustreerd met allerlei in Suriname levende dieren, die elk een beschrijving meekregen. Zo dient het boekje tegelijk als leesboek (met zijn spannende verhaal) en als ontwikkelingsboek (met zijn tekeningen en beschrijvingen van dieren). Een grote kleurenposter maakte het geheel nog aantrekkelijker. Verdere uitgaven van deze stichting zijn me niet bekend; het initiatief leverde in elk geval twee goede resultaten op.
Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons: Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de Indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man, en de witte veroveraar
Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt.
's Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakroe (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owroekoekoe, aboma, anjoemara, aasgier en schildpad.
‘“Hoe kom ik bij de vergulde man? Ik wil hem zien!”
“Geen mens heeft hem meer gezien sedert hij het land onzichtbaar heeft gemaakt. Als je hem wil zien, moet je vier opdrachten vervullen. Je moet ten eerste het gouden sleutelbeen van de leba hebheb. Ten tweede de gouden kam van de watramama. Vervolgens de grote gouden verstandskies van de azema en tenslotte de pipit in de maag van de powisi.”’ (p. 16/17)
Als Kamla alle vier voorwerpen bezit, krijgt ze nog de veertien gouden veren van Akal, de aasgier. Daarmee maakt deze een bepaalde figuur op de Volzberg en komt de schone Lindo te voorschijn.
‘Wees welkom; Je hebt de slechtste vier van het land weten te overwinnen.’ Kamla mag het onzichtbaar gemaakte rijk van Lindo zien. Het is prachtig! Waarom is Suriname niet meer zo mooi, maar arm, zonder naastenliefde en onverdraagzaam? Kinderen moeten verbeteren wat ouderen bedorven hebben; met die boodschap wordt Kamla wakker. Barron buigt dus de oude legende van El Dorado, waarnaar de Europeanen zo hartstochtelijk gezocht hebben en waarvoor ze de Indianen wreed hebben onderdrukt, om tot een visie en boodschap voor de jeugd van zijn eigen land.
Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen, maar het is niet geslaagd wegens het onwaarschijnlijke gedrag van de erin beschreven dieren. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over.
Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enz. Ze proberen de twee gevangen kapasi's te bevrijden, maar dat mislukt. Hier gaat het verhaal scheef omdat de dieren dan mensen- handelingen, - gedachten en - gevoelens ingegeven krijgen die volstrekt onwaarschijnlijk zijn.
Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende jongensdetective. Harold en Kela die in het district Saramacca wonen, gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt van het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de oorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek uit te gaan, eerst 's morgens en daarna aan het begin van de avond.
Op hetzelfde moment komt de kapitein Jurgens Adenaur om de ‘schatten’ uit de Goslar te halen; hij verdrijft de jongens die de romp aan het openbeitelen zijn. De volgende dag neemt hij ze gevangen en voert ze mee op zijn garnalenschip de Turtle. Steven waarschuwt de politie, die komt op het moment dat Adenaur net zijn kisten heeft. Het wordt een spannende achtervolging. De boeven worden gevangen, het goud wordt bestemd voor kinderspeelplaatsen, zwembaden in de districten, bibliotheken en crèches. Het is groot nieuws op de t.v. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is