terug  begin  verderprepost
[p. 243]

Hoofdstuk 10. Nanzi, Caraïbiër van Afrikaanse herkomst

1.‘Anansie heeft de zwarte man de lach gebracht’
2.Het orale karakter van de Nanzi-verhalen
3.Nanzi in het web van het geschreven woord gevangen
3.1.Curacao
3.2.Suriname
3.3.Jamaica
3.4.Nanzi komt naar Nederland
4.Bibliografie
4.1.Enkele verzamelingen van Nanzi-verhalen
4.2.Enkele studies over Nanzi-verhalen
4.3.Nanzi-verhalen voor kinderen en jeugdigen die in dit hoofdstuk genoemd werden.
De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen eetlust en een bewonderenswaardig talent, om zich van het noodige voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig web, dat zij buiten gewoon knap is en ‘heeft de draad van haar persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven.’ De spin houdt er van lui te zijn, weigert de lichtste last te dragen, als het in haar kraam te pas komt, maar kan ook, als er iets te eten valt, met het grootste gemak het lichaam van een dooden olifant optillen.

(H. van Cappelle: Mythen en Sagen uit West-Indië)
[p. 244]

1. ‘Anansie heeft de zwarte man de lach gebrach’

Op het hoogtepunt van Andrew Salkey: Joey Tyson (1974), dat de Jamaicaanse onlusten in oktober 1968 beschrijft, als politie en leger huis-aan-huis onderzoekingen verrichten om ‘plunderaars en brandstichters’ te achterhalen (zie hoofdstuk 9.3) en ze ook Mr. Tyson, zijn zoon en diens vrienden dreigen te arresteren, verzinnen dezen een list om de machthebbers te misleiden. Een oude vrouw - Miss D. - zegt dat ze de kinderen op het erf Nanzi-verhalen aan het vertellen is, onder andere het spannende ‘Anancy en de meelballetjes’, zodat ze onmogelijk tegelijkertijd op de straat hebben kunnen zijn. Op deze slimme wijze bedriegen ze de soldaten met behulp van de uit de Caraïbische literatuur zo bekende aartsschelm Nanzi, die als het symbool van sluwheid figureert in talrijke verhalen waarin de zwakke het van de machtige wint.

 

C.N. Dubelaar schrijft in zijn studie over ‘Negersprookjes uit Suriname’ op pagina tien: ‘De moeder of een oude vrouw die op de kinderen paste (nene) vertelde 's avonds voor het slapen aan de jeugd, niet alleen om die aangenaam bezig te houden maar ook omdat vele verhalen een educatief element bezitten... Buurtbewoners, bewoners van een erf enz. kwamen vroeger vaak bij elkaar om te luisteren naar de verhalen van een bekende verteller.’

Op dezelfde wijze als Salkey gebruikte de Jamaicaan Vic Reid in The young warriors 91967) het Nanzimotief (zie hoofdstuk 9.2). Als de marron-jongen Charlie door de Engelse soldaten gevangen is, wordt hij gered door zijn vrienden Tommy en David die de vijanden afleiden met een ‘Anancy-story’; de kleine jongen David is net zo slim als de sluwe spin Nanzi en bedriegt op die wijze de grote koloniale machthebbers.

De Nederlandse auteur Miep Diekmann werkte in haar Curacaose herinneringen De dagen van Olim (1969) het spin-motief uit door aan de ene kant de Europese angst voor de griezelige spin als leidmotief te gebruiken, als symbool voor de angst van de veertienjarige hoofdfiguur Josina Walthers, de oudste dochter van de Nederlandse marine-officier. Aan de andere kant gebruikte ze de Caraïbische functie van de slimheid van de spin. Tot twee keer toe wordt van iemand die slim is gezegd: ‘Bo ta Nansi’ - Jij bent Nanzi - jij bent slim; de eerste keer door een Surinaamse agent, de tweede keer door Josina zelf. De Nederlandse moeder van Josje begrijpt er niets van; ze is buitenstaander tussen ingewijden. In zijn in 1926 verschenen Mythen en sagen uit West-Indië geeft Dr. H. van Cappelle op pagina 237 een aantal voorbeelden van dagelijkse spreekwoorden en zegswijzen die aan de spin ontleend zijn. Ik herinner me nog levendig uit de jaren dat ik in Suriname woonde hoe Harry Jong Looy iedere dag op Radio Apinti een Anansi-tori vertelde, waarin hij actuele problematieken behandelde in de vorm van een verhaal.

Wie is deze spin en hoe komt het dat hij op zo diverse plaatsen als Jamaica, Curacao en Suriname nog zo populair is in het dagelijkse spraakgebruik?

Na talrijke onderzoekingen van diverse personen vanaf 1879 promoveerde Ds. W.J.H. Baart in 1983 in de Godgeleerdheid op een dissertatie over de Curacaose Cuentanan di Nanzi, waarin hij een diepgaande analyse geeft van de Nanzi-problematiek. Nu ben ik niet van plan zijn onderzoekingen na te schrijven. Na een korte samenvatting van de belangrijkste bevindingen en een overzicht van de manier waarop deze verhalen verteld werden en worden, wil ik enkele moderne uitgaven van Nanzi-verhalen voor kinderen en de jeugd bespreken, omdat wat deze verhalen betreft gesproken kan worden van een sub-genre in de Caraïbische jeugdliteratuur, met niet alleen steeds

[p. 245]

terugkerende vaste figuren en een eigen thematiek, maar ook een eigen karakter in de vorm waarin de vertellingen gegoten zijn.

 

Nanzi (Anansi in Suriname, Compa Nanzi op Curacao, Unancy of Anancy op Jamaica) is een figuur die in de orale literatuur van West-Afrika zijn oorsprong vindt.

‘De oorsprong van de spin-verhalen ligt in West-Afrika, met name in Ghana bij het volk van de Ashanti. Daar vindt men de Anansesem, d.w.z. de verhalen van de spin. Dit behoeven niet altijd verhalen over de spin Ananse te zijn; ook andere verhalen waarin Ananse niet optreedt worden gerekend tot de Anansesem.’ (Baart, p. 9)

In die verhalen bezat de spin mythologische trekken. Anansesem waren oorspronkelijk de verhalen van God Nyankopon, maar Ananse verwerft zich het recht om die verhalen Anansesem te gaan noemen. Ananse is onderworpen aan God Nyankopon, maar verkeert wel in de onmiddellijke omgeving van de hemelheer. De Nederlandse slavenhandelaar voor de West-Indische-Compagnie in St.George d'Elmina aan de Goudkust, de bekende Willem Bosman, schreef nog in 1704:

‘Deeze Spin noemen de Negers Anansee. Sij gelooven dat de eerste menschen van den selve gemaakt zijn... want het getal der geener, welke geloven dat de Mensch door den Anansié, zijnde een groote Spin, geschapen is, is noch heden ten dage niet weynig.’

Ds. Baart vond bij zijn onderzoekingen vier relaties tussen Ananse en de godheid:

-een verwantschapsrelatie: soms schoonzoon, soms broer of zwager;
-een rituele relatie: Ananse treedt op als offeraar om de ziel te reinigen;
-een strijdmakkersrelatie: Ananse vecht voor de godheid;
-een rivaliteitsrelatie, bijvoorbeeld in het recht om de vertellingen naar Ananse te noemen en een strijd om het bezit van vrouwen.

Met de slavernij werden de Ananseverhalen meegevoerd naar het Caraïbisch gebied en het zuiden van de Verenigde Staten, waar ze van karakter veranderden. Volgens Ds. Baart is het hoofdkenmerk van Nanzi dat hij een schelm is, die onvoorstelbaar sluw is met een onbedwingbare begeerte: het hoofdmotief is het verkrijgen van voedsel door middel van list en bedrog, waarbij de spin volstrekt immoreel te werk gaat.

De spin Nanzi heeft een antropomorf karakter; hij wordt voorgesteld als mens, terwijl de dieren in zijn omgeving ook dierlijke en menselijke kenmerken hebben.

Baart noemt Nanzi een tricksterfiguur waarvan het kenmerk is:

‘Al is zijn manier van optreden, zoals wij die uit de verhalen leren kennen zodanig dat het amorele, het banale en het clowneske ons kunnen verbijsteren, dit mag niet in mindering komen op onze bereidheid om te erkennen dat wij hier te maken hebben met een serieuze poging om de menselijke werkelijkheid van alledag, met zijn hoogten en diepten, ook met zijn verscheurdheid en absurditeit, te benaderen en in de greep te krijgen, opdat het leven geleefd kan worden.’ (p. 230).

Soms geeft een Nanzi-verhaal een verklaring van het waarom van iets. Zo gebruikte Miep Diekmann het verhaal van Leisah - een Nanzi-verhaal zonder Nanzi erin - in Padu is gek. De moeder van Padu vertelt het verhaal waarin verklaard wordt waarom de mensen strepen in hun handpalm hebben. Andere auteurs hebben het sociaalprotest-karakter van de Caraïbische Nanziverhalen benadrukt, waarin de slaaf zich vereenzelvig de met de kleine maar slimme underdog Nanzi tegen de machtige slaveneigenaar Shon Arey. Zo schreef Jos de Roo over onder andere de Compa Nanzi-verhalen als ‘Over een derde vorm van slavenverzet’ in Kristòf jaargang drie, 1977, no. 6, p. 250-258.

[p. 246]

En Anthia C.M. Boers schreef in Anansi; volksverhalen uit Suriname dat in de Nanzi-verhalen de rollen werden omgekeerd: de vertrapten werden de machtigen, de onderdrukten werden de heersers, de armen werden de rijken die zich konden bevrijden van hun angsten en zich vrolijk maken over de blanken. (p. 7) Ook Marijke Schweitz wijst daarop: in hun vertellingen kreëerden de slaven een wereld waarin zij zegevierden over de machthebbers. Voor de ontwortelde slaaf werd Nanzi met zijn onoverwinnelijke overlevingsinstinkt het voornaamste symbool van wensvervulling. (‘Verborgen protest in Curacaosche Spinvertellingen’, Caraïbisch Forum, I, 1, 1980, p. 35-65) Enrique Muller komt tot de volgende conclusie: ‘The existance of Nanzi is anchored in the struggle for life which marked life during and after the slave period.’(Kristòf IV, 1, p. 7-19)

Toch zijn er nog wel kenmerken van het oorspronkelijke mythologische karakter bewaard gebleven, zeker in Suriname, waar men geen Anansi-tori op zondag vertelde en ook niet voor zonsondergang en waar men ter beveiliging eerst een ooghaar uittrok of speciale openings- en slotformules uitsprak. C.N. Dubelaar schrijft hierover:

‘Op een tocht door het Surinaamse bos om insecten te verzamelen weigeren de arbeiders spinnen te vangen. Anansitori's zijn ‘kina foe jorka’, d.w.z. treef, verboden, voor geesten van afgestorvenen. Anansitori's mogen niet overdag verteld worden, tenzij men een ooghaar uittrekt, anders komt de jorka en schaadt de verteller of anders sterft je moeder of anders krijgt de verteller kramp of een slapende hand of voet of je vader en moeder zullen sterven. Als hand of voet slaapt, is dat omdat Anansi erin gekropen is. Als een spin op een vrouw valt is dit een gelukkig voorteken: ze zal een kind krijgen.
Op zondag Anansitori's vertellen past niet voor een Christenmens. Bij de bosnegers bestaat er verband tussen de ceremonieën bij het overlijden en het vertellen van Anansitori's (Negersprookjes uit Suriname, p. 12-13, waarbij ik de bronnen heb weggelaten)

De Nanzi-verhalen hebben een acculturatieproces ondergaan; de omgeving en de Afrikaanse flora en fauna zijn vervangen door de Caraïbische, voorzover deze aanpassing noodzakelijk was. Ook is er invloed te bespeuren van het Christendom: het niet op zondag vertellen, Shi Maria bijvoorbeeld.

Nog een ontwikkeling is dat Nanzi-verhalen langzamerhand als kinderverhaal zijn gaan fungeren. Dat is weliswaar ook het geval met sprookjes, fabels etc. en veel van de klassieken uit de wereldliteratuur, maar het zou in dit geval mede verklaar kunnen worden door het gegeven dat de Nanzi-verhalen door de yaya, nene of nurse (= net kindermeisje) verteld werden aan de (blanke) kinderen - zie nogmaals Joey Tyson Cola Debrot vertelt in zijn bekende Mijn zuster de negerin (1934/1935) hoe de hoofdfiguur Frits Ruprecht door de negerkoetsier Pedritoe in de tilbury naar de familie aan de andere kant van het eiland gebracht wordt:

‘In zijn jongenspak met knickerbockers had hij urenlang zitten hobbelen naast Pedritoe, die sprookjes vertelde, over spinnen, over prinsessen die zingen in de hemel, over het spook dat als witte ezel verschijnt met een blauwe ster tussen zijn rechtopstaande oren...’ (p. 13)
[p. 247]

2. Het orale karakter van de Nanzi-verhalen

Ds. Baart waarschuwt in zijn dissertatie:

‘Om misverstand te voorkomen zij hier opgemerkt dat een in druk verschenen versie van een stukje orale literatuur nooit beschouwd mag worden als “de kanonieke tekst” van de verhalen, ook al krijgt een met zorg samengestelde collectie ongemerkt een zeker gezag. De werkelijkheid is echter dat de orale literatuur nooit de grenzen kent die het gedrukte boek suggereert.’ (p. 10).

Allereerst moeten we de Nanzi-verhalen als vertellingen zien die ontstaan in het levende contact tussen verteller en deelnemende luisteraars, ook nù nog. Deze vertellingen vonden en vinden vooral plaats bij sterfgevallen: novena, ocho dia, aitide - de achtste dag om de dodenwake te korten en veelal door beroepsvertellers gerealiseerd, maar ook bij andere gelegenheden.

H. van Cappelle vertelt over zijn expeditie in het Surinaams oerwoud in het begin van de twintigste eeuw:

‘Bij de flikkerende vlammen van het kampvuur vond ik een onzer arbeiders, in zijn hangmat gezeten, omringd door een aantal toehoorders, op wier gelaat de grootste aandacht en een innig genoegen te lezen waren.
De verteller sprak gemakkelijk, met mooie accentuatie en met bewonderenswaardige stembuiging - soms fluisterend, om daarna met langzame stemverheffing zijn woorden met kracht uit te stoten. Nu eens sprak hij vermanend, dan weer vragend en al kon ik wegens onvoldoende kennis der Neger-Engelsche taal het verhaal niet volgen, toch liet de uitnemende verteller niet na, indruk op mij te maken, en wist hij het verlangen bij mij op te wekken, met den inhoud dier negervertellingen kennis te maken.’ (p. 199)

Ook C.N. Dubelaar noemt deze vorm in 1972: ‘Arbeiders op eenzame possten zonder vertier, in de goudvelden, houtkappers, balatableeders enz. vertellen deze verhalen tijdens de lange avonden in hun kampen.’ (p. 10)

Maar ook Frank Martinus Arion beschrijft nog hoe hij in het Surinaamse bos kennismaakte met de neger-vertelkunst:

‘Ik maakte aan de ene kant de wanhoop mee van de werklieden uit de stad. In de troosteloze verlatenheid van het oerwoud, zonder vrouw en zonder vermaak, was hun enige uitkomst drank... Aan de andere kant waren er de arbeiders die onder de bosmensen zelf gerecruteerd waren. Die groepeerden zich bij schaars licht, zoals zij dat in hun dorpen gewoon zijn, en vertelden elkaar verhalen, die voortdurend met kostelijke lachbuien het donkere bos deden opklaren.’ (geciteerd uit Vrij Nederland, 29 maart 1986).

De luisteraars nemen actief deel aan de vertelling door deze te onderbreken met opmerkingen of door zelf een eigen variant op de vertelde gebeurtenis in te lassen. C.N. Dubelaar:

‘Raadsels opgeven dient soms als inleiding tot het vertellen. De antwoorden worden in koor gegeven, behalve als de raadsels nieuw zijn voor het gehoor. Een traditioneel begin is: Kri! Kra! Ala man na en kraka! (Kri! Kra! Iedereen op zijn plaats) gevolgd door: A tori sa go? (Zal het verhaal beginnen? waarop de luisteraars antwoorden: A sa go! (Het zal beginnen!) Dan volgt dikwijls: Eer tin tin, wan... ben de (Er was eens...) Bij de bosnegers wordt tijdens het vertellen voortdurend (soms na elke zin) door de hoorders gereageerd met een korte antwoordformule. Dit sluit aan bij het gewone spraken. Men antwoordt steeds met: “Na so!” (Zo is het).., “Na troe!” (Het is waar), “So a de” (Zo is het), “So mi jere” (dat heb ik zo gehoord) enz. Niet reageren en gewoon laten praten geldt als onbeleefd.’ (pagina 11,
[p. 248]
zonder vermelding van de bronnen die Dubelaar uitvoerig verantwoordt)

H. van Cappelle gaf het begin van een Nanzi-verhaal als volgt weer:

‘Heeren en dames luistert! Maar alvorens U in Uwe gemakkelijke stoelen neer te zetten, begint Broerders en Zusters eenige wimpers uit te trekken, want oogen en ooren moeten helder zijn, deels om niet te slapen, deels om het aangename van het verhaal op te vangen.
Broerders, zoo moet het zijn en zo moet het worden.
Kameraden, luistert!’ (p. 258)

Ook het slot kent standaardformules als: ‘Deze vertelling is noch tot jou, noch tot een der anderen gericht.’ Soms eindigt het Nanziverhaal met een moraal als in de fabelliteratuur.

De Surinamer Edgar Cairo heeft in zijn Kollektieve schuld/Famir'man sani (1976) dit proces in de literaire romanpraktijk gebracht en theoretisch uitvoerig verantwoord in Krioro fa? Een funktioneel-analytische studie van strukturele aspekten van de kreools-orale literatuur in Suriname (1979) Voor het verhaal ‘Hoe spin zijn schuldeisers betaalde’ komt hij tot het volgende representatieve schema:

[p. 249]


illustratie
PROBLEEM AB = een schuld hebben; OPLOSSING A1B1 = van een schuld afkomen

Het binaire karakter geldt voor nagenoeg elk verhaal, ook van Curacao voor zover ik heb kunnen nagaan. Anders dan Marijke Schweitz de ‘handelingsstructuur’ weergaf in haar studie waarin ze tot een driedeling kwam: inleidende fase, voorbereidingsfase en uitvoeringsfase. (p. 43/44)

Edgar Cairo heeft in zijn toneelstuk Ba Anansi Woi! Woi! Woi! Die dood van spin voor de Rotterdamse Kunststichting 1978 gespeeld en gepubliceerd, de door hem gevonden binaire structuur met scènes, liederen en intermezzo's in de praktijk gebracht. Bovendien heeft hij in dat stuk het literair-historische verbonden met de actuele situatie: Anansi is de Surinamer in Nederland, contra de witte superioriteit. In de jeugdverhalen die we zullen bekijken zijn de oorspronkelijke vormprincipes nagenoeg verdwenen.

[p. 250]

3. Nanzi in het web van het geschreven woord gevangen

In de Amigoe van 7 december 1979 schreef Ds. W.J.H. Baart hoe in 1879 het eerste Nanzi-verhaal in druk verscheen. Het was het bekende ‘The tar-baby story’, dat door Joe Chandler Harris geplaatst werd in The Atlanta Constitution, een krant die in Atlanta, Georgia in de Verenigde Staten verscheen. Daarmee zette Chandler Harris de eerste stap voor zijn cyclus Uncle Remus, de verhalen die hij in zijn jeugd op de plantage had horen vertellen en die de basisverzameling geworden zijn van Nanzi-verhalen ia het zuiden van de Verenigde Staten.

Na hem zijn er talrijke onderzoekers geweest die de Nanzi-verhalen hebben opgetekend. Zonder volledig te willen zijn, geef ik in de bibliografie een opsomming van de belangrijkste verzamelingen van Suriname, Curacao en Jamaica in chronologische volgorde.

In deze paragraaf zal ik de uitgaven voor de jeugd nader bekijken. Het is daarbij opvallend dat de wetenschappelijke belangstelling gedurende de laatste honderd jaar, maar toch vooral voor de Tweede Wereldoorlog, pas zo laat gevolgd wordt door voor de kinderen bewerkte Nanzi-verhalen, terwijl de verzamelaars de verhalen toch wel als voor kinderen bestemd beschouwden. Na Philip Sherlock in de jaren vijftig, S. Franke voor Suriname in dezelfde tijd en Jan Droog voor Curacao een decennium later, duurt het tot in de jaren tachtig tot er meer (schriftelijke) belangstelling komt. Met de migratie-golven van de jaren zeventig uit Suriname dringt Nanzi in de laatste jaren ook duidelijk in Nederland door.

3.1. Curacao

Nilda Geerdink Jesurun Pinto (1918-1954) was de eerste die een groot aantal Compa Nanzi-verhalen voor een breed publiek in het Papiamento toegankelijk maakte. Haar in 1952 verschenen Cuentanan di Nanzi dat dertig verhalen bevat, werd in 1965 herdrukt en in 1983 door Enrique Muller voor het Instituto pa Promoshon i Estudio di Papiamentu (I.P.E.P.) in fonologische spelling opnieuw uitgegeven:

Kuenta di Nanzi, die ook door oudere kinderen gelezen kunnen worden.

Er is trouwens in deze laatste editie heel wat meer veranderd dan alleen de spelling. Het is niet te veel gezegd dat de vertellingen van Nilda Pinto slechts de basis voor een geheel herschreven tekst vormden. ‘Maar naar mijn mening komt dit alleen maar ten goede aan de stijl en doet het zeker geen afbreuk aan het geheel,’ aldus een recensie van Viola Statia in de Amigoe van 18 maart 1983.

Maar soms vroeg ik me wel af waarom de I.P.E.P. de veranderingen aanbracht, bijvoorbeeld in nummer 13: ‘Un pustamentu di Nanzi’ (Een Weddenschap van Nanzi).

In dat verhaal moeten enkele personen Nanzi drie woorden nazeggen: de weddenschap luidt dat ze dat niet kunnen. Nanzi gebruikt als derde woord steeds: malo - fout!, wat de proefpersonen natuurlijk nooit herhalen. Nu luidt de vierde reeks:

Nanzi: Catibo (= slaaf)
Shon P.: Catibo
Nanzi: Gobierno (= regering)
Shon P.: Gobierno
Nanzi: Malo (= fout)

Deze woorden werden door het I.P.E.P. gewijzigd in ‘Tuturutu’ en ‘Wimpiri’, waardoor de politieke boodschap dat Nanzi zegt dat de regering fout is en de rijke shon zegt niet te begrijpen waarom, is weggewerkt, wat m.i. een verarming is. Zo worden ook het Schottegat en het Landhuis Chobolobo verdonkeremaand. Maar wat de stijl betreft ben ik het met Viola Statia eens; de taal van de I.P.E.P. is veel directer en moderner.

 

De door Nilda Pinto verzamelde verhalen zijn veelal als uitgangspunt voor verdere analy en beschouwingen gaan fungeren, onder andere voor de dissertatie van Ds. Baart, die de verhalen

[p. 251]

van Nilda Pinto in oorspronkelijke vorm vergezeld van zijn eigen vertaling opneemt, maar ook als basis voor edities en bewerkingen die speciaal voor de jeugd bedoeld zijn. Daarom is het zinvol hier enige aandacht te besteden aan de bundel van Nilda Pinto.

Nanzi, zoon van Shi Nènè is getrouwd met Shi Maria (in verhaal 28 Ma Coco genoemd) en heeft negen kinderen van wie Pegasaya (= klit) het meest optreedt. Zijn tegenspelers zijn Shon Arej (koning) in zijn paleis met zijn landerijen en prachtige tuin vol vruchten, diens dochter, de grote gevaarlijke Cha Tiger (tijger), Compa Sese (vlieg) en andere minder vaak voorkomende dieren als koe, schapen, geit, aap, kat, hond, varken, krekel, slang, roofvogel en schildpad, die allemaal een karakter hebben dat bij hun dierenaard past.

Verder zien we een schaapherder, soldaten, een marktvrouw, enkele rijke shons als mensfiguren, met name Don Iscariot en Coma Isabel, en bovennatuurlijke wezens als de duivel, Compa Tiralew (werp ver), Temecu Temebe en andere.

Uit de verhalen van Nilda Pinto is de partiële aanpassing aan de Curacaose omgeving goed te merken. We lezen over de zee, over Curacaose vruchten, een watermolen in een hofje, over de vroegmis en een geografische aanduiding als het Venezolaans Vela di Coro, het Schottegat en Landhuis Chobolobo. Maar daarnaast zijn er weer vele niet-Curacaose elementen als bossen en onbekende vruchten en dieren.

Nanzi en zijn vrouw hebben antropomorfe trekken; hij verkeert soms onder de mensen maar gedraagt zich ook als zij, kleedt zich als zij, hij rookt, bouwt enkele keren een huis, bezit nog een boek van zijn vader, hij gaat naar school.

Ook Shi Maria kan lezen. Eén voorbeeld:

‘Met dit geld kocht Nanzi een zwart pak, piekfijn, een bril, een wandelstok, een paar schoenen en om het werk te voltooien een hoge hoed. Nu kon hij doorgaan voor een advokaat of een dokter of een zeer geleerde heer.’

De avonturen die Nanzi beleeft zijn velerlei. Hij gaat diverse keren uit stelen bij de koning, van diens vruchten of vee en wordt daarbij al of niet geholpen door kind of vriend, en al of niet gevangen door de soldaten van de koning. Eén keer doodt Nanzi de koning zelfs, maar hij werkt daarentegen ook voor de koning en verricht soms arbeid die normaal gesproken onmogelijk zwaar en moeilijk zou zijn.

In zijn weddenschappen met de koning is hij steeds de slimste, zodat de koning boos is op zijn streken maar hem ook bewondert: Nanzi ta sabi.

Nanzi maakt de tijger belachelijk door deze als zijn ezel te gebruiken, hij doodt deze, houdt hem voor de gek, is soms de beste maatjes en later weer de ergste vijand.

De ene keer is Nanzi hongerig en straatarm, een andere keer wordt hij door een beloning voor zijn listen schatrijk. Zijn listen zijn soms heel ‘menselijk’, soms bovennatuurlijk van aard; soms gaat hij aan zijn eigen sluwheid ten gronde en is hij de verliezer of zelfs (dodelijk) slachtoffer. Maar meestal is hij glansrijk winnaar, waarbij hij zelfs de rijke blanke heren en de duivel beetneemt met zijn streken.

Nanzi wordt steeds weer getekend in zijn vraatzucht, maar zodra deze ten koste gaat van de gewone man loopt het slecht met hem af, een gegeven waarop Marijke Schweitz al wees. Enrique Muller schrijft:

‘It is possible that in Nanzi's urge towards food the desire of the slaves to get such a variety of food was reflected. Interesting in connection with the Nanzi-stories is a part of a quotation of Adam Smith in an essay of Eric Williams: “The origin of Negro Slavery”: “A person who can acquire no property can have no other interest than to eat as much, and to labour as little as
[p. 252]
possible.”.’ (p. 10/11)

Interpretaties als deze zijn trouwens gevaarlijk want Nanzi heeft wel degelijk bezit: een stuk grond, diverse keren bouwt hij zijn eigen huis.

Wat me opviel in de Curacaose verhalen was hoe vaak deze beginnen met droogte, werkloosheid en het meest van al honger, wat de keerzijde van de veelvraat aanduidt, en een Curacaose historische realiteit op het droge van landbouw verstoken eiland. Vaak was daar zo weinig te eten dat men de slaven vrij liet om voedsel te sparen, omdat de meester geen eten voor hen had: de keerzijde van de zo vaak geroemde ‘goede’ behandeling. In de Surinaamse verhalen is dit gebrek aan voedsel veel minder frekwent.

Nanzi is immoreel: de tijger geeft hem eten maar toch bedriegt hij deze. De schildpad redt Nanzi van een zekere verdrinkingsdood maar wordt niettemin smakelijk opgepeuzeld. Soms boort Nanzi vrouw en kinderen het hun toekomende voedsel nog door de neus. Nanzi is slim maar ook een schurk, vaak zelfs niet beter dan een ordinaire dief! Daarnaast komt het voor dat Nanzi door God zelf geholpen wordt of dat hij een weddenschap met de duivel sluit.

Overigens heeft Enrique Muller in Kristòf IV, pagina 7-19 onder de titel ‘Nancy's clue’ een uitvoerige beschouwing aan de bundel van Nilda Pinto gewijd. Tot slot merk ik nog op dat er van de orale kenmerken zoals ik die in de vorige paragraaf noemde, in de Curacaose spinverhalen niets meer bewaard is. Er zijn geen speciale openings- of slotformules, geen onderbrekingen e.d. Zoals de schriftelijke overlevering er nu ligt, zijn het vertellingen in de vorm van elk ander direct geschreven verhaal.

 

De Cuentanan di Nanzi in het Papiament van Nilda Pinto zijn door onderwijsinspecteur Jan Droog als uitgangspunt genomen voor zijn bewerkingen in het Nederlands. Allereerst in afleveringen in de Beursen Nieuwsberichten van 21 september 1967 tot 25 februari 1969, in welke tijd in totaal 25 verhalen van Nilda Pinto en elf uit de Engelse Nanzi-literatuur verschenen in Nederlandse vertaling en bewerking. Eerst onder het motto ‘lach even mee’, later ‘voor kinderen van tien tot tachtig jaar’ met enkele variaties op die uitdrukking, die het uitgangspunt als ‘Nanzi is allereerst verstrooiing voor jong en oud’ illustreren.

Droogs vertaling is sterk op Nederland gericht, waarvan enkele voorbeelden uit het eerste verhaal over de ‘baca pinta’ - de gevlekte koe:

‘Compa Nanzi is de spin, die evenals de Nederlandse Reinaard de Vos door zijn slimmigheden anderen erin laat lopen en er meestal zelf goed afkomt. Voor het merendeel was het land bedekt met “bringamosa” hetgeen je het best kunt vergelijken met de brandnetel.’

Soms is Droog om leuk te zijn gewoonweg oubollig: ‘het was overigens geen gewone koe: door de week kreeg je er de heerlijkste volle melk van, terwijl zij zondag volvette chocolade-melk leverde.’. Maar ook onjuist:

‘Van een siesta houden kwam meestal niet veel. Daarvoor moet je een gerust geweten hebben en daar kon Nanzi niet op bogen.’ Ook zijn taalgebruik is soms vreemd, met Spaans in de Nederlandse tekst. Droog is wel erg vrij met de tekst omgesprongen en heeft met zijn persoonlijke schoolmeestershumor de verhalen geen goed gedaan.

 

In 1970 verscheen Jan Droog Biba Nanzi! Serie volksverhalen uit de Nederlandse Antillen vanuit het papiaments naverteld. ‘In eerbiedige bewondering worden deze verhalen opgedragen aan COLA DEBROT, eerste “eigen” Gouverneur van de Nederlandse Antillen, arts, dichter, schrijver, maar boven alles Mens!’ Droog gaf de twaalf verhalen de aanduiding ‘deel 1’ mee, omdat hij oorspronkelijk drie deeltjes

[p. 253]

wilde publiceren, maar daarvan is het niet gekomen. Hij maakte een keuze waarbij hij de oorspronkelijke volgorde veranderde. Hij gaf bewerkingen in een met opzet komische verteltrant, waarbij hij wel de oorspronkelijke door Nilda Pinto opgetekende inhoud volgde maar zich in details velerlei stilistische vrijheden en uitweidingen veroorloofde. Een voorbeeld waarbij ik de vertaling van Baart naast die van Droog weergeef:

‘Jaren geleden leefde Cha Tiger, een knaap van een beest, niet in het bos, zoals thans het geval is, maar zomaar midden tussen de dieren. Die waren natuurlijk zo bang als de dood voor hem. Als zij hem maar op de hoek van de straat zagen aankomen, maakten ze dat ze wegkwamen. Je begrijpt dat niemand er veel voor voelde om een rondedansje met zo'n tijger te maken. Zo'n beest zou je eens per ongeluk op z'n tenen moeten trappen! Hij zou je gewoon voor zijn avondmaal reserveren!’ ‘Vele jaren geleden woonde Cha Tiger (de tijger) niet in de wildernis, maar daar waar de mensen zelf wonen. Maar toch was iedereen bang voor hem. Wanneer zij Cha Tiger maar even om de hoek zagen komen, liepen zij al voor hem weg.’
(Jan Droog: ‘Compa Nanzi en Cha Tiger’) (W.J.H. Baart: ‘Compa Nanzi en Cha Tiger’)

Gelukkig heeft Droog niet de weg bewandeld die sommigen gingen door de verhalen te kuisen en te moderniseren; hij hield zich aan de oorspronkelijke feiten.

‘A nursery-school teacher changed the story of “Kompa Nanzi and Koma Warawara”, where Nanzi kills Koma Turtle after being rescued by the latter, in such a way that Nanzi shakes hands with Koma Turtle and thanks her affactionately for her help!,’ aldus een observatie van E. Muller. (p. 16)

Wel is het vreemd dat wanneer de koning - Shon Arey - inderdaad als een blanke Curacaose shon beschouwd moet worden in de verhalen de illustrator er een zwarte koning, inclusief kroon, staf en gewaad op zijn Afrikaans van maakte. Het toont de verschillen in opinie nog eens duidelijk aan. Elis Juliana oefende deze kritiek reeds uit op de illustraties in Nilda Pinto's uitgave: een Afrikaanse dikbuikige koning onder een strooien afdak in het bos - de westerse cliché-voorstelling - kan natuurlijk wel door Nanzi bedrogen worden, maar een koning die er blank en Europees uitziet natuurlijk nooit! Was dat de achtergrondgedachte van de illustrator?

Droog bewerkte in zijn Biba Nanzi de verhalen voor de oudere jeugd - de verteltrant toont dat duidelijk aan. Na hem zijn er geweest die de verhalen bewerkten voor kleuters of de beginklassen van de lagere school, zoals Willy en Ethlyn van Sprang in Kompa Nanzi. Viola Statia oordeelde over de uitgaven:

‘In de eerste plaats is de omslag van de boeken in druktechnisch opzicht slordig afgewerkt. In de Papiamentstalige uitgave wordt slordig en inconsequent omgesprongen met de spelling.
Wat ik ook als foutief beschouw is dat er in het verhaal van “Koma Nanzi i e baka pintá” bringamosa veranderd wordt in
[p. 254]
kadushi en pegasaya.

Naar mijn mening dient men met bewerkingen van volksverhalen toch niet al te vrij te werk te gaan, vooral in dit geval waarin kadushi en pegasaya geen jeuk veroorzaken, terwijl de jeuk veroorzaakt door de bringamosa toch een essentieel onderdeel van het verhaal is.’ (Amigoe, 18 november 1983) Richard E. Wood verzamelde in 1967 een aantal Nanzi-verhalen op Curacao en Bonaire en gaf in 1972 de Engelse vertaling van Nilda Pinto's Cuentanan di Nanzi onder de titel Nanzi Stories; Curacao Folklore by N.M. Geerdink-Jesurun Pinto translated from the Papiamentu by Richard E. Wood; illustrated by José M. Capricorne. Hij sloeg in zijn uitgave ‘Een weddenschap van Nanzi’ over, zodat hij tot een totaal van 29 verhalen kwam, waarover Cola Debrot gunstiger oordeelde dan over de Nederlandse vertalingen. Maar dat is dan ook het verschil tussen een Amerikaanse professor en een Nederlandse schoolopziener!

‘De teksten van Hollandse auteurs maken in het algemeen, ook als zij in het Papiamentu zijn geredigeerd, een enigszins moraliserende en houterige indruk die weinig past bij deze vertellingen waarvan de fascinatie juist uitgaat van de machievellische en soepele opvattingen die het publiek in het algemeen tegelijk veroordeelt en bewondert. Voor de buitenstaander is het van belang dat hij aanstonds kennis maakt met de meest adequate versies, naar mijn oordeel de Papiamentse van Nilda Pinto en de Engelse van Richard Wood.’

Jan Droogs gewild grappige stijl doet nu gedateerd aan. Met de adekwate Engelse vertaling en de zuivere van Baart die de tekst van Nilda Pinto op de voet volgt, kan de niet Papiamento lezer zich nu een goed idee vormen van de Curacaose Nanzi-verhalen.

Het immorele karakter van de Nanzi-verhalen wordt door sommigen als bezwaar gevoeld voor de moderne maatschappelijke ontwikkeling, nu de situatie van de slavernij van waaruit Nanzi moest handelen definitief verleden tijd is. Men heeft er moeite mee een dief en bedrieger als nationaal-literaire held binnen te halen, zeker als pedagogisch voorbeeld.

Zo werd tijdens de Curacaose kinderboekenweek van 24-31 januari 1982 onder het thema ‘Nanzi zegt, laten we Curacao verbeteren’ een ‘nieuwe Nanzi’ geboren, die geen schurk is maar een braaf en hulpvaardig figuur. In de boekuitgave van winnende gedichten en verhalen is Nanzi iemand die zijn uiterste best doet om de situatie op Curacao te helpen verbeteren. Misschien pedagogisch wel juist, maar literair-historisch gezien een regelrechte moordaanslag. Maar Nanzi zal er zich wel niet veel van aantrekken en zijn eigen schelmen-weg blijven gaan!

[p. 255]
Een beter Curaçao
 
Kompa Nanzi zei:
 
'Kom Laten we een beter Curaçao opbouwen!
 
Een beter Curaçao?
 
Jawel, een Curaçao waar nergens meer vuil op de grond ligt!
 
 
 
Kompa Nanzi zei:
 
Kom laten wij een beter Curaçao maken!
 
Zonder luilakken, zonder inbraak, diefstal en ongelukken!
 
 
 
Kompa Nanzi zei:
 
Hoe dan?
 
Wel, we willen een Curaçao waar alle planten beschermd worden!
 
Geen loslopende geiten, ezels of varkens meer!
 
 
 
Kompa Nanzi zei:
 
Kom laten we Curaçao helpen!
 
Waarmee dan?
 
Geen olievlekken meer in onze baaien!
 
Geen rook op onze mooie natuur!
 
Geen afval meer in lucht, zee of op het land!
 
 
 
Kompa Nanzi vroeg:
 
Jeugd helpen jullie mee?
 
Jawel, we gaan flink samen werken.
 
Wij verzorgen eigen huis en tuin!
 
Onze straat en onze buurt
 
Weg met alle ruwe taal!
 
 
 
Samen met de tieners,
 
De groten, kleinen en heel het volk,
 
Bouwen aan een nieuw Curaçao.
 
Wij komen overal precies op tijd,
 
Wij houden van elkaar,
 
En van ons heerlijk CURAÇAO.

Ruthmila Maduro

Glorieux College

Klas 4B



illustratie
Shahaira Bergonje
Pedro Luis Brionschoól
Klas 5A


[p. 256]

3.2. Suriname

Wat Suriname betreft, is S. Franke in 1954 wel de eerste geweest die de Nanzi-vertellingen voor de jeugd bewerkt heeft in zijn uitgebreide Anansie, de avonturen van Heer Spin in Suriname. De stof voor dit verbaal is ontleend aan de Westindische legendenschat.

Het verhaal begint nogal moralistisch:

‘Wij mensen hebben het geweten gekregen om ons te vertellen, wat goed en wat kwaad is. Maar Onze Lieve Heer had hem geschapen, zoals spinnen behoren te zijn. Anansie had geen tikkertje in zijn borst om hem te waarschuwen, als er iets niet goed ging. Zo moest het wel gebeuren, dat hij soms lelijke dingen deed, maar hij wist niet beter. Zijn enige zorg was de Zwarte man te laten lachen.’

Maar dat is alleen maar in het ‘voorwoord’; de rest van het boek is humoristisch en vlot verteld. De Koning verkoopt zijn negers tegen betaling van stukjes glas aan blanke slavenhalers. Als Anansie daarover klaagt wordt hij gevangen genomen. Door een list van een van zijn twaalf kinderen ontsnapt hij aan het schavot. Dan stuurt hij zijn zoon naar Suriname over een door olifant en walvis strakgespannen kabel

‘'Jij, die mijn naam draagt, en wiens list aan de mijne gelijk is, jij vertrekt heden, per deze strak gespannen draad, naar Suriname om er het werk te doen, dat je vader nu al sedert eeuwen in het goede ouwe Afrika verricht heeft, te weten, een troost en een steun te zijn voor onze zwarte vrienden.’

Anansie brengt de zwarte man de lach door zijn streken als het berijden van tijger, het door middel van een mand met pepers eten te trouwen met de prinses, die ook Ma Akoeba heet en ook twaalf kinderen krijgt (evenveel als Nanzi's moeder in Afrika). Als de rijke bruidschat op is ‘leent’ Nanzi honderd gulden van kakkerlak, haan, tijger en jager, die elkaar opeten of doden. Op zijn beurt wordt Nanzi door vogel Fyofyo bedrogen om honderd gulden. Van zijn ruzies met tijger worden anderen als bijvoorbeeld het konijn, de dupe. Nanzi's onstilbare eetlust is bekend; daarom schiet hij zelfs zijn eigen vrienden die op weg zijn om Geweer te begraven, neer en eet ze op in een jaar van overvloed! Daarnaast lezen we ook over de zware slaaf en de witte meester in ‘De Nachtbloem die niet bloeien mocht.’ Ruth en Amadeus zijn op elkaar verliefd ondanks het verbod van de meester; de geurende nachtbloem in Ruths haar gebonden, is het bewijs van de door de heilige kankantrie bezegelde verbintenis. Nanzi verovert een half dorp en een heel leven lang eten voor zichzelf en zijn talrijk gezin. Maar hij denkt niet altijd alleen maar aan zichzelf: hij bezogt de zwarte man amandelen en een tafel, die altijd overvloedig met eten gedekt is. Fyofyo wint een wedstrijd wie het hoogste kan vliegen en wordt koning van de vogels in het bos. Hij geeft als dank een boomkikker aan Nanzi, die voor een pijl zorgt die altijd raak schiet en voor overvloedig eten zorgt. Daarna krijgt Nanzi een pot die zich op zijn commando met eten vult, dat Nanzi echter voor zich alleen houdt, zonder zelfs maar zijn gezin te laten meegenieten.

Uit deze voorbeelden uit de inhoud blijkt wel voldoende dat Franke de bekende verhalen bewerkt heeft tot een doorlopend verhaal, waarin dieren en mensen - Ruth, Amadeus, de granman - en planten en bloemen sprekend worden ingevoerd. Kankantrie, Watramama, de bloem Rosa, de Grote Geest van de Kruiswegen verbinden de natuur met het bovennatuurlijke. Het sociale element weerspiegelt zich duidelijk in het verhaal over de zweep, die in dienst komt van de blanke Kapitein die nog onder Piet Hein gevaren heeft.

[p. 257]

Nanzi wordt opzichter op een suikerplantage en Zweep wordt begraven. Vrede en voorspoed heersen er vanaf nu in Suriname. Maar Nanzi wordt oud en verandert tenslotte in een gewone spin die veilig beschut door de heilige kankantrie in de huizen van de mensen mag wonen. Ruth en Amadeus vertellen door het hele land over de streken die Nanzi vroeger uithaalde en waarom de mensen nog steeds moeten lachen.

Franke besteedt aandacht aan de oorspronkelijke vertelwijze door soms een poëtische onderbreking op te nemen, waarvan hier een voorbeeld:

 
‘Anansie is slim en glad als de slang.
 
Hij overwint de sterkste.
 
Niemand gaat hem te boven.
 
Bereed hij niet de tijger?
 
En verdiende hij niet een koningsdochter,
 
alleen door te blazen als hij sprak?
 
Wie was het, die op zijn eentje een
 
dorp veroverde?
 
 
 
Dat was Anansie in zijn corjaal.
 
Door kracht van wapenen?
 
Nee, maar door zijn geslepenheid.
 
Bato, krikra, ieder op zijn krakra.
 
Vanwaar kwam onze vriend Anansie?
 
Uit het verre Afrika, ons lieve vaderland, oooeeooo!
 
Werd hij in de ruimen van een schip geworpen?
 
Hij kabelde zichzelf over de golvende zeeën.
 
Gaan we door met ons lied?
 
Wij gaan door, lieve vrienden, want wij hebben niet anders.
 
Bato, krikra, ieder op zijn kraka!
 
Hoe betaalde Anansie zijn talrijke schulden?
 
Bato, ik was er bij en ik weet, hoe hij het deed.
 
Lach, broeders, om de streken van Anansie!
 
Hij stak de nachtbloem in Ruths zwarte haren.
 
Hij gaf haar de bloem en Amadeus er bij.
 
Van de Chinees stal hij het bit en de teugels;
 
van de slimme Chinees.
 
 
 
Wie is de vriend van de goedlachse neger?
 
Dat is Anansie, een pot op zijn kop, ooeeoo!
 
Bato, krikra, ieder op zijn krakra!’

Het eigen karakter van de Nanzi-verhalen komt mede tot uitdrukking in het gebruik van de eigen taal. Terwijl er in Suriname heel weinig in het Sranan Tongo geschreven werd en wordt voor de jeugd - de schooltaal is er immers Nederlands - vinden we wel enkele kleine, eenvoudige uitgaven van Anansi-toris voor kinderen in de Surinaamse taal.

Zo gaf het Instituut voor Taalwetenschap in de jaren tachtig een drietal boekjes uit - eenvoudig getypt en geniet - voor jonge kinderen. Alle drie zijn ze in begrijpelijke taal in het Surinaams verteld met een Nederlandse vertaling achterin.

Letitia Kaarsband geeft maar één Nanzi-verhaal en daarna negen ‘ondrofeni toris’ (= leerzame verhalen met een moraal aan het eind, te vergelijken met fabels).

De Nanzi-verhalen komen sterk overeen met die van Curacao. Zo wedt Nanzi dat hij de grote tijger zal berijden (en wint), bedriegt hij zijn schuldeisers, haalt hij als baby verkleed eten van het land van de koning door diens naam te raden, maar ook wordt Nanzi een keer zelf bedrogen in zijn hebzucht: de hond verstopt zich in de grond en laat zijn tanden zien - Nanzi denkt dat aarde haar tanden laat zien.

De omstandigheden van de verhalen zijn aangepast aan Suriname. In Compa Nanzi en Tira Lew van Curacao offert Nanzi een koe en geit op, in Anansi en Kaaiman komen we Surinaamse dieren in een visvijver tegen en de slimme kaaiman die Nanzi's dood veroorzaakt.

Een wonderlijk verhaal is ook hoe Nanzi de dood die eerst veilig in het wilde bos woont, ver van de mensen, door zijn hebzucht in de stad brengt, waarna iedereen in het vervolg eens moet sterven. Hier bezit Nanzi als middelaar tussen dood en mensen dus nog iets van het

[p. 258]

oorspronkelijke sacrale - wat we ook al tegenkwamen in het geloof in de aardgeest.

De vorm waarin de drie auteurs - H.C. Tiendalli, Heloise Hecbert en Letitia Kaarsband - hun verhalen brengen doet nog denken aan het oorspronkelijk orale. Heloise Hecbert begint geregeld met een opening als: Ik ga een verhaal vertellen...; Zó gaat 't verhaal over...; Dit is een Anansiverhaal. Ook eindigt ze met formules als: Dit is 't verhaal van... En Heloise Hecbert geeft soms midden in het verhaal de scharnier aan met een zinnetje als: Het verhaal gaat verder...; Luister hoe het verder ging...

Maar daarnaast zijn de verhalen door middel van moraliseringen aangepast aan de jonge kinderen. Heloise Hecbert vindt het nodig haar verhaal even te onderbreken om te vertellen dat ‘Moeder Aarde’ niet bestaat, terwijl ze toch als ‘Mama Aisa’ hoofdgodin in het Surinaamse volksgeloof is. Nanzi's honger wordt vergeleken met de hongersnood in Egypte ten tijde van de Bijbelse Jozef.

Het eerste verhaal van H.C. Tiendalli eindigt als volgt:

‘Zo hoefde Anansi niemand te betalen. Anansi heeft teveel streken. Streken zijn goed, maar je moet niet zo geslepen zijn dat je anderen niet betaalt. Anansi doet soms goede daden, maar dit was een gemene streek van hem. Ja, straks krijgt Anansi zijn straf, denk je niet? Iedereen zal ‘Ja’ zeggen.

Maar gelukkig eindigen de andere verhalen met minder uitvoerige moralisaties. Het lijkt een algemene regel dat naarmate de verhalen voor jongere kinderen bestemd zijn, de moralisatie toeneemt.

 

In een kleurige, zelfgetekende bundel vertelt Noni Lichtveld op bijzonder geestige wijze 24 Nanzi-verhalen uit Suriname: Anansi; de spin weeft zich een web om de wereld (1984), waarin Ba Anansi met zijn vrouw Ma Akoeba en twaalf kinderen weer allerlei sluw streken uithaalt.

Noni Lichtveld koos de bekende verhalen als Nanzi en ‘werp me ver’, dat Nanzi op tijger rijdt, dat hij als baby verkleed op de plantage van koning Kownoe zich tegoed doet, dat hij steelt van de groenten van de koning, enz. Daarnaast geeft ze andere als Ba Tigri die met Ma Akoeba wil vrijen, maar door Nanzi bedrogen wordt, die zich als zijn vrouw verkleedt. Nanzi poept op de stoep van de koning en laat de drol vertellen (d.w.z. zijn onder een tegel verborgen kind) dat de koning die drol daar gedaan heeft. Nanzi bekeert de krabben tot het Christelijk geloof, hij speelt voor dokter en geneest Vis eerst en zichzelf met lekker eten, Nanzi verricht een groot wonder door Ba Tigri weer levend te maken. Hij verdient een dollar, een paar grote trossen bananen of gaat uit vliegen. Kortom: we lezen weer allerlei voorvallen uit zijn veelbewogen leven tussen honger en vraatzucht, van armoede tot rijkdom, van stinkende luiheid tot onvoorstelbare werkkracht.

Noni Lichtveld heeft de verhalen geheel aan de Surinaamse omgeving aangepast. Waar Nanzi vanaf Curacao naar Vela di Coro vloog, gaat hij nu over zeven rivieren naar een eiland. Hij vaart in een korjaal over de soela's, werkt en steelt op plantages, is in de stad aan de Waterkant of ontmoet Masra Van Dijk. Hij ontmoet Surinaamse dieren als kwie kwie en kaaiman, twa twa en grietjebie, en wordt zelf voor de gek gehouden door koni-koni, het slimme konijn die een andere vaste figuur is in de Surinaamse orale fabelliteratuur.

‘Daar had je Lydia Lagadisja en Patricia Popokai, met witte hoofddoeken over hun groene koppen; en Richenel Red'redi met een rouwstrik om zijn staart. En Lena Loiri was gekomen met haar slome kindertjes, die meer liepen te slapen dan te snikken... Daar had je
[p. 259]
Allison Alata met haar neef Romeo Ginipi, en Jacky Blakafowroe, die direct voor ceremoniemeester speelde. En Kenneth Kawfré, al ruziënd met zijn voormalige verloofde Mabel Bofroe; en verder de gezusters Saka en Maka Sneki, en Ginga Maka, en Astrid Tamanoea, en... veel te veel om op te noemen! Zelfs wie alleen van heel ver weg de bel had horen luiden, kwam haastig kijken waar de klepel hing.’

Hoe komt Nanzi in het Caraïbische gebied? Luister naar Noni Lichtveld: vader Anansi stuurt zijn zoon. Hij wedt met olifant en walvis dat hij de sterkste is met touwtrekken. Hij weeft een sterke elastische draad die door walvis naar Suriname gezwommen wordt en strakgespannen over zee. Over deze draad gaat Nanzi Jr. naar het Caraïbische gebied:

‘Dan roept hij zijn oudste zoon: Anansi Kukeleku Junior Multitolerabo, en zet hem op de draad.
“Zoon van de spin, en zoon van Afrika,
ga onze zwarte broers en vrienden achterna
Breng ze verlichting als de ketens knellen,
breng troost, door mijn verhalen te vertellen.”
Maar Kukeleku Junior Multitolerabo's dunne benen bibberen boven de afstand naar het onzekere, en hij vraagt met bevende stem:
“Waar vind ik ze? Hoe kan ik ze herkennen, Pa?”
Dan zegt Anansi:
“Als je wilt zeker zijn
dat deze opdracht lukt,
breng dan aan allen troost
die worden onderdrukt.”’

In de Surinaamse verhalen van Noni Lichtveld komen we zo drie generaties tegen: Nanzi zelf, zijn vader die door de speren wordt gedood in ‘werp me ver’ en de zoon van Nanzi die naar het Caraïbische gebied vertrekt.

Noni Lichtveld mengt het historische met de moderne tijd. Een keer zal Nanzi zelfs op de elektrische stoel ter dood gebracht worden. Hij speelt in een combo van soul tot afro pop.

‘Afschieten van raketten, ontploffing van atoombom zelf - nòg groter geweld was de woedeuitbarsting van deze koning Kownoe. Hij tierde als een horde hellehonden, hij schold zijn hele koninkrijk van noord naar zuid vol vreselijke vloeken, met klap en mep en trap van razernij naar alle kanten, dat Popokai, Makakoe en zelfs waakhond Fetiman achter de plantebankken moesten schuilen, en heel het volk een toevlucht zocht in holletjes, op boomtakken en onder struikgewas.’

We lezen ook hoe de verhalen na een list van Nanzi naar hem genoemd worden in het vervolg:

‘“Heer Koning,” zei Anansi met een serieus gezicht, “altijd zijn er verhalen verteld, die te maken hebben met Anansi. Zolang als alle draden van alle spinnen bij elkaar geweven zijn, zolang zijn de verhalen van mij en mijn familie in alle tijden. Ben ik niet de grootste Verhaalkundige van het land, Mijnheer Koning? laat mij Minister van Vertelkunst worden, en laat alle verhalen de naam dragen van ...Anansi!”’

De verhalen zijn in hun vrije bewerking met uitweidingen bijzonder geestig verteld, door en door Surinaams. Noni's taal is vol woordspelingen: een slakkegangetje van die slijmerd; krabben die zich willen laten bekeren en terugkrabbelen; de Schepper die dieren uit het water schept - om ze op te eten. Een keer laat de auteur Nanzi als Amerikaan verkleed Ma Akoeba een prachtig Engels gebruiken:

‘Sorry mister Wats... maar mij husbund is na benk se afspraak, hij, kum leter.
Wil joe hef some iet?
Geef mie joe hend sir... hier is de vork, hier is de glas, hier is de wijn. Nou joe kan help joe self.’

Ook met het Surinaams-Nederlands

[p. 260]

bereikt Noni Lichtveld prachtige effecten:

‘Maar nu Ba Tigri, dat spiersterke beest, als die gaat opscheppen, dan gaat het met de vorkheftruck.
Mijn familie gaat goed gelukkig... Wat! Welke vrijpostige ploert? Zeg hem dat hij meteen tien lege mosterdpotjes moet sparen, om zichzelf in te verkopen als ik klaar ben met mijn rammeling voor hem,’

zullen als enkele voorbeelden van een willekeurige pagina dit al wel voldoende aantonen.

Eén voorbeeld hoe Noni Lichtveld werkt. In het heel bekende ‘Nanzi en de teerpop’ steelt Nanzi van 's konings plantage. Als list plaatst de koning een teerpop, waarmee Nanzi gaat vechten zodat hij vastraakt en gepakt wordt. Noni Lichtveld volgt dit verhaal in grote lijnen maar geeft extra bijzonderheden, die het geheel zeer amusant maken. De koning merkt dat er groenten gestolen worden; hij verdenkt zijn arbeiders ervan dat ze onder het werk eten. Daarom moeten ze op kauwgom kauwen dat ter controle steeds uitgespuugd moet worden in een vergaarbak. Als er nog steeds gestolen wordt, wordt dit kauwgumrantsoen navenant groter. Tenslotte wordt van het uitgespuugde kauwgum een pop gemaakt waarin Nanzi blijft vastkleven:

‘“Je denkt dat je mij beet hebt!” roept hij razend. “Maar ik ben slim...” en achter elkaar geeft hij de rotzak een knoert met zijn kop en een bonk met zijn buik. En met een vreselijke kreet tenslotte nog een hengst met zijn enig overgebleven linkerhand. De pop zegt niks. Hij rolt omver en sleurt Anansi mee op de grond tussen de kistjes; Anansi vecht en slaat en wringt en worstelt, en moet tenslotte toegeven dat hij totaal zit vastgeplakt aan iets... zachts vreselijk plakkerigs, verschrikkelijks... dat vaag naar kauwgum stinkt.’

Noni Lichtveld geeft in haar bundel soms vervolgverhalen, een verhaal in stripvorm, in de vorm van een toneelspel-poppenspel of zelfs een keer als zoekplaatje. De kleurige tekeningen spelen een heel grote rol in het geheel. Ze besteedt aandacht aan het orale door soms een openingsformule te gebruiken: Er tin tin... Het midden van het verhaal wordt enkele keren gemarkeerd met een pauze of een overgangsstukje: Maar dit verhaal is nog niet uit - of dacht je dat? Het slot is duidelijk voorzien van een boodschap of moraal of raadsel:

Wie kan nu vertellen hoeveel bananen Nanzi heeft gegeten? De verhalen worden onderbroken door liederen of teksten op rijm. Zo is deze bundel heel afwisselend, geestig maar steeds betrouwbaar in het genre zonder braafheid, zonder blad voor de mond, maar nergens grof. Noni Lichtveld die een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder heeft, die in Amsterdam woont en daar theaterdecors en -kostuums voor Gado Tjo, een Surinaamse toneelgroep in Amsterdam, tekent, hoorde de door vertelde verhalen van haar tantes die ze weer van hun grootmoeder hebben.

Als een soort toegift schreef Noni Lichtveld in 1985 Anansi en die andere beesten, waarin ze het verhaal vertelt hoe aap Monki en Anansi samen Ba Tigri te slim af zijn. De aap beledigt de tijger die daarna een groot feest ensceneert om de aap te pakken. Dat kost hem heel wat geld aan koni koni die het plan bedenkt; maar Nanzi die op de hoogte is en de feestvreugde is komen verhogen met zijn popgroep, waarschuwt aap via zijn kawinalied:

 
‘Aap kijk naar de zolder,
 
kijk omlaag, apekop.
 
Al is de deur gesloten,
 
door het open raam kun je weg...
 
Aap kijk naar de zolder,
 
kijk omlaag jij aap.’

Het kleine boekje dat slechts dit ene verhaal bevat is op dezelfde wijze uitgevoerd als het eerste grote boek, met prachtige kleurrijke tekeningen van Noni Lichtveld zelf.

[p. 261]

3.3. Jamaica

Van Philip Sherlock (1902) wordt in Therese Mills: Great West Indians; Lifestories for Young Readers (1973) verteld dat hij als kleine jongen met zijn vader die dominee was, meereisde op diens preektochten langs de Jamaicaanse kust waar hij met de folklore in aanraking kwam, en dat hij in de schemer luisterde naar de Nanzi-verhalen die de oude kokkin vertelde in hun huis. Via het middelbare onderwijs wordt Philip Sherlock een van de grote voorvechters van de University of the West Indies in Jamaica en Trinidad. Hij schreef een groot aantal boeken over de Caraïbische geschiedenis, een paar kinderverhalen en een bundel waar het ons hier om gaat: Anansi the Spider Man (1956, 1983 (11))

Philip Sherlock beschrijft ‘Br' er Anansi’ als een man en als een spin. Als de zaken goed gaan is hij mens, maar als hij in groot gevaar verkeert wordt hij een spin, veilig in zijn web op de vlieringzolder: It was wellknown that Anansi could change himself whenever he wished.

Hij is getrouwd met Crooky en heeft drie kinderen. Als de zon onder gaat vertelt een oude vrouw in heel wat dorpen in Jamaica de verhalen van Nanzi, ook vandaag de dag nog (zie Joey Tyson).

Het eerste van de veertien verhalen vertelt hoe tijger de sterkste is van de dieren en Nanzi de zwakste, maar dat de laatste via een weddenschap dat hij slang bij tijger kan brengen, de verhalen die de dieren in het bos vertellen naar hem - Anancy stories - genoemd zullen worden. Een bekend verhaal.

Zo is het ook met heel wat andere verhalen die Sherlock op zijn wijze navertelt, maar die we ook in Suriname en op Curacao tegenkomen: Nanzi leert vliegen om aan eten te komen en moet nu terug. Krokodil helpt hem en Nanzi eet al zijn eieren op. Nanzi wordt priester om de krabben te bekeren; hij doet zich voor als dokter en geneest een vis, d.w.z. eet deze op. Nanzi krijgt bananen voor zijn vrouw en kinderen, maar eet zelf de meeste. Hij raadt de naam van de dochter van de koning en wordt rijk beloond.

Dat is allemaal bekend en er zijn meer voorbeelden die bewijzen hoe gelijk de inhoud van de verhalen in de drie zo verschillende landen is.

Sherlock geeft een paar keer een verhaal dat bekend is uit de Europese sprookjes- of fabelliteratuur: een hardloopwedstrijd met schildpad die Nanzi verliest, een tafeltje-dek-je gegeven dat met slagen van een stok eindigt. Diverse keren krijgt Nanzi zelf de kous op de kop als de schildpad hem weer te slim af is of de kat ervoor zorgt dat hij uiteindelijk niets krijgt, of een vogel niet in deval die Nanzi uitzet vliegt. In de Jamaicaanse verhalen is de sterke tijger de koning van alle dieren.

Het laatste verhaal vertelt hoe in het begin Nanzi, tijger en aap nog vrienden waren en samen mais verbouwden. Maar Nanzi stal van zijn kameraden toen de oogst rijp was. Tijger en aap betrappen hem en achtervolgen hem zodat Nanzi zich verschuilt in een graankorrel die wordt opgegeten door de haan, die wordt opgegeten door de krokodil... (een variatie op Nanzi en zijn schuldeisers, maar in het nadeel van Nanzi). Aap en tijger kunnen Nanzi nergens vinden en vragen de orakeldrum, die antwoordt:

 
‘One, two and three, four,
 
Tell me what is true,
 
Tell me what is true,
 
One and two and one and twenty,
 
Where in the world is old Anansi?
 
 
 
One and two and one and twenty,
 
This will lead you to Anansi.
 
By the river lives a strong one;
 
Open him and find a rooster,
 
Open him and find a grain,
 
Aand within the grain, Anansi.’
[p. 262]

Ze snijden krokodil, haan en graankorrel open, maar Nanzi ontsnapt. Nu heeft hij niets meer te eten omdat aap en tijger op hem loeren; daarom maakt hij vanaf dat moment een web om vliegen te vangen voor zijn voedsel.

Sherlock heeft op zijn beurt - in feite was hij in 1956 een van de eersten - de verhalen aangepast aan de natuur van het eiland Jamaica met zijn bossen en rivieren. Hij brengt soms een zekere samenhang in zijn verhalen door ze in een logisch vervolg te vertellen en naar vorige terug te verwijzen. Hij heeft weinig aandacht voor het ritueel orale karakter, met openings- of slotformules, wel komen gedichten in de verhalen voor zoals we zagen. Soms lezen we een verklaring aan het slot als: daarom blijft Nanzi uit de buurt van de krokodil; daarom kookt niemand eten voor tijger, e.d.

De verzameling van Noni Lichtveld is qua vertelwijze verreweg de origineelste en grappigste, zonder het karakter van Nanzi daarbij geweld aan te doen. Ze wint het van de eenvoudige maar wat saaie stijl van Philip Sherlock.

3.4. Nanzi komt naar Nederland

Als ‘toegift’ op de Caraïbische Nanzi reizen we even met hem terug naar Afrika en van daaruit naar Nederland. Maar ik moet er wel voor waarschuwen dat we hier bepaald niet met de authentieke Westafrikaanse Nanzi gaan kennismaken.

J. Koopman schreef namelijk, op het idee gekomen op een ambassade in West-Afrika, een bundel Nanzi-verhalen in het Nederland die in Nederland werden uitgegeven met prachtige, sfeervolle tekeningen van Rumy Luider-Jeleva: Avonturen met Anansie de Spin (1983)

Een opa en oma die sinds een maand in Afrika wonen, ontdekken in hun klerenkast een pratende spin, die Anansie blijkt te heten. Deze Anansie is soms spin, soms mens; hij is getrouwd en heeft vier kinderen - twee jongens en twee meisjes. Hij kan ook zo maar verdwijnen en reist dan misschien wel met het scheepje van de halfvolle maan, die immers op zijn rug ligt in de tropen. Bovendien kan hij gedachten raden en zich op bovennatuurlijk snelle manier verplaatsen:

 
‘Mannetje, mannetje in de maan,
 
het is tijd om naar huis te gaan.
 
Morgen hebben we een groot feest.
 
Ik ben nog nooit te laat geweest.
 
Gebruik vannacht
 
je tovermacht
 
Grote maan
 
laat me gaan.’

Het karakter van de negen verhalen in deze bundel is wel anders dan wat we in het Caraïbisch gebied gewend zijn, omdat Nanzi hier de verhalen vertelt aan de opa, die ze opschrijft en naar zijn kleinkinderen in Nederland stuurt. De verhalen worden dus vooral via het perspectief van de mens verteld, een geheel eigen en vrije variatie, waarin in feite de zo bekende Afrikaanse ‘griot’ (verteller) in de Nanzi-verhalen wordt ingevoerd.

We lezen een verhaal waarom zon en maan aan de hemel staan, en over hoe het verstand dat één oude man eerst voor zichzelf een wilde bewaren verspreid werd over de hele aarde. Het rattenvangersmotief is aanwezig in het meisje-dochtertje van Nanzi, die de gevaarlijke krokodillen met haar mooie gefluit weglokt van de rivier zodat ze voortaan als hagedissen op het land leven.

De gevaarlijke mensenrovende krokodil die door Nanzi wordt vastgebonden, kwamen we al diverse keren tegen in de variant met de slang.

Op vogeltjesdag krijgen de wevervogels een vogelbadje en een voedselbak van opa en oma - een Nanzi-verhaal waarin Nanzi zelf niet optreedt, wat we ook al in het Caraïbische gebied zagen.

Een andere variant is het gesprek tussen koe en gnoe - de een wordt gevoed en is gebonden, de ander zoekt zijn eigen voedsel en is geheel vrij.

[p. 263]

De koning komen we tegen in het langste verhaal: ‘De smid en de koning’, dat door Nanzi verteld wordt aan opa en een groot aantal verzamelde, luisterende kinderen:

‘Ga maar bij de kinderen zitten, zei Anansie en opeens was hij verdwenen. Nu zag opa onder de mango boom een oude man. Hij zat op een bankje en leunde met zijn rug tegen de boom. Hij leek erg veel op Anansie, maar hij was veel ouder. Toen de oude man begon te praten, werden de kinderen muisstil.’

Oyugi, de smid, krijgt een onmogelijke opdracht van de koning:

‘Ik heb gehoord dat jij de knapste smid bent van het hele land. Daarom moet je voor mij een ijzeren man maken die leeft, een ijzeren man die kan lopen en zitten; die kan eten en drinken; die kan horen en zien, die kan spreken en luisteren. Over drie maanden moet die man klaar zijn.’

Oyugi durft natuurlijk niet te weigeren, maar weet dat de opdracht onmogelijk is. Hij wordt mager van verdriet, tot hij van Lugonzo, de dwaas, de volgende raad krijgt:

‘Je moet naar de koning gaan en hem zeggen dat je honderd karren met mensenhaar nodig hebt om houtskool van te maken en tien vaten met tranen om het gesmede ijzer af te koelen. Dan komt alles in orde.’

Dat gebeurt en de koning merkt natuurlijk dat hij nu op zijn beurt niet aan een vraag kan voldoen, omdat in zijn land veel gelachen en weinig gehuild wordt. De koning neemt zijn opdracht terug, waarop Oyugi en iedereen weer blij is. De Curacaose criticus Carel de Haseth oordeelde in de Amigoe weekendbijlage Napa van 22 juli 1983 onder andere:

‘De Anansie van deze verhalen verschilt aanzienlijk van de Antilliaanse Nanzi, al zijn er wel enkele duidelijke punten van overeenkomst tussen beide. De schrijver heeft enkele typische eigenschappen van de Nanzi-verhalen weten te verwerken, zoals bijv. de uitleg van bepaalde natuurverschijnselen, het ontstaan van bepaalde diersoorten, het vermogen zich te kunnen verbergen of zich snel te verplaatsen enz. Daarbij zijn er echter wel enkele typische karaktertrekken van (in ieder geval “onze”) Nanzi verloren gegaan, zoals het sluwe en niet zelden wrede in zijn karakter. De Anansie uit de verhalen is een vriendelijke mens/spin, een leuke verteller.’

Gaf Velma Pollard in 1985 haar weergave van een aantal Caraïbische volksverhalen nog de Afrikaanse naam Anansesem mee, de Surinaamse Varina Tjon-A-Ten legde de nadruk op een nieuw verschijnsel: van Afrika trok de spin naar het Caraïbisch gebied en tegenwoordig vandaar naar Europa - Nederland. De ‘derde Nanzi-generatie’ wordt beschreven in Anansi komt naar Nederland. Nanzi stuurt zijn oudste zoon, die op een kleedje naar het koude land vliegt om zijn vrienden uit Suriname in Nederland te gaan helpen.

In zestien verhalen geeft Varina Tjon-A-Ten een aantal traditionele motieven en vertellingen die we ook in de andere verzamelingen tegenkwamen. Nieuw is nog wel dat via suggesties en vragen deze verhalen geschikt zijn gemaakt voor gebruik op school:

Anansi in de didactiek gevangen!

‘Behalve dat het de moeite waard is dat alle kinderen kennis kunnen maken met Anansi, kan het speciaal voor de Surinaamse leerlingen op school leuk zijn om teksten te krijgen die ze misschien herkennen.’
[p. 264]

4. Bibliografie

4.1. Enkele verzamelingen van Nanzi-verhalen

(A. Jesurun): Cuenta di Nansi; Derde Jaarlijksch Verslag van het Geschied-, Taal-, Land-, en Volkenkundig Genootschap, Amsterdam, 1899
Martha Warren Beckwith: Jamaica Anansi Stories, New York, 1924
H. van Cappelle: Mythen en Sagen uit West-Indië, Zutphen, 1926
R.S. Rattray: Akan-Ashanti Folk-tales, Oxford, 1930
Elsie Clews Parsons: Folklore of the Antilles, French and English, New York, 1933
Melville J. and Frances S. Herskovits: Suriname Folk-lore, New York, 1936
M.P. Latour O.P.: Cuenta di Nanzi, West Indische Gids, 1937-1940
Nicolaas van Meeteren: Volkskunde van Curacao, Willemstad, 1947
N.M. Geerdink-Jesurun Pinto: Cuentanan di Nanzi, Curacao, 1952
Joel Chandler Harris: The complete tales of Uncle Remus, Compiled by Richard Chase, Boston, 1955
W.J.H. Baart: Cuentanan di Nanzi..., Amsterdam, 1983
Kuenta di Nanzi, I.P.E.P., Kòrsou, 1983

4.2. Enkele studies over de Nanzi-verhalen:

Lou Lichtveld: ‘Op zoek naar de spin’, West Indische Gids, XII, 1930/1931, p. 209-230; 305-324
C.N. Dubelaar: ‘Negersprookjes uit Suriname’, Nederlands Volksleven, 1972
Freek van Wel: Er tin tin... negersprookjes in Suriname, Schakels 79, Den Haag, 1973
Anthia C.M. Boers: Anansi, volksverhalen uit Suriname, Amsterdam/Paramaribo, z.j.
Jos de Roo: ‘Over een derde vorm van slavenverzet’, Kristòf, III, 6, 250-258
Enrique Muller: ‘Nanzi's clue’, Kristòf, IV, 2, p. 7-19
Elis Juliana: ‘NANZI, su origen i su influensia riba desaroyo di nos komunidat’, Kristòf, V, 5, p. 4-18
Marijke Schweitz: ‘Verborgen protest in Curacaosche spinvertellingen’, Caraibisch Forum, januari 1980, p. 35-65
W.J.H. Baart: Cuentanan di Nanzi..., Dissertatie Amsterdam, 1983
[p. 265]

4.3. Nanzi-verhalen voor kinderen en jeugdigen die in dit hoofdstuk genoemd werden:

N.M. Geerdink-Jesurun Pinto: Cuentanan di Nanzi, Curacao, 1952, 1965 (2)
S. Franke: Anansie; De avonturen van Heer Spin in Suriname, Meppel-Djakarta, 1954
Philip M. Sherlock: Anansi the Spider Man, London, 1956, 198311
Philip M. Sherlock: West Indian Folk tales, Oxford, 1966, 19836
Jan Droog, Compa Nanzi verhalen gepubliceerd in Beurs- en Nieuws-berichten 21 september 1967-25 februari 1969
J. Droog: Biba Nanzi! Serie Volksverhalen uit de Nederlandse Antillen vanuit het Papiamentu naverteld, deel 1, Aruba, 1970
Richard E. Wood: Nanzi Stories, Curacao, 1972
Letitia Kaarsband: Anansi nanga Freifrei nanga tra ondrofeni tori, Paramaribo, 1980, 1985 (4)
H.C. Tiendalli: 3 Anansi tori, Paramaribo, 1980, 19853
Kompa Nanzi di: ban drecha Kòrsou, Curacao 1982
Heloise Hecbert: Sranan Anansi Tori, Paramaribo, 1983 19854
Kuenta di Nanzi, I.P.E.P., Kòrsou, 1983
J. Koopman: Avonturen met Anansi de Spin, Amsterdam, 1983
Ethlyn van Sprang-Nijssen: Kompa Nanzi pa muchanan, Curacao, 1983
Willy van Sprang-Nijssen: Kompa Nanzi voor kinderen, Curacao, 1983
Noni Lichtveld: Anansi; De spin weeft zich een web om de wereld, Heusden - 's-Gravenhage, 1984
Noni Lichtveld: Anansi en die andere beesten, 's-Gravenhage - Utrecht, 1985
V. Tjon-A-Tjen: Anansi komt naar Nederland, Breda, 1985
Velma Pollard: Anansesem; a collection of Caribbean folktales, legends and poems for juniors, Longman, Jamaica, 1985

prepostterug  begin  verder