|
|
|
| | | | | |

Miep Diekmann copyright foto Hans Vermeulen
| | | | | |
Ter introductie
‘Ik wil geen verzoenende literatuur brengen, maar een
verduidelijkende,’ zegt
Miep Diekmann over haar eigen werk. ‘Ik
vind het geëngageerde, dat je zoveel mogelijk kanten van een zaak laat zien,
dat je het opengooit en tegen je lezers zegt: denk er nou zelf maar over na. En
ze gáán er over nadenken en ze worden vaak kwaad zelfs. Dan vind ik dat ik
bereikt heb wat ik wil, want nu zijn ze ermee bezig...’
‘Mijn denkpatroon is beïnvloed geweest door mijn Westindische
opvoeding. Juist de sterk gevoede emotie tijdens mijn opvoeding wil ik daarom
in mijn werk centraal stellen, en daarbij toch de feiten laten kloppen. Dat is
er eigenlijk nooit zo geweest in de jeugdliteratuur. Dat is voor mij het
Antilliaanse element in mijn leven. Hoewel het een vrij hypocriete maatschappij
is, omdat je niet mag tonen wat je denkt, zijn die onderdrukte emoties in de
Nederlandse Antillen veel sterker dan bij ons in Europa. Dat is blijven hangen
bij mij.’
‘Mijn denkpatroon heb ik inderdaad van West-Indië meegekregen. Het
gaat echt niet om een groot huis, een dure baan, een universitaire opleiding en
zo. Je moet er doorheen kijken. Het gaat om mensen met amper een
lagere-schoolopleiding die in krottenwijken leven, met de ruggen tegen de muur.
Het gaat om wat deze mensen van het leven weten, de houding daar tegenover. Ik
kon dit alles destijds niet of nauwelijks onder woorden brengen, maar dit heeft
mij gevormd. Er zijn critici geweest die zeiden: “Zelfs als je over Nederland
schrijft, is het nog Westindisch.”’
‘Het belangrijkste van een boek is niet wat erin staat, maar wat
je eruit moet laten. Ik ben er heel sterk voor alleen iets op te nemen als het
functioneel is. Ook met mijn taal, ook het vloeken. Als ik het woord “naaien”
noem, dan is het naaien. Waarom moet ik daar omheen draaien? Ik denk dat dat te
maken heeft met eerlijkheid en doorbreken van schijnheiligheid. Al die tieners
kennen het, allemaal weten ze het, laten we nu eens ophouden met een soort
schijnheilige taal. De taal is voor mij in al mijn | | | | boeken één van
mijn hoofdpersonen.’
Met deze serie citaten uit interviews zijn de hoofdelementen van
Miep Diekmanns werk dat ik wil bespreken, weergegeven: het engagement dat wil
verduidelijken en schijnheiligheid bestrijden; het directe taalgebruik; de
Caraïbische beïnvloeding.
‘Wat betreft jeugdboeken in het Nederlands, welke zich op de
Antillen afspelen, moet worden opgemerkt dat in eerste instantie Nederlandse
schrijvers en schrijfsters als
Hanny Lim,
Jan Broos,
Miep Diekmann en (de op
Curaçao geboren)
Siny van Iterson verdienstelijk werk
hebben verricht. Helaas was het “Antilliaanse” karakter van veel van hun werk
voor het Nederlandse kind vaak duidelijker dan voor het Antilliaanse kind,’
oordeelt de Curaçaose dichter/criticus
Carel de Haseth over de Antilliaanse
jeugdlectuur.
Leerlingen op de middelbare scholen die Miep Diekmann lezen,
denken nogal eens dat ze Antilliaanse is. Is het strenge oordeel van Carel de
Haseth dan niet op haar van toepassing? Wat maakt Miep Diekmanns Caraïbische
jeugdboeken zodanig dat ze zo vaak bekroond werden buiten de Nederlandse
Antillen en op de Antillen zelf zo veel gelezen en zo hoog gewaardeerd
worden?
Het gaat me er in deze studie niet om het wel of niet Antilliaanse
karakter te duiden, dat zou ook heel moeilijk zijn: wat is nu bijvoorbeeld
typisch Engels, Hollands, Caraïbisch? Wel wil ik laten zien dat kennis van het
Caraïbische gebied noodzakelijk is om Miep Diekmanns boeken juist te waarderen.
In zoverre wil ook ik verduidelijkend proberen te zijn, al blijft dat voor
iemand die wel een aantal jaren in de Antillen doorbracht maar er niet
opgroeide, toch wel een moeilijke zaak.
Nog enige (lange) citaten van Miep Diekmann zelf: ‘Kunst is
universeel, over grenzen, rassen en alles heen. Maar ik zit toch met het
probleem dat ik zowel voor de kinderen op de Antillen schrijf, voor wie het
Antilliaanse herkenbaar is, als voor Europese kinderen voor wie dit
Antilliaanse niet herkenbaar is. Dus kan ik nooit extreem Antilliaans gaan
schrijven, want dan hebben die kinderen in Europa er geen contact mee. Nu ben
ik bij het schrijven ervan uitgegaan dat de groei van een kind, de geestelijke
groei, universeel is. Als jij strenge ouders hebt, bijvoorbeeld, dan onderga je
dat allemaal op dezelfde manier, of die ouders nu Antilliaans zijn of
Nederlands. Alleen zullen Antilliaanse vaders misschien hun riem gebruiken en
de Hollandse vader zijn handen, maar dat is se- | | | | cundair. Ik merk dat
als ik in Nederland de Antilliaanse boeken in de klas behandel, de kinderen
toch moeite hebben met het Antilliaanse leefpatroon; daar komen de vragen over.
Als ik op
Aruba erover spreek, merk ik dat ik de
kinderen dat niet hoef uit te leggen, die begrijpen met een half woord waar je
het over hebt.’
‘Onze eis dat een kind een boek van a tot z moet snappen is
onzinnig. Die wordt aan geen enkele volwassene gesteld. Al haal je er maar één
passage uit waar jij wat aan hebt. Dat doen volwassenen toch ook?’
‘Wèl hebben Antilliaanse kinderen soms moeite met bepaalde
uitdrukkingen. Maar die kennen de Nederlandse kinderen ook niet, omdat ik die
zelf maak. Maar op de Antillen denken de kinderen dat het moeilijk Nederlands
is en dat ze het daarom niet snappen.’
‘Ik heb altijd geprobeerd vanuit de overeenkomsten te schrijven.
Als je met alle goede bedoelingen begint met de tegenstellingen, wakker je deze
toch onbewust aan bij je lezers. Begin je met de overeenkomsten, dan vallen de
verschillen van ras en cultuur weg. Je hebt mènsen die identieke ervaringen
hebben. En naar je karakter beleef je die anders. Dat is een beslissing die ik
al heel jong genomen heb. We leven nu eenmaal met elkaar samen en de
verschillen komen toch wel naar voren. Maar begin er niet mee. Dat is de grote
moeilijkheid in het kinderboek. Een kind denkt zwart-wit, dus moet ik van een
zwart-wit-situatie uitgaan; dan moet ik de twee partijen laten evolueren - naar
elkaar laten toegroeien - en zeggen: ze hebben zoveel met elkaar gemeen, dat je
ermee kan samenleven, maar ze zijn - gelukkig! - nooit hetzelfde.’
Er is volgens mij geen principieel verschil tussen de analyses van
literatuur voor volwassenen en voor de jeugd. De methodes van analyseren die op
de eerste worden toegepast, kunnen ook voor de jeugdliteratuur gehanteerd
worden. Begrippen als opvoedkundige waarde, vormend karakter en dergelijke
worden door mij niet gehanteerd. De bedoeling is hier een literaire analyse te
geven, geen pedagogische of sociologische. Hierbij gaat het mij niet om het
toepassen van een literair-analytisch model, maar om een ‘leesverslag’, een
persoonlijke interpretatie, waarbij natuurlijk wel van de literatuurtheorie
gebruik gemaakt wordt.
Als getuige in deze wil ik
Jan Terlouw oproepen, die tegen Barber
van de Pol zei: ‘Ik vind zelf dat je aan jeugdboeken hoogstens nog een extra
eis moet stellen en verder alle eisen die je ook aan een boek voor volwassenen
stelt. In zoverre dat het consistent moet zijn, een goede stijl moet
| | | | hebben, geschreven in goed Nederlands, dat het helder moet zijn,
dat het - naar mijn smaak - een verhaal moet hebben. Zo kun je doorgaan. Dat
het je eigen tijd moet beschrijven, ook al gaat het toevallig over de
Middeleeuwen: het moet gevat zijn in eigentijdse beelden en aansluiten bij
eigentijdse waarden. En dan heb je nog een extra gegeven bij het schrijven van
jeugdboeken, namelijk dat je publiek minder weet. Daar moet je rekening mee
houden.’ (Refleks, jrg. 1977/8; nr. 2, Lier-Den Haag, p.
26)
Miep Diekmann zelf zegt in dit
verband:
‘Ik schrijf over de jeugd vanuit die jeugd. Ik meng nooit
volwassenenervaringen in dat jeugdverhaal. Dat wordt me kwalijk genomen. Waar
het me om te doen is zijn de jeugdervaringen. Het zijn nl. de enige ervaringen
die jongeren hebben. Vanuit die ervaringen, emoties en onvolwassen gedachten
moeten ze volwassen worden. Daar ligt het verschil met de roman. In de
jeugdroman moet je ook een strakke compositie aanhouden, waardoor je de lezer
het lezen makkelijker maakt, zodat hij al zijn energie overhoudt om zich in de
gestelde problematiek te kunnen verdiepen.’
‘Kinderliteratuur schrijven onderscheidt zich in feite in niets
van het schrijven van een “volwassen” literaire roman. Je moet dezelfde eisen
stellen op het gebied van compositie, psychologische uitdieping, schetsen van
de karakters. Het enige is - je moet het aanpassen aan de leeftijd van de
kinderen, aanpassen aan hun belangstellingssfeer.’
Met deze citaten is het uitgangspunt van mijn onderzoek
aangegeven: de literaire analyse van Miep Diekmanns Caraïbische jeugdboeken. De
uitvoerigheid van het terrein van onderzoek noodzaakte tot een beperking tot
alleen de hoofdzaken. Over allerlei details zou meer te zeggen zijn, maar dan
zou er een boekje over elk boek ontstaan zijn. Hoewel ik toch al veel zal
moeten citeren, was ik in dit leesverslag - vooral in de bewijsvoering - soms
graag nog wat uitvoeriger geweest.
| |
Een korte bio- en bibliografie met wat
commentaar
Miep (Maria Hendrika Jozina) Diekmann werd
op 26 januari 1925 geboren in
Assen als oudste dochter van een
beroepsofficier. Na haar kwamen er nog twee dochters, de laatste op
Curaçao, waar de familie eind 1934
| | | | naar toe trok en tot 1939 bleef. Haar vader was er commandant van
de militaire politie. Zij bracht een deel van haar jeugd op de Nederlandse
Antillen door, van haar tiende tot veertiende jaar, wat voor haar
schrijverschap later zeer belangrijk is geworden.
In de Tweede Wereldoorlog gaan haar ouders uit elkaar en blijft zij
bij haar vader, die later naar een krijgsgevangenenkamp in Polen wordt
getransporteerd. Ze is dus al heel jong zelfstandig. In 1945 haalt ze haar
diploma gymnasium A., waarna ze in de journalistiek gaat, o.a. bij de
Provinciale Drentse en Asser Courant en Het
Binnenhof. Sinds 1948 schrijft ze als free lance journaliste o.a. voor de
landelijke perscombinatie GPD (filmcritieken), de Haagsche
Courant en het Haarlems Dagblad (over kinderliteratuur).
Tussen 1963 en 1968 maakt ze filmscenario's voor semi-documentaires in opdracht
van het bedrijfsleven in Nederland en België. Van 1973-1983 is zij officieel
adviseur van uitgeverij Leopold en begeleidt zij aankomende auteurs (ook op de
Antillen). Sinds 1968 werkt zij samen met Hans en Olga Krijt in Praag aan de
vertalingen van Tsjechische en Slowaakse jeugdliteratuur. De bekende auteur van
jeugdboeken
Tonke Dragt zegt over
Miep Diekmann als critica: ‘Zolang het
maar niet door Miep Diekmann gekraakt wordt, die leest iets namelijk
fantastisch goed. Ik ril altijd van tevoren als ik denk dat zij het
leest...’
Miep Diekmann zelf zegt tegen Fred de Swert: ‘Als ik een boek in
handen krijg, dan zeg ik niet meteen: “Pruim ik het genre of niet?” Ik vraag me
af: “Wat heeft de auteur willen zeggen? Is dat er ook uitgekomen? Heeft hij
daar de juiste middelen voor gebruikt?” Wanneer je op die manier een recensie
opbouwt, heeft ook de auteur er iets aan, de uitgever en het publiek geef je
achtergrondinformatie over hoe een boek tot stand komt. Een verhaal nakauwen
doe ik niet, ik volsta niet met een korte inhoudsopgave. Ik geef mijn visie op
het verhaal, natuurlijk ook wel de rode draad die er doorheen loopt. Want het
hangt ervan af of je voor een literair blad of voor een krant schrijft. Als je
zelf schrijft, geloof ik dat je aan de ene kant veel milder bent. Want niemand
schrijft opzettelijk een slecht boek, omdat schrijven fysiek een te grote
inspanning is. Vaak werd ik opgebeld door mensen die zeiden: “Wat heb je een
scherpe kritiek op mijn boek geschreven. Maar ik weet nu waar de zwakke plekken
zitten en dat heeft geen uitgever me ooit duidelijk kunnen maken.”’
1)
Het is niet zo verwonderlijk dat haar eerste boek
Voltooid Verleden Tijd, dat in 1947
uitkomt, over haar werk bij de krant gaat. | | | |
Ik behandel alleen het Caraïbische werk van
Miep Diekmann, zodat ik me hiertoe zal
beperken hieronder. Over haar totale oeuvre zijn gemakkelijk bereikbare
volledige bibliografieën voorhanden.
In 1947 verschijnt haar eerste ‘Curaçaose’ roman, foutief
Panederio Pan getiteld. Later wordt
deze correct als
Panadero Pan vermeld, wat ‘Bakker
Brood’ betekent, ontleend aan een Antilliaans kinderlied. Het is nu nergens
meer verkrijgbaar. Bij mijn weten is het ook nooit herdrukt, wat ook wel
terecht is omdat het volledig afwijkt van het latere Caraïbische werk. Het is
een jeugdwerk, Miep Diekmann was immers pas 22 jaar toen het uitkwam. Het meer
dan 300 pagina's tellende werk is onderhoudend en vlot geschreven in de Cissy
van Marxveldt-stijl.
‘Mijn eerste Antilliaanse boek was Panadero Pan.
Het is heel gek, maar ik heb het nooit meer gelezen... Je kunt het vergelijken
met De dagen van Olim. De elementen van “Olim” zitten al in
dat boek, maar ik was toen nog niet terug geweest naar de Antillen. Het was
mijn tweede boek, ik was een jaar of twintig; de oorlog was net afgelopen. Ik
had zuiver mijn kinderherinneringen... Ik kreeg het verzoek van mijn uitgever:
jij komt net van school, jij komt van West-Indië. Maar ik had het vak niet in
mijn vingers, de compositie: wát wil ik zeggen en hóe druk ik het uit? Het
moeilijkste is niet wat je erin zet, maar wat je eruit laat. Je moet weinig
gegevens goed uitwerken. Er komen in dat eerste werk teveel gebeurtenissen
voor. Ik had natuurlijk wel veel literatuur gelezen, ik was een enorme
Vestdijk-fan. Maar je las ook die
meidenboeken, en dan zie je dat dat zich wreekt, zodat je niet doorstoot. De
figuren zijn types en geen karakters. Ik ben in de eerste boeken uitgegaan van
de gebeurtenissen; in mijn latere werk ga ik uit van de karakters.’
In 1954 verschijnt
Anders is niet altijd beter, waarover
de Antilliaanse schrijver
Cola Debrot enthousiast is en dat in het
Duits vertaald wordt. Een jaar later komt
Viermaal Lodewijk op de markt, dat
zich gedeeltelijk in het Caraïbisch gebied afspeelt; de hoofdfiguur komt nl.
aan het eind van de dertiger jaren op Curaçao. Maar deze eerste boeken zijn
geheel anders dan de latere en omdat Miep Diekmann er ook niet meer achter
staat zijn ze nooit herdrukt en daardoor in het geheel niet meer
verkrijgbaar.
Na Panadero Pan duurt het negen(!) jaar en is het
meer dan tien boeken later dat het Caraïbische boek uitkomt waarmee Miep
Diekmann op slag naam maakt.
De boten van Brakkeput (1956) wordt
een jaar later bekroond met de prijs voor het beste kinderboek door de
Commissie | | | | voor de Propaganda van het Nederlandse Boek. De term
‘jeugdboek’, die eerder van toepassing is, werd toen kennelijk nog niet
gehanteerd.
‘Ik ben toen ik veertien boeken gepubliceerd had (ik was een jaar of
dertig) pas serieus doorgegaan met mijn analyse van jeugdliteratuur, vooral om
duidelijkheid te krijgen over mijn eigen werk: wat wil ik nu? Daarna ben ik pas
begonnen met
De boten van Brakkeput. Dat is het
resultaat van vier jaar zelfstudie over literatuur en jeugdboeken. Wat wil ik
en wat doe ik nou fout? En er was geen hond die het je vertellen kon. Toen zag
ik de fout: dat je nooit van de gebeurtenissen moet uitgaan, maar van de
karakters; dat ieder karakter zijn eigen logica heeft en dat ieder karakter op
zijn eigen manier moet blijven reageren, en hoe je dat een heel boek door moet
volhouden. Dát was het echte werk wat je verzette. Daarom kan ik het ook
anderen duidelijk maken, want ik heb het zelf voor de poten van de duivel
moeten weghalen.’
Vanaf dit moment komt de stroom Antilliaanse boeken op gang. In 1957
verschijnt
Padu is gek, in 1959
Gewoon een straatje. Deze eerste drie
boeken zijn alle vanuit de herinnering uit de jeugd (ruim vijftien jaar
geleden!) geschreven.
Pas in 1958 komt
Miep Diekmann weer op de Antillen, waar ze
dan uitvoerig rondkijkt en een aantal lezingen houdt.
In 1960 komt in opdracht van de Koninklijke Nederlandse
Redersvereniging, om belangstelling te wekken voor de zeevaartschool en een
baantje bij de koopvaardij,
Driemaal is scheepsrecht uit, dat zich
slechts gedeeltelijk in het Caraïbisch gebied afspeelt; het andere deel speelt
(natuurlijk) op zee en in Nederland.
...En de groeten van Elio is een nieuw
hoogtepunt in 1961.
In 1962 verschijnt
Andere mensen zijn ook gewoon, dat in
opdracht van de gemeente Utrecht geschreven werd voor de hoogste klassen van de
lagere school en hier buiten beschouwing blijft.
Dan duurt het drie jaar eer de grote historische roman
Marijn bij de Lorredraaiers in 1965
verschijnt.
In dezelfde tijd komt ook nog
Geen mens is van de ander uit, een
schooluitgave, die in 1977 wordt herdrukt onder de titel Mens te
koop. Dit boek is voor de hoogste klassen van de lagere school en de
brugklas, zodat ik het wel kort zal bespreken.
Cu luz na man is een serie
kinderboekjes - geschreven in opdracht van de Antilliaanse regering - voor de
lagere scholen in de Nederlandse Antillen:
Nildo en de maan;
Jossy wordt een Indiaan;
Shon Karkó;
De
| | | |
schoonste
dag (dat later onder de titel
Het geheim van Dakki Parasol wordt
herdrukt). Deze boekjes blijven in mijn bespreking geheel buiten
beschouwing.
Na de onlusten die in Willemstad uitbraken bij de grote staking op
30 mei 1969, waarbij Nederlandse mariniers de orde moesten herstellen, reist
Miep Diekmann opnieuw naar
Curaçao. Ze schrijft een aantal artikelen in
de Haagsche Courant en krijgt daarop, naar ze zegt, reacties
die in veel gevallen getuigen van een ‘onthutsend onbegrip en stupiditeit’. Het
resultaat van haar verontwaardiging is het verslag
Een doekje voor het bloeden;
koninkrijksverband (1970).
In 1971 verschijnt de autobiografische jeugdroman
De dagen van Olim, nadat Miep Diekmann
de Staatsprijs voor Jeugdliteratuur heeft ontvangen.
Het voorlaatste werk over het Caraïbisch gebied is
Dan ben je nergens meer van 1975, dat
voor het grootste gedeelte in Sint Vincent speelt.
In 1982 tenslotte komt de verhalenbundel
Geen enkel verdriet duurt honderd jaar
uit, met zeven eerder verschenen en vijf nieuwe verhalen.
Miep Diekmann zegt dat er misschien later nog wel weer nieuw
Caraïbisch werk van haar kan verschijnen, maar dat ze, nu de Antillen een paar
eigen auteurs van jeugdboeken heeft voortgebracht, liever wat op de achtergrond
blijft; het werk wordt nu immers overgenomen.
‘Nu er auteurs van de Antillen zelf gaan schrijven, moet ik niet
meer met boeken komen, want ik vind het een beetje een oneerlijke concurrentie.
Ik heb bijvoorbeeld op Curaçao gehoord: “Nou ja, als een boek van Miep Diekmann
twintig gulden kost! Maar dat Diana en Sonia dat ook durven vragen... Wat
verbeelden die meiden zich wel!” Ik heb een naam, ik ben bekroond, een deel van
het publiek is snobistisch en zal misschien eerder een boek van mij kopen dan
van een Antilliaanse auteur. Dus laten Diana Lebacs en Sonia Garmers en anderen
het nu maar eens zelf doen! Dat wil niet zeggen dat ik er nooit meer over
schrijven zal, maar ik heb zoveel thema's. Ik heb wat op gang gebracht, ik heb
belangstelling gewekt voor de Antillen en Antilliaanse schrijvers. Laat nu maar
eens zien wat jullie kunnen!’
Van het uitgebreide oeuvre - in totaal schreef Miep Diekmann tot nu
toe bijna 60 boeken - handelt een derde deel over het Caraïbisch gebied.
Wanneer we ons beperken tot de jeugdliteratuur, en daaronder verstaan we
literatuur tussen de kinderboeken en die voor volwassenen in, voor de
| | | | leeftijdsgroep van ongeveer 12 tot 16 jaar, dan is het een tiental
dat in deze studie betrokken wordt:
| De boten van Brakkeput |
| Padu is gek |
| Gewoon een straatje |
| Driemaal is scheepsrecht |
| ...En de groeten van Elio |
| Marijn bij de Lorredraaiers |
| Mens te koop |
| De dagen van Olim |
| Dan ben je nergens meer |
| Geen enkel verdriet duurt honderd jaar |
In haar werk als adviseur bij uitgeverij Leopold heeft Miep Diekmann
jarenlang bemoeienis gehad met het Caraïbische jeugdboek, omdat ze Curaçaose
schrijfsters als
Sonia Garmers:
Orkaan;
Orkaan en Mayra;
Ieder diertje z'n pleziertje en
Diana Lebacs:
Sherry;
Nancho van Bonaire;
Nancho matroos;
Nancho niemand en
Nancho kapitein heeft gecoached. En
ook de Arubaanse
Desiree Correa:
Mosa's eiland.
Wat bracht
Miep Diekmann ertoe jeugdboeken te gaan
schrijven en wel speciaal over de Antillen?
Zelf geeft ze daarop een literair antwoord in
De dagen van Olim, via de hoofdfiguur
Josje: ‘Ze liep naar de kamer, pakte het boek, waarin ze bezig was, en ging
languit op de vloer in de zaal liggen. Maar na een paar bladzijden klapte ze
het geërgerd dicht. Weer zo'n stom verhaal met allemaal van die keurige
meisjes, die zich keurig naar een verloving sloofden met een ín-keurige jongen.
En intussen maar ouwehoeren over de hogere zaken des levens. Nooit iets over
jongens, die in je bloesje grabbelden; over aangewaaide ooms met hun handen
onder je rokken; over het vriendje van je moeder dat een kind maakte bij de
meid. Kwaad sprong ze overeind, trapte het boek de zaal in. Zij stonk er niet
in, in die zoete koek.’ (p. 95)
Josjes afkeer van de ‘zoete koek’ is die van Miep Diekmann als ze in
haar interview met Fred de Swert zegt: ‘Ik wist ongeveer wat ik wilde; boeken
over de werkelijkheid. De boeken die ik las stelden me altijd ontzettend
teleur; altijd maar happy-endings en zo. Het ging dan meestal over figuren die
ik niet kende, bij wijze van spreken, omdat ze niet be- | | | | stonden.
Jongens die tien bladzijden lang een monoloog houden en je dan een zoen geven
bijvoorbeeld. Ik kende vanaf mijn dertiende alleen maar jongens die snel wisten
hoe ze in je bloesje moesten komen. Daar wou ik over schrijven, maar ik wist
niet hoe. Ik wist alleen hoe het niet moest.’ (Refleks, p.
10)
Zo begint
Miep Diekmann aan een tot dan toe
nauwelijks geëxploreerd genre: het jeugdboek, waarmee ze de jeugd wil helpen om
al jong op eigen benen te leren staan (wat ze zelf ook moest). De jeugd moet
leren zelf beslissingen te nemen en daarna ook de verantwoordelijkheid voor die
zelf-genomen besluiten dragen, en zich niet achter het toch-nog-kind-zijn
verstoppen. Miep Diekmann wil de puber helpen over de grens van kind naar
volwassene te komen, waarbij het kind uitgroeit tot een zelfstandig individu
met eigen verantwoordelijkheid. Zelf beschouwt ze dit als het grondthema van al
haar jeugdboeken.
‘Ik vind juist die periode tussen je dertiende en zeventiende zo
belangrijk. Je leest nog geen romans, de wereld komt als een chaos op je af.
Wat ik voor verhalen van kinderen krijg, over problemen waarmee ze zitten! Er
is geen verschil of ik nu kinderen in Nederland, Duitsland, België spreek of in
de Nederlandse Antillen. Je bent allemaal aan het volwassen worden en je zit
met een universeel probleem van dat volwassen worden. Dat uit zich dan op de
Antillen misschien een beetje anders dan in Europa, maar dat is niet de
hoofdzaak.
Ik las
Vestdijk toen ik vijftien was en ik wist
dat ik ging schrijven. Er is een passage in
Else Böhler, Duits dienstmeisje over de koude
aardappelbuurt in Den Haag in de crisisjaren. Die student komt thuis en ergert
zich aan zijn moeder als ze de lepel aflikt en weer terugzet in de schaal...
Toen dacht ik: zo wil ik schrijven later! Maar dan eenvoudiger, voor de jeugd.
Ik heb alles van Vestdijk gelezen; ik kon het uitspellen.
Ik schrijf sterk vanuit de emotie. Je wordt door bepaalde
gebeurtenissen erg emotioneel geraakt; als tiener kun je dan buiten proporties
losbarsten. Maar mensen zijn bang voor emotie.
Wanneer ik aan een boek begin, moet ik het helemaal in mijn kop
hebben. Ik moet het helemaal rationeel kunnen behappen. Schrijven is een
onbewuste, zeer emotionele handeling. Dan schuif ik daarna mijn schrijfmachine
van me af en ga weer heel rationeel de zaak bekijken. Maar ik ga niet, terwijl
ik schrijf, de emotie en de ratio vermengen. Ik gooi het eruit, papier is
geduldig; daarna ga ik controleren. Daarom moet ik het zo strak en logisch in
mijn kop hebben, voordat ik aan iets begin. | | | | Mijn grootste werk is
altijd daarvóór. Als ik het niet helemaal goed in mijn handen heb, kan ik er
niet aan beginnen, want dan ga ik uitglijden.’
Blijft er nog de vraag waarom
Miep Diekmann juist Caraïbische
jeugdboeken ging schrijven. Dat verklaart ze uit de culturele schok die ze in
haar jeugd kreeg, toen ze op
Curaçao ging wonen. Marry drukt het in
Panadero Pan als volgt uit: ‘Ik heb me
voorgenomen om hier zo gauw mogelijk thuis te zijn. Daarom doe ik alles wat de
mensen hier ook doen.’ (p. 20)
Miep Diekmann zegt: ‘De eerste dag op Curaçao bijvoorbeeld zaten we
in hotel Americano (dat op 30 mei 1969 afbrandde), waar alleen maar
Nederlanders zaten te eten. Het voedsel was natuurlijk Antilliaans. Ik was toen
bijna 10. We kregen Curaçaose broodjes. Je brak ze wel eens open en soms kropen
de mieren eruit. Ik veegde ze weg en at het broodje op. Moeder ging tekeer en
at niet meer, niemand at nog. We kregen papaya toe. Da's een vrucht die ik
ontzettend vond stinken. Nou, ik zie me nog zitten, mijn neus dichtgeknepen,
etend van die vrucht en al die volwassenen stonden om me heen, zeggend: “Kind,
eet die rotzooi toch niet op, dat hoeft niet.” Toen zei ik: “We leven in het
land van die mensen. Die mensen eten het en als die het lekker vinden, zal ik
het ook lekker vinden.”
Dat had niemand me geleerd. Dat heeft ook niets met “sociaal
onrecht” te maken. Dat is een kwestie van aanpassing. Het belangrijkste voor
mij was op dat ogenblik: ik wou weten hoe het smaakte. Ik dacht: Als 't hele
eiland deze vruchten eet, waarom zou ik ze dan niet eten? Een portie gezonde
nieuwsgierigheid die je alleen maar bevredigen kan als je ergens instapt.
Zoiets hoort bij het schrijverschap. Want je hebt niet wat de meeste mensen wel
hebben: angst voor iets wat anders is. Ik heb ook wel eens gestaan met het
zweet in mijn handen. Maar mijn nieuwsgierigheid wint het steeds van een
bepaalde angst.’ (Refleks, p. 9)
Miep Diekmann woonde op Curaçao in het geïsoleerde Fort Amsterdam,
maar werd grotendeels opgevoed door de dienstmeisjes die in volksbuurten als
Buena Vista en Fleur de Marie woonden, zodat ze door hen het echt Curaçaose
leven leerde kennen, waar niet veel ‘makamba's’ (aanduiding voor Nederlanders
op Curaçao) mee in aanraking komen.
In feite werd ze dus een beetje opgevoed zoals alle rijke kinderen
van het eiland zelf: door de jaja, het kindermeisje, dat in alle gevallen als
contactfiguur tussen de blanke (Europees geöriënteerde cultuur) en de
| | | | zwarte cultuur van Afrikaanse herkomst fungeerde. In werken van
Antilliaanse auteurs als
Cola Debrot,
Boeli van Leeuwen en
Tip Marugg komt dit motief steeds weer
naar voren. Ook het feit dat ze niet naar de Shellschool ging, waarop de
makamba-kinderen zaten, maar als een van de weinige makamba-kinderen in een
R.K.-schoolomgeving werd opgenomen, is van invloed geweest, in elk geval op
haar kennis van het Papiaments.
Al op twaalfjarige leeftijd had
Miep Diekmann een opstel over Willem van
Oranje geschreven vanuit de Katholieke èn de Protestantse visie; het de zaken
van twee kanten bekijken en relativeren was er dus al jong! Ze kreeg er
trouwens een tien voor van haar onderwijzer - en een klap om haar hoofd van
haar roomse vader!
Door het Eurocentrisme waarbij alles op Europa (in casu Nederland)
gericht is, werd de eigen Antilliaanse cultuur doodgezwegen, wat ‘de ergste
vorm van discriminatie’ is die je je kunt denken. Miep Diekmann wilde de
Antilliaanse kinderen iets van zichzelf geven. In Shon Karkó
geeft ze
Bonaire een eigen sprookjesfiguur. In
Padu is gek schrijft ze over
kabouters. ‘Kabouters, dat was zoiets als sneeuw. Je kon het je niet
voorstellen, al had je er nog zoveel plaatjes van gezien, en nog zoveel erover
gehoord, hoe ze eruit zagen. Omdat je het hier nooit zag.’ (p. 25)
Bovendien wàs er in die tijd geen jeugdliteratuur over de Antillen.
Nederlandse schrijvers hadden het zo druk met ‘de Oost’ dat ze ‘de West’
vergaten. Pas na het ‘verlies’ van Indonesië en de totstandkoming van het
Statuut tussen Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland ontstaat er enige
belangstelling bij Nederlandse schrijvers voor wat dan nog koloniaal ‘Onze
West’ wordt genoemd:
Johan Fabricius,
Gerrit van Heerde,
W.A.J. Holleman en enkele anderen.
Eigen schrijvers van jeugdboeken hadden de Antillen toen ook nog
niet voortgebracht. Miep Diekmann zegt: ‘Weet je, toen ik daar zat, merkte ik
dat er helemaal geen Westindische jeugdliteratuur bestond. De kinderen moesten
daar lezen wat Europa en Amerika hun te bieden hadden. Toen ik b.v.
“Shon Karkó” had geschreven - dat verhaal speelt op Bonaire -
zeiden de kinderen: “Het is zo fijn. Wij lezen altijd maar boeken over kinderen
in andere landen en nooit over onszelf. Het is net alsof we niet bestaan. Jij
vindt ons belangrijk genoeg om over ons te schrijven; dat is fantastisch.”
De Westindische schrijvers beginnen bijna allemaal met poëzie of
korte verhalen. Ik geloof niet in hun zogenaamde sociale engagement, want
| | | | ze laten hun eigen jeugd stikken. En daar begint het toch mee: de
jeugd gevoel geven voor haar eigen omgeving, informeren over de bestaande
verhoudingen e.d.’ (Refleks, p. 12)
Aan de bekende Antilliaanse schrijver
Frank Martinus Arion schrijft ze in 1969
in diens tijdschrift Ruku: ‘En wat doen jullie, schrijvers
van hier, om je kinderen op die wijze te stimuleren, om hen los te weken uit
een te schools patroon van leven? Om hen in de eerste plaats de waarde te laten
inzien van hun eigen gedachtenwereld en expressie? Als er op de Antillen ooit
een eigen kinder- en jeugdliteratuur van de grond zal komen, die van deze tijd
is, pas dan op dat je niet over de hoofden van de kinderen heen gaat schrijven,
vanuit een misplaatst normbesef. Volwassenen beelden het kind graag af zoals ze
het zouden willen zien, niet zoals het kind is. Maar het kind moet in een boek
zichzelf kunnen herkennen, dan pas zal hij de ware ontspanning in een verhaal
vinden.’
Dat deze boeken in het Nederlands geschreven worden, geeft ze toch
een dualistisch karakter, want ze zijn voor Nederlandse en Antilliaanse lezers,
en met beide groepen moet je rekening houden. Dat is een aanmerkelijk verschil
met de Papiamentstalige boeken die van de eilanden zelf voor de eilandbewoners
zelf en alleen voor hen geschreven zijn.
Over dit probleem van de Nederlandse taal zegt
Miep Diekmann nog: ‘Daar kom je aan een
heel essentieel iets. Ik krijg in Nederland ook vaak de aanmerking: “Die
kinderen van de Antillen spreken voortreffelijk Nederlands in jouw boeken, maar
als je op de Antillen komt, komen ze amper uit hun woorden.” Toen heb ik
gezegd: “Ik ga ervan uit dat iemand op de Antillen Papiaments spreekt, en dat
doet hij 100% goed. Daarom laat ik die kinderen niet krom praten, ik heb als
het ware hun Papiaments vertaald.”
Ik weet niet uit hoeveel observaties Braakhuis (Levende
Talen, no. 350) zijn conclusie getrokken heeft dat jongens het boek
De dagen van Olim niet lezen en
meisjes ‘ook als ze het boek in handen krijgen, het toch niet lezen of het na
enkele bladzijden voor gezien houden’ (p. 195). Ik weet wel dat dit niet geldt
voor Antilliaanse scholieren, die Miep Diekmanns werken tientallen keren per
jaar op hun eindexamenlijstje plaatsen, of in de lagere klassen haar werk
geheel uit eigen beweging mee naar huis nemen èn het lezen. Het zou wel eens zo
kunnen zijn dat Nederlandse lezers wat moeite hebben met het ‘Antilliaanse
karakter’, zoals de Antilliaanse moeite hebben met de Nederlandse boeken die ze
lezen. | | | | Maar ik geloof niet dat dat onoverkomelijk is, getuige de
vele herdrukken van Miep Diekmanns werk en de vertaling ervan in 19 landen.
Extra achtergrondinformatie zal de Nederlandse jeugd wèl in staat stellen de
boeken beter te lezen, dat is op de manier zoals ze op de Antilliaanse eilanden
werken.
Miep Diekmann lezend, zullen we rekening
moeten houden met twee aspecten: de brugfunctie van jeugdliteratuur tussen het
kinderboek en de roman voor volwassenen, en de brugfunctie van haar werk tussen
de lezer en de eigen of vreemde Antilliaanse cultuur.
| |
De gevolgde werkwijze
In het hierna volgende bespreek ik de Caraïbische jeugdboeken in
chronologische volgorde, wegens de duidelijkheid en overzichtelijkheid van deze
werkwijze voor de lezer. Ik geef eerst de korte inhoud van de boeken weer, ter
ondersteuning van wat volgt. Het is niet mijn bedoeling de hele handeling
uitputtend te vermelden (ieder leze zelf het boek), maar slechts wat nodig is
om de grote lijn te verduidelijken. Weliswaar is van een goed geschreven boek
de beste uitleg het boek zelf en zijn uittreksels meestal slappe aftreksels,
maar toch wil ik de hoofdzaken even weergeven.
Daarna geef ik een interpretatie van het boek als zelfstandige eenheid.
Ik let hierbij op structuurelementen als tijd, ruimte, figuren, motieven, thema
en stijl.
In een laatste ronde geef ik een ‘evaluatie’, een waardering van het
werk, plaats ik het zo mogelijk binnen de maatschappelijke context, vergelijk
ik het met vorige werken en geef ik Miep Diekmanns eigen mening | | | |
weer, als ze over het boek iets gezegd heeft. Dit is dus het meest subjectieve
deel van het leesverslag.
Ik heb erover nagedacht of ik ook eerder verschenen kritieken in mijn
‘evaluatie’ zou betrekken. Uiteindelijk heb ik het niet gedaan, omdat ik geen
receptie-overzicht van Miep Diekmanns werk wil geven, maar een eigen
‘leesverslag’. Het zou ook alleen maar zin hebben als het volledig gebeurde en
dat zou het onderzoek enorm uitgebreid hebben gemaakt, want er is veel over het
werk van Miep Diekmann geschreven in dagbladen en tijdschriften.
Wel heb ik gebruik gemaakt van het als een afzonderlijke uitgave
verschenen interview dat Fred de Swert in Refleks nr. 1,
september 1976 publiceerde; de lezingen die Miep Diekmann op het Colegio
Arubano op Aruba heeft gehouden in 1981, 1982 en 1983; en een eigen interview
op 15 mei 1983, waarvan een verkorte neerslag is gepubliceerd in het dagblad
Amigoe, in het Kerstnummer 1983. Om de leesbaarheid te
vergroten heb ik geen gebruik gemaakt van verwijzende voetnoten naar deze
bronnen.
|
1)Fred de Swert Miep Diekmann;
leven en werk (Refleks - nr. 1, september 1976; uitgeverij J. Van In n.v.
- Lier) is de tot nu toe enige afzonderlijk verschenen publicatie over het werk
van Miep Diekmann. (Scripties zijn niet als publicaties te beschouwen). Omdat
De Swert zich hierin duidelijk uitspreekt over een groot aantal facetten van
haar werk, wat een mooie aanvulling was op een eigen interview in 1983, heb ik
daaruit een aantal gegevens gehaald.
|
|