Het was 1946. Nederlandse dagbladen waren precies twee velletjes dik. Een baantje als journalist was niet eenvoudig te krijgen en dus nam ik met beide handen een functie aan als afdelingschef van de wereldomroep toen gevestigd in een paar oude villa's aan de Heuvellaan en de 's Gravelandseweg in Hilversum. Ik moest een West-Indische afdeling oprichten en stond voor de vraag wat ik eigenlijk moest doen; met een zwak zendertje mensen in Suriname en op de Antillen iets vertellen dat hen ook zou interesseren.
Na langjarige ervaring, eerst op de Antillen en later in Suriname, wist ik dat Surinamers en Antillianen in de eerste plaats belangstelling hebben voor zaken die eigen land betreffen. Daarom ging ik ijverig speuren naar wat die kleine Nederlandse kranten over beide rijksdelen schreven. Het was niet veel omdat uiteraard Indonesië al het andere nieuws overschaduwde, maar toch viel de oogst mee en bleek het mogelijk wekelijks een West-Indisch persoverzicht samen te stellen. Bovendien had de afdeling het geluk medewerking te krijgen van Rein Vogels, perschef van de KLM, die alle West-Indische en Venezolaanse kranten die in teruggekeerde vliegtuigen achterbleven, netjes naar de Omroep stuurde, waardoor het mogelijk werd een internationaal overzicht samen te stellen, waaruit later, ik heb dat vele jaren gedaan, een Caraïbisch panorama groeide. Daarnaast kon de Westindische afdeling zich niet tevreden stellen met de doorgaans melige liedjes, destijds door de vaderlandse radio ten gehore gebracht maar gelukkig vond de afdeling steun (het was nog steeds een eenmansrubriek) bij de Surinamer Lex Vervuurt en zijn landgenoten Max Woiski en Parusius. De laatste vierde als de bokser Kid Dynamite triomfen, maar ontwikkelde zich later tot een fenomenaal saxofonist en componist, die nu nog slechts voortleeft in de herinnering van enkele jazzliefhebbers. Tenslotte kregen we medewerking van Julian Coco, een piepjonge gitarist die tot cellist werd opgeleid, maar zijn land van herkomst, het eiland Curaçao, nooit vergat.
Al kort na de oorlog kwamen West-Indische studenten naar Nederland, die als de meeste studenten over weinig geld beschikten. Gelukkig stond de afdeling een bescheiden budget ter beschikking. Genoeg om arme studenten een beetje te helpen. Een Boeli van Leeuwen, een Frank Martinus, een Jules de Palm en anderen gingen meewerken en al spoedig bleek dat hun bijdragen door de overzeese luisteraars enorm gewaardeerd
werden. Een Eddie Bruma, die knappe leerling van Prof. de Gaay Fortman, vond in Suriname met zijn ‘Sranang tongo’ weerklank evenals Johan Ferrier, die nooit gedroomd had, eens president van zijn land te worden, toen hij een lange reeks Surinaamse Anansi's in de landstaal voordroeg.
In die dagen kon de afdeling beschikken over uitstekende Nederlandse omroepers, maar ik dacht dat de luisteraars in de West het toch op prijs zouden stellen regelmatig, zeker in een groetenprogramma, in de eigen taal te worden toegesproken en ingelicht. Zou dat, vroeg ik me af, verstandig zijn? Met die vraag ging ik naar een Antilliaanse politicus, die bovendien al vele jaren mijn beste vriend was, Dr. da Costa Gomez. Hij woonde toen nog, als vertegenwoordiger van de Antillen, op een zolderkamertje vierhoog achter in de Haagse Houtstraat. Hij zei: ‘Gebruik zoveel mogelijk zuiver Nederlands maar geef tegelijk, waar dat pas geeft, alle eer aan de landstaal.’ Als hij persoonlijk in de studio verscheen en hij maakte in die tijd vaak gebruik van die mogelijkheid, dan voerde hij het woord in het mooiste papiamentu dat men zich kon wensen. Zo ontstond er een aardig team waaraan, in een later stadium, Antilliaanse medewerksters als Yvette Ecurie, Stella Priest en Helen Hoyer werden toegevoegd.
Ook Surinaamse omroepers en omroepsters werden aangetrokken. Onder deze medewerksters speelde vooral Lydia Emmanuels een bijzondere rol omdat ze niet alleen een uitstekende presentatrice was maar ook, zowel in het Nederlands als in het Surinaams, een echte verslaggeefster.
Heel die groep van Antilliaanse en Surinaamse medewerkers ging aan het werk mede onder leiding van de helaas veel te jong overleden Tom Pape, die zich verdiepte in de Westindische problematiek en dank zij verschillende reizen goede vriendschappen sloot, zowel op de Antillen als in Suriname.
Het is niet de bedoeling groei en bloei van de Wereldomroep uit de doeken te doen. Daarvoor zou een heel boek nodig zijn waarin vooral de technische ontwikkeling vele hoofdstukken zou moeten omvatten. Een technische ontwikkeling overigens waaraan Surinamers en Antillianen op hun wijze meewerkten en daarbij moet ik even stilstaan bij de tovenaar van Willemstad: Horacio Hoyer. Nog zie ik hem knutselen in zijn sportwinkeltje waar hij, oud-tenniskampioen van de Antillen, zijn eigen radiozendertje bouwde en eigen opname-apparatuur. In dat winkeltje ontstond Radio Hoyer. De Curom was van ouder datum en moest bestaan van de offers die de leden van de omroepvereniging zelf brachten. Zij droeg als publieke zender vooral een educatief karakter. Radio Hoyer was van meet af aan een zuiver commerciële zender, hoewel Horacio op zijn manier zijn culturele taak niet verwaarloosde.
Ondertussen arriveerden uit de Antillen en Suriname jonge mensen die
bij Rens en Rens, in Hilversum, de school voor radiotechniek bij uitstek, gingen studeren om later in eigen land nieuwe commerciële zenders op te bouwen. Ook Aruba bleef niet achter. Integendeel! Met al die commerciële stations onderhield de afdeling nauw contact. Toen men ter plaatse ook nog eigen opnamen kon vermenigvuldigen ontvingen we in stijgende mate muziek uit Curaçao en Aruba en dank zij de enthousiaste medewerking van weer een andere student, Raymundo Debrot, kwamen we in het bezit van originele Jamaicaanse en andere West Indische melodieën. In die zelfde tijd verkregen we contact met bladen als Bim en Savacou, letterkundige tijdschriften uit Brits West-Indië, en via Cola Debrot, die ook ging meewerken, met dichters als Pierre Lauffer en Elis Juliana.
Radio Nederland is nooit een commercieel station geweest maar als Stichting ook nooit een staatsomroep met medewerkers die verplicht zouden zijn richtlijnen uit Den Haag te volgen. Het was en bleef een vrije omroep, een internationale instelling, met Indonesische, West-Indische, Engelse, Arabische, Spaanse en vele andere medewerkers. Kortom er heerste een internationale sfeer en de taalafdelingen waren echte eilandjes waarbinnen grote vrijheid heerste.
In Nederland ging, evenals op de Antillen, de technische ontwikkeling met sprongen vooruit. Al vroeg beschikte het station over een mobiele studio, een reportagewagen waarmee het mogelijk werd elders opnamen te maken. Tijdens de uitvoering van bijvoorbeeld een door Eddie Bruma geschreven toneelstuk dat ter gelegenheid van de uitreiking van de Gysbert Japix-prijs in Leeuwarden, ten doop werd gehouden door Surinaamse acteurs. In Friesland had men ontdekt dat zowel Suriname als de Antillen tweetalig zijn en dat men in beide rijksdelen de grote culturele waarde van de eigen taal besefte. Bruma en zijn vereniging ‘Wie Eegie Sanie’ maakte, evenals de Friezen voor het Fries, propaganda voor het Creools van Suriname, een propaganda die de Friezen niet ontging, terwijl men zich tevens afvroeg of tweetalig onderwijs mogelijk was. Ook met dergelijke vraagstukken hielden we ons bezig en natuurlijk betrokken we Friese deskundigen bij de uitzendingen om hun ervaringen op dit specifieke terrein aan de luisteraars in de West uiteen te zetten.
Laat ik terugkeren naar die eerste reportagewagen. Nog leefden we in het tijdperk van de plaatopnamen. Bandapparatuur ontbrak maar dank zij die reportagewagen konden we de openbare zittingen tijdens de verschillende rondetafel-conferenties volgen. Het was, toen Indonesië onherroepelijk een nieuwe staat werd, mogelijk meer aandacht te besteden aan de West. Da Costa Gomez ontving op zijn zolderkamertje tal van Nederlandse staatslieden en besprak op zijn wijze de plannen die uiteindelijk voerden tot het Statuut dat namens de Antillen werd bekrachtigd door Efraim
Jonckheer van de Democratische Partij waarmee de toenmalige Partij van de Arbeid een overeenkomst had gesloten, die veel later overigens, volkomen werd vergeten.
De afdeling had, dank zij Gomez, toestemming gekregen om de besprekingen in de Tweede Kamer, het was 1948, terzake van de toenmalige grondwetwijziging, waarbij de Antillen en Suriname algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen kregen, uit te zenden. Voor de eerste keer in de geschiedenis was de radio in het parlement aanwezig en verschillende kamerleden namen de gelegenheid te baat onze toestellen te bekijken. Bij die gelegenheid merkte een toenmalige minister op dat deze gebeurtenis uitzondering moest blijven, want, zei hij: ‘Anders zullen de kamerleden niet tot de voorzitter maar tot het publiek gaan spreken.’ De goede man voorzag niet dat jaren later zowel ministers als kamerleden zich voor de microfoon en de camera's zouden verdringen!
Da Costa Gomez beheerste naast die onvergetelijke minister Kernkamp, meer dan Pengel uit Suriname, meer dan Jonckheer en meer dan Suriname's Lim a Po de ronde tafelconferenties van toen. Keer op keer benutte Gomez de wereldomroep om zijn visie aan het Antilliaanse publiek uiteen te zetten. Het was een heerlijke en uiterst spannende tijd. Inspannend voor de technici die urenlange toespraken op de plaat vastlegden die later op de avond verkort werden uitgezonden.
De reportages van de ronde tafelconferenties zouden gemakkelijk een geheel hoofdstuk kunnen beslaan. Maar liever roep ik enkele bijzondere figuren in mijn herinnering terug. Zo heeft prof. Van Praag, de grote hispanoloog, vele malen aan de toenmalige uitzendingen meegewerkt. Hij vertaalde hoofdstukken uit de belangrijkste en in Nederland nog onbekende romans van grote Zuid-Amerikaanse en Cubaanse schrijvers. De schitterende opstellen die Van Praag schreef trokken ook in Nederland aandacht en dank zij hem en de uitgeverij Meulenhoff vonden de Zuid-Amerikaanse schrijvers hun weg naar een Nederlands publiek. Dat het Caraïbisch gebied een eigen culturele ontwikkeling kende, die slechts zijdelings verband houdt met Spaans en Portugees Amerika, was Van Praag natuurlijk bekend maar toch meende hij in sommige opzichten overeenkomsten te ontdekken. Cola Debrot daarentegen, zijn latere Antilliaanse Cahiers getuigen daarvan, was zich echter in sterke mate het bestaan van een Caraïbische beschaving bewust en vestigde op zijn manier de aandacht op schrijvers in vooral Brits-West-Indië. En tenslotte woonde in Londen Rosy Pohl, de vrouw die de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse letterkunde ontdekte en vertaalde. Vertalingen waarvan de voordrachtskunstenaar Otto Sterman voor de West-Indische luisteraars dikwijls op zeer overtuigende wijze gebruik maakte.
Ondertussen nam het aantal commerciële stations op de Antillen en in Suriname voortdurend toe. De plaat moest plaats maken voor de bandopname. Daardoor werd verzending gemakkelijker en goedkoper. Inmiddels was ook de Sticusa haar werk begonnen en zij nam de verzendkosten van programma's voor de diverse stations voor haar rekening, terwijl men in onze studio's eigen opnamen verzorgde. Binnen de Sticusa dook een nieuwe letterkundige figuur op, Eddie Hoornik, die voor het eerst Nederlandse schrijvers zoals Harry Mulisch, Bernlef, Cees Nootenboom en anderen voor de microfoon bracht. Met Hoorniks medewerking ontstond een enorme wisselwerking tussen de lokale stations en de afdeling en vooral daardoor wonnen de korte verhalen die Boeli van Leeuwen destijds voor de uitzendingen schreef nog aan waarde. De lokale stations zonden die bijdragen eveneens uit en het merkwaardige was dat Boeli meer aandacht trok dan de genoemde Nederlandse schrijvers, zoals uit de reacties bleek. Van Leeuwen liet duidelijk merken dat hij in Nederland een eigenaardig dubbelleven leidde. Volledig opgenomen in Nederland was hij tegelijk in de ban van een hevig verlangen naar Curaçao.
Of de verhalen uit die tijd nog bestaan weet ik niet. Maar na al die jaren herinner ik me enkele bijdragen, zoals de geschiedenis van een Curaçaose familie, vader, moeder en dochters met verlof in Nederland. Moeder en dochters genoten dag in, dag uit van de grote stad en de vele winkels maar de vader sloot zich dagelijks op in Artis, de grote dierentuin, waar hij zelf gekooid, tussen de gekooide beesten zat. In weer een ander verhaal vertelde Van Leeuwen iets over een paar ambtenaren die met studieverlof naar Nederland waren gezonden. Zij vonden onderdak in een Nijmeegs hotel. Het was een mooie zomer en tot vertwijfeling van de hotelhouder zaten ze iedere dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat op het terras waar ze stromen whiskey dronken en onophoudelijk naar de meisjes floten. In al die, soms humoristische verhalen, zat een element dat later vorm kreeg in zijn roman Een vreemdeling op aarde.
Frank Martinus was minder weemoedig. Hij leek een geëngageerd dichter zoals men er in Nederland in die tijd meerdere kende. Ik herinner me van hem een groot vers waarin hij het leed van de zwarte arbeiders in de Afrikaanse diamantmijnen stelde tegenover de weelde van de mensen die zich met dure stenen versieren. Soms werd ik niet door de dichter Martinus overtuigd en daarover voerde ik een gesprek met Cola Debrot die me peinzend toevertrouwde: ‘Let op, in die jongen steekt een groot prozaïst.’ Debrots voorspelling kwam uit toen zijn meesterwerk Dubbelspel verscheen. Tot zover iets over de Curaçaose letterkundige bijdragen van toen. Het lukte dank zij de snelle technische vooruitgang op de Antillen eigen West-Indische muziek te reproduceren op band en plaat.
Toen Prins Bernhard de eilanden na de oorlog bezocht was hij ook te gast op de plantage Knip van Richard Muskus. Bij die gelegenheid had Muskus een muziekgezelschapje uit Westpunt uitgenodigd om de bijeenkomst op te luisteren. De ‘muziek di zumbi’ maakte diepe indruk op mij en ik vroeg Horacio Hoyer een opname te maken die hij inderdaad na enige tijd naar Hilversum zond. Hoewel Horacio vreesde dat de belangstelling van het kopende publiek op Curaçao voor deze unieke muziek gering zou zijn, gingen de opnamen als warme broodjes over de toonbank. Helaas nam de invloed van vooral Cubaanse en Dominicaanse muziek op de Antillen sterk toe. Toch waren er ook tegenkrachten. Vooral op Aruba waar Rufo Wever en Padu Lampe de aloude tumba in ere hielden en daaraan zelfs een nieuw élan schonken. Hun platen werden regelmatig in de programma's van de afdeling gedraaid maar hoewel ik in de hoop leefde dat deze bijzondere muziek ook weerklank zou vinden in Nederland moest ik tot mijn teleurstelling vaststellen dat dit niet zo was. In Europa, ook in Nederland, won de sterk proletarische pop-muziek voortdurend veld en tegenover deze enorme invloed konden de fraaie wijsjes en aristocratische walsen van de Antillen niet op. Amerikaanse arrangeurs, steeds op zoek naar nieuwe mogelijkheden, hadden reeds tijdens de oorlog de calypso van Trinidad ontdekt. Daarna had men de Jamaicaanse reggea, in verbasterde vorm, gepopulariseerd. De Antilliaanse muziek paste niet in het complex van grotendeels quasi revolutionaire muziek die de grote platenmaatschappijen in de wereld wensten te verkopen. Zo werd de echte en niet verbasterde volksmuziek slechts een plaatsje gegund in kleine, speciale platenzaken. Daar kon men de weemoedige muziek terugvinden van Jamaica's ras tafari's, met hun verlangen naar Afrika en hun afkeer van Babylon, de poel des verderfs waarin de blanken leefden. Alle oorspronkelijke uitvoeringen van Trinidad's calypso's gingen grotendeels verloren behalve het destijds gestolen melodietje ‘Rum and Coca Cola’, de meest felle politieke parodie ooit geschreven, die echter door de Nederlandse omroep niet mocht worden uitgezonden omdat men het beschouwde als reclame voor een frisdrank, en reclame was via de Nederlandse omroep streng verboden!
Met de verzuchting: ‘de tijden veranderen’ eindigen we deze herinneringen aan lang geleden.