Als een ritmeester, hoog gezeten op zijn zilvergrijs paard, rijdt Coco de veldwachter en veldassistent van districtmeester Van Leeuwen elke dag langs de geitenpaadjes van Landhuis Rust door Klein Kwartier naar zijn huis aan de Seroe Loraweg. De bruine beenkappen beschermen hem tegen de scherpe wabis en imfrous, terwijl de klewang achteloos aan zijn zijde bengelt.
IJverig poetst Mooi de achtcylinder Buick van de directeur van Landswatervoorzieningsdienst Beaujon, terwijl Pedrito luid kletsend de tuin en planten rond het landhuis Klein Kwartier verzorgt. In de ‘hoffie’ verzorgen de vitó en tuinlieden de vruchtbomen. Hoog in de lucht worden watermolens door Tele en Johan onderhouden. De oude Didi werkt rustig aan zijn houtskooloven. Otto-alemán en Jimmy-batijandi werken, met gloeiend gesmolten lood, gestadig aan de aanleg van het nieuwe distributienet van de waterleiding voor het eiland.
Op Landhuis Rust onder de tamarindeboom, naast de pal'i-shimaruku - beiden staan er nog - wacht Phelipa keurig in uniform gekleed in de dienstauto op ‘Meneer’ - de Districtmeester Shon Piet - voor de rit naar de zitting op Montaña. In de volle volière van Shon Piet fluiten en kirren de prachtige kleurrijke vogels, welke hij met grote liefde verzorgt. In de keuken en in de huishouding zwaait kokkin-jaja Tela en assistenten de scepter. Vroege bezoekers voor de hoogste autoriteit van Banda Ariba wachten op hun beurt nabij de ingang van het kantoor, dat deel uitmaakt van de dienstwoning.
Coco, de vriendelijke veldwachter, gekleed in stijf gestreken bruine uniform met zilver gebombeerde knopen, koppel en pistool, houdt een praatje met deze mensen en verneemt alle wetenswaardigheden van Banda Ariba, welke hij straks kan overbrengen aan de districtmeester. Zijn wakend oog let ook op de spelende kinderen opdat hen niets overkomt.
In de verte zijn stemmen hoorbaar vanuit het Landhuis Joonchie, terwijl af en toe een houten passagierstruck op de macadamweg tussen Rust en Joonchie, richting Sta. Rosa of Punda snort, veel stofoverlast achterlatend.
Op het landhuis Rust woont de familie van Leeuwen en op Klein Kwartier de familie Beaujon, in respectievelijk de ambtswoning van de Districtmeester en de Directeur Landswatervoorzieningsdienst.
Met het bovengeschetste als achtergrond lopen Boelie en ik blootvoets door de mondi, gelegen tussen de beide plantages en verkennen de dammen, planten, putten, molens en waterbakken, vogel- en reuze bachaganesten. Wij halen een verstrengelde geit uit de trankeer en schieten met onze chinchas of Diana hagelgeweer enkele blousanas naar de andere wereld. Het raken van een voorbij springend konijntje lukt zelden. Het diertje is te snel voor het vizier van de chincha of het hagelgeweer.
Als speelkameraden mogen meelopen, Tico, Boelie's broertje en mijn broertje Oka, alsmede enkele kinderen van het huispersoneel. Ons speelterrein is dus het gebied tussen de plantages en ook het oostelijk deel van Klein Kwartier met een grote hoffie met honderden larahabomen en vele bakies met water. Gretig wordt gezwommen tussen grote kakalakanan di awa, groene lima op het water, dori-sapos en nog veel meer insecten. Onder de steeds stromende aanvoerpijp van de grote molens van het pompstation Klein Kwartier wordt afgespoeld en de tocht door de mondi voortgezet.
Als ‘dam Stribeek’ wordt gebouwd is er iets nieuw te beleven. De eerste transportband vervangt deels de kruiwagen. Normaal wordt een grote dam gebouwd door een ploeg gravers met piki i skop, een groep kruiwagen grondverplaatsers en de groep die de dam opbouwt en later de sakadó afwerkt. Met de transportband konden de kruiwagens meteen met het afgegraven diabaas worden gevuld vanuit de graafput. Begrijpelijk dat wij ook eens moesten proberen hoe zo'n ritje op de band was.
Ook het vangen van verscholen lagadishies in de opgestapelde waterleidingpijpen, bestemd voor het nieuwe net, is een dagelijks vertier. Natuurlijk heeft ieder van ons een eigen buriku, weliswaar zonder zadel, maar met een saku di pita als zadel en een stuk touw als bosá om als teugel te dienen, wordt flink gereden. Ik zal nooit vergeten hoe ik eens bij het grote rode hek van hoffie-pariba door mijn buriku poter uit het zadel werd geworpen en aan de andere kant van het hek terecht kwam tot grote hilariteit van Boelie en andere vriendjes. Ja, daar sta je dan met je opschepperij om de ezel te leren springen ...
Wij kampeerden overdag vaak in de mondi, en in de ‘dam di kalbas’ hadden wij een rovershol gemaakt onder de takken van een karawara'i mondi en daar werden onze schatten bewaard. Uit de grote hoffie konden wij ons tegoed doen aan mangos, mispels, cocos, kashu-surinam en andere vruchten. In de regentijd waren de aanplantingen rondom de dammen vol grote patias en melons, terwijl ook de shimaruku-bomen volop vrucht gaven. Ook menig zelf geschoten of in een kui gevangen alablanka verdween in de pan. Zo beleefden wij de natuur zonder schade aan te richten.
Allerlei oud materiaal van zowel de waterleiding als van de district-
meester werd in ons holletje als trofee bewaard. Ik zie nog onze grootste triomf voor ogen. Boelie bracht eens een stel oud-model verroeste pistolen, vermoedelijk behorende tot een tientallen jaren voordien in beslag genomen en vergeten wapens, die in bewaring waren bij de districtmeester. Wij voelden ons als God in Frankrijk met deze wapens en luisterden hangend aan Boelie's lippen naar het gebruik hiervan. Daarna begroeven wij ze nabij ons hoofdkwartier. Later toen wij de wapens moesten terugbrengen hebben wij ze nooit kunnen terugvinden; de juiste plek hadden wij in onze onervarenheid niet precies gemarkeerd. Vermoedelijk zijn ze na de openlegging van het terrein ter plaatse in de grond verdwenen.
Natuurlijk speelden wij polis i ladron. Ook als de dammen vol water stonden was het heerlijk zwemmen in de dam. Dat je af en toe met een onder water staande cactus of wabiboom in aanraking kwam nam je naast de ervaring en pret, op de koop toe zonder morren. Toen op de Sta. Rosaweg een zware kabel werd gelegd kregen wij de grote rol kado. Wij rolden met veel moeite dit enorme wiel naar ons hol, en maakten er twee vlotten van die wij bij een volle dam gebruikten als roversschip en bevochten elkaar tussen de boven het water uitstekende planten.
Naast dit spel in de vrije natuur moesten wij ons echter ook houden aan strenge huisregels. Een huisregel kon niet zonder terechtwijzing of straf worden overtreden. Ondermeer gold als regel dat je huiswerk op tijd klaar was voor je ging spelen, dat je een goed rapport van school meebracht, dat je op tijd thuis was voor de gezamenlijke maaltijden, dat je verdween voordat je ouders ‘pasa mucha’ riepen als er bezoek was en je er niet bij hoorde, terwijl je thuis ook kon rekenen op verantwoording als je op school of elders je niet naar de gestelde normen had gedragen.
Als werd afgeweken van de regels volgde bij mij zeker een pak slaag, al dan niet met opsluiting in een speciaal daarvoor bestemde kamer waar je alleen kon lezen en alle andere spelletjes ontbraken. Door een pyama aan te doen werden de vluchtkansen verminderd. Bezoek kon je alleen stiekem krijgen van je vriendjes die dan achter de jaloezieën naar je kwamen informeren. Bij Boelie volgde zware onderhouding door Sjon Mimi en/of Papa Piet, maar meer nog door Tela, gevolgd met de straf in je slaapkamer te moeten blijven en/of op de driekantenstoel in de zaal te zitten. Lezen mocht je daar altijd.
Op Rust was het vaak polis i ladron, kurikohe of skonde spelen. Ik herinner mij de dag van vandaag nog hoe ik eens bij een spelletje kurikohe, op het drie à vier meter hoge dak van het landhuis, Boelie achterna liep op een rand van hooguit dertig centimeter breed. Om mij het tikken te beletten versnelde hij plotseling zijn vaart, kwam voor de haakse bocht aan de noordwest hoek te staan, kon niet meer remmen en vloog uit de bocht,
om met een reuze klap op de betonvloer vóór de keuken terecht te komen. Tela die juist met een vijf gallon kerosineblik op het hoofd de trapi pabou kwam oplopen, gilde luid: ‘Ai, mi Dios, mi Shon Boelie’, en stortte uit schrik al het water op de roerloos op de grond liggende Boelie. Ik heb altijd als jongen gemeend dat dit Boelie's redding was van een hersenschudding of welk ander letsel ook, want even later stond Boelie op, kreunend van pijn strompelde hij naar zijn bed. De volgende ochtend was hij weer tan ka tan.
Ik kon ook niet meer remmen, zag Boelie's val nog net, durfde de bocht niet te nemen, en koos om op een iets lager gelegen dak te vallen. Ik ging dwars door dit dak, waaronder een regenbak, en kwam zonder verdere kleerscheuren in het water terecht. Ik klom er met moeite uit en verdween stilletjes naar huis, voordat de storm op Rust zou losbarsten.
Boelie heeft behoorlijk op zijn donder gehad en moest, ik weet niet hoeveel uur, op de driekantenstoel in de zaal zijn straf uitzitten.
Een andere keer zouden wij de Perret Gentil's, die na 1929 op Joonchie woonden, gaan bezoeken om daar in de hoffie te spelen. Het was tegen de late middag, de tijd dat de passagierstrucks beladen met werkers uit Punda naar Sta. Rosa en Montaña gingen. Ik stak vanaf het zuidtrapje de weg over en stond op Boelie te wachten nabij de twee halfronde stenen bankjes bij de ingang van Joonchie. Boelie, niet voldoende uitkijkend, stak vlak voor een grote chevrolettruck de weg over. Het kon niet uitblijven. Hij werd door de wel veertig centimeter brede bumper geschept en met een smak midden in de kadushis en wabis aan de overkant van de weg gesmeten. Gerem, gegil van vrouwen, hemel aanroep, schrik in mijn hele lichaam, doch gelukkig zag ik Boelie bewegen en kruipend uit het struikgewas en cactussen komen. Hij kermde van pijn doch wreef hoofd en zitvlak, welke beide vol grote stekels en doornen zaten, maar was verder zo te zien in orde.
Wij gingen naar huis, waar Shon Mimi en Tela het gegil en gerem gehoord hebbende, ons opwachtten. Zij begonnen na de wondjes met jodium te hebben behandeld, wat reuze brandde, aan het verwijderen van de vele cactusnaalden uit alle delen van Boelie's lichaam. Ik weet niet of dit door de schrik op een pak slaag was, maar ik smeerde hem zo snel mogelijk naar huis. Helaas, de telefoon nr. 26 verbond nr. 283 en het bericht was op Klein Kwartier voordat ik er aankwam. Moeder stond klaar met de riem of schoen, ik weet niet meer welke, maar dat waren de tuchtwapens ... klaar om verantwoording te verlangen van het gebeurde en te oordelen in hoeverre ik schuld zou kunnen hebben gehad hierin, waarna natuurlijk het tuchtmiddel zou worden toegepast afhankelijk van de ernst van het vergrijp.
De meisjes Perret Gentil, Boelie's zus Elsje, en andere nichten werden weinig in ons spel betrokken. De vrije natuur trok ons het meest en meisjes gingen in die tijd niet zo maar de kunuku in zonder begeleiding. Alleen bij verjaarsfeesten e.a. speelden wij samen.
Wij gingen met de dienstauto naar school, de Schottegatweg was nog niet dan wel net geasfalteerd, maar Saliña was toen nog een echte zoutpan vol modder. Om sneller de stad te bereiken werd er als de saliña droog was, of droog leek, doorheen gereden. De gevolgen waren vaak niet mis. Tot op de bumpers zakten de wagens in het zoute modder en het duurde lange tijd voordat de wagens er weer waren uitgetrokken. Dit alles terwijl door over de dam te rijden de stad slechts een paar minuten later zou worden bereikt. Boelie, zus en broertje werden door de chauffeur, keurig in uniform gestoken, naar school gereden. Ik ging met vader mee of werd door de chauffeur Mooi gebracht. Wij bleven tussen de middag in de stad en aten bij vader op kantoor in het Fort Amsterdam. Boelie werd om twaalf uur weer opgehaald, ging thuis eten en keerde terug voor de middaglessen tot drie uur.
Shon Piet was een ware vogelliefhebber en daarnaast een fervente tennisser en bridgespeler. Shon Mimi was haar tijd ver vooruit als geëmancipeerde huisvrouw en hield meer van het sociale leven. Ook bestuurde zij zelf haar auto. Zij kregen dikwijls bezoek van Dokter Hopkins die een coctail kwam halen en ook zwager Shon Johnnie Gorsira was geregeld van de partij.
Mijn vader was altijd bezig met zijn werk, verder knutselde hij graag en 's avonds waren er altijd vrienden die een borrel kwamen drinken en vaak tot laat in de nacht bleven. Moeder zette dan de bruine Bols-kruik op de rand van de stupi samen met een kwart kaas en een blik royal lunch beschuit en verdween.
Bij de overval op Curaçao door de Venezolaan Urbina in juni 1929 was ook de familie Van Leeuwen betrokken. Door zijn districtmeesterschap viel ook Rio Canario onder Shon Piet, en mede door de koloniale politiek van Shon Grandi den Forti, werd hij door de groep als tegenwerker gezien en was wraak niet uitgesloten. Gelukkig werd hij tijdig gewaarschuwd en had, gezien noch militaire noch politiebescherming aanwezig was, geen andere keus dan zich ergens veilig te stellen. Dit gebeurde door met het gehele gezin naar Groot St. Joris te trekken en naar verluid zelfs naar Isla Makwakoe in de St. Jorisbaai te evacueren. Bij ons thuis volstonden wij met de familie Henriquez, ouders van Oscar Henriquez die toen op Joonchie woonden, naar de hoffie te trekken en aldaar de gebeurtenissen af te wachten. Gelukkig reden de Venezolanen langs Rust en Klein Kwartier, richting Ka'i Polbo en Dominguito naar de stad zonder iemand te molesteren.
Na mijn verhuizing naar Punda, ik meen in het jaar 1934 werd het contact met Boelie natuurlijk minder. Ook Shon Piet vertrok daarna naar Bonaire en later naar de Bovenwinden als gezaghebber, terwijl Boelie voor studie naar Nederland ging.
Na de oorlog en de terugkeer van Boelie op Curaçao hebben wij elkaar weer ontmoet en zien elkaar nog geregeld.
Boelie zegt altijd dat hij zich niet veel van zijn jeugdjaren herinnert, daarom hoop ik dat deze jeugdherinneringen hem kunnen helpen de ervaringen weer te beleven, en wellicht in zijn scherpe en prachtige schrijfstijl een verhaal uit die tijd op papier te zetten.
| Alablanka | duif |
| Bachaganesten | grote mierenesten in bomen |
| Bakies | grote gemetselde waterbakken voor het bewaren van het opgepompte putwater, voor bewatering van planten. |
| Gemiddelde grootte 4 × 4 meter, soms 4 × 6 m. Diepte meestal 1½ to 2 meter | |
| Banda Ariba | het westelijk deel van Curaçao |
| Batijandi | de naam die op Curaçao gegeven wordt aan mensen die van de Bovenwindse eilanden komen |
| Blousana | grote blauwe hagedis |
| Buriku | ezel |
| Buriku poter | onwillige ezel met kuren, moeilijk te berijden |
| Chincha | katapult, een vorkvormige tak met twee stukjes afgesneden binnenband en een stukje leer in het midden. Een rond steentje is het projektiel. Tot op 10 meter zeer zuiver op een doel van 10 cm hoog of breed. |
| Dori Sapos | kleine kikkers die in de waterbakken te vinden zijn; in de regentijd, als de dammen vol water staan, ook in de dammen. |
| Hoffie | vruchtentuin |
| Infrouw | een cactus, de Spaanse juffer (Opuntia) |
| Kadushi | boomcactus (Cereus repandus) |
| Kakalakanan di Awa | zwarte watertorren die in de bakies zwemmen |
| Karawara di mondi | een heester (Cordia alba) met witte bessen. Met deze bessen, die eetbaar maar niet smakelijk zijn, kun je het papier van een vlieger plakken, dus als lijm te gebruiken |
| Kunuku | akker of veld |
| Kurihohe | krijgertje spelen |
| Lagadishies | hagedissen |
| Mondi | wildernis, niet in cultuur gebrachte grond |
| Pal'i Shimaruku | heester of boom (Malpighia punicifolia) die in het wild groeit, met vitaminerijke kersen |
| Pasa Mucha | ‘verdwijn kind’. Uitdrukking die volwassenen gebruiken |
| als ze niet willen dat kinderen de gesprekken afluisteren of in gezelschap van grote mensen zijn | |
| Piki i skop | pikhouweel en schop |
| Polis i ladron | het spel van politie en dief. De politie moet de dief opsporen, achterna zitten en aftikken |
| Sakadó | de wateroverloop van de dam, van cement gemaakt, ligt lager dan de kruin van de dam, zodat het water daar overheen stroomt en nimmer de kruin van de dam kan bereiken. Reikt het water te hoog, dan zou de dam barsten: Dam ta kibra. |
| Saku di pita | jute zak |
| Shon Grandi den Forti | ‘Grote heer van het fort’, de gouverneur |
| Skonde | verstoppertje spelen |
| Tan ka tan | uitdrukking met de betekenis van geheel opgeknapt, weer klaar voor de volgende akte |
| Trapi pabou | aanduiding dat de trap aan de westzijde van het huis is (Pariba is ten oosten) |
| Vitó | plantage-opzichter |
| Wabi | een heester of boom (Acacia tortuoso) |