terug  begin  verderprepost
[p. 133]

Aart G. Broek
Het prozadebuut van Boeli van Leeuwen: De Mensenzoon

De Caraïbische literatuur wordt gedomineerd door de beeldvorming van en de visies uit de Afro-Caraïbische leefwereld. Hindoestanen, Chinezen, Joden, blanke creolen en andere bevolkingsgroepen nemen een meer of minder marginale plaats in.1 Die plaats is in de meeste gevallen voor de Joodse bevolkingsgroep een alles behalve ongunstige, in tegenstelling tot die van de blanke creolen. Auteurs met een niet-Joodse achtergrond treden de Joodse bevolkingsgroep en haar geschiedenis meer dan eens (zeer) welwillend tegemoet.

 

In haar roman Moi, Tituba Sorcière (Noire de Salem) (1986) heeft de Frans-Caraïbische auteur Maryse Condé het leven van de slavin Tituba aan de vergetelheid trachten te onttrekken.2 Een leven waar betrekkelijk weinig over bekend is en waarvan de ‘open plekken’ op ingenieuze wijze zijn ingevuld door Condé. Haar belangrijkste aanknopingspunt zijn de processen tegen de ‘heksen van Salem’ in 1692. Een van deze ‘heksen’ waarop de puriteinse gemeente in het Noordamerikaanse stadje het had gemunt was Tituba ‘een slavin van Antilliaanse oorsprong die waarschijnlijk aan vodou deed’. De verklaringen die Tituba voor de ‘rechtbank’ aflegde zijn ten dele bewaard gebleven en vormen een klein onderdeel van Condé's roman. De processen kostten het leven aan twintig personen, voornamelijk vrouwen. Tituba wordt niet ter dood veroordeeld, maar verdween het gevang in. Bekend is nog dat Tituba tegen het eind van het jaar 1693 werd verkocht voor de prijs van haar ‘kost en inwoning’ in de gevangenis, haar kettingen en boeien. In de korte ‘Historische aantekening’ die Condé aan haar roman toevoegt, stelt de schrijfster expliciet de vraag naar de koper aan de orde en verwoordt vervolgens haar belangrijkste drijfveer:

(Verkocht -) Aan wie? Het racisme, bewust of onbewust, van de geschiedschrijvers heeft elk spoor van haar uitgewist. Volgens Anne Petry, een zwarte Amerikaanse romanschrijfster die eveneens belang stelde in (Tituba), werd ze gekocht door een wever en sleet ze haar dagen in Boston.
Een vage overlevering wil dat ze werd verkocht aan een slavenhandelaar die haar mee terugnam naar Barbados.
Ik heb haar een einde van mijn keuze gegeven.

Condé heeft afstand genomen van Petry's versie en heeft zich aangesloten

[p. 134]

bij die overlevering, zodoende het bewuste of onbewuste racisme in de geschiedschrijving enigszins compenserend. In de roman wordt Tituba gekocht door een Joodse koopman wiens twee schepen onder meer op Barbados varen. Deze koopman, Benjamin d'Azevedo, heeft zijn vrouw verloren en is vader van een negental kinderen bij haar. Er groeit al vrij snel een innige liefde tussen de ‘slavin’ en haar ‘meester’. De tekening van het geluk dat beiden bij elkaar vinden staat lijnrecht tegenover de beschrijvingen in tal van fictionele teksten uit de Caraïben waarin blanke mannen sexueel misbruik maken van hun slavinnen - te beginnen bij de eerste alinea van Condé's roman:

Abena, mijn moeder, werd verkracht door een Engelse zeeman. Dit gebeurde op een dag in 16**, op het dek van de ‘Christ the King’, terwijl het schip naar Barbados voer. Ik was het gevolg van deze aanranding. Van deze daad van haat en minachting.

Niet alleen ontkomt deze Joodse man onder de handen van Condé aan de rol van onderdrukker en uitbuiter, hij krijgt in haar roman een beeld mee dat hem en de zijnen plaatst in een positie die vergelijkbaar is met die van de uit Afrika meegesleepte slaven. De geschiedenis van hun volken doet niet voor elkaar onder in de ervaren gruwelijkheden en het lot van Cohen d'Azevedo is in de puriteinse gemeenschap minstens zo afschrikwekkend als dat van Tituba: zijn kinderen komen om in de vlammenzee die zijn huis voor korte tijd is nadat het werd aangestoken door haatdragende puriteinen die menen Engeland niet te hebben verlaten ‘om naast joden en negers te (moeten) leven die tieren als onkruid’.

Een dergelijke gelijkstelling komt vaker voor in de Caraïbische literatuur en kreeg de subtielste en daardoor krachtigste ondersteuning in de roman La mulâtresse Solitude van André Schwarz-Bart.3 Deze roman wordt afgesloten met een voettocht van een potentiële toerist naar de plaats in de hoge heuvels van Guadeloupe waar opstandige slaven, waaronder de mulattin Solitude, eeuwen eerder hun dood vonden. Deze opstand en de betrokkenheid van Solitude, als ook haar leven vormen de feitelijke roman die aan de ‘epiloog’ vooraf gaan. Schwarz-Bart eindigt met de volgende zinnen:

Wanneer (de toerist) in de stemming is om een herinnering tot leven te roepen, zal zijn voorstellingsvermogen de omgeving met mensen invullen en menselijke gestalten zullen rond hem opstaan, net zoals, volgens zeggen, de gedaanten die rondzwerven in de vernederende ruïnes van de Joodse ghetto's in Warschau voor de ogen van andere reizigers opdoemen.

De historie van de zwarte en die van de Joodse bevolking worden gepresenteerd als vergelijkbare entiteiten met een bewonderenswaardige door-

[p. 135]

zettingsvermogen en inventiviteit waar het haar typerende representanten betreft, terwijl de (evidente) verschillen tussen deze twee groepen terzijde zijn geschoven. Het gegeven dat in de 20ste-eeuwse Caraïbische literatuur ontegenzeglijk de nadruk ligt op het leven en lijden van de zwarte bevolkingsgroep geeft echter duidelijk aan dat die verschillen niet worden verdoezeld.4 Een werk als het prozadebuut van Boeli van Leeuwen brengt bovendien nuances aan in de beeldvorming van ‘de’ Joden in de Caraïbische literatuur, niet in de laatste plaats zoals deze in de Antilliaanse literatuur van dat moment naar voren was gekomen.

 

In de in eigen beheer uitgegeven De Mensenzoon (1947) treedt Van Leeuwen in discussie met vigerende opvattingen over - wat hij zelf in het voorwoord tot het eigenlijke verhaal noemt - ‘het kernpunt en tegelijkertijd de grootste vraag in het Nieuwe Testament (...): Waarom moest Judas Christus verloochenen?’. Op zich is deze preoccupatie met een andere tekst geen uitzonderlijke handelwijze. In feite vormen alle Caraïbische literaire teksten tesamen een meer of minder felle, onderlinge woordenwisseling, maar ook een pennestrijd met scribenten van niet-literaire teksten en met auteurs en hun geschriften van buiten de regio.

Condé geeft in haar nawoord onomwonden te kennen met haar roman de gerechtelijke scribenten uit de 17e eeuw en de talrijke historici daarna terecht te wijzen, geeft te kennen dat Anne Petry's invulling van Tituba's levensloop alles behalve de hare is en plaatst met name kanttekeningen bij de literaire aandacht voor de processen rond de ‘heksen van Salem’ in Arthur Millers The Witches of Salem, waarin het lot van de blanke heksen centraal staat.

Van Leeuwens concentratie op een Bijbelverhaal en de interpretatie daarvan is evenmin als zodanig uitzonderlijk voor de Caraïbische literatuur. Verschillende auteurs uit de Caraïbische regio hebben één of meerdere personages uit de Bijbel en hun wederwaardigheden als uitgangspunt genomen voor een nieuwe interpretatie van en een verhelderende visie op die Bijbelse figuren en hun handelen, èn als structurend element voor hun eigen roman. Brother Man (1954) van de Jamaicaanse auteur Roger Mais en Ti Jean L'Horizon van Simone Schwarz-Bart zijn dergelijke romans die ook buiten de regio grote bekendheid genieten.5 De vijf romans van Van Leeuwen zijn verder evidente voorbeelden van de be- en verwerking van Bijbelse motieven in de Caraïbische literatuur. De Mensenzoon wijkt echter belangrijk af van deze specifieke vorm van ‘intertextualiteit’: een Bijbelse figuur of gebeurtenis speelt niet een meer of minder belangrijke rol op de achtergrond van het feitelijke verhaal dat de roman vormt, maar een reeks van belangrijke Bijbelse gebeurtenissen wordt herschreven.

[p. 136]

In de vooroorlogse Antilliaanse literatuur, i.c. die tussen circa 1918-1938, werd in de Papiamentstalige literatuur de Afro-Curaçaose bevolkingsgroep een centrale rol toebedeeld. In het werk van Willem Kroon, Manuel Fray, Minguel Suriel, Emilio Davelaar, José Kleinmoedig en anderen krijgt deze grote, overwegend rooms-katholieke groep positief waarderende aandacht waar het haar potentiële mogelijkheden om sociale veranderingen in het licht van het Katholicisme betreft, te bewerkstelligen.6 De blanke élite speelt in deze literatuur een uiterst marginale rol.

Die élite, in het bijzonder haar vermeend hoge sociaal-culturele prestaties in de 19de eeuw, wordt daarentegen in het Spaanstalige werk van de Curaçaoënaar John de Pool met een dikwijls ongebreidelde bewondering ten tonele gevoerd. Met name in diens memoires Del Curaçao que se va (1935) en de novelle El primer chispazo de genio (1937) plaatst De Pool een lange reeks van eminente Joodse representanten uit die Curaçaose élite in de schijnwerpers en op een voetstuk om door allen bewonderd te worden.7 Mordechay Ricardo, een Joodse advocaat en later procureur van Curaçao, is, in de ogen van De Pool, een dergelijk lichtend voorbeeld.

Op Curaçao vond de onafhankelijkheidsbeweging ook haar eerste beschermheer, de rechtschapen en edele advocaat dr. Don Mordechay Ricardo, die heden onbekend en vergeten is. Hij heeft Bolívar en zijn kameraden onder zijn hoede genomen en in feite heeft hij de landen die later door zijn protégé zijn bevrijd verplicht tot eeuwige dankbaarheid. Zijn stoffelijk overschot heeft het recht om vereerd te worden in het Nationale Pantheon [in Caracas, AGB], dat immers door ‘Het Vaderland aan zijn Grote Dienaren’ is gewijd (El primer chispazo de genio, p. 72).

Een Joodse man als voorbeeldige bewoner van zijn eiland, als voorbeeldig vertegenwoordiger van zijn generatie en die welke na hem komen.

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog worden representatieve voorbeelden uit twee Curaçaose groepen naar voren geschoven. Achter het specifieke Papiamentstalige werk wordt rond 1937 een punt gezet, waarmee het aangegeven ideaal zoals belichaamd door de Afro-Curaçaose ‘helden’ van het toneel verdwijnt. Het werk van De Pool staat dan juist aan het begin van een tot nu toe durende belangstelling en gunstige beoordeling, een positief waarderende visie op de Joodse bevolkingsgroep met zich meedragend.

 

Het heeft de Joodse bevolkingsgroep uit de Caraïbische samenlevingen niet ontbroken aan welwillende literaire aandacht. Zowel in het licht van een dergelijke bejegening in de hedendaagse Caraïbische literatuur als van die in de Antilliaanse literatuur die voorafging aan de publikatie van De Mensenzoon neemt Van Leeuwen's verhaal een bijzondere plaats in. Ener-

[p. 137]

zijds doordat de auteur een zeer directe confrontatie aangaat met een stukje uit de Joodse geschiedenis - in plaats van de frequenter voorkomende indirecte verwerking (de bijzondere vorm van ‘intertextualiteit’ waarover hierboven werd gesproken) -, anderzijds door de bewondering voor het Joodse verleden bij te stellen.

 

Het feitelijke verhaal dat de titel De Mensenzoon meekreeg - waaraan, zoals reeds opgemerkt, een voorwoord vooraf gaat - wordt gevormd door vier gedeeltes. Onder de respectievelijke hoofdstuktitels van ‘Avondmaal’, ‘Judas’, ‘Pilatus’ en ‘Lama Sabachtani’ tracht Van Leeuwen in de verhalende tekst de door hem cruciaal geachte vraag ‘Waarom moest Judas Christus verloochenen?’ te beantwoorden door de fragmenten uit de evangeliën van vier discipelen tesamen te brengen en te herschrijven. In dat voorwoord geeft Van Leeuwen expliciet te kennen een antwoord in de richting van ‘Judas als verrader, handelend uit jaloezie, wraakzucht en/of hebzucht’ zondermeer ‘absurd’ te vinden. Evenzo expliciteert de auteur zijn antwoord:

Judas heeft hem niet verkocht of doelbewust willen vermoorden. Zijn daad was een lotsdaad en hij heeft net zoo min schuld aan zijn eigen handeling als ieder ander. De hypnose die hij onderging bij de woorden ‘Alwie ik de bete broods, na ze ingedoopt te hebben, zal aanreiken, die zal mij verraden’, lag als een ban op zijn handelingen, [accentuering toegevoegd, AGB]

In het verhaal komt het accent echter niet uitsluitend op Van Leeuwens persoonlijke opvatting te liggen, maar wordt de gedachte aan verraad langzaam maar zeker opzij geschoven voor die van een - zeer noodzakelijke - lotsbepaling.

De gedachte aan het verraad speelt de antagonisten van Jezus voortdurend door het hoofd: zijn discipelen tijdens het laatste avondmaal, Judas met de ‘rinkelende zilverstukken’ van de hogepriester en oudsten op zak, Pilatus voor de Joodse meute die Jezus' dood eisen. De verteller schuift echter consequent de lotsbepaling naar voren om de dominante interpretatie van Judas' gedrag (en die van zijn indirecte handlangers) te ondermijnen.

De vervulling van het schrift, het onafwendbare, was nabij en achter zijn gesloten ogen zag (Jezus) in een klaar licht het komende.
(...)
Deze (d.i. Judas) had Jezus lief en (Jezus) voelde in het onbewogen aannemen van zijn woorden (door Judas) de heftige smart voor de vervulling van het lot.
(uit het hoofdstuk ‘Avondmaal’)
[p. 138]
Een mens (d.i. Judas) ging door de nacht en de aarde wachtte op het bloed dat komen moest, als mest voor nieuwe vruchtbaarheid.
(uit het hoofdstuk ‘Judas’)
Het volk buiten begon onrustig te worden. Daarom zei hij (d.i. Pilatus) dringend tegen Jezus: ‘Ik ben toch geen Jood! Uw volk en hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?’
Maar reeds was hij (d.i. Pilatus) in zichzelf overtuigd van zijn onschuld en de onmogelijkheid van een rechtelijk proces.
(uit het hoofdstuk ‘Pilatus’)

Maar ook Jezus aan het kruis ontkomt niet aan de gedachte van verraad.

En in de stilte van de nacht, klonk de kreet van den gemartelde, worstelend met zijn wanhoop ‘Eli, eli, lama sabachtani’. Maar God antwoorde niet en in een razende angst voelde hij (d.i. Jezus) het laatste verraad. (...)
Terwijl hij zijn gekweld lichaam uitrekte, hóóg boven het kruis uit, ging wederom een klacht door de nacht, over bossen en heuvelen, dalen en rivieren, opgalmend tot in den hemel ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’
(uit het hoofdstuk ‘Lama Sabachtani’)

Het betreft hier echter ‘verraad’ van een geheel andere orde dan dat wat menselijke derden in hun menselijke gedragingen betitelden en geneigd zijn om te betitelen als verraad. Jezus' woorden worden niet gevolgd en daardoor niet vervangen door de tekst van de verteller die dit verraad als ‘lotsbepaling’ bestempelt. Op dit moment in het leven van Jezus is er wel degelijk sprake van verraad. Dat menselijke ‘verraad’ is de ‘vervulling van het lot’, d.w.z. noodzakelijke menselijke bijdragen aan het Goddelijke - en daadwerkelijke - verraad dat in feite alleen Jezus werd aangedaan: een vader laat zijn zoon in de steek, een vader verraadt zijn zoon. Een dergelijk verraad te kunnen doorstaan, zoals Jezus in staat bleek te zijn, is geen mensenwerk. De Mensenzoon eindigt dan ook met, ‘Waarlijk, waarlijk, hij was een Godszoon’. Niet dan na zijn kruisiging - ‘het verhevenste symbool van de mensheid’ - wordt deze ‘mensenzoon’ een ‘Godszoon’.

Met een dergelijke ‘martelgang’ werd niet alleen Jezus geconfronteerd, maar deze zal - in de ogen van Van Leeuwen - op de weg van iedere ‘mensenzoon’ liggen. Dit specifieke verraad een zoon aangedaan door diens vader zal (dan ook) een van de belangrijkste motieven in het werk van Van Leeuwen blijven, evenals het daarmee verbonden - als ‘verraad’ ervaren - ‘lot’ van derden. Jezus is echter wel de uitzonderlijke kracht gegeven om deze pijniging te doorstaan en tot een ongeëvenaard einde te brengen - in tegenstelling tot andere personages in Van Leeuwens romans.

[p. 139]

Met de verheerlijking van de Joodse zoon Jezus kapittelt Van Leeuwen het Joodse geloof in de exclusiviteit van de waarheden zoals neergelegd in de boeken van het Oude Testament, met de bijkomende absolute verwaarlozing van de overweldigende kracht die een zoon uit het Joodse volk ooit wist op te brengen. Jezus belichaamt in De Mensenzoon onder meer ‘de wijsheid van een groot volk’, maar dit volk wordt tevens afgeschilderd als een verwoestend beest.

Het viel hem (d.i. Pilatus) in hoe al deze mensen één groot dierenlichaam vormden, liggend op de rug van de aarde. En telkens lichtte het zijn hoofd op en vermorzelde in zijn kaken een prooi, soms uit honger, soms uit woede, maar meestal omdat een oergeweld er toe dwong.

Door Van Leeuwen wordt bewondering voor ‘de’ Joden vergroot door deze op bijzondere wijze in te perken en te sturen. Ook dit ‘beest’ speelt een noodzakelijke rol in de realisering van het lot, van het Goddelijke verraad en de ongeëvenaarde prestatie (dan wel ‘redding’) die dit tot gevolg had. Deze ‘rol’ wordt echter niet op de juiste waarde geschat, zo min als de prestatie van de unieke Joodse man, Jezus genaamd.

Door nieuwe nuances aan te brengen in de specifieke gedeeltes van de evangeliën die de kruisiging van Jezus en wat daaraan vooraf ging beschrijven, door het herschrijven van Mattheus, Lukas, Markus en Johannes wordt - vanzelfsprekend - eveneens de wijze waarop deze Joodse prestatie werd vastgelegd en daarop geïnterpreteerd door Katholieke en Protestantse exegeten gekritiseerd. Met name het onttrekken van Judas aan een ‘verradersrol’ is echter meer dan het ondermijnen van de algemeen gangbare visie op deze man. Van Leeuwen toont in zijn debuut reeds de compassie voor de mens in de ondergeschoven positie en in het web van de afhankelijkheden waarin hij verstrikt zit. Een compassie die in zijn latere romans eveneens een centrale plaats inneemt en kenmerkend genoemd kan worden voor de twinitigste eeuwse Caraïbische literatuur.

Tenslotte, met deze aandacht voor Jezus en Judas verschuift Van Leeuwen de literaire aandacht voor de Joodse élite - zoals bij De Pool - naar Joden die in eigen gelederen niet daartoe worden gerekend, èn anticipeert Van Leeuwen met de figuur van Jezus op het lijden en de daarachter verscholen triomf van het Joodse volk zoals dit in het werk van Condé en Schwarz-Bart wordt benadrukt door de parallellen met de Afro-Caraïbische bevolkingsgroep. Van Leeuwens De Mensenzoon lijkt zo een onmisbare link in de geschiedenis van de Caraïbische literatuur in te nemen.

1Zo verscheen in de Engelssprekende Caraïben eerst zeer recentelijk een verhalenbundel van een Trinidees met Chinese vooronders, waarin de leefwereld van de Trinidese Chinezen centraal staat, i.c. Willi Chen, King of the Carnival, Londen: Hansib Publishing Ltd., 1988 (met een voorwoord van Kenneth Ramchand).
2Maryse Condé, Moi, Tituba Sorcière (Noire de Salem), Parijs: Mercure de France (Collection Histoire Romanesque), 1986. Nederlandse vertaling onder de titel Tituba: de zwarte heks van Salem verscheen bij In de Knipscheer, Amsterdam, 1989.
3André Schwarz-Bart, La mulâtresse Solitude, Parijs: Editions du Seuil, 1972. Engelse vertaling onder de titel A Woman Named Solitude verscheen reeds in 1973, verkrijgbaar is nu de editie verzorgd door de uitgeverij Donald S. Ellis, San Francisco, 1985. Deze Frans-Joodse auteur heeft nauwe bindingen met de Caraïben, niet in de laatste plaats door zijn huwelijk met de vermaarde Frans-Antilliaanse auteur Simone Schwarz-Bart.
4Ruime aandacht voor de Afro-Caraïbische literatuur in Aart G.Broek, Het zilt van de passaten: Caribische letteren van verzet, Haarlem: In de Knipscheer, 1988.
5Gedetailleerd besproken in de in noot 4 genoemde essaybundel, pp. 95-121.
6Gedetailleerder in Aart G. Broek, ‘Educando un pueblo: literaire tegenstellingen op Curaçao in de jaren '20 en '30’, in: Bzzlletin, jrg. 16, nr. 143, febr. 1987, pp. 49-58. Vgl. ook pp. 69-79 in Het zilt van de passaten.
7John de Pool, Del Curaçao que se va. Curaçao, 1982 (fotografische herdruk van de eerste editie uit 1935); Nederlandse vertaling onder de titel Zo was Curaçao, Amsterdam: S. Emmering, 1986. John de Pool, ‘El primer chispazo de genio’, in: Boletin de la Sociedad Bolivariana de Panama, serie 6, nos. 21 en 22, pp. 179-224; herdrukt en van een inleiding voorzien door L.W. Statius van Eps en E. Luckman-Levy Maduro, in: Bolivar op/en Curaçao, Zutphen: de Walburg Pers, 1988. Over de memoires van De Pool handelt Aart G. Broek, ‘John de Pool's Del Curaçao que se va: An attempt at Reestablishing Cultural Grandeur’, in: Journal of Caribbean Studies, vol. 7, nos. 2/3 (1989/1990), pp. 141-150. De Pool's novelle komt gedetailleerder ter sprake in Aart G. Broek, Caraïbische literatuur: strijders en verliezers, Utrecht: Bureau Studium Generale (Rijsuniversiteit te Utrecht), 1989, pp. 4-7.
prepostterug  begin  verder