Vergeleken met de andere boeken van Boeli van Leeuwen heeft Een vader een zoon weinig aandacht gekregen van de officiële pers. H. van de Ent in Uitgelezen nr. 8 (Nederlandse Bibliotheek en Lektuur Centrum, 1985, p. 79) zegt er o.a. over: ‘Waar hij zich aan de regels van de kunst tracht te houden, in zijn novelle Een vader een zoon, verloor hij aan warmte die authentieke werken altijd in zich hebben’. Het idee dat volgens hem door het hele werk van Boeli van Leeuwen stroomt is, dat de mens zich voor de ander moet openstellen. En in dit boek breekt volgens deze auteur het christelijke inzicht door, als de zoon de vader doorziet en vergeeft.
Igor Kooperman schrijft in de Beurs en Nieuwsberichten (21 december 1978) over ‘een nogal navrant verhaal, waarin de uitzichtloosheid van het bestaan hetzelfde wrange gezicht heeft als in de eerste werken van Boeli van Leeuwen’. Kooperman heeft waardering voor de barokke stijl en de soms onnavolgbare bizar-chaotische taalplastiek.
Jos de Roo schrijft in Antilliaans Literair Logboek (De Walburg Pers, 1980) over de ‘bijna magische suggestie van de taal’. Hij ziet in deze novelle waarin het generatieconflict wordt uitgebeeld, het sluitstuk van een hele ontwikkeling: ‘De van oorsprong metafysische mens uit zijn eerste werk (De mensenzoon) die door de vader verlaten was, is in Boeli van Leeuwens werk geëvolueerd tot een menselijke zoon, die de vader vergeeft.’
In dit artikel zal ik eerst mijn visie geven op de in Een vader een zoon naar voren gebrachte problematiek, waarna ik zal motiveren waarom ik dit boekje nog steeds geregeld herlees.
Meneer Verbrugge heeft geen gemakkelijke jeugd gehad: hij is opgegroeid in de crisisjaren. Zijn vader was een kundig schrijnwerker die echter als gevolg van de economische crisis geen opdrachten meer kreeg en te trots was om onder een baas te gaan werken. Daardoor heeft het gezin bittere armoede gekend. Zijn moeder stierf aan kanker toen hij nog vrij jong was. Er zijn feitelijk maar twee dingen waar Verbrugge bang voor is: armoede en kanker!
Maar hij bezit een diepere angst, waar hij zich kennelijk niet van bewust is. Deze angst stamt uit zijn jeugdjaren. Zijn vader was een stugge, onbuig-
zame en zwijgzame man, onder wiens invloed hij zich moest leren plooien en buigen. Dit heeft hem ‘mentaal gecastreerd’, om de terminologie van de zoon te gebruiken. Het gevolg hiervan is dat hij als kind nooit op eigen verantwoordelijkheid heeft mogen en kunnen handelen. Daarom heeft hij ook niet geleerd om met zijn geweten overweg te kunnen. Hij laat ‘geen enkele emotie ... plotseling zijn geweten bespringen’.
Het voornaamste instrument dat hij hiervoor gebruikt is de taal. Elke bedreiging van zijn zielerust wordt geëlimineerd d.m.v. een cliché. ‘Hij noemt een gehavende Chinees een rare spleetoog, een hongerende Biafraan een zwarte Piet en een halfdood geknuppelde Javaan een enge katjang’. Hij heeft zich afgesloten van het lijden van anderen. ‘Zijn gevoelsleven is als een volkstuintje: klein, vierkant en van hem alleen’.
Dit verklaart zijn egoïsme. Verbrugge is iemand die met de tweede vrouw van zijn vader wegloopt en later stiekem weggaat, haar alleen achterlatend op een kleine zolderkamer, terwijl ze in verwachting is. Hij eist dat zijn vrouw de grootste vreugde van haar leven, de piano, de deur uit zal doen, omdat hij niet tegen dat ‘getingel’ kan: ‘Of de piano de deur uit of ik eruit’. Daarmee heeft hij haar kapot gemaakt. Hij eist dat zijn dochter Truus, een voorbeeldige leerlinge op het gymnasium van school moet, om voor het huishouden te zorgen, omdat de moeder ziek is (‘Wat had ik anders kunnen doen? Zelf mijn eieren bakken, zelf de was doen?’). Sindsdien loopt ze rond ‘praktisch in haar blote kont’, ze is ruw in de mond geworden, onverschillig en brutaal en compleet jongensgek.
Door de onderdrukking die hij in zijn jeugd heeft meegemaakt, is Verbrugge iemand geworden die bang is voor verandering. Hij heeft zich verschanst in een vaste positie, welke hij nooit meer zal verlaten. Hij is blij met kleine dingen: zijn Fiat, zijn sigaar, Ajax, de Panorama en de Telegraaf, zijn manchetknopen, een paar vrienden in de kroeg, ‘als je de kans kunt krijgen een jong, fris vrouwtje in bed, want het vlees wil ook wat.’ Een geliefde uitspraak van hem is: ‘Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.’ Dus de uiteindelijke drijfveer van zijn karakter is onzekerheid, welke leidt tot zelfbescherming; uit angst voor het nieuwe, onbekende, het pijnlijke. Het is een mens die ‘hardnekkig de grenzen van zijn volkstuintje verdedigt.’
Deze onzekerheid is het produkt van zijn ongelukkige jeugd. En vanuit deze optiek wordt het ons misschien minder moeilijk om de uitspraak van de zoon te accepteren:
En 's nachts, wanneer mijn vader achter de brede rug van mijn moeder slaapt ... is hij zo weerloos, dat ik erom zou kunnen huilen.
Als kind was Gerrit een stille jongen die ‘met zijn duim in zijn mond, een puntje van zijn zakdoek in een neusgat, uren uit het raam kon zitten kijken zonder met zijn ogen te knipperen’. Hij was een bedwateraar tot zijn tiende en had om de haverklap nachtmerries. Hij had geen vrienden en hield niet van de frisse buitenlucht.
Hij hield wel van schilderen en wilde zelfs naar de kunstacademie. Dit mocht niet van zijn vader omdat deze bang was, dat hij een ‘mietje’ zou worden. Inderdaad heeft Gerrit zich gedurende een bepaalde periode van zijn jeugd met homosexuele praktijken ingelaten, maar ‘deze fase is ook allang weer voorbij’.
Hij houdt van zijn moeder, ziet in ieder geval dwars door haar lichamelijk verval heen dat ze mooie ogen heeft en ‘de voeten van een balletdanseres’. Hij geeft vooral veel om zijn zus Truus. Als de vader haar van het gymnasium wil weghalen om het huishouden te doen, stelt Gerrit voor om thuis te blijven in haar plaats. Als zijn vader weigert en vraagt ‘of hij helemaal besodemieterd is om in huis de meid te willen spelen’ noemt Gerrit hem een schoft.
Op de weigering van de vader om hem naar de kunstacademie te laten gaan, reageert Gerrit met lijdelijk verzet: hij doet voortaan niets meer dan lezen en slapen en in de kroeg zitten met de ‘mietjes van de Academie’. Hij schildert ook niet meer, behalve dan op de rug van de twee schildpadden die hij in zijn kamer heeft rondkruipen; op de rug van de ene heeft hij FUCK geschilderd, op de rug van de ander YOU.
Hij heeft met zijn zus een stilzwijgende afspraak om de vader in de maling te nemen; ze pesten de vader waar ze de kans maar krijgen. Maar Gerrit blijkt uiteindelijk kwetsbaarder dan de vader; hij doorziet de hele situatie en weet van zichzelf dat hij maar een spelletje speelt:
Hij leest de Panorama en ik lees Wittgenstein, maar in de grond zijn we het eens. En het is waar: ik kan schildpadden niet uitstaan omdat je er geen contact mee kan hebben. Ik vind het erg dat mijn trotse zuster door iedere flapdrol betast en beknepen wordt. Ik vind een groot deel van de moderne kust puur bedrog.
Deze zelfkennis leidt zelfs tot zelfverguizing: hij vindt zichzelf een proleet,
een zoon die eruit ziet als een hippie, maar in wezen een landerige burgerjongen is met twee schildpadden in een doos onder zijn bed.
Hij vergelijkt zichzelf met Truus als volgt:
Het verschil tussen een proleet en een dame schuilt in het vermogen te vechten tegen slordigheid en vuil, gemakzucht en zwijnerij.
Samenvattend: Gerrit is een gevoelige, introverte, zeer intelligente jongen
die zit opgescheept met een oppervlakkige, bekrompen vader, die hem in niets leiding kan geven en die voor hem geen opvoedingsmodel is. Toch moet hij ervaren dat de appel niet ver van de boom valt; juist die reactionaire eigenschappen van de vader, welke hij hekelt, bezit hij zelf ook. Dit zou misschien niet zo erg geweest zijn als hij net zo dom en bekrompen was als zijn vader. Maar zijn scherpe intelligentie dwingt hem tot een genadeloze zelfontleding, die hem doet beseffen dat hijzelf ook gevangen zit in een leven dat geen uitzicht biedt op geluk.
Wat uit de voorgaande analyse van het karakter van de vader en dat van de zoon sterk naar voren komt, is ONMACHT. Onmacht van de vader te begrijpen waarom zijn familie niet van hem houdt. Onmacht van de zoon om wezenlijk met de vader te communiceren en hem te tonen, dat hij hem toch wel begrijpt en zelfs enige waardering voor hem heeft. Gerrit drukt dit als volgt uit:
We hebben nu eenmaal een soort stilzwijgende afspraak om moeder te beschermen en vader in de maling te nemen. Het is zo in de loop van de jaren gegroeid. We zijn evenzeer gevangen in dat spel als hij: iedereen zit vast in een bevroren positie, niemand kan meer voor- of achteruit.
Dit doet onwillekeurig denken aan de passage uit De rots der struikeling in het concentratiekamp. Daarin verzucht de ik-figuur:
Wij zaten gevangen in een kamp, maar hielden op onze beurt onze bewakers gevangen, de soldaten, die in de torens bij het zoeklicht achter hun machinegeweer zaten, waren net zo min vrij als de gevangenen, die zij zelf moesten bewaken. Zij haatten ons, maar wij haatten hen niet minder.
Uit dit fragment blijkt ook het idee, dat de mensen t.o.v. elkaar in een gevangenis zitten, een bevroren positie waar ze nooit meer uit zullen komen. Het weerspiegelt de opvattingen van Sartre c.s., dat de mens een wolf is voor de ander (‘Homo homini lupus’) en: ‘L'enfer c'est l'autre!’ (de hel, dat is de ander).
In Een vader een zoon is de haat verdwenen. Maar hierdoor wordt de situatie des te schrijnender: ‘For every man kills the things he loves’. De zoon zegt over de vader: ‘Het is zo ambivalent: trots te zijn op je dochter en toch datgene in haar te vernielen waar je trots op bent’. Deze onmacht is het, die Boeli van Leeuwen in zijn novelle wilde uitbeelden: onmacht om zichzelf en anderen gelukkig te maken. Men wil wel, maar kan de ander niet wezenlijk bereiken. En dit maakt het leven zo uitzichtloos.
De manier waarop Boeli van Leeuwen deze twee karakters heeft uitgewerkt getuigt meer van pessimisme dan van overtuigingskracht: de be-
schrijving van de vader is sterk overdreven. Hij is wel erg slecht voorgesteld. De auteur past hier een ironiseringsprocédé toe à la Batavus Droogstoppel, wat ertoe leidt dat de lezer slechts afkeer van Verbrugge kan hebben. En als we dan van de zoon horen dat deze toch wel begrip voor hem heeft, hem zelfs gelijk geeft in veel zaken en ten slotte zelfs bekent dat hij even reactionair is als de vader, dan rijzen er sterke twijfels: hoe kan iemand die zo intelligent is en zo gevoelig, zo ver gaan om bewust bepaalde kinderachtige dingen te doen die lijnrecht ingaan tegen zijn aard. En dat alleen maar om zijn vader te pesten!
Ondanks de geforceerde en ongeloofwaardige karakterisering, ondanks de sterk pessimistische visie van de auteur op het leven en op de menselijke verhoudingen, is Een vader een zoon voor mij toch een zeer leesbaar, ja bij vlagen zelfs charmant boekje. Door zijn onantilliaans karakter en zijn realisme valt het uit de toon binnen het oeuvre van Boeli van Leeuwen, maar ik vind het een van zijn meest leesbare werken. Dit komt in de eerste plaats door zijn kleurrijke stijl en beeldende taal. Het zit vol met vergelijkingen, metaforen, personificaties, hyperbolen, enumeratio's, sarcasme enz.
Zo lezen we op p. 38:
Terwijl er boven onze hoofden dag en nacht voldoende destructieve kracht aanwezig is om deze planeet onbewoonbaar te maken: genapalmde grijsaards als brandende fakkels gillend uit hun dorpen het ontbladerde bos inrennen; de kinderen in Biafra eruit zien als ingedroogde vleermuizen, is mijn vader uiterst bezorgd, omdat de rechterknie van Johan Cruyff niet optimaal schijnt te functioneren.
En op p. 40/41:
Zijn Fiat: geen Italiaanse coureur houdt meer van zijn Ferrari, geen vorst meer van zijn gouden koets. Wanneer hij op zaterdagmiddag, in T-shirt en korte broek beneden op straat bezig is met zeem en poetskatoen, proef je tot bij ons in de voorkamer zijn genot. Zoals hij een spatbord streelt, heeft hij de dij van een vrouw nimmer geliefdkoosd.
Deze barokke stijl, met veel aandacht voor pakkende details en vol humor - soms bot, soms fijn maar altijd boeiend - zorgt ervoor dat de novelle nergens zwaarwichtigheid krijgt van bijvoorbeeld Schilden van leem. Barok is de auteur ook in de veelheid van karakteriserende elementen die hij gebruikt om zijn personages tot leven te brengen in onze verbeelding. De vader bijvoorbeeld is een domme bekrompen man die gelooft dat ‘wie voor een dubbeltje geboren is, nooit een kwartje wordt’. Dit blijkt ook uit zijn taalgebruik: ruw en ongecompliceerd: ‘Hoe kan je het bestaan om heel de godsganse dag op je nest te liggen stinken’. ‘Mijn dochter loopt op straat practisch in haar blote kont’, ‘Ik lul de duvel en z'n moer van de sokken’, ‘Schildpadden hebben alleen maar instincten, om te naaien, om te vreten’.
Ook de ruimten waarin de schrijver hem laat functioneren zijn zeer indicatief voor zijn karakter: op de tribune bij Ajax, met zijn vrienden in de kroeg, en vooral in zijn Fiat:
Wanneer hij onderweg is, één oog gericht op de weg en één op de schittering van zijn manchet knopen, ... de radio haarscherp afgestemd op Hilversum 3 ... dan is dat voor hem geluk.
Eenzelfde opeenstapeling van karakteristieke elementen zou ook op te stellen zijn voor de andere personen in dit boek. Hierdoor wordt het geheel levendiger en vergeet ik steeds opnieuw dat ik eigenlijk een verhaal aan het lezen ben dat slechts bestaat uit twee monologen; een verhaal waarin in wezen niets gebeurt en waaruit een levensvisie spreekt die ik bepaald niet de mijne zou willen noemen.
En ‘er valt stardust’ op de schrijver die dit bij zijn lezer teweeg kan brengen.