terug  begin  verderprepost
[p. 299]

Igma van Putte-De Windt
Tip Marugg:
Dichter dichterbij in Papiamentu?

Waarom heeft Tip Marugg zo weinig gedichten (ik ben er slechts 14 tegengekomen) in het Papiamentu gepubliceerd? Dat is een vraag die (hem) veel eerder gesteld had moeten worden omdat zijn Papiamentu gedichten, naar mijn mening minder dan de Nederlandstalige, een beroep doen op het interpretatieve vermogen van de lezer. Ik wil hier duidelijk maken dat zijn lezers veel hebben moeten missen doordat hij zich niet vaker van het Papiamentu bediend heeft in zijn poëzie.

 

Als uitgangspunt dienden de gedichten die verschenen in:
Afschuw van licht: gedichten 1946-1951 Rotterdam: Flamboyant/P 1976, samengesteld door Andries van der Wal en Daphne van Schendel-Labega.
Tirade jg. 20, nr. 215-216, blz. 327-329, 1976

‘kleine voetstappen’
‘wanneer nachtstenen vallen op het dak’
‘ik had vandaag veel aanloop’
‘het uur is daar’
‘zoonlief, ik heb je jeugd een jobsgezicht gegeven’
Kristòf, IV-1, 1977:
‘ora lusnan cende den punda’
‘nubianan di tur diasabra anochi’
‘esun q'a yama ayó sin bai’
‘no tabatin palabra’
‘den lus enfermiso di luna’

Vijf van de tien gedichten (de overige vijf verschenen in Kristòf, zie boven), die Enid Hollander Merkies op muziek zette en ten gehore bracht onder de titel:
Riba ala di shinishi... Dies poema di Tip Marugg poné riba músika i kantá pa Enid Hollander Merkies.

‘shelu un bulto pretu’
‘piskadó ku reda bashí’
‘tur tristesa di mundu’
‘b'a yeaga di mata un para?’
‘den tempu di awaseru’
[p. 300]
en de twee gedichten die verschenen in:
Ñapa, 31 mei 1985
‘pa mi mira mi isla bashí’
‘de lilith’

Maruggs Nederlands- en Papiamentstalige poëzie

De overeenkomsten tussen Maruggs Papiaments- en Nederlandstalige poëzie die ik hieronder samenvat, zijn eerder gesignaleerd voor zijn Nederlandstalige werk. In zijn poëzie in het Papiamentu en in het Nederlands overheerst een pessimistische levensvisie. Zowel in het verleden als in het heden en de toekomst is er sprake van droefenis, pijn, angst en wanhoop. De aantrekkingskracht die het donker op hem heeft, de nacht, het zwarte in de natuur niet alleen als contrast voor de dag maar ook als contrast voor blank, is opvallend. Uit zijn poëzie blijkt ook dat hij aan het lot, vaak het noodlot, een belangrijke rol toekent in het leven. Hij geeft blijk van een zeer persoonlijke verhouding tot God en zijn kritiek op de religie verwoordt hij ironisch.

De toespelingen op seksuele relaties en momenten zijn heel subtiel, bijna vaag. In een aantal gedichten verwijst hij zijdelings, bijna achteloos, naar zijn drankgebruik. Aangezien deze punten bekend zijn volsta ik met ze te noemen zonder ze te illustreren met fragmenten van gedichten.

Thematiek

In de meeste Papiaments- en Nederlandstalige gedichten spelen angst, verdriet, pijn, wanhoop, onheilsverwachting en uitzichtloosheid in het leven van de auteur een belangrijke rol. Slechts in het gedicht ‘Moment embryoné’ geeft Marugg expliciet aan dat hij vertrouwen heeft in de toekomst, en klinkt de hoop door dat er uit zijn woorden iets zuivers kan voortkomen:

Moment embryoné
 
Aleluja b'a kanta
 
i b'a zoja den
 
scochi di angel
 
pero for di e ruina
 
ku bo a laga
 
atras
 
lo mi lanta.
Moment embryoné
 
Halleluja zong je
 
gewiegd in
 
d'engelenschoot
 
maar uit de ruïne
 
die je achterliet
 
zal ik
 
verrijzen.
[p. 301]
 
Si bo man habri
 
i mi kuri bai
 
buskando piedat,
 
maske kibrá,
 
mi sanger lo kwaga
 
i maldishoná
 
mi eksistensha shushi.
 
 
 
Mi tin miedu
 
p'un straño
 
no pasa ranka
 
un strea
 
for di e agonia
 
di mi
 
harí di morto.
 
 
 
Te Deum mi n'por kanta.
 
Ma mi alma por brota
 
hasi imagen
 
di Dios parse
 
den vibrashon
 
di mi
 
palabranan.
 
Als je hand zich opent
 
en ik wegren
 
op zoek naar mededogen,
 
zal mijn bloed,
 
schoon gebroken, stollen
 
en verdoemen
 
mijn smerige bestaan.
 
 
 
Ik ben bang
 
dat een vreemde
 
langs zal komen
 
en een ster rukken
 
uit de doodsgrijns
 
van mijn
 
stervensuur.
 
 
 
Te Deum kan ik niet zingen
 
Maar mijn ziel kan
 
Gods beeld
 
oproepen
 
in het vibrato
 
van mijn
 
woorden.

In tegenstelling tot zijn Papiamentu poëzie waarin Marugg, met uitzondering van bovenstaand gedicht, over zijn zwartgalligheid en angsten spreekt, hebben zijn Nederlandstalige gedichten ook andere onderwerpen. Er zijn gedichten waarin hij filosofeert over het ouder worden (in het gedicht ‘Oud worden’), over de plaats van de mens in de natuur volgens het Boeddhistisch dogma (‘Karma’); er is een raadselachtig, niet pessimistisch aandoend gedicht, (‘Blauwe jongen’), en één over een plotseling geluksgevoel dat hem bevangt in de natuur (‘Cartomantica’) en het gedicht waarin hij het over de ‘Zij’ heeft die gestorven is. De raciale situatie op de Antillen wordt in drie Nederlandstalige gedichten aangeroerd: ‘Juan de Dios’, ‘Rappe grauwe vlinders’ en ‘de lilith’.

Een ander thema dat ook in een aantal Nederlandstalige gedichten die in Tirade verschenen voorkomt, is een gepreoccupeerdheid met kinderen, het gemis van een zoon die hij zich droomt. Is het een Unamuno-achtige hunkering, is het een proces van ouder worden, naar voortleven in zijn nageslacht? En moeten we dit nageslacht interpreteren als zoons van vlees en bloed of als letterkundige producten?

[p. 302]

Dit laatste thema kenmerkt zijn poëzie van de laatste jaren. In een Papiamentu gedicht (Napa, mei 1985), verwijst hij naar een kind, maar in tegenstelling tot de Tirade gedichten (1976) noemt hij dat land niet het zijne, het is het kind van de hoer die lijkt op de zwangere madonna.

 
pa mira mi isla bashi
 
m'a drenta e úniko kas
 
den punda
 
 
 
bon kañá
 
 
 
e muhé dominikanu
 
ku wowo di muhé
 
a pone mi pensa
 
riba e birgen ku barika
 
 
 
mi n'por a kòrda mi nòmber
 
ken mi tá
 
ni ken mi ke tá
 
 
 
solamente
 
un hòmber i un puta
 
i yu di e birgen
 
huntu ku nan
 
om mijn lege eiland te kunnen
 
zien
 
betrad ik het enige huis in
 
punda
 
ladderzat
 
 
 
de Dominikaase
 
met haar vrouwenogen
 
deed me denken
 
aan de zwangere maagd
 
 
 
ik wist mijn naam niet meer
 
niet wie ik was
 
noch wie ik wilde zijn
 
 
 
slechts
 
een man en een hoer
 
en het kind van de maagd
 
tussen hen in

In niet minder dan vier van de vijf Tirade gedichten verwijst hij in meer of minder duidelijke termen naar nageslacht.

Hij hoort ‘kleine voetstappen / in de leegte van de nachten’ en noemt zich de ‘pedofiele vader’. In ‘wanneer nachtstenen vallen op het dak’: ‘angstkoost mijn dronken mannenhand / het verzonnen dunne lijfje / van de zoon aan mijn zijde’. Het gedicht ‘Ik had vannacht veel aanloop’ spreekt over: ‘voorkinderen vol onbezonnen hoop / aangeijld uit verholen ballingsoorden’. Ook het sonnet: ‘zoonlief, ik heb je jeugd een jobsgezicht gegeven’ richt zich tot de denkbeeldige zoon uit zijn nachtelijke roes, maar als de ochtend aanbreekt weet hij: ‘tegen dit vaderschap ben ik niet opgewassen’.

Verwijzing naar het eiland

In de gedichten in het Papiamentu plaatst Marugg zijn ‘spleen’ tegen de achtergrond van het eiland Curaçao. Hij gebruikt beelden en gewoonten van Curaçao om zijn sombere gevoelens, gedachten en angsten duidelijk te maken.

[p. 303]

Hij noemt weliswaar maar in twee gedichten een locatie: Punda, maar de beelden zijn zo duidelijk herkenbaar Antilliaans dat een naam overbodig is. Laten we er enkele bekijken:

 
ora lusnan cende den punda
 
 
 
e ta aparecé
 
 
 
su lomba sangrá di dia
 
cria pus haña casca pretu
 
e ta aparecé
 
 
 
su mannan ta limpi
 
puru su curasón
 
ma e tin miedu di polis
 
 
 
nan tin cachónan qu por hole
 
picá drumí den sanger di
 
hende
 
(uit: ‘ora lusnan cende den punda’)
 
wanneer de lichten aangaan in
 
punda
 
komt hij tevoorschijn
 
 
 
zijn rug rauw van de dag
 
etterwonden vol zwarte korsten
 
komt hij tevoorschijn
 
 
 
zijn handen zijn schoon
 
zuiver is zijn hart
 
maar hij is bang voor de politie
 
 
 
ze hebben honden die ruiken
 
bij wie de zonde in het bloed
 
zit
 
pa mi mira mi isla bashí
 
 
 
m'a drenta e úniko kas den
 
punda
 
bon kañá
 
(uit: ‘pa mi mira mi isla bashi’)
 
om mijn lege eiland te kunnen
 
zien
 
betrad ik het enige huis in
 
punda
 
ladderzat

Waarom Punda? Kan het zijn dat de nadruk moet vallen op de smalle straatjes en steegjes waar je je kunt verstoppen als de ‘outcast’ uit het eerste gedicht en waar een dronken man meer of minder niet opvalt?

 
flor kòrá di flamboyan
 
ta sangra sin fin
 
infrou ku pata di sumpiña
 
 
 
ta habri herida bieu
 
(uit: ‘Shelu un bulto pretu’)
 
niet te stelpen het bloed
 
van de rode flamboyantbloem
 
cactussen met hoeven vol
 
stekels
 
openen oude wonden

Als de flamboyantboom goed in bloei staat lijken de bloedrode bloemen in een stroom naar beneden te schuiven. En iedereen weet hoe pijnlijk het contact met de cactussoort infrou is.

 
piskadó ku reda bashí
 
plantadó ku tera seku
 
(uit: ‘Piskadó ku reda bashí’)
 
visser met je lege netten
 
zaaier in droge grond
[p. 304]

Dat de vissers niet zo'n rooskleurig bestaan hebben is bekend en eveneens dat de grond op het eiland droog is.

 
isla muchu pèrtá
 
barankanan na kosta
 
a blokia tur salida
 
(uit: ‘No tabatin palabra’)
 
het eiland te nauw
 
de rotsen langs de kusten
 
blokkeerden elke uitweg

De beperkingen van het eiland, Curaçao, worden geaccentueerd door de concrete rotsen als muren die de weg naar de vrijheid versperren. Hier vormen de rotsen de begrenzing van het eiland, een barrière die zo indringend is dat in het gedicht ‘den lus enfermiso di luna’ ook de zee als tweede versperring genoemd wordt.

 
Den tempu di awaseru
 
roinan ta papia
 
poko-poko
 
ku palabranan di skuma
 
ansha ta kria forsa
 
miedu ta sigui bona
 
alma ta stòp di spera
 
yerba malu ta sigui krese
 
den e kas muchu grandi
 
riba e kama muchu friu
 
for di masha leu
 
ta bin e sombra bieu
 
Dios a kita koriente
 
 
 
mundu ta sin lus
 
Kalvari no tin krus.
 
Ken ta kana den skur?
 
Ken ta zeilu sin rumbo?
 
Ken ta amigu di bich'i kandela?
 
 
 
Ken ta tende konteo final
 
di Dios òf di rèfri di boxeo?
 
(uit: ‘Den tempu di awaseru’)
 
In de regentijd
 
spreken de greppels
 
met trage stem
 
woorden van schuim
 
hunkering baart kracht
 
angst grijpt om zich heen
 
wanhoop bevangt de ziel
 
het onkruid schiet omhoog
 
in het te grote huis
 
op het te koude bed
 
strijkt van heel ver
 
de oude schaduw neer
 
God heeft de stroom
 
afgesneden
 
de wereld zit zonder licht
 
op Calvarië staat geen kruis.
 
Wie loopt daar in het donker?
 
Wie zwalkt er doelloos rond?
 
Wie heeft de glimworm tot
 
vriend?
 
Wie hoort de laatste telling
 
van God of de boksarbiter?

Het beeld van de verfrissing, verlossing brengende regen contrasteert met dat van de angst en de wanhoop die groter worden. Sombere schaduwen uit het verleden sluipen naderbij en heel die pessimistische visie op de toekomst culmineert in het verschijnen van een ‘zwart gat’, de nacht of totale wanhoop: God heeft het licht afgesneden / de wereld zit zonder licht. En nog sterker: de ontkenning van onze verlossing door de dood van Christus aan het kruis: op Calvarië staat geen kruis.

[p. 305]

Duidelijke verwijzingen naar concrete Curaçaose beelden komen in de Nederlandstalige gedichten zelden voor.

In ‘De cactusdoorns steken niet’ gebruikt Marugg de gebogen cactus waarvan de doorns niet steken, om aan te geven dat er iets ontbreekt in het leven van de zwarte bevolking, datgene wat het leven iets pittigs geeft: ‘alle liefde is verslapt’ en ‘de ziel verkoeld’. De invloed van de missie wordt als oorzaak geïnsinueerd van deze verarming van het uitbundige leven. In dat ‘mistroostige missieland’ is zelfs de zon dof geworden. De ‘hagelkorrels’ staan wellicht voor de kilheid van gevoelens van de Europeaan:

 
de cactusdoorns steken niet
 
alle liefde is verslapt
 
de strakke groene zuilen
 
zijn door de wind gebogen
 
 
 
in het negerlied dat zong
 
van mensen en van dieren
 
is de ziel verkoeld
 
er zijn hagelkorrels aan de bomen
 
 
 
door een mistroostig missieland
 
loop ik in de doffe zon
 
de cactusdoorns steken niet
 
er zijn hagelkorrels aan de bomen

Verwijzing naar situaties die kenmerkend zijn voor het eiland

Niet alleen beelden, maar ook gebruiken en volksgeloof, kenmerkend voor de Antillen komen in de Papiamentstalige gedichten voor. In ‘Piskadó ku reda bashí’ komen we tegen:

 
den skur tin kos ta kana
 
maldishon lo kai ku serena
 
in het donker waart iets rond
 
de vloek valt met de
 
avondschemer

Het niet nader gedefinieerde ‘kos’ kunnen we in het donker tegenkomen en iedere Antilliaan weet dat het kwaad in de zin heeft. Voorts is het geloof dat de avondschemer onheil kan brengen er de oorzaak van dat men tegen zes uur de lichten in huis ontsteekt om de kwade geesten buiten te houden.

 

In ‘No tabatin palabra’ verwijzen de volgende regels naar het bekende volksgeloof, de angst dat een spiegel de bliksem aan zal trekken:

 
welik! tapa spiel!
 
't weerlicht! spiegels bedekken
[p. 306]

Het volgende gedicht geeft een aantal handelwijzen in paradoxaal verband weer.

 
B'a yega di mata un para?
 
 
 
B'a yega di trapa un flor?
 
 
 
B'a wak den spil weta mancha
 
kòrá?
 
B'a habri prison duna piká
 
libertat?
 
B'a paga tur lus na momentu
 
di mira?
 
Bo mannan a tembla na ora di
 
bringa?
 
B'a parti limosna sin habri bo
 
man?
 
B'a sensia bo kas pa bondat
 
keda afó?
 
B'a huma sigaría kandela
 
p'aden?
 
Bo mihó amigu ta e bòter na
 
mitar?
 
Anto resa ku wowo será
 
pa bo no sa kiko bo ta haña
 
pa bo no mira e flor artifisial
 
 
 
e para na sanger ku ala frusá
 
Heb je wel eens een vogel
 
gedood?
 
Heb je wel eens een bloem
 
vertrapt?
 
Heb je in de spiegel rode
 
vlekken gezien?
 
Heb je de zonde uit de
 
gevangenis bevrijd?
 
Heb je alle lichten gedoofd
 
toen je had moeten kijken?
 
Trilden je handen toen je had
 
moeten vechten?
 
Heb je een aalmoes gegeven
 
met gesloten vuist?
 
Heb je wierook gebrand om de
 
deugd weg te houden?
 
Heb je sigaretten gerookt met
 
het brandende eind in je mond?
 
Is je beste vriend de halflege
 
fles?
 
Bid dan met gesloten ogen
 
om niet te weten wat je krijgt
 
om niet de kunstbloem te
 
moeten zien
 
de bloedende vogel, zijn
 
vleugels verroest.

Het Antilliaanse gebruik om in huis wierook te branden gebeurt juist om het onheil buiten de deur te houden, niet het goede. En op de Antillen zijn sommige mensen, vooral ouderen, gewoon sigaretten met het brandende eind in de mond te roken. Werd hier een situatie die op de Antillen vrij gewoon is, maar die elders vreemd wordt gevonden juist in deze context gebruikt om het merkwaardige, raadselachtige karakter (zie ‘den lus enfermiso di luna’) van het eiland te accentueren?

De situaties worden van niet gewoon (de eerste twee regels) abnormaal. Vanaf ‘Heb je in de Spiegel rode vlekken gezien?’ volgen situaties die eigenlijk niet kunnen, niet gebruikelijk zijn of het omgekeerde zijn van wat gebruikelijk is. In de spiegel zie je doorgaans zwarte of donkere vlekken van het weer, de zonde wordt gewoonlijk opgeborgen in de gevangenis en niet bevrijd, als je moet kijken doe je het licht aan, wanneer je moet vech-

[p. 307]

ten moet je juist niet nerveus zijn en aalmoezen kun je letterlijk alleen maar uitdelen met open hand.

Er valt bovendien een lijn waar te nemen die steeds dichterbij komt tot hij naar de auteur zelf wijst. Eerst twee handelingen die niet direct goedgekeurd worden, maar die toch niet als raar worden gezien en die in de rest van de wereld, buiten het eiland, ook kunnen voorkomen.

De situaties worden steeds merkwaardiger en onzinniger, maar nog steeds niet per sé gericht op het eiland.

Dan bakent Marugg de ruimte af met het eiland wanneer hij verwijst naar de gebruiken waarbij hij voor de eerste een foutieve uitleg geeft en de tweede weergeeft zoals het is aangezien hij toch niet detoneert met de rest.

Pas dan heeft hij het over zichzelf en in deze context mogen we wel de conclusie trekken dat hij zijn liefde voor de drank zelf ook ziet als iets abnormaals.

Slechts in drie Nederlandstalige gedichten komen verwijzingen voor naar Antilliaanse situaties. In ‘Juan de Dios’, ‘Rappe grauwe vlinders’ en ‘de lilith’ worden de raciale verhoudingen op het eiland aangeroerd. Uit het eerste gedicht zou men kunnen opmaken dat Marugg een voorkeur heeft voor bruine vrouwen en met hen gemeen heeft dat ze, althans vroeger, beide aan de rand van de gegoede maatschappij stonden, ‘de afgrond die ons samenbond’:

 
...
 
 
 
Maar de Tercerone die op wraak zon
 
en zich met hart en ziel verzette,
 
stoorde zich aan geen gebod.
 
Tot ook mijn mannenhand, sterk en koud,
 
 
 
zoals een schip, volbeladen,
 
binnengeloodst in veilige haven,
 
verlossing aan bruine borsten vond.
 
 
 
Ik steeg toen met haar adem
 
en kon mij gulzig laven
 
in de afgrond die ons samenbond.

Uit het tweede gedicht blijkt duidelijk dat er sprake is van een conflict in verband met de plaats die Marugg, afkomstig uit een blanke familie, heeft in een multiraciale maatschappij die overwegend zwart is. De donkere vrouwen (zwarte rozen) trekken hem aan, maar de kleurbarrière die 's nachts wegvalt is er overdag altijd. Ook identificatie met de zwarte bevolkingsgroep via levenswijze: ‘... het bouwen van mijn rieten dak?’ is een grote vraag.

[p. 308]
 
...
 
 
 
zo zoek ik dan naar zwarte rozen
 
die leeg en ijl als de voze
 
cactuswieg waarin wij liggen
 
niet bij machte zijn
 
het melkachtig vlees te kleuren.
 
 
 
zullen ooit de paarse geuren
 
die branden uit het aloë-sap
 
mij de krachten kunnen geven
 
voor het bouwen van mijn rieten dak?
 
 
 
Geef mij vannacht je zwarte liefde
 
want morgen vaart mijn schip van haat
 
Morgen vaart mijn schip van liefde
 
mijn schip met blank gelaat.

Waar in ‘de lilith’ zijn begaanheid blijkt met hoeren en hun aftakeling na intens gebruik verwijst hij en passant naar de praktijken van slavenhouders jegens zwarte slavinnen.

 
in haar eeuwige wake paart zij
 
met pindaspinnen en schorpioenen
 
teelt demonen in het ontzettende puin
 
 
 
van wat een arduinen landhuis was
 
waarin een krijtwitte man
 
negerinnen gulzig ontmaagde ...

Ook in ‘Mijn hersens zijn van rood koraal’ zon men vaag de Antilliaanse situatie kunnen zien: de moeder als centrale figuur in het gezin die probeert de kinderen in het geloof op te voeden, met vooral het accent op de zede en de angst voor hel en verdoemenis. Maar al deze overwegingen zijn natuurlijk ook van toepassing op andere maatschappijen.

 
mijn hersens zijn van rood koraal
 
een web van wrange zweren;
 
de moeder krijst gebarentaal
 
en tracht mij te bekeren.
 
 
 
de hemel is een blauwe kloof
 
met franje voor de zede;
 
zolang men nog in hel gelooft
 
blijft alles pais en vrede
[p. 309]

Het gedicht ‘Het feest’ gaat weliswaar ook over een specifieke Antilliaanse gebeurtenis: het 140-jarig bestaan van de Drukkerij de Curaçaose Courant, maar zegt verder niets over de Antillen als zodanig.

Stijl

In het Papiamentu schrijft Marugg spontaner, directer, minder surrealistisch dan wanneer hij het Nederlands hanteert.

Ter illustratie een van de gedichten die in Kristòf verschenen. Hier wordt de uitzichtloze situatie getekend waarin iemand zich bevindt en bovendien welke handeling hij overweegt: ‘de dichtstbijzijnde telefoonpaal / in de vorm van een kruis’ duidt op zelfmoordgevoelens. Een van de meest wanhopige gedichten waar de hoofdpersoon alle hoop heeft opgegeven:

 
esun q'a yama ayó sin bai
 
 
 
esun cu wowonan sin soño
 
esun qu tabatin purá
 
esun morto cansá
 
 
 
qu n'e momentu más pisá
 
burachi di doló
 
a mancha cu sodó
 
perfume di su curpa canfuñá
 
e pal'i lus mas cerca
 
den forma di un crus
 
 
 
ya n'tin hende pa tend'é:
 
 
 
su gritunan ta nòms
 
soledad ta su conblés
 
 
 
esun flacu
 
slingu
 
heers
 
qu no ta busca mas
 
wie afscheid nam en niet
 
vertrok
 
wie met slapeloze ogen
 
wie gehaast
 
wie dodelijk vermoeid
 
 
 
in zijn zwaarste ogenblik
 
dronken van pijn
 
met zweet bevuilde
 
de geur van zijn aftandse lijf
 
de dichtstbijzijnde telefoonpaal
 
in de vorm van een kruis
 
 
 
er is geen mens meer die hem
 
hoort
 
zijn kreten zijn verstomd
 
hij hokt met eenzaamheid
 
 
 
wie vermagerd
 
links
 
hees
 
het zoeken staakte

In zijn Nederlandstalige gedichten schrijft Marugg afstandelijker over zijn angsten en problemen dan in zijn Papiamentu gedichten. Zijn taalgebruik is minder direct. De symboliek en de surrealistische beelden komen veelvuldiger voor.

[p. 310]

Vergelijken we zijn gevoelens en gedachten, geïnspireerd door het maanlicht, in het Nederlands en het Papiamentu:

In de straten van Tepalka
 
De lichtgroene maan
 
blinkt
 
op dit verplichte zwijgen;
 
geen zucht verbreekt de aureool
 
die ik om uw lichaam vlocht.
 
Witte vlokken
 
zwemmen in mijn ziel
 
naar het schuim in de lach der sterren
 
en voegen zich bij de begeerten
 
die elke dag weer sterven.
 
Schaduwen schuiven.
 
Een lichtstraal
 
brandt tot op mijn huid.
 
In de straten van Tepalka
 
braken vrouwen dobbelstenen.

en:

 
den lus enfermiso di luna
 
colónan di mi isla a bai
 
 
 
sin consuelo sombra ta cai
 
riba suela qu no por duna
 
cargá cu pesonan di anochi
 
 
 
tera rondoná pa lamán
 
ya no por conta riba mañan
 
 
 
q'a sera porta di tur scochi
 
 
 
cu curasón kla pa mata
 
mi ta sigui soña y rei
 
 
 
un isla qu tabat'ey
 
cosnan qu por tabata
 
in het ziekelijke maanlicht
 
verdwenen de kleuren van mijn
 
eiland
 
troosteloos vallen schaduwen
 
op grond die niets produceert
 
gebukt onder de lasten van de
 
nacht
 
kan dit land door zee omgeven
 
al niet meer rekenen op
 
morgen
 
die elke schoot vergrendeld
 
heeft
 
 
 
met moordlust in het hart
 
blijf ik dromen van het raadsel
 
 
 
eiland dat eens was
 
wat had kunnen zijn
[p. 311]

In het Nederlandse gedicht is de fictieve stad Tepalka de plaats van handeling terwijl in het Papiamentu gedicht Curaçao dat is. De keuze voor een fictieve locatie schept al afstand.

Het Nederlandse gedicht gebruikt een surrealistisch beeld: ‘witte vlokken / zwemmen in mijn ziel / naar het schuim in de lach der sterren’ waardoor men vaag aanvoelt dat er iets van hunkering naar het geluk in zit. En de laatste twee regels laten aanvoelen dat het lot het leven bepaalt.

Het Papiamentu-gedicht heeft het concreet over de gebreken van het eiland: grond die niets produceert, toekomst zonder hoop, concreet gemaakt door de afgrendeling door de zee. En de kritiek op het eiland is ook duidelijk verwoord: woede over wat voor hem onbegrijpelijk is van het eiland en over gemiste kansen.

 

Toch zijn er drie Papiamentu gedichten (eerst in Simadán, jan. 1950, later opgenomen in Afschuw van licht) die minder toegankelijk zijn dan de overige. Eén ervan is ‘Moment embryone’ dat eerder ter sprake kwam. Een ander is: ‘Mundu kòrá’ dat de meeste problemen oplevert wat de interpretatie betreft:

Mundu kòrá
 
M'a lora den lodo di santana
 
i m'a skupi bala di mester
 
 
 
pero ki balor
 
bala di kabana
 
ni orashon tin
 
ora balansa mes ta basilá?
 
 
 
Si lodo no por laba
 
 
 
desengaño ni doló
 
ku nubianan ta forma
 
i ta alabá,
 
anto
 
tampoko mi por spera
 
di kologá
 
den aire liber
 
i anhelá
 
pa mundu bira pretu.
Rode wereld
 
In de modder op het kerkhof
 
kotste ik bollen van armoede
 
uit
 
maar wat baten
 
balen stro
 
of gebeden
 
wanneer de weegschaal zelf
 
steeds schommelt?
 
Als modder niet weg kan
 
wassen
 
alle ontgoocheling en verdriet
 
door de wolken aangedragen
 
en aangeprezen,
 
dan kan
 
ook ik geen hoop koesteren
 
ooit vrij te hangen
 
in de lucht
 
en verlangen
 
dat de wereld zwart wordt.
[p. 312]

Moeten we hier begrijpen dat er tegen het noodlot ‘ora balansa mes ta / basilá?’ teleurstelling of verdriet ‘desenganjo ni doló’ niets bestaat dat hulp kan bieden? En moeten we ‘m'a lora den lodo di santana / i m'a skupi bala di mester’, opvatten als solidair zijn met de armen? En heeft bidden ook geen zin: ‘pero ki balor / bala di kabana / ni orashon tin’? En slaat ‘nubianan’ op wat we vanuit de hemel, lees: God, kunnen verwachten?

De hunkering naar het zwart worden van de wereld: ‘anhelá pa mundu bira pretu’ kan verwijzen naar Maruggs voorkeur voor de nacht maar ook naar wat we bij een aantal Nederlandstalige gedichten zagen: een hunkering deel uit te maken van de wereld van de gekleurde bevolking van het eiland. Deze vragen en gissingen maken dit gedicht zeer interessant.

 

Laten we nu eens kijken naar het derde Simadán gedicht:

Desepshon
 
Mi mannan
 
di mucha chiki
 
a choka un ladron
 
den di anochi
 
i mi pal'i pianan
 
a soda, sklama,
 
saka keintura
 
fo'i mi kurpa;
 
m'a bai na fin
 
di awa,
 
kai na rudía
 
pa solo
 
i jorele:
 
Kimami!
Teleurstelling
 
Mijn kleine
 
jongenshanden
 
hebben een dief gewurgd
 
in de nacht
 
en allebei mijn benen
 
werden klam, pijnlijk
 
zogen de koorts
 
uit mijn lichaam;
 
waar het water
 
ophoudt,
 
viel ik op mijn knieën
 
voor de zon
 
en smeekte:
 
Verbrand me!

In tegenstelling tot wat Marugg doorgaans aantrekt, nl.: het donker, zien we nu dat hij zich volledig keert tot de zon en zelfs vraagt om verbrand te worden. Wat in de nacht gebeurde moet dus a.h.w. zijn gevoel, zijn leven aangetast hebben en dusdanig dat alleen de zon hem dat vuur weer geven kan. Maar wat hij hier precies bedoeld heeft wordt ons niet duidelijk. We kunnen gissen, doch niets met zekerheid beweren.

 

Tip Marugg is geen veelschrijver. Wat hij publiceert is weldoordacht en weerspiegelt wat hem het meest beroert. Dat hij zich voor zijn poëzie in het Papiamentu laat inspireren door zijn eiland is voor Antilliaanse lezers

[p. 313]

een voordeel want dit maakt deze gedichten toegankelijker dan de Nederlandstalige.

In het Nederlands is hij abstracter, moeilijker te doorgronden. Het lezen van de Nederlandstalige gedichten is vaak een kwestie van aanvoelen en associëren.

Bij de Papiamentstalige heb ik veel meer het gevoel dat ik begrijp wat hij heeft willen zeggen, ofschoon ook de gedichten in het Papiamentu, zoals alle goede gedichten, voor meer interpretaties vatbaar zijn. Ik waag me niet aan speculaties of de grotere toegankelijkheid van de Papiamentu gedichten het gevolg is van het gebruik van bekende beelden en situaties of ook van het feit dat hij in het hanteren van het Papiamentu ook het dichtst bij zichzelf blijft?

Ik hoop dat hij de vraag waarmee ik begonnen ben als aan hem gesteld zal willen beantwoorden in de vorm die hem het beste lijkt natuurlijk, maar die wat mij betreft Papiamentu poëzie mag zijn.

‘Mi ta sigui soña i rei...’

prepostterug  begin  verder