Nekken is een verfijnd, bijna aristokratisch, tijdsverdrijf. Het is niet alleen een stuk vriendelijker dan het botweg dichtslaan van een deur in iemands gezicht, het biedt de nekker genoegen in plaats van de ergenis, die overblijft na een agressieve daad van verdediging.
Het gaat er bij nekken niet om de tegenpartij in het openbaar voor schut te zetten of hem te laten merken dat hij wordt beetgenomen. Als er al getuigen bij aanwezig zijn, zullen ze ofwel het spel niet doorgronden, ofwel pas na aftocht van de genekte laten merken hoeveel plezier ze eraan beleefden.
Als het slachtoffer merkt wat hem is aangedaan, dan hoort hij dat sportief op te vatten. Ofwel hij zorgt dat hij niet meer in de buurt van de nekker komt, of hij probeert de ander op zijn beurt eens te nekken.
Het belangrijkste is je suprematie over de ander te bewijzen, een suprematie die je er tegelijkertijd toe verplicht je tegenstander geen onnodig leed aan te doen. Alleen jij en degenen die tot de kleine groep van ingewijden behoren, mogen zich amuseren over het slachtoffer.
Er bestaan verschillende varianten van dit nekken, zoals de wat ruwere, minder verborgen vorm, die we aantreffen in de Nanzi-verhalen. De sluwe spin Nanzi is iedereen te slim af, maar vaak gaat dat ten koste van het slachtoffer, dat ofwel zijn bezittingen kwijt raakt, ofwel de dood vindt. Ook de Chinese kok, die stiekem in de soep plast, nekt in zekere zin zijn meester.
Het essentiële punt waarop deze varianten afwijken van de vorm, die Tip en Boeli toepassen, is dat in het ene geval de nekker zich in een onderdanige positie bevindt ten opzichte van de genekte en uit die positie tracht te komen door wraak te nemen, terwijl in het andere geval juist sprake is van een geestelijk, fysiek of sociaal overwicht van de nekker, zodat tastbare wraak achterwege kan blijven.
Alhoewel ik van mening ben dat bovenstaande analyse van het gedrag van Tip en Boeli zo gek nog niet is, vraag ik mij soms af of ik het misschien toch niet bij het verkeerde eind heb en zelf het slachtoffer ben van één van hun streken.
Het is immers heel goed mogelijk, dat beiden bewust meespelen met de vloed van Nederlandse journalisten en interviewers die bij hen over de stoep komen en dat zij juist de Antillianen, die bij voorbaat elke onwetende en onschuldige Nederlander die ze tegen komen proberen te nekken, beetnemen. Door te doen alsof ze deze oprechte Nederlanderse gasten nekken, nemen ze wraak voor de ondankbare vanzelfsprekendheid waarmee wij Antillianen hun bijzonder schrijverschap waarderen.
Als dat zo is, dan des te meer: chapeau bas!