terug  begin  verderprepost
[p. 442]

Pim Heuvel
Spot en spel in poëzie van Frank Martinus Arion

Over het literaire werk van Frank Martinus Arion (verder aangeduid met Arion) is veel geschreven, zowel in kranteartikelen met het onvermijdelijke vluchtige karakter, als in geschriften over Antilliaanse literatuur met beschouwingen van meer blijvende waarde. Reeds in 1975 besteedde ‘Autonoom’ van Smit en Heuvel aandacht aan zijn werk, waarna ‘Antilliaans literair logboek’ van Jos de Roo en ‘Met eigen stem’ van A. van de Wal en F. van Wel in 1980 dieper op zijn werk ingingen. In 1986 wijdde W. Rutgers in ‘Dubbeltje lezen, stuivertje schrijven’ een overzichtsartikel aan Arions werk en in datzelfde jaar verscheen van Aart Broek een deeltje in de Memoreeks over ‘Dubbelspel’. In de herdruk in 1989 van ‘Met eigen stem’ werden nieuwe gegevens en inzichten verwerkt. Met deze opsomming is de lijst niet compleet. Het is duidelijk dat er veel over Arion is geschreven. In de meeste artikelen wordt vooral uitvoerig op zijn romans ingegaan. Jos de Roo komt de eer toe de poëtische kenmerken van de bundel ‘Stemmen uit Afrika’ in ‘Antilliaans literair logboek’ te behandelen.

Dit artikel echter gaat over tot nu toe onderbelichte facetten van de gedichten van Arion. Ik heb een keuze gemaakt uit zijn poëzie om de elementen spot en spel naar voren te halen.

Er doen zich verschillende problemen voor bij de bestudering van Antilliaanse literatuur.1 Zo zijn Antilliaanse schrijvers meertalig. Ze schrijven in de taal van hun eiland en in de taal van de oude kolonisator. Arion spreekt van huis uit Papiamentu. Hij is bewust bezig met zijn eigen taal. Terwijl het onderwijs op Curaçao in het Nederlands gegeven wordt, heeft hij een particuliere school gesticht waar de lessen in het Papiamentu worden gegeven. Het is opmerkelijk dat toen hij op zijn geboorteëiland middelbaar onderwijs had genoten, hij eigenlijk in Nederland scheikunde wilde gaan studeren, daar tegenop zag, omdat hij niet later bij Shell wilde gaan werken en Nederlands koos als studierichting. In 1965 zes maanden voor zijn doctoraal stopte hij met deze studie, omdat hij geen Nederlands aan Antilliaanse kinderen kon en wilde geven. In het begin van de jaren zeventig nam hij in Nederland de draad van zijn studie Nederlands weer op en werd docent Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel is hij als linguïst verbonden aan het Instituto Linguistiko Antiano te Curaçao alwaar hij aan het hoofd van een staf medewerkers het Papiamentu propageert. Dit heeft tweeslachtigheid in de persoonlijkheid van

[p. 443]

Arion ten gevolge gehad. Begaafd met een groot taalgevoel maakt hij zich op het hoogste niveau de taal van de kolonisator eigen; tegelijk beseft hij als linguïst dat, wil zijn volk de psychologische schade van het koloniale bewind te boven komen, dat volk op de allereerste plaats de eigen taal moet waarderen. Aan deze gespletenheid is het te danken dat Arion literaire werken in het Papiamentu en in het Nederlands schrijft.

Stemmen uit Afrika

De eerste dichtbundel van Arion ‘Stemmen uit Afrika’ dateert van 1957. Hij bevatte 54 Nederlandstalige gedichten die door Colá Debrot opgenomen werden in ‘Antilliaanse Cahiers’ als nummer 1 van de derde jaargang. Arion was toen twintig jaar. Hij stelt zich op als zwarte gids voor de blanke die Afrika als toerist bezoekt. Toen Kees Smit en ik in 1973 deze gedichten voor ‘Autonoom’ doornamen, hebben we ons schromelijk vergaloppeerd door ze af te doen als typische jeugdgedichten die ongecompliceerd waren en niet veel poëtische waarde hadden. De arrogantie van de Europeaan heeft ons parten gespeeld. Een excuus dat ik nu verzinnen kan, is dat we toen nog geen kennis hadden genomen van schrijvers als Aimé Césaire c.s. en van de négritudebeweging, die door Arion in de literatuur van de Nederlandse Antillen is geïntroduceerd. Maar dit terzijde, al vliegt het schaamrood me nog naar de kaken. Colá Debrot heeft de waarde van deze bundel in elk geval wel ingezien. Het zijn natuurlijk jeugdgedichten, maar ze zijn bepaald niet ongecompliceerd. Het rollenspel dat in ‘Stemmen uit Afrika’ wordt opgevoerd, is tekenend voor Arion en komt in veel Nederlandstalig werk van hem voor. Hij speelt de gids, hij draait de rollen om. Niet meer is het de blanke die de weg wijst, maar een zwarte. En nog wel een zwarte dichter. Het is logisch dat de gids de taal van de kolonisator gebruikt. Deze zál de boodschap verstaan. Ook met het perspectief wordt gespeeld.2 De toerist wordt een spiegel voorgehouden. De gids praat de vooroordelen van de blanke na om die later als leugenachtig te ontmaskeren. De blanke toerist - ook weer zo'n speelse vondst - mag zich onschuldig en edel voelen dat hij Afrika kiest als plaats van zijn exploratietocht, hij wordt door de gids toch telkens op zijn schuld gewezen en de neger wordt telkens getoond als de onschuldige, die hooguit schuldig is voorzover hij is gaan denken als de blanke en daarmee zijn neger zijn verraadt. Maar zelfs dit kwalijke gevolg van eeuwenlange minachting toont meer de schuld van de blanke dan van de zwarte man aan. Er is nog een omkering: zwart wordt de kleur van goed, wit die van slecht, het licht van de blanke bracht duisternis.

Het ware licht is alleen te vinden in de donkerte van het woud, die past

[p. 444]

bij de kleur van de neger. Deze duisternis wordt het licht van de waarheid, de helle wereld van de blanke wordt dan hebzucht en bedrog. In gedicht VIII staat:

 
Het negerhart verlangt alleen
 
het donker licht van eenvoud,
 
de morgen en de avond,
 
op de paden van zijn woud.

Het speelse van de consequent doorgevoerde omkering blijft de hele bundel door aanwezig; bovendien wordt de superieure blanke door een zwarte hautain behandeld. Wie de hele cyclus zo leest wordt desondanks gegrepen door een heftigheid, die de woede verraadt waarmee de gedichten geschreven zijn. Door de elementen spot en spel in de structurele opzet van de bundel verheft Stemmen uit Afrika zich echter boven een politiek pamflet en wordt het een staaltje van dichtkunst. Om niet in sentimenteel gejammer en geweeklaag uit te barsten en zijn beheersing niet te verliezen, hanteert de negerdichter het wapen van de humor. De zweepslag komt daardoor wel harder aan.

Het speelse ritme van de bundel staat ook in dienst van het onderwerp. Bijna alle versregels zijn als tweeheffingenvers geschreven. D.w.z. dat elke versregel twee hoofdaccenten heeft.

 
Het négerhart verlangt alléén
 
het dónker licht van éénvoud,
 
de mórgen en de ávond
 
op de páden van zijn wóúd.

Zo klinkt in heel de bundel hetzelfde ritme door als de tam-tam in het oerwoud. Ook dit is een poëtisch spel.

De négritude wordt versterkt door enkele spirituals die door de vele herhalingen herinneringen oproepen aan de orale Afrikaanse literatuur. Die herhalingen en het strakke ritme maken ook de bezwering die van deze gedichten uitgaat sterker. Het spelelement is misschien typisch Afrikaans; in elk geval is het een gewoonte in de Afrikaanse orale literatuur speelse elementen in te voegen om het spel tussen spreker en publiek te verlevendigen. Het kan geen toeval zijn dat de stemmen uit Afrika zo speels hun lied zingen. Is het spel ook niet het privilege van de onschuldige negers, die immers als zodanig door de dichter worden voorgesteld?

Antilliaanse Cahiers

Het eerste nummer van de vijfde jaargang van Antilliaanse Cahiers was een poëzienummer. Er staan tien gedichten in van Arion in het Papiamentu. Het was inmiddels 1962 geworden en de dichter verbleef in Nederland.

[p. 445]

Het heimwee naar Curaçao wordt gerelativeerd in spotverzen, anders is het niet te dragen. Een voorbeeld:

Na mesa
 
Batata!
 
Su kara a bira rondo
 
di batata -
 
ma e tin gane
 
bisa un hende na papiamentu
 
kon e ta gusta funchi
 
 
 
Friw no ta hasi nada
 
ma si bo kanta duru si
 
na Hulanda
 
nan ta kohebo sera -
 
i me3 ke ku bo meste di permit
 
 
 
na Hulanda
 
hasta pa bo muri
 
 
 
No purba bai laman tampoko
 
 
 
pa bo skapa
 
pasobra e awa ta sjusji
 
i tin bestia fis den santu
 
 
 
ta wardabo sunchi -
 
pa drenta bo boca
 
 
 
Kon ku bai bin
 
na Hulanda stranjeru bo ta
 
keda -
 
Si nan konfiabo nan n'ta
 
konfiabo
 
kompletu
 
Si nan stimabo nan n'ta
 
stimabo
 
kompletu.
Aan tafel4
 
Aardappel!
 
Zijn gezicht werd rond
 
van het aardappel eten
 
maar hij zou graag
 
in het Papiamentu vertellen
 
hoeveel hij van funchi houdt
 
 
 
Kou betekent niets
 
maar als je hardop zingt
 
in Nederland
 
gooien ze je in de gevangenis
 
en je moet, denk ik, zelfs
 
toestemming hebben
 
in Nederland
 
om dood te gaan
 
 
 
Probeer ook niet naar het
 
strand te gaan
 
om te ontkomen
 
want het water is vuil
 
en er zijn vieze beesten in het
 
zand
 
die op een kus wachten
 
om in je mond te kruipen
 
 
 
Hoe dan ook
 
in Nederland blijf je een
 
vreemdeling -
 
Als ze je vertrouwen,
 
vertrouwen ze je niet
 
helemaal
 
Als ze van je houden, houden
 
ze van je niet
 
helemaal.

De versregel: ‘Kou betekent niets’ is sarcastisch bedoeld. Dat blijkt uit de regels die er op volgen. Het figuurlijk in de kou staan - men duldt niet

[p. 446]

eens dat je hardop zingt - is nog minder te verdragen dan de kou van het klimaat. Er wordt ook met de bureaucratie de spot gedreven. Juist de Antilliaan in Nederland ervaart het geregel als onpersoonlijk. Hij is dat op zijn eiland wel anders gewend. De baaien met het blauwe water op zijn eiland en met de blauwe lucht daarboven zijn niet te vergelijken met de grauwe stranden in Nederland. Het hele gedicht betekent eigenlijk: ik ben zo eenzaam in Nederland.

Het onzegbare gevoel dat dat geeft, wordt in poëzie tot uiting gebracht. Echte poëzie heeft de paradoxale eigenschap dat het onder woorden brengt wat niet onder woorden gebracht kan worden. En weer heeft de dichter geen ander verweer dan de spot.

 

In één van de andere gedichten staat:

 
Si bo bai Hulanda bini bek
 
bo ta keda semper un barku mal mará
 
ku ki ora ku ta por ranka bai -

Vrij vertaald:

 
Als je van Nederland teruggekeerd bent
 
blijf je altijd een slecht gemeerde boot
 
die elk moment op drift kan raken.

Ook geeft de dichter in hetzelfde gedicht de raad niet te wanhopen. Als je echt niet meer weet wat te beginnen, ga dan maar aan het werk en barst in lachen uit. In het Papiamentu staat er klankrijk:

 
Ma sigui purba! No desespera
 
benta bo kurpa na awa. I si ta
 
sa mes bo n'sa mas kiko hasi:
 
Anto dal man na obra i grita hari.

Het spot- en spelelement wordt afgewisseld door liefdesgedichten waaruit wanhoop klinkt, omdat de mens onmachtig is te doen wat hij wil. Net als in Stemmen uit Afrika worden spot en spel weer gehanteerd als kenmerkend voor Arion.

Ruku

In 1969 kort na de mei-opstand in Willemstad richt Arion het strijdbare blad Ruku op. Hij schrijft het voor een deel vol met artikelen en gedichten die de Antillianen moeten wakker schudden om hen bewust te maken van de eigen waarden. In de eerste jaargang, nummer vier eist hij dat de dichters het heft in handen nemen

 
Laat
 
Dat de dichters zich voortaan uitspreken
[p. 447]
 
Over zaken van staatsbelang
 
En dat er geen beslissingen meer ontstaan
 
Zonder dichters

Het was vijf voor twaalf, de hoogste tijd voor veranderingen. Temidden van de politieke artikelen die allerwegen verschenen, bleef Arion zichzelf trouw, nam hij wel heftig deel aan de woordenstrijd, maar wist ook door humor afstand te nemen en kon zo het slachtveld overzien.

Hij dicht dan het volgende spotvers:

De blanke negerinnen
 
Ik houd van die Antilliaansen die zeggen
 
Ik ben geen negerin, althans niet meer,
 
Omdat hun huid zo blank is zeggen zij dit
5
Maar hun achterwerk verraadt hun:
 
 
 
Het blijft door de jaren heen even los.
 
 
 
Hun vlees is even lillerig onder hun nieuwe
 
Kleur en gaver stel ik mij voor
 
Als het ineens de muziek van bongo's hoort
10
En reageert op de onfeilbare voorouders.
 
 
 
Als dat vlees de gladde gezichten
 
Van de wulpse maraca's voelt
 
Hoe kan het in godsnaam nee zeggen!
 
En wie weet, wie weet hoeveel gevoel
 
 
15
Dat vlees ondanks zijn kleur toch nog bezit.
 
 
 
Het perst zich soms naar me toe als een golf
 
Brengt mij zelfs aan het schrikken en het wankelen
 
Als een rijkdom die ik niet verwacht
 
En wat er tussen die borsten aan beweging gebeurt,
 
 
20
Wie kan het zeggen die het niet heeft zien aan
 
Komen en gevoeld; en van dichtbij vastgehouden.
 
O, terwijl daarboven hun glimlach heilig zegt
 
Gebeuren er daaronder dingen, die ik eigenlijk
 
 
 
Niet volledig hier kan openbaren.
[p. 448]
25
Dikker zijn ze vaak die negerinnen, echter beweeglijker
 
 
 
En bewerkelijker en door wat overtollige vlees
 
Van wellicht een beter leven, wijder in het midden.
 
Maar ze zijn toepasselijk als een haven.
 
 
 
En hun voordelen zijn heimelijker.
 
 
30
Ik ben allang tot hun bestaan ontwaakt.
 
Tot die soepele taal van borsten,
 
Die veel seinen, als vogels en als seismograven.
 
Het wachtwoord voor hun is: Wees snel maar stil;
 
 
 
Want ze haten luidruchtige en langzame negers.5

Spot en spel gaan weer hand in hand. Intussen is één van de problemen van die jaren: het erkennen en waarderen van de eigen identiteit, scherp onder woorden gebracht. Ik vermoed dat in het licht van die erkenning ook de drie fouten tegen het Nederlands te verklaren zijn. (‘Hun’ in r. 5 moet zijn ‘hen’ of ‘ze’, evenals ‘hun’ in r. 33, ‘overtollige’ in r. 26 moet zijn ‘overtollig’ en ‘seismograven’ in r. 32 moet zijn ‘seismografen’.) Ik verdenk Arion ervan dat hij deze fouten met opzet heeft laten staan als een teken van hautaine onverschilligheid voor de koloniale taal. Een kleine speelse wraak op het foutieve gebruik van het Papiamentu door de Nederlanders die denken dat zij die taal perfect onder de knie hebben.6

Humor is omkering, is lachen als je moet huilen, is het omgekeerde zeggen van wat je bedoelt en dat omgekeerde vergroten. Een situatie die in feite zo triest is, wordt hier belachelijk gemaakt en daardoor ogenschijnlijk acceptabel. Het is een methode om de lichtergekleurde vrouwen die er zo prat op gaan dat ze niet meer zwart zijn, erop te wijzen dat ze wel degelijk van binnen nog negerinnen zijn. Het komt misschien voor sommige Nederlanders wat scabreus over. De toespelingen op de erotiek zijn duidelijk. Wat te denken van het woord ‘bewerkelijker’ in r. 26 en van r. 28 in zijn geheel? Het dubbelzinnig taalgebruik is onder Antillianen eerder toegestaan dan in Nederland als het maar speels gebracht wordt. De vrouwen die zich blank voelen met hun lichtere huid en Nederlands doen, worden door die dubbelzinnige taal geshockeerd en op hun plaats gezet. Zo bereikt de dichter speels en spottend wat hij beoogt. Zo'n gedicht moet eigenlijk hardop gelezen worden. Dan komt beter uit dat de enjambementen zo trefzeker toegepast zijn. Het enjabement tussen regel 7 en 8 eist dat het woord ‘nieuwe’ even aangehouden wordt, waardoor het meer nadruk

[p. 449]

krijgt. Dat geldt ook voor de overgangen tussen regel 14 en 15 en regel 23 en 24. Nog sterker is het met het woord ‘aan-komen’, regel 20-21, zo in de geest van zien wel maar aankomen niet! Poëtische middelen worden aangewend om een boodschap door te geven die in gewone taal gauw als bedillerig wordt beschouwd.

Verspreide gedichten

Weer enkele jaren later, in 1974, verschijnt er af en toe een gedicht van Arion in een Nederlands tijdschrift. Bekend is vooral geworden het lange gedicht ‘Oorlog aan de edelstenen’ in ‘Gedicht’, een tijdschrift onder leiding van Remco Campert, dat niet meer beoogde dan goede poëzie te publiceren van dichters die zich niet gebonden voelden aan een stroming.7 Arion pleit in dit gedicht van 8 afdelingen niet alleen voor begrip voor de zwarte mijnwerkers, maar ook voor een terugkeer naar eenvoud in de poëzie:

 
dwz zonder al die dure symbolen
 
die alleen maar doden genereren.

Poëzie zonder versiering, zonder edelstenen, wil Arion schrijven. Die behoefte aan eenvoud zat al in zijn gedichten in Ruku. Daarom zegt de dichter, sprekend over zijn dochter:8

 
Zij is een dame. Zij is een dame.
 
Zij is een dame van witte koralen en blote polsen
 
Vriendelijke daden zijn haar enige sieraden.

Ook hier spot Arion met de dure sieraden die wij dragen en die de zwarte mijnwerkers in de diamantmijnen van Zuid-Afrika voor een hongerloon met gevaar voor hun gezondheid delven.

 
zo gezien, vooral 's avonds gezien,
 
zijn de oorlellebellen van de vrouw
 
de grootste troubles van de mijnwerkers

Zulke strofen ontnemen het gedicht het clichématige van de loodzware aanklacht, maar geven het door het poëtisch spel meer overtuigingskracht, vooral omdat er verwijzingen naar de functie van poëzie in verweven zijn.

Ook in het proza

Deze kleine speurtocht door de poëzie van Arion bevestigt dat hij van spel en spot houdt. Wie het proza van Arion kent, weet dat hij ook daarin voortdurend speelt. De naam van zijn eerste roman luidt Dubbelspel. Er wordt niet alleen domino in gespeeld, maar ook een spel bedreven in taalkundig opzicht. Het woord spel is in zijn debuutroman voor velerlei uitleg vatbaar.

[p. 450]

In zijn tweede roman Afscheid van de koningin van 1975 staat een toespeling op zijn dichterschap. Alweer gebeurt dat speels en met de nodige zelfspot. Op blz. 137 staat:

 
In de wolken. De tijd vergaat met dromen
 
Zal ik wèl of zal ik niet bij deze vrouw komen?
 
 
 
Jeminee! Die tweede regel is verschrikkelijk! Je ziet wel dat ik geen dichter ben...

Tot zover Arion over zichzelf. Nu moet de lezer weten dat hij in 1970 een dichtbundel had uitgegeven, getiteld In de wolken. Er waren 13 jaar eerder lovende recensies verschenen over Stemmen uit Afrika. Hij had zijn naam als dichter reeds in 1957 gevestigd. Wie dan in 1970 zo schrijft, moet wel van spelen houden. Het herlezen van Afscheid van de koningin in deze geest leidt tot een herwaardering van dit indertijd verguisde werk. De Nederlandse critici voelden zich bij het verschijnen van deze roman in hun kuif gepikt. Arion ging te ver, vonden zij, hij was niet redelijk meer.

Zelfs in essays tenslotte kan deze schrijver het niet laten de spot te drijven. In Op eigen gronden, een afscheidsbundel aan professor dr. J.J. Oversteegen, die in 1989 verscheen, staat een bijdrage van Arion over zijn contacten met Debrot en het uitspreken van de e.9 De toon is badinerend en van de andere kant getuigt zijn artikel van een zo ernstig bezig zijn met de taal, dat de schrijver ervan overkomt als een geniale grapjas. Hij spot met het zich angstvallig houden aan de tijd bij afspraken, beschouwt dit als een eigenschap van enkele kleine (Hollandse) lieden, maar geeft tevens met enkele opmerkingen een nieuwe visie op een verontachtzaamd werk van Debrot en doet dat met een glimlach alsof hij zich verontschuldigt dat hij zo scherp leest. Dat is Frank Martinus Arion ten voeten uit. Hij leeft in een gespleten wereld en kan zich alleen staande houden met spot en spel. Hij doorziet de tragiek van een volk, wordt zelfs door veel eigen mensen niet begrepen, omdat de eeuwenlange kolonisatie veel dieper op het denken van de Antillianen heeft ingewerkt dan zijzelf inzien. De gekke geniale dichter ziet het aan en glimlacht als enige manier van overleven.

1Een duidelijk inleidend artikel over de problemen waarvoor de literatuurwetenschap zich gesteld ziet ten aanzien van niet-Europese literatuur is te vinden in: Mineke Schipper: ‘Beyond the boundaries, African literature and literary theory.’ Hierin hoofdstuk 2: ‘Eurocentrism and criticism: reflections on the study of literature in past and present’, London 1989.

2Aan opmerkingen van Aart G. Broek, Jos de Roo en Wim Rutgers in hun gebundelde artikelen ben ik ten dele schatplichtig. Wie nu over Antilliaanse literatuur schrijft, ontkomt niet aan het raadplegen van eerder verschenen beschouwingen. Ik wil in dit artikel echter vooral op het spot- en spelelement wijzen, dat volgens mij tot het wezenlijke van het schrijverschap van Arion behoort.

3Ik denk dat het woordje ‘me’ ‘mi’ moet zijn, maar houd in gedichten bij voorkeur de oorspronkelijke tekst aan.
4Door mijn vertaling gaat er veel van het gedicht verloren. De hoofdgedachte blijft en juist die bevat de elementen spot en spel. De Papiamentu tekst versterkt door de klankorganisatie en het ritme die elementen.

5‘Ruku’, volume 2 - nummer 6 - januari 1971.
6Aart G. Broek wijst in: ‘Frank Martinus Arion Dubbelspel’ Memoreeks, Apeldoorn 1986, p. 15 op het slordig taalgebruik en ook hij ziet dit ‘als een grapje, voortvloeiend uit een milde wraakoefening.’

7‘Gedicht’ jaargang 1, nummer 2, 1974.
8De dochter van de dichter is een literaire figuur. De dichter creëert een fictieve dochter. We moeten de dichter en de persoon van de schrijver, Frank Martinus Arion natuurlijk niet met elkaar verwarren. Aardig is de mogelijkheid dat de dichter met het woord dochter hier net zo goed zijn poëzie kan bedoelen.

9Redactie Kees Fens en Hugo Verdaasdonk: ‘Op eigen gronden. Opstellen aangeboden aan Prof. Dr. J.J. Oversteegen ter gelegenheid van zijn afscheid als Hoogleraar Theoretische Literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht’, Utrecht 1989.
prepostterug  begin  verder