Over het literaire werk van Frank Martinus Arion (verder aangeduid met Arion) is veel geschreven, zowel in kranteartikelen met het onvermijdelijke vluchtige karakter, als in geschriften over Antilliaanse literatuur met beschouwingen van meer blijvende waarde. Reeds in 1975 besteedde ‘Autonoom’ van Smit en Heuvel aandacht aan zijn werk, waarna ‘Antilliaans literair logboek’ van Jos de Roo en ‘Met eigen stem’ van A. van de Wal en F. van Wel in 1980 dieper op zijn werk ingingen. In 1986 wijdde W. Rutgers in ‘Dubbeltje lezen, stuivertje schrijven’ een overzichtsartikel aan Arions werk en in datzelfde jaar verscheen van Aart Broek een deeltje in de Memoreeks over ‘Dubbelspel’. In de herdruk in 1989 van ‘Met eigen stem’ werden nieuwe gegevens en inzichten verwerkt. Met deze opsomming is de lijst niet compleet. Het is duidelijk dat er veel over Arion is geschreven. In de meeste artikelen wordt vooral uitvoerig op zijn romans ingegaan. Jos de Roo komt de eer toe de poëtische kenmerken van de bundel ‘Stemmen uit Afrika’ in ‘Antilliaans literair logboek’ te behandelen.
Dit artikel echter gaat over tot nu toe onderbelichte facetten van de gedichten van Arion. Ik heb een keuze gemaakt uit zijn poëzie om de elementen spot en spel naar voren te halen.
Er doen zich verschillende problemen voor bij de bestudering van Antilliaanse literatuur.1 Zo zijn Antilliaanse schrijvers meertalig. Ze schrijven in de taal van hun eiland en in de taal van de oude kolonisator. Arion spreekt van huis uit Papiamentu. Hij is bewust bezig met zijn eigen taal. Terwijl het onderwijs op Curaçao in het Nederlands gegeven wordt, heeft hij een particuliere school gesticht waar de lessen in het Papiamentu worden gegeven. Het is opmerkelijk dat toen hij op zijn geboorteëiland middelbaar onderwijs had genoten, hij eigenlijk in Nederland scheikunde wilde gaan studeren, daar tegenop zag, omdat hij niet later bij Shell wilde gaan werken en Nederlands koos als studierichting. In 1965 zes maanden voor zijn doctoraal stopte hij met deze studie, omdat hij geen Nederlands aan Antilliaanse kinderen kon en wilde geven. In het begin van de jaren zeventig nam hij in Nederland de draad van zijn studie Nederlands weer op en werd docent Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel is hij als linguïst verbonden aan het Instituto Linguistiko Antiano te Curaçao alwaar hij aan het hoofd van een staf medewerkers het Papiamentu propageert. Dit heeft tweeslachtigheid in de persoonlijkheid van
Arion ten gevolge gehad. Begaafd met een groot taalgevoel maakt hij zich op het hoogste niveau de taal van de kolonisator eigen; tegelijk beseft hij als linguïst dat, wil zijn volk de psychologische schade van het koloniale bewind te boven komen, dat volk op de allereerste plaats de eigen taal moet waarderen. Aan deze gespletenheid is het te danken dat Arion literaire werken in het Papiamentu en in het Nederlands schrijft.
De eerste dichtbundel van Arion ‘Stemmen uit Afrika’ dateert van 1957. Hij bevatte 54 Nederlandstalige gedichten die door Colá Debrot opgenomen werden in ‘Antilliaanse Cahiers’ als nummer 1 van de derde jaargang. Arion was toen twintig jaar. Hij stelt zich op als zwarte gids voor de blanke die Afrika als toerist bezoekt. Toen Kees Smit en ik in 1973 deze gedichten voor ‘Autonoom’ doornamen, hebben we ons schromelijk vergaloppeerd door ze af te doen als typische jeugdgedichten die ongecompliceerd waren en niet veel poëtische waarde hadden. De arrogantie van de Europeaan heeft ons parten gespeeld. Een excuus dat ik nu verzinnen kan, is dat we toen nog geen kennis hadden genomen van schrijvers als Aimé Césaire c.s. en van de négritudebeweging, die door Arion in de literatuur van de Nederlandse Antillen is geïntroduceerd. Maar dit terzijde, al vliegt het schaamrood me nog naar de kaken. Colá Debrot heeft de waarde van deze bundel in elk geval wel ingezien. Het zijn natuurlijk jeugdgedichten, maar ze zijn bepaald niet ongecompliceerd. Het rollenspel dat in ‘Stemmen uit Afrika’ wordt opgevoerd, is tekenend voor Arion en komt in veel Nederlandstalig werk van hem voor. Hij speelt de gids, hij draait de rollen om. Niet meer is het de blanke die de weg wijst, maar een zwarte. En nog wel een zwarte dichter. Het is logisch dat de gids de taal van de kolonisator gebruikt. Deze zál de boodschap verstaan. Ook met het perspectief wordt gespeeld.2 De toerist wordt een spiegel voorgehouden. De gids praat de vooroordelen van de blanke na om die later als leugenachtig te ontmaskeren. De blanke toerist - ook weer zo'n speelse vondst - mag zich onschuldig en edel voelen dat hij Afrika kiest als plaats van zijn exploratietocht, hij wordt door de gids toch telkens op zijn schuld gewezen en de neger wordt telkens getoond als de onschuldige, die hooguit schuldig is voorzover hij is gaan denken als de blanke en daarmee zijn neger zijn verraadt. Maar zelfs dit kwalijke gevolg van eeuwenlange minachting toont meer de schuld van de blanke dan van de zwarte man aan. Er is nog een omkering: zwart wordt de kleur van goed, wit die van slecht, het licht van de blanke bracht duisternis.
Het ware licht is alleen te vinden in de donkerte van het woud, die past
bij de kleur van de neger. Deze duisternis wordt het licht van de waarheid, de helle wereld van de blanke wordt dan hebzucht en bedrog. In gedicht VIII staat:
Het speelse van de consequent doorgevoerde omkering blijft de hele bundel door aanwezig; bovendien wordt de superieure blanke door een zwarte hautain behandeld. Wie de hele cyclus zo leest wordt desondanks gegrepen door een heftigheid, die de woede verraadt waarmee de gedichten geschreven zijn. Door de elementen spot en spel in de structurele opzet van de bundel verheft Stemmen uit Afrika zich echter boven een politiek pamflet en wordt het een staaltje van dichtkunst. Om niet in sentimenteel gejammer en geweeklaag uit te barsten en zijn beheersing niet te verliezen, hanteert de negerdichter het wapen van de humor. De zweepslag komt daardoor wel harder aan.
Het speelse ritme van de bundel staat ook in dienst van het onderwerp. Bijna alle versregels zijn als tweeheffingenvers geschreven. D.w.z. dat elke versregel twee hoofdaccenten heeft.
Zo klinkt in heel de bundel hetzelfde ritme door als de tam-tam in het oerwoud. Ook dit is een poëtisch spel.
De négritude wordt versterkt door enkele spirituals die door de vele herhalingen herinneringen oproepen aan de orale Afrikaanse literatuur. Die herhalingen en het strakke ritme maken ook de bezwering die van deze gedichten uitgaat sterker. Het spelelement is misschien typisch Afrikaans; in elk geval is het een gewoonte in de Afrikaanse orale literatuur speelse elementen in te voegen om het spel tussen spreker en publiek te verlevendigen. Het kan geen toeval zijn dat de stemmen uit Afrika zo speels hun lied zingen. Is het spel ook niet het privilege van de onschuldige negers, die immers als zodanig door de dichter worden voorgesteld?
Het eerste nummer van de vijfde jaargang van Antilliaanse Cahiers was een poëzienummer. Er staan tien gedichten in van Arion in het Papiamentu. Het was inmiddels 1962 geworden en de dichter verbleef in Nederland.
Het heimwee naar Curaçao wordt gerelativeerd in spotverzen, anders is het niet te dragen. Een voorbeeld:
De versregel: ‘Kou betekent niets’ is sarcastisch bedoeld. Dat blijkt uit de regels die er op volgen. Het figuurlijk in de kou staan - men duldt niet
eens dat je hardop zingt - is nog minder te verdragen dan de kou van het klimaat. Er wordt ook met de bureaucratie de spot gedreven. Juist de Antilliaan in Nederland ervaart het geregel als onpersoonlijk. Hij is dat op zijn eiland wel anders gewend. De baaien met het blauwe water op zijn eiland en met de blauwe lucht daarboven zijn niet te vergelijken met de grauwe stranden in Nederland. Het hele gedicht betekent eigenlijk: ik ben zo eenzaam in Nederland.
Het onzegbare gevoel dat dat geeft, wordt in poëzie tot uiting gebracht. Echte poëzie heeft de paradoxale eigenschap dat het onder woorden brengt wat niet onder woorden gebracht kan worden. En weer heeft de dichter geen ander verweer dan de spot.
In één van de andere gedichten staat:
Vrij vertaald:
Ook geeft de dichter in hetzelfde gedicht de raad niet te wanhopen. Als je echt niet meer weet wat te beginnen, ga dan maar aan het werk en barst in lachen uit. In het Papiamentu staat er klankrijk:
Het spot- en spelelement wordt afgewisseld door liefdesgedichten waaruit wanhoop klinkt, omdat de mens onmachtig is te doen wat hij wil. Net als in Stemmen uit Afrika worden spot en spel weer gehanteerd als kenmerkend voor Arion.
In 1969 kort na de mei-opstand in Willemstad richt Arion het strijdbare blad Ruku op. Hij schrijft het voor een deel vol met artikelen en gedichten die de Antillianen moeten wakker schudden om hen bewust te maken van de eigen waarden. In de eerste jaargang, nummer vier eist hij dat de dichters het heft in handen nemen
Het was vijf voor twaalf, de hoogste tijd voor veranderingen. Temidden van de politieke artikelen die allerwegen verschenen, bleef Arion zichzelf trouw, nam hij wel heftig deel aan de woordenstrijd, maar wist ook door humor afstand te nemen en kon zo het slachtveld overzien.
Hij dicht dan het volgende spotvers:
Spot en spel gaan weer hand in hand. Intussen is één van de problemen van die jaren: het erkennen en waarderen van de eigen identiteit, scherp onder woorden gebracht. Ik vermoed dat in het licht van die erkenning ook de drie fouten tegen het Nederlands te verklaren zijn. (‘Hun’ in r. 5 moet zijn ‘hen’ of ‘ze’, evenals ‘hun’ in r. 33, ‘overtollige’ in r. 26 moet zijn ‘overtollig’ en ‘seismograven’ in r. 32 moet zijn ‘seismografen’.) Ik verdenk Arion ervan dat hij deze fouten met opzet heeft laten staan als een teken van hautaine onverschilligheid voor de koloniale taal. Een kleine speelse wraak op het foutieve gebruik van het Papiamentu door de Nederlanders die denken dat zij die taal perfect onder de knie hebben.6
Humor is omkering, is lachen als je moet huilen, is het omgekeerde zeggen van wat je bedoelt en dat omgekeerde vergroten. Een situatie die in feite zo triest is, wordt hier belachelijk gemaakt en daardoor ogenschijnlijk acceptabel. Het is een methode om de lichtergekleurde vrouwen die er zo prat op gaan dat ze niet meer zwart zijn, erop te wijzen dat ze wel degelijk van binnen nog negerinnen zijn. Het komt misschien voor sommige Nederlanders wat scabreus over. De toespelingen op de erotiek zijn duidelijk. Wat te denken van het woord ‘bewerkelijker’ in r. 26 en van r. 28 in zijn geheel? Het dubbelzinnig taalgebruik is onder Antillianen eerder toegestaan dan in Nederland als het maar speels gebracht wordt. De vrouwen die zich blank voelen met hun lichtere huid en Nederlands doen, worden door die dubbelzinnige taal geshockeerd en op hun plaats gezet. Zo bereikt de dichter speels en spottend wat hij beoogt. Zo'n gedicht moet eigenlijk hardop gelezen worden. Dan komt beter uit dat de enjambementen zo trefzeker toegepast zijn. Het enjabement tussen regel 7 en 8 eist dat het woord ‘nieuwe’ even aangehouden wordt, waardoor het meer nadruk
krijgt. Dat geldt ook voor de overgangen tussen regel 14 en 15 en regel 23 en 24. Nog sterker is het met het woord ‘aan-komen’, regel 20-21, zo in de geest van zien wel maar aankomen niet! Poëtische middelen worden aangewend om een boodschap door te geven die in gewone taal gauw als bedillerig wordt beschouwd.
Weer enkele jaren later, in 1974, verschijnt er af en toe een gedicht van Arion in een Nederlands tijdschrift. Bekend is vooral geworden het lange gedicht ‘Oorlog aan de edelstenen’ in ‘Gedicht’, een tijdschrift onder leiding van Remco Campert, dat niet meer beoogde dan goede poëzie te publiceren van dichters die zich niet gebonden voelden aan een stroming.7 Arion pleit in dit gedicht van 8 afdelingen niet alleen voor begrip voor de zwarte mijnwerkers, maar ook voor een terugkeer naar eenvoud in de poëzie:
Poëzie zonder versiering, zonder edelstenen, wil Arion schrijven. Die behoefte aan eenvoud zat al in zijn gedichten in Ruku. Daarom zegt de dichter, sprekend over zijn dochter:8
Ook hier spot Arion met de dure sieraden die wij dragen en die de zwarte mijnwerkers in de diamantmijnen van Zuid-Afrika voor een hongerloon met gevaar voor hun gezondheid delven.
Zulke strofen ontnemen het gedicht het clichématige van de loodzware aanklacht, maar geven het door het poëtisch spel meer overtuigingskracht, vooral omdat er verwijzingen naar de functie van poëzie in verweven zijn.
Deze kleine speurtocht door de poëzie van Arion bevestigt dat hij van spel en spot houdt. Wie het proza van Arion kent, weet dat hij ook daarin voortdurend speelt. De naam van zijn eerste roman luidt Dubbelspel. Er wordt niet alleen domino in gespeeld, maar ook een spel bedreven in taalkundig opzicht. Het woord spel is in zijn debuutroman voor velerlei uitleg vatbaar.
In zijn tweede roman Afscheid van de koningin van 1975 staat een toespeling op zijn dichterschap. Alweer gebeurt dat speels en met de nodige zelfspot. Op blz. 137 staat:
Tot zover Arion over zichzelf. Nu moet de lezer weten dat hij in 1970 een dichtbundel had uitgegeven, getiteld In de wolken. Er waren 13 jaar eerder lovende recensies verschenen over Stemmen uit Afrika. Hij had zijn naam als dichter reeds in 1957 gevestigd. Wie dan in 1970 zo schrijft, moet wel van spelen houden. Het herlezen van Afscheid van de koningin in deze geest leidt tot een herwaardering van dit indertijd verguisde werk. De Nederlandse critici voelden zich bij het verschijnen van deze roman in hun kuif gepikt. Arion ging te ver, vonden zij, hij was niet redelijk meer.
Zelfs in essays tenslotte kan deze schrijver het niet laten de spot te drijven. In Op eigen gronden, een afscheidsbundel aan professor dr. J.J. Oversteegen, die in 1989 verscheen, staat een bijdrage van Arion over zijn contacten met Debrot en het uitspreken van de e.9 De toon is badinerend en van de andere kant getuigt zijn artikel van een zo ernstig bezig zijn met de taal, dat de schrijver ervan overkomt als een geniale grapjas. Hij spot met het zich angstvallig houden aan de tijd bij afspraken, beschouwt dit als een eigenschap van enkele kleine (Hollandse) lieden, maar geeft tevens met enkele opmerkingen een nieuwe visie op een verontachtzaamd werk van Debrot en doet dat met een glimlach alsof hij zich verontschuldigt dat hij zo scherp leest. Dat is Frank Martinus Arion ten voeten uit. Hij leeft in een gespleten wereld en kan zich alleen staande houden met spot en spel. Hij doorziet de tragiek van een volk, wordt zelfs door veel eigen mensen niet begrepen, omdat de eeuwenlange kolonisatie veel dieper op het denken van de Antillianen heeft ingewerkt dan zijzelf inzien. De gekke geniale dichter ziet het aan en glimlacht als enige manier van overleven.