Literaire verschijnselen zijn uiteraard, rekening houdend met hun geestelijke, sociologische of algemeen culturele context, veelal uiterst complex. Zij zijn nooit enkelvoudig, laat staan eenvoudig, zodat het altijd moeilijk, en in sommige gevallen onmogelijk is, op een bepaald ogenblik in de tijd, of in een doorgaans uitgebreid tijdperk, sommige feiten en gebeurtenissen onder één noemer te brengen en daarbij een vaste, niet te wijzigen thematische, formele, typologische en periodiserende kenschetsing voorop te stellen. Het lijkt soms of de literatuurhistoricus, die een op het eerste gezicht welomlijnd verschijnsel op dusdanige wijze heeft trachten samen te vatten, en een plaats heeft willen verlenen in de tijd, zich net niet vergist.
Zo eveneens wat de overgangstijd betreft - nl. de tijd tussen 1878, het begin van het tijdschrift Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle, en 1893, het begin van het tijdschrift Van Nu en Straks - die in dit hoofdstuk aan de beurt komt.
Alvorens over de ‘voorgeschiedenis’ (1888-1893) van Van Nu en Straks (1893-1901) concreet te kunnen handelen, zou men, vanuit een methodisch standpunt, eerst moeten weten wat het begrip en de zaak Van Nu en Straks wezenlijk inhoudt, dus op welke algemene literairhistorische noemer de diverse aspecten van het tijdschrift, de groepering, de beweging, als eenheidsverschijnsel, zijn terug te voeren. Want laten wij het niet vergeten. Van Nu en Straks is vooralsnog alleen de benaming van een periodiek, een groep schrijvers, ten hoogste een literaire richting die nog, in al hun ingewikkeldheid, op een analytische en synthetische literairhistorische studie wachten, evenals de romantiek, het realisme en het naturalisme in het vorige tijdperk. Inderdaad, het begrip en de zaak Van Nu en Straks blijken tot dusver zo onontwarbaar te zijn - er zijn hiermee verschijnselen gemoeid, die als realisme, naturalisme, impressionisme, sensitivisme, decadentisme, symbolisme, neoromantiek, fin-de-siècle enz. te kenmerken zijn, en waartussen de grenzen niet altijd duidelijk zijn te trekken - dat een dergelijke inschakeling in de tijd en een definitieve literairhistorische karakterisering nog steeds als vrome wensen moeten worden beschouwd.
Hoe kan derhalve, volgens welke methodische richtlijnen, deze ‘voorgeschiedenis’ van Van Nu en Straks literairhistorisch worden onderzocht, en hoe kan dit onderzoek tot een goed einde worden gebracht?
Er is voor het onderzoek van het probleem, strikt beschouwd, slechts één betrouwbare methodische oplossing, nl. deze ‘voorgeschiedenis’ op zo'n manier te ontleden en te karakteriseren dat nauwkeurig kan worden nagegaan op welke wijze zij zich heeft gedistantieerd van oudere, overwonnen, of ten dele overwonnen verschijnselen en opvattingen, hoe zij dus iets nieuws heeft toegevoegd aan wat al historie was geworden, of bezig was historie te worden, en op welke wijze zij op een bepaald ogenblik het literair tijdsbeeld heeft gewijzigd, of bezig was te wijzigen. Het is de bekende methode
van de, van het verleden uit, op de toekomst gerichte geschiedenisbeoefening, die hoofdzakelijk oog heeft voor wat de ontwikkeling voorwaarts, dus de vooruitgang in de tijd van de feiten en gebeurtenissen, impliceert. Dit hoeft dan nog geen definitief geformuleerd waardeoordeel te impliceren, vooral daar vooruitgang in de tijd niet noodzakelijk een esthetische vooruitgang betekent. Het geval P. de Mont, dat hier verder ter sprake zal komen, zal dit voldoende illustreren.
Dit alles om van meet aan te zeggen dat de ‘voorgeschiedenis’ van Van Nu en Straks, dus ook haar ontwikkeling zoals pas aangegeven, en zulks buiten iedere poging tot het formuleren van een esthetisch waardeoordeel, reeds in statu nascendi, in kiem aanwezig was voordat ze, in 1878, bij het ontstaan van Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle een voldongen feit was. Zoals bekend komt men soms van zeer ver, wat daarom nog niet noodzakelijk een verband van oorzaak en gevolg insluit. Er zijn, vooral in de literatuur en andere takken van de artistieke ontwikkeling, tal van verschijnselen die zich immers niet zelden naast elkaar, in plaats van uit en na elkaar ontwikkelen.
Om zich nu bij de studie van de jaren tachtig in de Zuidnederlandse literatuur zo duidelijk mogelijk rekenschap te geven waar men precies vandaan komt - in dit verband verkies ik de benaming ‘jaren tachtig’, liever dan de ‘Tachtigers’ of nog, zoals dat bij R.F. Lissens, De Vlaamse Letterkunde van 1780 tot heden (19674) het geval is, de ‘Vlaamse Tachtigers’, om de eenvoudige reden dat de Tachtigers een sinds het begin van de beweging gecodificeerd Noordnederlands literairhistorisch begrip is, al hebben Zuidnederlandse literaire verschijnselen hiermee ook sommige aanknopingspunten - dient op de achtergrond van de doorwerking van de romantiek, het realisme en het naturalisme, met een drievoudige reeks verschijnselen of krachtlijnen rekening te worden gehouden.
Deze krachtlijnen lijken mij de volgende te zijn:
1. Het feit dat de ontwikkeling van het driemanschap Guido Gezelle (eerste tijd), Hugo Verriest, Albrecht Rodenbach, m.i. vaak ten onrechte het Westvlaams taalparticularistisch driemanschap genoemd, omstreeks 1880, ten gevolge van het overlijden van Rodenbach op 23 juni 1880, vrij plotseling werd afgebroken, en pas in 1893, het jaar van Tijdkrans en Van Nu en Straks, door Gezelle kon worden voortgezet; het ontstaan en optreden van Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle (1878-1897), onder leiding van Theophiel Coopman en Victor-Alexis dela Montagne, ligt hier middenin; het tijdschrift vormt een schakel tussen de oudere en de jongere Gezelletraditie, ook al is in het tijdschrift zelf van deze eerste krachtlijn weinig te bespeuren;
2. Het feit dat in Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle, dus in volle Gezelletraditie, het literair formalisme en parnassianisme werd aangekondigd en aanvaard; het geldt de tweede krachtlijn, die van het driemanschap Johan-Michel Dautzenberg, Frans-Jozef de Cort, Jan-Albrecht van Droogenbroeck (pseud. Jan Ferguut), sommige dichters van het tijdschrift, ook enkele outsiders, die dit formalisme en parnassianisme op soepele wijze hebben verwerkt en hebben kunnen aanpassen;
3. Het feit dat er, onmiddellijk vóór Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle, tal van oudere periodieken bestonden en er nieuwe ontstonden - een twintigtal - die echter alle, in eigen kring, hetzij zo eenzijdig, hetzij zo disparaat aan het woord kwamen, dat geen van alle een enigszins bundelende invloed bezat.
Het tijdschrift van Th. Coopman en V.-A. dela Montagne zou dan ook chronologisch het eerste zijn om in deze toestand enige wijziging te brengen. Het zou, samen met het Brussels kunstgenootschap De Distel (1881-1908), met tal van literaire en artistieke controversen waarover trouwens eveneens in Franstalige organen werd gedebatteerd,
o.m. in La Jeune Belgique (1881-1897), L'Art Moderne (1881-1914), La Wallonie (1886-1892), geleidelijk aan de noodzakelijkheid van een gecoördineerde groep en voortstuwende kracht, nl. Van Nu en Straks (1893-1901), niet alleen aankondigen, maar het bestaan ervan mogelijk maken. Aldus konden sommige voortekenen tot tekenen, sommige tekenen tot werkelijkheid worden, en wel in een beweging waarvan de Zuidnederlandse, voor een deel de Noordnederlandse letteren - men denke aan de uitstraling, in Nederland, van een dichter als K. van de Woestijne, een prozaïst als S. Streuvels - tot laat in de 20e eeuw de doorstroming zullen kennen. Het feit dat H. Teirlinck, overleden in 1967, en die als de laatste produktieve Van-Nu-en-Strakser kan worden beschouwd, zijn wortels in het werk van zijn vader, I. Teirlinck, ook in dat van zijn oom, R. Stijns, blijkt te hebben gehad - beiden waren medewerkers aan Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle - en hij dit verleden nimmer heeft verloochend, is in dit historisch verband kenschetsend.