Het Nederlands in Noord-Frankrijk


auteur: H. Ryckeboer


bron: H. Ryckeboer, Het Nederlands in Noord-Frankrijk. Sociolinguïstische, dialectologische en contactlinguïstische aspecten. Vakgroep Nederlandse Taalkunde, Gent 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 170]

Nederlandse lexicale elementen in de Noord-Franse dialecten
Een dialectlexicografische en dialectgeografische benadering van het taalcontact in Noord-Frankrijk1

1. Historische achtergronden van het taalcontact in Noord-Frankrijk

De geschiedenis van het taalcontact in Noord-Frankrijk valt in het eerste millenium samen met de ontstaansgeschiedenis van het Frans zelf. De ontwikkeling van het vulgair Latijn in Noord-Frankrijk naar Oudfrans (Langue d'oil) als aparte Romaanse taal is vooral gekenmerkt door de inbreng van de taal der Frankische (Germaanse) veroveraars. De invasie van de Franken in de 5de eeuw en de oprichting van het Frankische Rijk onder Clovis is het begin geweest van een drie eeuwen lange situatie van tweetaligheid met diglossie ten noorden van de Loire. Hoewel de Frankischsprekenden in Neustrië (het noordwestelijke deel van het Frankische Rijk onder de Merovingers, met als belangrijkste steden Soissons, Parijs, Orléans en Tours) een minderheid vormden, behoorden ze tot de heersende klasse. Zodoende was het Oudnederfrankisch dominant bij de feodale heersers, de krijgers en vrije boeren, terwijl het Romaans vooral in de steden dominant bleef. Die heersende klasse bleef generaties lang tweetalig, tot ze allengs definitief geromaniseerd werd. De manier waarop de Frankischsprekenden het Romaans hanteerden - nl. met een sterke Germaanse inslag - was toonaangevend voor de ontwikkeling van de Romaanse volkstaal in Noord-Frankrijk. Hier zou Isle de France vanaf de 12de eeuw het politieke en culturele centrum worden en zijn taalvariant, het Francien, de basis worden van de nationale taal.

 

Tegen 900 lijkt de romanisering van de Franken in Noord-Gallië een feit te zijn. Precies vanaf de 8ste eeuw valt in het noorden, waar de Germaanse kolonisatie intenser is geweest, een lineaire taalgrens te onderkennen, die a.h.w. de sociale taalgrens van de Merovingische maatschappij heeft vervangen.

[p. 171]



illustratie

Kaart 1: de Franse Nederlanden (uit De Vries, Willemyns en Burger 1994, 213)


Voor de taalinvloed van het Frankisch op het Romaans is vooral de toestand van individuele en sociale tweetaligheid van belang geweest. In de regio van het latere Nord - Pas-de-Calais heeft die tweetaligheid zich in diverse etappes over het terrein voortgezet (zie verder onder 4.), door het stelselmatig opschuiven van de taalgrens tot op heden. Intussen hebben zich aan weerszijden van die opschuivende taalgrens respectievelijk Picardische en Vlaamse dialecten ontwikkeld, die gaandeweg meer invloed ondervonden van de zich vormende nationale eenheidstalen, respectievelijk het Frans en het Nederlands.

 

In die regio, die taalkundig gemengd of gedeeld terrein was, hebben de graven van Vlaanderen en hun opvolgers, nl. de Bourgondische Hertogen en later de Habsburgers gedurende eeuwen de landstreken tussen de Somme en de Schelde politiek, economisch en cultureel weten te verenigen. Dat heeft aanleiding gegeven tot overvloedige menselijke contacten en vele uitwisselingen tussen de twee taalgemeenschappen van het oude graafschap Vlaanderen (in het Frans la Flandre gallicante of wallingante en la Flandre flamingante genoemd) en de omliggende graafschappen of gewesten, zoals Artesië en de Boulonnais.

[p. 172]

Dan is er in de 17e eeuw de aanhechting van de vanouds Nederlandstalige kasselrijen Burburg (Bourbourg), Kassel (Cassel), Sint-Winoksbergen (Bergues) en Belle (Bailleul) geweest door Lodewijk XIV. Die heeft de langzame verfransing ingeluid van dit gebied, waar het Nederlands als cultuurtaal gebruikelijk was en nog lange tijd bleef, en waar Vlaamse dialecten werden en nog worden gesproken. Het taalcontact binnen dit gebied, gemeenlijk Frans-Vlaanderen genoemd (strikt genomen tussen de Vlaams-Picardische taalgrens en de rijksgrens), die gekenmerkt wordt door een continue verfransing in de loop van de 19e en 20e eeuw, heb ik niet bij deze studie willen betrekken, omdat de vast te stellen taalinterferentie hier hoofdzakelijk die van het Frans in het locale Westvlaams betreft. Daarvoor verwijs ik naar Ryckeboer (1977 en 1990) en naar de recente Gentse licentieverhandeling van Roxanne Vandenberghe (1995). Studies van de invloed van het Vlaamse dialect op het locale Frans zijn, afgezien van het Lexique du Parler dunkerquois in Denise (1978) bij mijn weten nooit aangepakt. Dit Lexique, waarin de idiomatische woordenschat voor ten minste 95% van Vlaams/Nederlandse oorsprong is, is hier evenmin als bron voor de taalinterferentie in Noord-Frankrijk in ruimere zin gebruikt.

 

Afgezien van de relatief kortstondige politieke vereniging van de zuidelijke Nederlanden met Frankrijk van 1792 tot 1815 als mogelijke vierde factor van taalcontact, is er ten slotte in de 19e en het begin van de 20e eeuw de grote immigratie van Belgen, hoofdzakelijk Vlamingen, in de agglomeratie van Rijsel (Lille), Tourcoing en Roubaix te noteren. De taal van de eerste en vaak ook tweede generatie immigranten heeft niet geringe sporen nagelaten in het gesproken Frans van die agglomeratie, en door secundaire expansie in het regiolectische Frans. Ook die taalinterferentie is nooit systematisch onderzocht.