Dan is er in de 17e eeuw de aanhechting van de vanouds Nederlandstalige kasselrijen Burburg (Bourbourg), Kassel (Cassel), Sint-Winoksbergen (Bergues) en Belle (Bailleul) geweest door Lodewijk XIV. Die heeft de langzame verfransing ingeluid van dit gebied, waar het Nederlands als cultuurtaal gebruikelijk was en nog lange tijd bleef, en waar Vlaamse dialecten werden en nog worden gesproken. Het taalcontact binnen dit gebied, gemeenlijk Frans-Vlaanderen genoemd (strikt genomen tussen de Vlaams-Picardische taalgrens en de rijksgrens), die gekenmerkt wordt door een continue verfransing in de loop van de 19e en 20e eeuw, heb ik niet bij deze studie willen betrekken, omdat de vast te stellen taalinterferentie hier hoofdzakelijk die van het Frans in het locale Westvlaams betreft. Daarvoor verwijs ik naar Ryckeboer (1977 en 1990) en naar de recente Gentse licentieverhandeling van Roxanne Vandenberghe (1995). Studies van de invloed van het Vlaamse dialect op het locale Frans zijn, afgezien van het Lexique du Parler dunkerquois in Denise (1978) bij mijn weten nooit aangepakt. Dit Lexique, waarin de idiomatische woordenschat voor ten minste 95% van Vlaams/Nederlandse oorsprong is, is hier evenmin als bron voor de taalinterferentie in Noord-Frankrijk in ruimere zin gebruikt.
Afgezien van de relatief kortstondige politieke vereniging van de zuidelijke Nederlanden met Frankrijk van 1792 tot 1815 als mogelijke vierde factor van taalcontact, is er ten slotte in de 19e en het begin van de 20e eeuw de grote immigratie van Belgen, hoofdzakelijk Vlamingen, in de agglomeratie van Rijsel (Lille), Tourcoing en Roubaix te noteren. De taal van de eerste en vaak ook tweede generatie immigranten heeft niet geringe sporen nagelaten in het gesproken Frans van die agglomeratie, en door secundaire expansie in het regiolectische Frans. Ook die taalinterferentie is nooit systematisch onderzocht.