De strijdgedichten, die wij in dit hoofdstuk behandelen, behooren eigenlijk ook tot den cyclus, waarin de lotgevallen van den Pfalsgraaf-Koning van Bohemen worden besproken. Daar ze echter als ‘roffelpotstukken’ pro en contra gewoonlijk samen vermeld worden, geven wij hun in ons overzicht een afzonderlijke plaats.
I. In 1620, kort na de kroning van Frederik V tot koning van Bohemen, verscheen er te Amsterdam een spotprent met gedicht, getiteld De Roomse Roffel-Podt, gericht tegen den Paus, den Keizer en den Koning van Spanje, die door de gebeurtenissen in Bohemen zwaar getroffen heetten.
Dit pamflet wordt vermeld bij Muller Nederlandsche Historieplaten, Dl. I, nr 1422, en draagt het volgend adres: ‘T' Amsteldam, Men vindtse te koop by S. Theunis Marckt / op de Hoeck vande Keyser-Straet / inde dry groene Claver-bladen. Anno 1620’1.
Wij laten hiernaast een reproductie drukken van de plaat, die zich boven het gedicht bevindt. Haar beteekenis zal uit de bespreking van het gedicht van zelf duidelijk worden.
De titel luidt: T' Samen-Sprekinge tusschen Twee Boeren en de Boeckverkoper. Miewes en Keesje zien voor de deur van een Amsterdamsch boekverkooper een prent hangen, waarvan zij den zin niet begrijpen. Keesje kan wel verklaren, dat de man, die men daar op een ‘hoender-kou’
voortkruit, de Paus is, doch weet niet meer te antwoorden wanneer Miewes hem vraagt:
Daarop besluiten beiden hun licht aan te steken bij den winkelknecht. Miewes begint:
De boekverkooper is bereid de gewenschte uitleggingen te geven, op voorwaarde dat de twee boeren hem een stuiver meer betalen. Zoo gaat dan het gedicht voort:
Verder legt de boekverkooper uit, dat de gekroonde liereman [B op de plaat] de koning van Spanje is. Hij wordt met dit speeltuig voorgesteld:
De vogel, die in de kooi zit [E op de plaat], is een arend, ‘berooft van zijn geveert’, en stelt den Keizer Ferdinand II voor. Men laat hem ‘om splint’ aan de boeren zien. De aflaatbrieven brengen geen geld meer op, ‘de Vagevyers Tas’ is ledig, het te slim geworden volk koopt geen ‘bullen’ meer, en verspilt zijn geld niet langer aan zielmissen.
De man met den weerhaan op het hoofd en zijn ‘bonte Pels / het binnenst' buyten aen’, die den wagen voort trekt [F], is de keurvorst van Saksen, Jan Joris. Hij stond eerst aan den kant der Protestantsche Unie. Men had hem aangeraden de kroon van Bohemen aan te vragen. Hij weigerde zulks te doen, doch werd boos toen ze aan Frederik V werd geschonken. Onderden invloed van zijn kapelaan Hoe van Hoenegg, die door Ferdinand omgekocht was, koos hij kort daarop partij voor de keizerlijken. Zoo komt het, verklaart de boekverkooper, dat hij nu meeloopt in dezen Roffelpot-optocht.
Een Jezuïet [G op de plaat] ‘past op den ontfanck’, ‘en seyt gheveynsdelyck den ghever daer voor danck, na haar oud' gebruyck’,
Bij den koning van Spanje staan Spinola [C] en Bucquoy [D]. Zij spelen hun accoord op de lier, maar het klinkt valsch en zal niemand aanlokken.
Onder den troonmantel zit Frederik V, de nieuwe Boheemsche Koning [I]. De vederen, die men den arend heeft uitgetrokken, worden in zijn mantel genaaid door een ‘bont-wercker’ [L].
Keesje stelt nog een vraag:
De dichte drom [N] op het achterplan is samengesteld uit papen en monniken, die door den Boheemschen boer [O] verjaagd en door den duivel in de hel, den ‘papenhemel’ [M], worden gedreven.
En dan eindigt het gedicht als volgt:
Onder den tekst bevinden zich nog twee strophen, die wij hier overdrukken:

NAAMLOOZE SPOTPRENT
bij den Calvinischen Roffelpot.
II. Toen de zaken in Bohemen, na den slag bij Praag, een gansch andere wending hadden genomen en de katholieke legers nu in het voordeel waren, liet het antwoord van katholieke zijde op den Roomsen Roffelpot niet lang op zich wachten. Brabant antwoordde aan Holland met Den Calvinischen Roffel Pot, T' Samen-sprekinghe tusschen twee Schippers ende eenen Kraemer (T' Hantwerpen. Men vindtse te koop inde Huyvetters-straet, in 't gulde sout-val, 1621). Dit stuk wordt vermeld in Muller's Nederlandsche Historieplaten. Dl. I W. 14311.
Te gelijkertijd met den Nederlandschen tekst verscheen er ook een Fransche vertaling van, bij den zelfden uitgever: Le Roffel-pot des Calvinistes, Colloque entre deux Maroniers, & ung Marchandt. (A Anvers. On les vent en la rue dicte l' Huyvetter-state, ou Salier d' Or, 1621)2.
Boven het gedicht Den Calvinischen Roffel-Pot bevindt zich een kopergravuur, die de tegenstelling wil zijn van de prent op den Roomsen Roffelpot. Wij geven er hier eveneens een reproductie van.
De Antwerpsche dichter zorgt er voor den lezer te verwittigen, dat zijn T' Samensprekinghe wel degelijk een antwoord is op den Amsterdamschen Roomsen Roffel-pot.
Het gedicht begint, even als het voorgaande, met een aardig tooneeltje, dat ons naar de werkelijkheid schetst hoe het bij de verkoopers van dergelijke pamfletten destijds wel eens toeging.
Twee Hollandsche schippers, die een week te voren nog te Amsterdam waren en daar den Roomsen Roffel-pot hadden gezien, zijn nu te Antwerpen en willen er bij een kramer wat nieuwe lectuur koopen om op hun terugvaart mede te nemen. De kramer deelt hun mede, dat hij inderdaad wat nieuws heeft ‘van Praag in Bohemen’, waarop een van de Schippers dadelijk invalt:
De Antwerpsche kramer had juist die Amsterdamsche plaat als ‘wat nieus’ ontvangen, en had ook een andere plaat ‘daar tegen’ gevonden, die
hij aan de Schippers kon laten zien. Ongeloovig, wenschen de Schippers te weten wat er wel ‘tegen’ den Roomsen Roffel-pot kon ingebracht worden.
Onmiddellijk maakt een van de Hollandsche bootgezellen de kribbige opmerking: ‘Ik zie, jeij bent Papau!’. De kramer antwoordt, dat daar niets aan gelegen is, maar dat hij niet doet als de anti-papauwen, die enkel ‘leugens te baene brengen’. Daarop geeft hij dan de verklaring van de plaat.
De echt volksche zinspeling op het gilde der verloopen pierewaaiers, doorbrengers en havelooze zwervers met hun fictieven patroon Sint Reynuyt, dien wij alleen uit de heiligenlijst onzer folklore kennen, geeft aan het slot van deze toespraak van den Antwerpschen kramer evenals zijn taal een echt gewestelijke tint, die zelfs in de Fransche vertaling behouden blijft. Daar worden de twee laatste verzen inderdaad als volgt overgezet:
Een Franschman, die niet op de hoogte is van de Nederlandsche folklore, zal stellig om de beteekenis van dien ‘chemin des Saint Raynuts’ al even verlegen zijn om den zin van ‘le roy lap’ (Koning-lap), die op een andere plaats in dezelfde vertaling van den Calvinischen Roffelpot voorkomt. In het Nederlandsch vat men dadelijk, dat met de ‘Calvers’ de Calvinisten bedoeld worden, zooals dit verder in het gedicht het geval is, doch waar in de vertaling gesproken wordt van ‘les veaulx honteusement se glissent et rendent’, zal een Nederlandsch-onkundig lezer ook wel voor een raadsel staan. Het Fransch van de vertaling, die wij hier krijgen, is al even Brabantsch als het oorspronkelijke Nederlandsen.
Nadat de schipper den kramer had doen opmerken, dat hij totnogtoe nog niet van zijn plaat gesproken had, krijgen wij eindelijk de verklaring van de spotteekening.
De kramer heeft de schippers zoo zeer beïnvloed, dat zij hem een aanzienlijke hoeveelheid Calvinische Roffelpotten koopen om ze naar Holland mede te nemen.
Onder aan het blad vindt men de volgende berijmde ironische verontschuldiging over het satirisch karakter van het gedicht:
III. Den Krancken Gier, een spotprent met twee gedichten, aangeteekend bij F. Muller (Dl. I, nr 1476)1, in zekeren zin bedoeld als een antwoord op den Roomsen Roffelpot, is insgelijks gericht tegen de eerzuchtige ondernemingen van den Pfalsgraaf, koning van Bohemen.
De prent stelt den nieuwen koning voor als een kranke gier, uitgestrekt op een bed, en omringd, aan den eenen kant, door den Koning van Frankrijk en eenige Duitsche vorsten, die hem veeren uit de vleugels trekken; aan den anderen kant door den Spaanschen geneesheer, die hem tracht te redden; den paus, die hem de biecht wil afnemen, en eenige belangstellende vrienden. De gier lijdt vooral aan een kropgezwel, waarin de Pfals steekt, die hem door Spinola ontnomen werd. Op den achtergrond trekt een optocht van Boheemsche burgers en boeren, heeren en prelaten, naar de moeilijk te bereiken bedevaartplaats van St Frederik, die in de nevelen verborgen ligt. De vrede is, na al het gebeurde, voor Bohemen lastig om herstellen.
De verklaring der spotprenten wordt gegeven in twee gedichten. Den Spaenschen Doctor spreeckt van de kranckheyt des siecken Giers en Der Bisschoppen en Prelaten, Heeren, Burgers en Boeren bevaertgesangh, gaende voor den Siecken naer Sint Frederick.
In het eerste gedicht stelt de dokter vast aan welke ziekte de gier lijdt:
De afvalligheid van Frankrijk en de Duitsche steden en vorsten, die Frederik aan zijn lot overlieten, wordt allegorisch voorgesteld door het uitrukken van de veeren van den gier. Dit beeld is zeker een antwoord op den Roomschen Roffelpot, waar gespot wordt met den keizerlijken arend (Ferdinand II) die door de Bohemers en Frederik V ‘van zijn geveert berooft’ werd.
Gaat dit uitrukken van veeren aldus voort, dan zal, voorspelt de dokter, de dood van den gier daarop volgen. Zulks laat veronderstellen, dat Den krancken Gier uitgegeven werd vóór den slag bij Praap en de vlucht van Frederik V, toen de eindcatastrophe nog niet was ingetreden.
De Paus, ‘de beleefde Pastoor van Romen’, raadt den Pfalsgraaf aan:

NAAMLOOZE SPOTPRENT
bij Den krancken Gier.
En daarop spreekt dan de kranke gier zijn biecht. Hij bekent het kwaad, dat hij heeft gedaan en meent dat er volstrekt een bedevaart naar St Frederik moet ondernomen worden.
Onder het gedicht, dat wij zooeven bespraken bevindt zich: Der Bisschoppen en Prelaten, Heeren, Burgers en Boeren bevaertgesangh, gaende voor den siecken naar Sint Frederick, en een strophe, die ‘den wensch des dichters’ bevat:

HET VERDRINKEN VAN HOLLANDSCHE VISSHERS
DOOR VLAAMSCHE KAAPVAARDERS.
Prent bij Nieuwe Spaensche Tyrannie.