Prins Willem Van Oranje moest, volgens de Pacificatie van Gent, Breda in zijn bezit krijgen. Daar er aan dit besluit geen gevolg werd gegeven, belegerde hij de stad en veroverde ze in 1577. In 1581 ging ze weder naar de Spanjaarden over. In Maart 1590, na de bekende verrassing met het heimelijk binnen de vesting gebrachte turfschip kwam Breda opnieuw in handen van de Prinsen van Oranje. De toen 23-jarige Prins Maurits oogstte daarbij heel wat roem.
In 1624 begon Spinola haar te belegeren en nam ze in, na 11 maanden, op 2 Juni 1625. Ze bleef in Spaansch bezit tot in 1637 Frederik Hendrik er zich meester van maakte, op 6 October.
De inneming door Spinola in 1625 ten voordeele der Aartshertogen werd langs Brabantsche zijde in hooge stemming gevierd.
In 1626 gaf B. Moretus de Obsidio Bredana van Herman Hugo uit1.
Dit boek is een lofzang op den overwinnaar Markies Spinola. Het vertelt zeer uitvoerig het verloop van de belegering. Technische en anecdotische bijzonderheden bevinden er zich naast elkander en meer dan een beschouwing geeft ook blijk van psychologisch inzicht in de persoonlijkheid van de hoofdacteurs van het krijgsbedrijf vóór de veel omstreden Brabantsche stad.
In het begin is het bij Prins Maurits en de Hollanders een overmoedig zelfvertrouwen. In Holland vertoonde men kluchten en boerden om Spinola, ‘den Spaanschen boecha’2 belachelijk te maken. Men bracht onder het volk een

TITELBLAD VAN DE ‘OBSIDIO BREDANA’
(B. Moretus, 1626)
Gravure van C. Galle, naar de teekening van P.P. Rubens.
spotprent in omloop, den Spaanschen koning voorstellende, met een lantaarn op zoek naar Breda, naast den Markies Spinola, die wanhopig in de haren krabde omdat de onderneming niet slaagde. Prins Maurits bleef voorloopig in den Haag, volstrekt zeker, dat er voor Breda geen gevaar was. Hij beweerde, dat Spinola beter zou doen, naar Gheel te gaan, waar men de gekken geneest, dan wel naar Breda1.
Maar weldra zag het er anders uit. Na vruchteloos gepoogd te hebben de belegeraars te verdrijven, werd Prins Maurits wanhopig. De ziekte, die hem toen steeds heviger en heviger kwelde, wordt door H. Hugo toegeschreven aan het mislukken van zijn pogingen tot ontzet van Breda. ‘De spijt daar niets te kunnen aan veranderen ondermijnde hem langzamerhand’, schrijft de Obsidio, ‘en veroorzaakte, naar men zegt, een tering, die den Prins zou

PENNING
geslagen bij de innemmg van Breda in 1625.
wegsleepen’. Wat verder wordt die beschouwing nog herhaald: ‘Prins Maurits stierf in den. Haag, gelukkig nog, dat hij het verlies van zijn stad Breda niet overleven moest. Men zegt dat de laatste woorden, die hij uitsprak, een vraag waren naar het lot van Breda: waaruit men gemakkelijk kan opmaken, dat hij stierf van verdriet geen hulp te kunnen bieden aan deze plaats, waarvan de verovering weleer het begin was van zijn overwinningen en zijn faam’2.
Wat er ook van zij, het beleg voor Breda was de groote bekommering van Prins Maurits op het einde van zijn leven3.
Aan het hoofd van 18.000 man was de geduchte Spaansche veldheer de Brabantsche stad komen omsingelen. Niettegenstaande de merkwaardige versterkingswerken, die Maurits als zijn meesterstuk op dat gebied beschouwde; niettegenstaande de ervaring en den moed van de bezetting onder het bevel van den gouverneur Justinus van Nassau; werd de toestand van Breda

MAURITS VAN NASSAU, PRINS VAN ORANJE,
gravure van P. de Jode.
hachelijker met den dag. Het Staatsche leger was opgerukt met 30.000 man, aangevoerd door den Prins, om Breda te ontzetten. Spinola wist zich echter zoo goed in te graven en zijn positiën met overstroomingen en aardwerken zoo te versterken, dat de Staatschen er niet in slaagden om hem te verdrijven.
Dit ontmoedigde Prins Maurits, wiens krachten intusschen meer en meer slonken ten gevolge van een leverziekte, waaraan hij sedert lang reeds leed. Hij zag zich genoodzaakt het leger te velde te verlaten en naar Den Haag terug te keeren.
De pogingen tot ontzet van Breda, werden nu voortgezet onder leiding van Maurits' broeder, Graaf Ernst Casimir, die in deze onderneming niet fortuinlijker was. Zijn leger werd geteisterd door ziekte en het ongunstige weder verhinderde zijn krijgsverrichtingen. Zelfs de medewerking van Ernest van Mansfeld1, die met ongeveer 20.000 man uit Engeland was overgekomen, en van Christiaan de Jongere, hertog van Brunswijk, bisschop van Halberstadt, bijgenaamd ‘der tolle Halberstädter’2, bracht geen gunstigen keer in den toestand.
Prins Maurits voelde zich zoo verzwakken, dat hij zijn broeder Frederik Hendrik bij zijn ziekbed liet komen en hem den dringenden raad gaf om zoo spoedig mogelijk een huwelijk aan te gaan ten einde de belangen van den Staat en van het huis Nassau te verzekeren.
Frederik Hendrik, die toen reeds meer dan veertig jaren oud was, huwde een paar weken nadien Amalia van Solms, en werd door zijn broeder in overleg met de Staten tot kapitein-generaal in het leger benoemd.
Op 23 April 1625 overleed Prins Maurits.
Buiten zijn kommer om het lot van Breda en zijn ziekte, had de Prins gedurende de laatste jaren van zijn leven nog allerlei andere redenen tot misnoegen en moedeloosheid. De staatslieden, die hem moesten helpen en steunen, bleken niet altijd op de hoogte van hun taak. Zijn populariteit verminderde met den dag en zijn harteloos gedrag tegenover Oldenbarnevelt wierp voor velen op zijn gansche persoonlijkheid een donkere schaduw.
Deze gemoedsgesteldheid van Prins Maurits en de benarde toestand, waarin Breda zich bevond, worden geschetst in een Brabantsch gedicht, dat

OVERGAVE VAN BREDA,
door Velasquez (Madrid, Prado).
in populairen vorm dezelfde opvattingen ontwikkelt, die wij in de Obsidio Bredana hebben aangeteekend.
I. Ziehier de titel van het bedoelde gedicht: Den PALATIN troost MAURITIUS Prince van ORANGNEN, stervende van droefheyt, om dat hy syn stadt van Breda, belegeert (sic) siet, en niet en can ontsetten: ende om die Staten van Hollant die hem niet toe en willen loeten slach te leveren, den Prince hem seer beclaecht (zonder plaats- noch drukkersnaam)1.
Het is een samenspraak tusschen den Pfalsgraaf Frederik V en Prins Maurits op zijn ziekbed.
De Palatijn begint:
Zult gij den ‘Genevois’, Spinola, toelaten ‘twee vliegen in eenen lap’ te slaan, Breda en u zelf? Zult gij door uw getreur den Oranje-boom, die in zijn fleur was, nu doeu ‘verslunsen’? Komaan, zet nog eens ‘uw groene pluym’ op, en vat goeden moed! Al was Breda nog een koninkrijk, een Prins als gij mag om haar verlies geen droefheid laten blijken. De Spanjaard zou te veel ‘in zijn vuist lachen’.
Gij hebt mij zelf zoo dikwijls getroost, zegt de Pfalsgraaf, toen ik op de genade van vreemden moest leven. Toen ik mijn eenjarig koninkrijk verloor, was ik alles kwijt; zoo gij Breda verliest, dan hebt gij nog heel Holland, dus geen reden om te treuren.
Op al die vragen en beschouwingen antwoordt Prins Maurits met een lange klaagrede, die de kern van het heele gedicht uitmaakt.
De Prins begint met een psychologische overweging:

A. SPINOLA,
door Antoon van Dyck
Daarna gewaagt de Prius over de vermindering zijner populariteit en over de moeilijkheden met de Staten, die hem in al zijn plannen niet volgen. Zij dragen de schuld, beweert hij, van zijn mislukking bij Breda, de zoo geliefde stad, die hem gaat ontsnappen.
De schrijver van dit gedicht was blijkbaar goed op de hoogte van de topographie der Bredasche omstreken. Met het Ruytenbosch bedoelt hij het Reigerbosch, vroeger gelegen achter het bekende kasteel van Breda, thans militaire Academie. Dit bosch werd omgehakt tijdens het beleg der stad in 1624. Het Liesbosch en het Mastbosch bestaan nog heden, met dien verstande dat zij beiden door hernieuwde aanplantingen steeds in stand zijn gehouden. Het Mastbosch is gedurende de belegeringen van Breda in 1624 en 1637 herhaaldelijk verbrand, terwijl een deel van het hout gebruikt werd door de belegeraars om versterkingen op te werpen. Het Mastbosch ligt ten Zuiden van de stad, het Liesbosch meer westelijk tusschen Princenhage en Leur2.
Dan gaat het verder over de ondankbaarheid der Hollanders.
En dan komt hij te spreken over den benarden toestand van Breda:
Dan spreekt hij over zijn dood en uiterste wilsbeschikking. Hij verlangt te sterven vóór Breda zich aan een ander heer overgeeft. Hij benoemt zijn broeder tot zijn opvolger en hoopt dat deze de stad beter zal weten te behoeden. Hij zou, volgens het gedicht, aan zijn onwettige kinderen al zijn goed schenken en op de laatste ure hun moeder trouwen. Dit komt met de werkelijkheid niet geheel overeen. Prins Maurits bedacht met een aanzienlijk legaat zijn beide natuurlijke zoons Willem en Lodewijk, alsook hun moeder Vrouwe van Mechelen. Van een huwelijk in extremis was er geen sprake. Verder schonk hij nog geldelijke legaten aan vijf andere zijner bastaardkinderen2. Daarop beveelt hij zijn ziel aan den Heer en hoopt, dat hij in den hemel zal komen en er een plaats vinden naast ‘Barnevelt den Sant daer hy sidt sonder Hooft’.
Op dit gedicht volgt een Graf-gheschrift op den Prins, waaruit wij afleidden, dat ook het besproken stuk na den dood van den Prins werd uitgegeven.

NAAMLOOZE SPOTPRENT
bij: Treurfeest der Calvinisten.
Het toeschrijven van de mislukking van het ontzet aan het te lange vertoeven te Mede, een dorp op een paar mijlen afstand van Breda, was langs Spaansche zijde algemeen. Het is de uitlegging die ook gegeven wordt door H. Hugo in zijn Obsidio Bredana1. Daar wordt o.a. verteld, dat er over dat lange talmen te Mede, tusschen de Staten en Prins Maurits oneenigheid ontstond, zoodanig dat de Prins met ontslag dreigde2.
II. F. Muller maakt in zijn Beredeneerde Beschrijving van Nederlandsche Historieplaten melding van een Brabantsche spotprent met gedicht op de inneming van Breda in 1625 (Deel I, nr 1524)3. Treur-feest der Calvinisten, midtsgaeders de wtvaert van Breda, T'Samen-sprekinghe tusschen eenen Brabander, ende Hollander. Naam van graveur en drukker ontbreken, doch de uitgave draagt als adres: Men vindtse te koopen te Antwerpen in de Huydevetterstrate, in onse L. Vrouwe.
De prent toont eerst [A] een postbode, die de goede tijding van de inneming van Breda aanbrengt en geld krijgt van de verheugde Brabanders. Verder zien wij er de uitvaart van de stad Breda [B], voorgesteld door een turfschip (zinspeling op de verrassing der stad in 1590) met rouwdoek omhuld [E], omringd door kalveren (Calvinisten), die brandende kaarsen dragen; gevolgd door de afgevaardigden van de Calvinistische Liga, die den katholieken koning bestrijdt; en voortgetrokken door twee ezels, bereden door ‘Mansfeldt den verrader’ [F] en ‘den dullen Halberstadt’ [G]. De groep [D] stelt de verhongerde gemeente Breda voor; [H] het garnizoen en de kranken uit het gasthuis van Breda; [I] Prins Frederik Hendrik met een brandende schoof (zinspeling op den bijnaam van ‘brandstichter’, dien de Brabanders hem gaven); [K] ‘Hendrik Bocxhorinck4, Predicant van Breda, met Sybil sijne oude concubijn’; [L] de Hollandsche gemeente in oproer bij het vernemen van het verlies van Breda; en [M] de stad Breda alsook een groepje Spaansche ruiters, die den begrafenistocht met vreugde bekijken.
Het gedicht onder de prent is voorgesteld als een samenspraak tusschen een Hollander, die vol vertrouwen is in het weerstandsvermogen van Breda, en een Brabander, die reeds van den val der stad heeft gehoord. Toen hij te Antwerpen aan de Schelde wachtte om zijn reis naar Holland voort te zetten vernam hij daar de tijding. Men verkocht daar langs de straat ‘den Brief’, die het nieuws meldde. Hij had er zich een aangeschaft om onder weg te lezen.
De Hollander en de Brabander gaan samen in het gras zitten om hem te bekijken en te lezen. Het gedicht beschrijft dan de spotprent, die er zich boven bevindt.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Over Prins Frederik Hendrik zegt de Brabander het volgende:

ANTON SCHETZ, BARON VAN GROBBENDONCK
gravure van Bern. van Soemeren.
Predikant Bockxhorn wordt op zijn beurt met bitterheid geteekend:
De Hollander vindt dat het heele gedicht maar een klucht is, doch raadt den Brabander aan zijn ‘Brief’ voorzichtig op zak te houden om in Holland geen onaangenaamheden op te loopen.
Gedurende de belegering van Breda in 1625 deed zich een geval voor, dat een nieuwe populariteit schonk aan een wapenfeit, dagteekenend van voor vijf en twintig jaren en waarop de Brabanders en de Vlamingen al dien tijd en nog lang nadien in gedichten en verhalen zeer prat gingen. Wij bedoelen het gevecht op de Vuchter Heide bij 's Hertogenbosch, op 5 Februari 1600, tusschen Gerard Abrahams, bygenaemd Leckerbeetjen, en den Heer van Breauté1, en hun gevolg.
Opgehitst door de onophoudende tergingen van den kapitein Breauté, in Hollandschen dienst te Geertruidenberg, verlangde de luitenant G. Abrahams van zijn bevelhebber den Heer van Grobbendonck2 te 's Hertogenbosch, de toelating om zich in een gevecht van man tot man met zijn uitdager te meten. Er werd besloten dat twee en twintig Brabanders3 zouden vechten tegen twee en twintig Franschen in Staatschen dienst.
G. Abrahams sneuvelde, zijn broeder Autoon en zijn schoonbroeder ook, maar de overwinning bleef aan de Brabanders, die ook den Heer van Breauté doodden.

In dit feit vonden de Zuid-Nederlanders de gelegenheid om den krijgsmoed der hunnen hoog te roemen en telkens zij het noodzakelijk achtten een bewijs van hun dapperheid te geven, wezen zij op het gevecht op de Vuchter Heide. De schilder- en graveerkunst zoowel als de volksliteratuur maakten zich van dat onderwerp meester. Daar het gevecht van Leckerbeetken buiten de tijdruimte valt, waarin wij onze strijdgedichten gingen zoeken, weiden wij hier over de graphiek en de literatuur betreffende dit onderwerp niet uit. Wij vestigen alleen de aandacht op de prent, die Joannes à Doetecum graveerde naar Sebastiaan Vranckx, en C. Visscher in 1631 uitgaf; alsook op het boekje Den Slagh van Leckerbetjen teghens den Heers van Breauté, voorgevallen op de Vughter Heyde ontrent s' Hertogen-Bossche den 5 Februari 1600, nog in 1772 uitgegeven te Mechelen bij J.F. Van der Elst2. Deze beide documenten bewijzen hoe lang de herinnering aan Leckerbeetje levendig bleef3 en op het volksgemoed voortwerkte.
In welken geest de volksliteratuur over dit geval schreef, toonen ons treffend de volgende regels, die wij uit het Mechelsche drukje van 1772 overnemen:
‘Wynighen tydt naer dit gevecht zijn in het licht gekomen verscheyde Liedekens ende Rymdichten, verheffende grootelyckx de kloeckmoedigheyt der Brabanders, spottende met den hoogen moedt der Franschen, de welcke in het jaer 1581 binnen Parys eene Comedie hadden gespeelt (die in druck uytgaet) daer sy waeren soeckende naer het hert der Brabanders4, welcke voorsyde Liedekens dienden tot antwoorden, dat het hert der Brabanders
gevonden was in het jaer 1583 den 17 Januarij tot Antwerpen, wanneer den Hertogh van Alencon aldaer wird uytgeslaegen, mede in 't jaer 1600 op den 5 Februarij op de Vuchter Heyde in het gevecht waer van hier is gesproken1.
De herinnering aan dat alles werd in 1625 weer opgefrischt door een gevecht, dat ongeveer in dezelfde voorwaarden werd geleverd vóór Breda, tusschen een groep Staatsche en een groep Aartshertogelijke soldaten. Uitgedaagd namens de Fransche adellijke officieren uit het Hollandsche leger, begaf zich de Graaf van Nassau met Kapitein Steenhuys, en twee officieren der ruiterij, Kapitein Botberghe en de jonge luitenant Grobbendonck, zoon van den bevelhebber van 's Hertogenbosch in 1600, vier ruiters van de vijandelijke troepen te gemoet, waaronder de zoon van Breauté, die onder de oogen van Grobbendonck vader gevallen was. De jonge Breauté was het, die aan Spinola geschreven had om dit gevecht aan te vragen ten einde zijn vader te kunnen wreken.
Ziehier hoe H. Hugo in zijn Siège de la ville de Breda het verloop van het gevecht schildert: ‘Le comte de Nassau s'estant attaché à l'un des soustenants, receut un coup de pistolet dans l'arcon devant de la selle de son cheval, dont la flame luy frisa la teste. Breauté, haut à la main & en courage, se prit à crier tout pour un coup: A moy, à moy, qui voudra, à Breauté: voicy voicy le, iour qui vengera la mort de mon père. Et puis poussa son cheval contre le lieutenant du ieune Grobendonck, auquel il porta à faux son coup de pistolet; mais l'autre ne le manqua pas, car il luy mit le sien dans les flancs de si bonne façon, que perdant aussi tost le caquet, & se tenant avec la main au pommeau de la selle, il fit la culbute du haut de son cheval: ainsi les deux Grobendoncks, père & fils, ont triomphez des Breautez, père & fils, qui, de gayeté de coeur, estoient venus deffier leur réputation’2.