In 1631 ondernam Frederik Hendrik in Vlaanderen een veldtocht, die op een totale mislukking uitliep.
Het doel was Duinkerken te overmeesteren. Zooals wij het reeds in een vorig hoofdstuk schreven, maakte deze stad de zee onveilig voor den Hollandschen handel en veroorzaakte aan de Staten-Generaal groote onkosten, door hen te verplichten de koopvaardijschepen te laten convoyeeren.
De prins liet eenige troepen liggen te Wezel en bij de Schencke-schans om de Hollandsche grenzen te verzekeren, en met het gros van zijn leger trok hij naar Vlaanderen.
Hij scheepte in met 250 vendelen voetvolks, 70 cornetten ruiters en 50 stuks geschut; landde te Watervliet en rukte op naar Brugge, waar hij een viertal dagen voor de wallen bleef liggen.
Daar vernam hij echter, dat het leger van den Spaanschen koning op hem afkwam, ten getale van 17.000 man voetvolk, 5000 ruiters en 43 stuks geschut. De prins vond het geraadzaam die aanzienlijke macht niet af te wachten en vertrok, weer inschepende om zich m veiligheid te gaan leggen te Druynen bij Heusden en te Oostgeest bij Bergen op Zoom.
De aftocht van het prinselijk leger wekte niet alleen veel vreugde in Vlaanderen en Brabant, maar prikkelde ook den spotlust onzer voorouders, die in deze gebeurtenis een welgekomen gelegenheid vonden om zich over den geduchten Hollandschen veldheer vroolijk te maken.
Wij bespreken in dit hoofdstuk een drietal gedichten van Brugsche herkomst, waarin de mislukking van Frederik Hendrik vóór de Vlaamsche
stad bespot wordt. Wij vermelden daarbij eveneens twee Hollandsche liederen, die als antwoord op de aanvallen der Bruggelingen werden geschreven.
Wij vonden de meeste dezer liederen in een vlugschrift z.p., z.j., getiteld: Een spottelijck / Liedeken ende lauw, / op den Tocht des Prins in / Vlaenderen / bij de Liefhebbers van l Broer Cornelis tot Brugghe uytghegheven / ende ons overghesonden. l Met een l Wederklanck ende Foey-Iauw / daer teghen. / Ghedruct int laer ons Heeren, 1631 /1.
De titel leert ons dus, dat het een Hollandsche uitgave is, waarin twee Vlaamsche spotliederen, vroeger te Brugge verschenen, herdrukt werden met hun wederlegging. Uit den titel blijkt nog eens te meer hoe de Hollandsche protestanten telkens en telkens weer de herinnering opwekten aan den beruchten Pater Cornelis Adriaenszoon Brouwer, minderbroeder te Brugge, overleden in 1581, en zijn apocriefe, vieze sermoenen2.
I. Het eerste gedicht werd geschreven door Jacob Labus, koperslager binnen Brugge3. en draagt het volgende opschrift: Een nieu Liedeken / inhoudende / Den Tocht / die den Prince van Orangien / ghedaan heeft in Vlaenderen / ende hoe hij ontrent de Stadt / Brugghe quam ligghen / mitsgaders hoe hij van de selve heeft moeten / wijcken / ende met kleyn'eere wederom vertrecken / ende walter noch / meer ghedenck-weerdichs te deser oorsake gheschiet is. (Op de wijse van Breda / oft: Sint lob wilt mij in den noodt by staen &c.).
Het is een soort kronijklied, waarin al de episoden van den mislukten tocht op naïeve, soms grappige wijze verteld worden. Het stuk heelt een echt volkschen klank. Er komen verzen en wendingen in voor, die aan oudere liederen herinneren.
De Prins van Oranje is met veertig duizend man in Oost-Vlaanderen gekomen. Hij landde aan te Watervliet.
De prins liet aankondigen, dat de landlieden niet zouden gehinderd worden, maar hij hield zijn woord niet.
De tocht ging naar Brugge, waar het magistraat onmiddellijk voorzorgen nam voor het verweer1. Elkeen werd gewapend.
De troepen van den Prins van Oranje naderden, plunderend en brand stichtend. De kloeke kapitein Heer van Gits bewaakte de schans bij de Steen-brugghe op de vaart en wilde die niet opgeven. Graaf van Fonteyne2

ZILVEREN SCHOTEL,
gedreven door L. van Nievkerke en geschonken aan Graaf de Fontaine,
na den aftocht van Frederik Hendrik (1631).
kwam hen daar zelf halen en bracht hen naar Brugge met nog vijf duizend man van 't Hasegat,
Ziehier wat de Brugsche jaarboeken over dit geval vertellen: ‘(De Prins van Oranje) meynde dese stad op het onvoorsienste seer gemackelijck te overmeesteren; te meer, om dat hy wel wiste, dat de Bruggelingen, volgens hunne Privilegien geene vremde soldaeten begeerende, niet kloeck genoeg en souden zijn hem te wederstaen. Dog verstaende, dat de inwoonders, buyten hunne gewoonte en syne meyninge, reeds vijf duysent soldaeten binnengelaeten hadden, en dat den Graef Jan van Nassau met een grooter leger van 's Konings troupen seer haest stond te volgen, is hy onverrichter saken op den 4 Junii te rugge gekeert.
Vredius hiervan mentie makende (Sigilla Vredii fol. 296), segt, dat hy alsdan Tresorier van de Stad zijnde, geduerig besig was met wapenen, en andere noodsaeckelyckheden onder de Gemeenten uyt-te-deelen, en dat hy naer het aftrecken van den vyand gemaeckt heeft het navolgende Jaer-schrift: aUrIaCUS brUgaM Venit, VIDIt, abIIt.
De Princesse IsabeIIa, Gouvernante van het Land, verstaen hebbende hoe dat de Bruggelingen, voorsiende het groot perijckel van den aenkomenden vyand, geene swaerigheyd gemaeckt en hadden de vremde hulp-troepen binnen te laeten, alhoewel sulcx strijdig was tegen hunne Privilegien, heeft aen hun den 8n Junii daer-naer, eenen Brief van dancksegginge geschreven’1.
Er werd ook aan den Graaf de Fontaine, uit erkentelijkheid voor de uitstekende militaire voorzorgen, die hij nam, een zilveren schotel aangeboden, waarop de Brugsche edelsmid Loys van Nievkerke den aftocht van Frederik Hendrik zeer kunstig heeft voorgesteld. Deze schotel bevindt zich in de Koninklijke Museums voor Kunst en Geschiedenis te Brussel en werd langen tijd ten onrechte gehouden voor een geschenk, destijds aan Alex. Farnese aangeboden. De geleerde oud-conservator van deze Museums, Joz. Destreé, heeft dat alles op ernstige gronden terecht gewezen en beslist aangetoond wie de ware bestemmeling en de maker van dit kunstgewrocht waren2.
Doch keeren wij thans tot het lied van J. Labus terug.
Intusschen had de Prins van Oranje zijn kwartier ingericht op het Bever-houtsveld. De Brugsche dichter-koperslager vertelt heel leuk hoe de prins daar goede sier maakte in het wagenkot van 't Blauw Kasteelken3, daar

HET BLAUW KASTEELKEN OP BEVERHOUTSVELT
op het torentje klom om Brugge van verre eens te zien en daarmede zoo blij was.
Toen zond de prins een van zijn ‘trompetten’ naar Brugge met een ‘brief’, doch men begroette den bode daar met het kanon, zoodat hij spoedig naar zijn heer terugkeerde. 's Anderendaags vernam de prins, dat Graaf Jan van Nassau met het Spaansche leger op hem aanrukte. Onmiddellijk maakte hij zich uit de voeten. Zijn leger vertrok, onder weg nog allerlei wandaden verrichtend.

DE BEVERHOUTSCHE MOLEN,
thans nog c ‘Oranje-molen’ geheeten.
De prins scheepte zijn leger weer in en vertrok zonder eenig voordeel behaald te hebben.
II. Het tweede lied is Eenen / Jauw / op den Tocht des Prins van Orangien naer Brugghe, / in Mey M.DC.XXXI door M.I.E. Schilder, op de Stemme: Edel Artisten koen, &c. Het woord ‘Jauw’ met de beteekenis van ‘Uit-jouwing’ wordt in de Brabantsche volkspoëzie van de eerste helft der 17e eeuw zeer dikwijls gebruikt1. Wij zullen er nog voorbeelden van aantreffen.
Het aftrekken van het prinsenleger wordt aan gemis aan moed toegeschreven.
De hooggespannen verwachtingen van den prins werden bitter ontgoocheld en daarover ‘jouwt’ de Brugsche poëet verscheidene strophen lang. Wat dreef den prins op de vlucht? Was het Graaf de Fontaine? Was het ‘den kloecken helt Nasauw’?2.
Het was God ‘lofsaeme’, die den hoogmoedigen prins vernederen wilde en hem belet heeft de Vlaamsche ‘Nymphe’ te schoffieren zooals hij hef met de ‘Maeght’ van Brabant had gedaan. Nu zal de prins niet meer kunnen spotten met het Spaansche bloed. Hij kan aan de Staten gaan vertellen, dat hij van ver de straten van Brugge gezien heeft. Al zijn bondgenooten konden hem nog de overwinning niet bezorgen.
Zoo de prins tegenslagen heeft in zijn veldtochten, dan moet hij zich daarover in Vlaanderen niet komen wreken, zooniet krijgt hij een ‘Jauw’. En dan komt het besluit:
Onder het gedicht lezen wij Vidit I.V.V.A.B.3 en de lijfspreuk Vernieuwt in Deught.
Op die beide gedichten werd van Hollandsche zijde gereageerd.
III. Het eerste antwoord is gericht tegen de twee Brugsche spotzangers te gelijk en is getiteld: Een Wederklanck / Teghen den Iauw van M.I. Schilder / Ende over een Nieuw Liedeken van / Jaques Labus, Koper-slagher binnen Brugghe. / Inhoudende / Den Tocht des Prins van Orangien. / Op de wijse: Betteken voer na Mariemont. Onder het gedicht bevinden zich de volgende
aanduidingen: Vidit I.B. Fecit E.D.M. en het rijmpje Het nieu verheucht, / Alst in heeft Deught, dat blijkbaar een antwoord wil zijn op de lijfspeuk van den Brugschen schilder M.I.E.
Het heele stuk is in den toon van dezen aanhef. Het lag natuurlijk voor de hand, dat de aanvallen van de twee Brugsche rijmers zouden vergeleken worden met de in Holland zoo bekende apocriefe sermoenen van Broer Cornelis, die te Brugge had gepredikt. Wat zij schrijven heet de Hollandsche auteur ‘Cornelis Broers ba, ba’. Verder gaat het tegen den Paus; ‘Vervloeckt is hij, die hem gelooft’; en tegen de aanbidding der beelden:
Indien de Brugsche ‘schilder’ en ‘kooperman’ klaar zagen in de toestanden, dan zouden zij tegen de Maranen strijden voor de vrijheid. Zij worden uitgenoodigd om hun spotdicht te herroepen en Nassau te volgen:
IV. Het tweede antwoord is van dezelfde hand. Het is ook onderteekend E.D.M. De Deught Verheught. De titel luidt: Foey-Iauw op het Advijs Vernieuwt in Deucht, Ghestelt van M.I.C. Schilder onder zijn lauw.
Het is een tamelijk onbeduidend rederijkers-rijmenspel, waarin de twee ‘Brugsche Quanten’, de ‘cooper-man’ en de ‘schilder-knaep’, bespot worden en verguisd omdat zij hun ‘afgods stadt’ in de ondeugden-leer van ‘Broer van Dort’ (Broer Cornelis) willen behouden. Dat ze maar voortgaan te Brugge met hun santen aan te roepen, omgangen te houden en dies meer! Hun ‘Jauw’ zal weldra veranderen in rouw en Nassau zal hun meester worden.
V. Er is een derde lied van Brugschen oorsprong, dat zinspeelt op de mislukte belegering dier stad door Erederik Hendrik in 1631. Het is in het Fransch gedicht en herinnert ons aan den hertog van Vendôme, zoon van Hendrik IV en Gabrielle d'Estrées, onderbevelhebber in het leger van Frederik Hendrik.
Uit naam van den Prins van Oranje eischte hij Brugge op in een brief, waarbij hij den bisschop en een drietal vertegenwoordigers der gemeente verzocht naar de Beverhoutsche heide te komen om daar te aanhooren in welke voorwaarden de prins zijn intrek in de stad zou nemen. Eenerzijds beloofde hij den sodsdienst te eerbiedigen en niets te doen dat de welvaart van het land kon schaden, anderzijds dreigde hij met al de oorlogsrampen zoo hij zijn zin niet kreeg1.
De Bruggelingen hielden geen rekening met dit verzoek en bereidden zich om met de wapenen weerstand te bieden. Zij antwoordden met het volgende spotlied, dat door Kervyn de Lettenhove wordt medegedeeld: