De feestvreugde en de blijde verwachtingen van de Zuid-Nederlandsche bevolking bij de aanstelling van den Infant Don Ferdinand van Oostenrijk, broeder van Philips IV, tot landvoogd in 1633, kwam schitterend tot uiting bij zijn inhaling in de voornaamste steden van het land.
Don Ferdinand was een jonge man van vijf en twintig jaar, verstandig en wilskrachtig, zacht van inborst en vroom doch zeer krijgslustig, niet gezind om weer een Bestand te sluiten, maar vast beraden om het Spaansche gezag in de Nederlanden door een flink geleiden oorlog te vestigen. Hij was in Zuid-Nederland dadelijk populair. In de pamflettenliteratuur van dien tijd heet het van hem: ‘Ce brave Ferdinand qui est bon et beau comme les Philippes, hardy en belliqueux comme les Charles soubs lesquels autrefois (ces) Provinces ont été si fleurissantes’1. Het werk van Don Diego de Aedo et Gallart, in het Fransch vertaald door Jules Chifflet, en in 1635 te Antwerpen uitgegeven bij J. Cnobbaert: Le Voyage du Prince Don Ferdinande, vertelde hier met alle bijzonderheden de roemvolle feiten door den Infant te Nordlingen verricht.
Vooral te Antwerpen werd hij met echte geestdrift onthaald. Daar had Rubens een weidsch decoratieve stadsversiering ontworpen, waarvan de afbeelding ons bewaard bleef in de beroemde Pampa introïtus, met gravuren van Van Thulden en tekst van Gevaertius2.

RUITERPORTRET VAN PRINS FERDINAND
door P. Pontius, naar P.P. Rubens, vers van C. Gevaertius, uit de Pompa Introïtus Ferdinandi (C. Gevaertius).
In dit opstel wijden wij alleen onze aandacht aan de geschriften in de volkstaal verschenen ofschoon er ook in het Latijn heel wat uitgegeven werden over de deugden van den Prius Infant en de verwachtingen, die zijn komst hier verwekte.
Te Antwerpen verschenen nog in het Latijn: de Inscriptiones Arcuum triumphalium et Pegmatum Antverpiae erectorum honori sereniss. Principis Ferdinandi Austrii (B. Moretus, 1635); en de Purpura Austriaca hierobasilica, sacram et regiam serenissimi principis Ferdinandi, hispaniarum infantis, S.R.E. Cardinalis, imaginem colore panegyrico repraesenlans van Erycius Puteanus (J. Cnobbaert, 1635).
Voor Gent werd buiten het verder door ons besproken boekje, nog uitgegeven: G. Becanus'... Ser. Principis Ferdinandi Hisp. Inf. Introïlus in Gandavum (Antwerpen, J. Meursius, 1636).
Te Brussel was het Sebast. Tychonius, die de ontvangst beschreef in: Bruxellensium Triumphus serenissimo Principi, Hispaniarum Infanti, Ferdinando Archiduci Austriae, S R.E. Cardinali, Belgium ingredienti erectus (J. Mommaert, 1635)1
Ook over de blijde inkomst te Brugge krijgen wij verslag in: Idea honoris publici serenissimo Principi Ferdinando S.R.E. Cardinali, Infanti Hispaniae ab Senalu Populoque Brugensi exhibiti, cum eam ipse urbem triumphali ingressu honoraret die 25e Januarij anno 1635. (Zonder naam van drukker).
I. De volkspoëzie heeft van deze Antwerpsche plechtigheden een beeld gegeven in het lied, dat J.F. Willems in zijn Oude Vlaamsche Liederen. (1848) uitgaf en Flor. van Duyse in Het Oude Nederlandsche Lied (II, p. 1797: Onlangs sijnde vol onrusten).
‘Jupijn’, zegt de dichter, had vernomen, dat ‘Vrou Belgica’ in de droefheid zat.
Jupiter stelde Belgica gerust met de verzekering, dat de Spaansche koning een nieuwen en goeden landvoogd ging benoemen.
Belgica berichtte dit aan haar beste kinderen Brussel, Brugge, Antwerpen en Gent opdat zij, ter eere van den nieuwen prins, ‘peckvier’ zouden ‘doen blaecken’.
Belgica drukt de hoop uit dat de verwachte Prins-Kardinaal vrede en welvaart zal brengen.
Toen Antwerpen dat hoorde begon ze zich onmiddellijk in feestdos te steken.
Dan wordt de blijde inkomst van den Prins-Kardinaal te Antwerpen, op 17 April 1635, in de vijf laatste strophen beschreven. De zes gilden stonden buiten de stad en schoten salvo's, ‘dat de roock de lucht vervulden’; de ‘wijken lieten hun geschiet ook blijken’.
De burgemeester ‘Tsucher’ reed naast den Prins en wees hem
De verlichting en het vuurwerk op den Onzen Lieve Vrouwetoren worden als iets wonderbaars voorgesteld. Tweemaal in den nacht kwam de prins dat schouwspel aankijken.
De vier laatste verzen drukken den vurigen wensch uit, dat God het hart van den prins met liefde voor het volk zou vervullen.
II. De Antwerpsche priester Hubertus Neeffs heeft een paar werkjes gewijd aan de grootsche intochtsfeesten ter eeren van Prins Kardinaal Ferdinand te Antwerpen. Hij gaf eerst in Vlaamsche kreupelverzen de omschrijving en de uitlegging van al de opschriften, die zich bevonden op de door Rubens ontworpen triomfbogen, -arken en andere toestellen. Dit boekje verscheen bij Lauwereys van Diest te Antwerpen in 16381 onder den titel: Corte Wtlegginghen van alle de Triumph-wercken ghemaeckt ende ghestelt ter eeren den Doorluchtichsten Prince Cardinael Ferdinandus Infante van Hisp. op syn blyde incomste Binnen de Stadt van Antwerpen, den 17 April 1635, overgeset door H.M. Hub. Neefs, Priester.
III. In het zelfde jaar liet hij onder de kenspreuk Os cordi concordet, bij denzelfden drukker, een soort van dichterlijk verslag verschijnen over alles wat bij het prinselijk bezoek te Antwerpen voorgevallen was. De wijdloopige titel van dit tweede werkje luidt als volgt: Corte Wtlegginghen ofte By-voeghsel vanden gheheelen Triumph-wegh ghemaeckt ende ghestelt ter eeren des Doorluchtichsten Prince Cardinael Ferdinandus Infante van Hispanien. Op syne blijde incomste binnen de Stadt van Antwerpen den 17 April 1635. Mitsgaders van alle het gene schrijvens weerdich ghepasseert is / ter wijlen den Prince Cardinael t' Antwerpen heeft gheweest2.
Nu is het wel de moeite waard om eens te luisteren naar de geestdriftige en tevens kinderlijk naïeve dithyrambe, die Hubertus Neeffs over al dat feestbedrijf heeft geschreven.

DE MAAGD VAN ANTWERPEN BIEDT PRINS FERDINAND EEN LAUWERKRANS BIJ ZIJN AANKOMST IN DIE STAD,
gravure van T. van Thulden (Uit: G. Gevaertius' ‘Pompa Introïtus Ferdinandi in urbem Antverpiam’.
Van's morgens vroeg was er een buitengewone drukte in de mool versierde stad. Er was zooveel volk op de been, dat het wonder mocht heeten zoo er ‘veel niet en versmachtten’. De prins deed dan zijn intrede en veroverde alle harten, en vooral vrouwenharten, door zijn schoonheid en minzaam voorkomen.
Zoo gaat de tocht door de stad en de prins bewondert alles wat men daar te zijner eere had opgetimmerd. Over het vuurwerk, twee avonden na elkaar, weidt H. Neeffs met even groote opgetogenheid uit.
Den derden dag ging de Prins-Kardinaal de aloude Plantijnsche drukkerij bezoeken, waar Balthasar Moretus onder de oogen van den vorst een latijnsch hulde-adres drukte. De gevoelens, die in dit stuk worden uitgedrukt, en die H. Neeffs uitvoerig paraphraseert, zijn zeer kenschetsend voor de verhoudingen tusschen de Zuid- en de Noord-Nederlanders te dien tijde. Voor Moretus waren de Hollanders geen vijanden, maar jammerlijk bedrogen rebellen, die uit onwetendheid den Koning van Spanje waren afgevallen, doch door toedoen van den Prins Kardinaal wellicht terug te brengen waren tot hun wettigen heer.
Wij begrijpen licht hoe Balthasar Moretus over de Hollanders veel milder en gunstiger oordeelde dan sommige andere zijner stad- en tijd-genooten. Hij onderhield drukke handelsbetrekkingen met het Noorden, had er veel familieleden en vrienden, en was vóór alles een voorstander van den vrede zooals zijn vriend Rubens.
Zie hier hoe Neeffs de Latijnsche volzinnen van Moretus omdicht.
Na gesproken te hebben over de opvoering van Perseus en Andromeda door de ‘Violieren’en het leggen van den eersten steen der Carmelietenkerk, toeft de dichter wat langer bij de plechtigheden, die de Jezuïeten hadden ingericht.
Na nog, als een staaltje van Ferdinands godsvrucht, verteld te hebben hoe hij bij het ontmoeten van een berechting1, uit zijn koets sprong en met heel zijn gevolg het H. Sacrament tot aan het huis van den zieke vergezelde, eindigt H. Neeffs met Gods zegen in te roepen over den jongen vorst.
De door ons gecursiveerde verzen wijzen er weer op, dat, volgens verscheidene onzer volksdichters, alleen de ketterij de oorzaak was van de scheuring der Nederlanden en dat de hoop op vereeniging van Noord en Zuid in één en hetzelfde geloof, op dat oogenblik bij velen nog levendig was.
IV. De poëet-schermmeester Christophorus van Essen begroette den Prins-Infant met hooggeschoeide verzen in een boekje, dat verscheen bij de Wwe Jacob Mesens, te Antwerpen, onder den titel: Roepende Faem / over de Blijde, Langh-ghewenschde / ende aenghenaemste / Incomste / Vanden Doorluchtighsten Prince ende Heere / Heere / Ferdinandus / Infante van Hispanien, / Prince Cardinael / ende Gouverneur der Nederlanden. / Commende inde vermaerde Stadt / Antwerpen / den 17 April, in den Iaere / neer LanDen, zllt VerbLIIt, oVer VVVen fer DInan DUS. / .1
Het werkje begint met een berijmde opdracht aan den Voorzitter van den Geheimen Raad, Petrus Roose, onder wiens ‘Protectie’ Chr. van Essen zijn Roepende Faem de wereld inzendt.
Daarop volgt een gedicht Fama, waarin de dichter Antwerpen aanzet om haar treurnis nu te laten varen. Er zijn betere tijden in aantocht, en Prins Ferdinand komt!
De Antwerpenaars zaten met ‘uytgheteerde caecken’ bij ‘Schaldis graeuwe vloedt’, gelijk de Hebreeuwen uit den Super flumina Babylonis-psalm,
Nu wordt het anders. De prins komt, voorafgegaan van een schitterende faam. Hij zal de redder van stad en land zijn. Chr. van Essen zingt het zijn landgenooten toe.
Er is dus reden om verheugd te zijn. De geleden pijn is voorbij. De prins zal de Nederlanders bevrijden van hun belagers. De vijanden van het Oostenrijksche huis en van den waren godsdienst zullen verslagen worden. Nu zal bitter ontgoocheld zijn, al wie daar eens beweerd had:
De prins is thans te Antwerpen als vertegenwoordiger van den ‘eyghen Heer!’.
Eerst na die twee gedichten komt de Roepende Faem met haar snorkende Alexandrijnen aan de beurt.
Wie met ‘fenynich hert’, ‘kefferijen’ en ‘haeterijen’ beweerd had, dat de [prins nooit naar de Nederlanden zou komen, moet nu een toontje lager zingen.

GEDENKPENNINGEN
geslagen ter eere van den Kardinaal Infant.
De benijders, die Chr. van Essen hier bedoelt, zijn de Hollanders, en met een overvloed van scheldwoorden geeft hij nu uiting aan zijn heftig vijandelijke gevoelens tegen hen. Zelfs in een pamflet-gedicht lijkt het geschut van dien Antwerpschen schermmeester wel wat grof.
De Hollanders hebben veel geluk gehad, te land en te zee, maar dat zal niet blijven duren. Al dat voordeel hebben ze overigens maar verkregen door miskenning van het heilig gezag van hun vorst, egoïsme en andere zondige practijken.
Al die verzen zijn buitengewoon belangrijk omdat ze onbewimpeld zeggen wat er toen stellig in menig Brabantsch gemoed aan wrok en vijandschap tegen de Hollanders lag opgestapeld.
Gaan wij te ver als wij in de drie laatste verzen van dit fragment een zinspeling zien op het dooden van den Antwerpschen handel door het sluiten
sluiten der Schelde, dat de Hollanders van 1585 af doorzetten? De vrienden die gekwetst worden, en het benadeelde vriendenhuis, zullen zeker wel bedoeld zijn als Antwerpen en de Antwerpenaars. Hun leed deerde de Hollanders niet, die voor de ellende der Zuid-Nederlanders gevoelloos bleven.
De Roepende Faem voorspelt, dat de goede tijd voor Holland nu gedaan is.
De Duitschers, die zich totnogtoe door de mooie woorden der Hollanders lieten misleiden, keeren zich nu ook tegen hen. Hiermede zinspeelt Chr. van Essen natuurlijk op het deelnemen der keizerlijke troepen aan den veldtocht door den Prins Kardinaal aangevoerd.
Daarop begroet het gedicht geestdriftig de komst van den Prins Kardinaal, van wien alle heil voor Nederland en den Katholieken godsdienst verwacht wordt. Vooral Antwerpen moet zich in die komst verheugen.
De lof van den Prins Kardinaal wordt uitvoerig gezongen. Hij kwam, door God gezonden om zijn volk te helpen. Wat David was voor Israël, dat zal de Prins Kardinaal zijn voor Nederland.
Het parallelisme tusschen Davids en Ferdinands daden wordt tot in bijzonderheden uitgewerkt, vooral met verwijzing naar de veldtochten van den Prins Kardinaal in Duitschland. De Vereenigde Provinciën pochen op hun macht, doch hun wacht het lot van den reus Goliath.
Hier komt Christoffel van Essen nog eens terug op de afvalligheid der Noord-Nederlanders en hun opstandigheid tegen hun vorst. Hij toont zich een overtuigd voorstander van het koningschap bij de gratie Gods en is beslist gekant tegen elk begrip van volkssouvereiniteit.
Brabant is trouw gebleven en verheugt zich nu in de komst van ‘'t conincklijcke saet’. Deze blijdschap zullen de Noord-Nederlanders nooit kennen. Zij hebben al de voordeelen van de heerschappij des Konings verbeurd en van de Staten niets dan onaangenaamheden in de plaats gekregen.
Het derde gedicht in dit bundeltje is weer getiteld Fama en bezingt het geluk der landen die door hun eigen Heer worden bestuurd. ‘Belgis-landt’ zal nu ook dat geluk genieten. De blijde tijden gaan aanbreken.
V. Van zijn heftige anti-Hollandsche gezindheid had Chr. van Essen reeds in 1634, het jaar voor de intrede van den Prins Kardinaal, blijk gegeven in een gedicht, dat wij hier ook even vermelden:
Waerom? Daerom: ende Waerheydt tot de Hollandsche Vrede-Haters, Inden Waerom wordt verthoont wat schade hunne ongherechtighe oorloghe medebrenght, wat onheyl uyt hunne Ketterye ende rebellie ghecomen is, ende hoe dat het af-vallen van t'Catholijck Geloof de goede manieren verandert, ende hun tot alle quaet drijft. In den Daerom wordt verthoont hunnen aert ende greticheyt
tot der Catholycken Geestelijcke goederen, ende hun eyghen baet. In de Waerheydt sommighe exempelen hoe dierghelijcke ghevaeren zijn1.
In dit sluk, op een los blad ‘ghedruckt t'Hantwerpen by Philips Michielsen’ blijkt Chr. van Essen vooral verbitterd omdat de Hollanders den strijd tegen Spanje voortzetten en zich niet willen onderwerpen aan hun wettigen heer. Twintig strophen lang vraagt hij waarom ze in hun boosheid volharden.
In een even groot aantal strophen wordt dan op dat herhaalde ‘waarom’ geantwoord. De Hollanders doen dat alles omdat ze afgeweken zijn van het katholiek geloof en ‘rebelleeren’ tegen hun eigen koning. Ze wenschen land en steden te winnen; de katholieken te kwellen; zich te verrijken ten nadeele der kloosters; de priesters te bespotten; de boeren te berooven; hun eigenbaat te bevredigen; het goud der Spaansche vloten of der ‘coopschepen uyt den west’ te kapen; te stelen wat een ander gewonnen en gespaard heeft; de ‘ketterijen’ en ‘dwaelderijen’ van hun valsche leeraars en ‘guychelaren’, Luther, Calvin, Beza, Gommarus, Arminius e.a. te verspreiden, enz.
In de tien laatste strophen wordt dan voorspeld wat die hardnekkige boosdoeners te wachten staat. De straffen, die de groote zondaars, van wie de Bijbel spreekt, eenmaal hebben getroffen, zullen ook op de hoofden neerkomen van de Hollandsche rebellige ketters.
VI. Tot dezelfde populaire literatuur, ontstaan bij de blijde intrede van Don Ferdinand te Antwerpen, behoort nog een werkje, waarin vooral de feesten beschreven en de zinnebeeldige beteekenis uitgelegd worden van de versieringsmotieven, die op straat en plein waren opgericht. Bedoeld boekje uitgegeven te Antwerpen bij Godgaf Verhulst (1635), draagt den volgenden titel: Triumphael Incomst vanden Doorluchtichsten Prince Cardinael Ferdinandus Infant van Hisp. Binnen Antwerpen den 17 April 1635. Waer in verthoont woort / Hoe den Prince in 't aencomen is ontfanghen gheweest, wie in 't voorijden hy ghevolght heeft, wat het Casteel ter sijnder eeren heeft ghedaen / Item hoe de Stadt hem venwacht heeft, wat booghe oft poorte sy tot synder eeren heeft op-gherecht, met de wtlegginghe wat die bedieden. / Waerby gevoecht is veel
particuliere wercken op den wegh vande Borgers op-gerecht: ende ten lesten wat den Prince inde 8 daghen binnen Antwerpen heeft gedaen1.
Buiten de zoo wijdloopig aangekondigde beschrijvingen bevat het boekje eenige berijmde fragmenten. die ook kunnen gerangschikt worden onder de volksgedichten ter eere van den Prins Kardinaal, die ons in dit hoofdstuk bezig houden. Het zijn meestal vrije verdietcschingen van de Latijnsche gedichten, die zich op de eerebogen en -zuilen bevonden2. Wij verwijzen alleen volledigheidshalve naar die verzen en nemen er slechts één staaltje van over, weer een blijde begroeting van den gewenschten redder:
VII. Een dergelijk werkje werd ook uitgegeven naar aanleiding van 's prinsen intocht te Gent, en wel door de samenwerking van David Van der Linden, voor den Latijnschen, en zijn goeden vriend, den dichter-priester Joost de Harduyn, voor den Nederlandschen tekst. Deze beschrijving der Gentsche feesten werd gedrukt en uitgegeven te Antwerpen bij Hendrik Aertssens, in de witte Lelie, 1635: Goeden Yver tot het Vader-land ter blijder Inkomste van den Conincklycken Prince Ferdinand van Oosten-rijck, Cardinael Infant, Gouverneur der Neder-landen ende Bourgoignen binnen de stad Ghend4.
Merkwaardig is de toon van gehechtheid aan eigen grond en eigen geschiedenis, die in dit werkje herhaaldelijk doorbreekt. Het is heelemaal doortrokken van onloochenbare Vlaamsche vaderlandsliefde.

DE PRINS KARDINAAL ONTVANGEN TE GENT AAN DE BRUGSCHE POORT,
gravuur van P. de Jode (Uit G. Becanus S.J.: S.P. Ferdinandi Triumphalis Introïtus in Gandavum, uitg. J. Meursius, Antwerpen 1636)
Dit zijn de eerste verzen, die Van der Linden-De Harduyn op het titelblad lieten drukken als een soort motto, om het karakter van het werkje aan te geven.
Het is een uitvoerige beschrijving van de versiering der stad Gent en van de plechtigheden, die er bij de blijde inkomst van den Prins Kardinaal plaats hadden, op 16 Januari 1635. Meer dan een versieringsmotief getuigde uitdrukkelijk van loyale verkleefdheid aan het Spaansche huis en vast vertrouwen in de deugden van den Infant. Met nadruk werd er op gewezen, dat het graafschap Vlaanderen zich tegenover den Koning van Frankrijk steeds zelfstandig en vrij had kunnen houden. Onder het beeld van de maagt van Vlaanderen stonden de woorden: Invicta Gallo - Noyt Fransch, waarover Van der Linden-De Harduyn de volgende uitlegging gaven: ‘Te weten. Daer alle andere Graven / Princen / ende Baender-heeren van 't Rijcke / zijn ghevallen in de maghe van den Koningh/ende niemand 't sijne en heeft behouden / dan den Grave van Vlaenderen / hoe wel ondersaet van de Croone’1.
Met geestdrift wordt de Prins Kardinaal begroet als aanbrenger van gerechtigheid en vrede:
Natuurlijk ontbraken ook hier de zinspelingen niet op de overwinningen, die de Prins-Kardinaal op de slagvelden reeds had behaald.

VUURWERK TE GENT BIJ DE BLIJDE INKOMST VAN DEN KARDINAAL INFANT,
gravure van P. de Jode (Uit G. Becanus S.J.: S.P. Ferdinandi Triumphalis Introïtus in Gandavum, uitg. Antwerpen, J. Meursius, 1636).
De treurige toestand, waarin de oorlog Vlaanderen had gebracht, was te Gent op treffende wijze voorgesteld door het beeld van een half naakte vrouw, aan wier borsten eenerzijds een wolf en anderzijds een vos zuigende waren. Dit was, getuigen Van der Linden en De Harduyn, ‘ghetrocken uyt seker voorseghinghe / oud ettelijcke hondert jaren / ende voor eenigen tijd gevonden inde Abdije van Eeckhaut tot Brugge / ende in druk uytgegeven by een seker geleert man van onsen tijd’1). De prins moest Vlaanderen van die twee wreede plagen bevrijden. Dit wordt gewenscht in het volgende gedicht van De Harduyn, waarin alweer vaderlandsliefde en vaderlandsche fierheid met historische herinneringen aan de nederlagen, die Vlaanderen aan Frankrijk toebracht, en het bestijgen van den Byzantijnschen troon door Boudewijn van Constantinopel heel beslist opklinken.
Ook in den pastoralen toon werd de Prins Kardinaal begroet. Hij werd voorgesteld in een arcadisch landschap als een herder, die voor de ‘kooien’ moest komen zorgen, na den dood van Amaryllis, ‘eene herderinne van hooghe gheboorte... korts te vooren overleden’. De ‘kooien’ zijn natuurlijk de Nederlanden en Amaryllis de Aartshertogin Isabella. De allegorie wordt verder doorgezet, waar de herder ook opdracht krijgt om de schapen te verdedigen tegen ‘den ontrouwen Damon’, den Prins van Oranje, ‘ende andere door haat ende nijd ten ongelijcke ende by gheweld ontdreven’, zijn bondgenooten. Daar begroetten hem dan ‘herderen ende herderinnen / uyt de ghewesten van daer ontrent / voorsien met Lulle-pypen / moesels / Quenen1) / Lieren / Fluyten / ende Bommen’. Hun lied luidde als volgt, geheel in den tijdstijl:
Weer op een andere plaats werd de Prins Kardinaal voorgesteld onder de gedaante van Androdus, ‘treckende eenen grooten doren / ende perssende het etter uyt den poot van eenen vervarelijcken Leeuw’. De gewonde leeuw was het benarde Vlaanderen, zooals blijkt uit de volgende verzen van De Harduyn:
Op een ander tooneel stonden, op ‘verheven basementen’, de zes graven van Vlaanderen uit het huis van Oostenrijk, Keizer Maximiliaan I, Philips I, Karel V, Philips II, Philips III en Philips IV, als om den Prins Infant tot voorbeeld te dienen. Zij spraken hem aan als volgt:
Uit alle opschriften sprak voor en boven alles een vurig verlangen naar den vrede, dien de Prins Infant zou brengen. Het volgende gedicht van
De Harduyn drukt dien wensch uit in tamelijk gelukkige beeldspraak en welluidenden vorm.
VIII. Toen het nieuws van de aanstelling van den Prins Kardinaal tot gouverneur ook in Noord Nederland doordrong, werd het daar op een heel andere wijze onthaald en naarmate het krijgsgeluk den jongen vorst toelachte werden de uitvallen tegen hem bitterder en scherper. Wij zullen later de gelegenheid hebben om daarop te wijzen. Onder de pamfletten vermeld door J.K. Van der Wulpen1 komt er een kort gedicht voor, dat waarschijnlijk even na de benoeming van den Infant tot landvoogd door strijdlustige Hollanders werd uitgegeven. Wij laten het hier volgen.