De krijgsverrichtingen ondernomen in 1635-1636 door de verbonden Hollanders en Franschen tegen de Spaansche Nederlanden heeft in de Zuidelijke literatuur, zoowel Latijnsch-geleerde1, als populair-Nederlandsche en Fransche, luiden weerklank gevonden.
Een groot aantal gedichten van allen aard werden naar aanleiding van gebeurtenissen, die zich toen voordeden. door bekende en onbekende dichters geschreven.
Dit hoeft ons niet te verwonderen. Het gold immers een onderneming, waarvan het gezag van den koning van Spanje over de Zuidelijke Nederlanden afhing, en waarbij onze gewesten al de angsten en verschrikkingen van den oorlog en tevens de vreugden der overwinning kenden.
De Republiek der Vereenigde Provinciën en Frankrijk, onder ingeving van Richelieu hadden besloten, kost wat kost, de Zuidelijke Nederlanden aan Philips IV te ontrukken. Zij koesterden een dubbel plan. Zij zouden van dit gewest een onafhankelijken staat maken onder hun beider protectoraat, op voorwaarde, dat de inwoners tegen den koning van Spanje in opstand kwamen. In geval het land daartoe niet te bewegen was, zouden de beide bondgenooten het eenvoudig, volgens een reeds vooraf gemaakte overeenkomst, onder elkander verdeelen. Zij richtten een oproep tot de Belgen om hen aan te zetten het Spaansche gezag te verwerpen, doch het tegenover-gestelde gebeurde.
De eendracht rondom den populairen Kardinaal-Infant, den held van Nordlingen, werd sterker en inniger dan ooit. De veldtocht ontwikkelde zich in ongunstigen zin voor de Hollanders en de Franschen.
In den beginne hadden zij successen te Avins bij Hoei, waar de Fransche maarschalken de Châtillon en de Brézé de troepen van Prins Thomas van Savoye versloegen; en te Thienen, waar zij de zeer zwak verdedigde stad innamen en plunderden; doch van dat oogenblik af keerde de kans. Het hoofddoel van de bondgenooten was Brussel in te nemen, doch daar de Kardinaal-Infant daar flink op zijn hoede bleek te zijn, waagden zij niets tegen deze stad. Toen poogden ze Leuven te veroveren, doch werden daar verjaagd door de troepen, de studenten en de heele bevolking. Vermoeid en slecht voorzien van levensmiddelen, trokken de verbonden legers zich op Roermonde terug, in groote wanorde en onophoudend aangevallen door de Brabantsche boeren, die hun veel verliezen toebrachten.
De Kardinaal-Infant had intusschen hulptroepen uit Duitschland gekregen, onder bevel van Octavio Piccolomini. Hij rukte naar het Noorden op en veroverde de Schenkeschans, Goch, Limburg en enkele anderen plaatsen. De Franschen die in de Betuwe overwinterden, werden daar zeer gehavend door hongersnood en aanstekelijke ziekten1.
In 1637 namen de gebeurtenissen voor de Hollanders weer een gunstiger verloop. In 1638 liepen zij evenwel de nederlaag bij Calloo op. Doch over deze laatste feiten hebben wij het thans niet. Wij beperken ons tot de plundering van Thienen en den mislukten aanval op Leuven, die den dichtlust der Brabantsche rederijkers en andere volkspoëten in hooge maat opwekten. Wij vinden de bewijzen van die litterair-politieke geestdrift in al onze pamflettenverzamelingen en in het Recueil de pièces relatives aux Pays-Bas (1635-1636), reeds in deze studie geciteerd2.
Toen de Hollandsche en Fransche legers na den slag bij Avins zich te Meersen met elkander vereenigden, 40.000 man sterk, wilde Frederik Hendrik door Brabant trekken om Brussel te gaan innemen.
De Prins Kardinaal had niets verwaarloosd om dit gewest in staat van verdediging te stellen. Hij liet zijn leger post vatten langs de beide Gheeten, waarvan hij de oevers vesterkte, en vestigde zich zelf te Thienen in het Refugium van de Park-abdij. Hij zag echter al spoedig in, dat de verdedigingslijn, die hij gekozen had, niet gunstig was, en trok zich terug op de Dijle tusschen Leuven en Mechelen, toen de Hollandsch-Fransche troepen reeds
over St-Truiden eu Zoutleeuw op Thienen aanrukten. De hulptroepen, die de Prins Kardinaal uit: Duitschland verwachtte, waren overigens niet aangekomen en zoo dorst hij de kansen van een gevecht tegen een overmachiigen vijand niet wagen.
Binnen Thienen had de Prins Kardinaal een bezetting van ongeveer 1200 soldaten gelaten, onder bevel van Don Martino de Los Arcos, die zijn klein leger aanvulde met burgers uit de gilden, de rederijkerskamers en de ambachten, tot zelfs met monniken, die hij uit den vrede van hun kloosters opriep.
Het verhaal van de inneming van Thienen en de plundering, die er op volgde, werd door verscheidene ooggetuigen geschreven. P.V. Bets in zijn Histoire de la Ville et des Institutions de Tirlemont1) gebruikte een drietal van die auteurs om een eigen beschrijving van de verwoesting der Brabantsche stad samen te stellen: 1o een handschrift van de moeder-overste van het Annunciadenklooster te Thienen: Gedenkwerdige avonturen, altracien ende verstroyingen, jae martelie ende verwoestinge die de Annunciaten binnen Thienen hebben geleden, A. 16352); 2o een handschrift van den kroniekschrijver Pelckmans; en 3o het bekende werkje van Erycius Puteanus: de Obsidione Lovaniensi3). De Bibliotheek van Nederlandsche Pamfletten van Louis D. Petit vermeld nog onder nr 1902 een Waerachtig Verhael van het innemen van Thienen, van Zuid-Nederlandschen oorsprong. In een Fransen lied op de wijze van ‘Leandre’, worden in 25 zesregelige strophen ook al de euveldaden opgesomd bij de inneming van Thienen gepleegd: Relation triste et veritable des cruautés et tyrannies que les deux armées: Hollandaise et Française ont faict dans la ville de Tillemont4).
Wij troffen in de Chonyck van Nederlant5) (1533-1636) over die heuglijke inneming weer een ander verslag in proza aan. De schrijver van dit relaes is Jan Jaquinet. Hij noemt zich zelf op verscheidene plaatsen. ‘Ick Jan Jaquinet stout alsdoen op de selve veste het spel aensiende, wesende alsdoen eenen ionghen van ontrent de twintigh jaren aut, met het geweer in de handen’. Wat verder nog: ‘Als ick Jan Jaquinet ook ter poorten uytgeloopen was...’6).
Deze Jaquinet of Jakinet, wiens naam wij totnogtoe in geen biografisch woordenboek of letterkundige geschiedenis aantroffen, is een Thienenaar, die

TITELBLAD
van Den Hollantschen Jaw en de Fransche Krauwey.
heel wat kronieken en ander werk van historischen aard op zijn actief heelt. De Koninklijke Bibliotheek te Brussel bezit niet minder dan zes lijvige bundels van hem in handschrift. Buiten de Chronyck van Nederlant, bevinden zich daar een Chronyck van Brabant in twee deelen (van 639 tot 1569, en van 1570 tot 1984) (nr 5956), Brabantsche Cronyck (nr 5657), de Princelycke Cronyck van Brabant (nr 5658) met de levensbeschrijving van allerlei personnages uit de geschiedenis van Brabant, Cronycke der Nederlanden (1500-1603) (nr 5659) en Historie der Nederlanden (1612-1683) (nr 5184).
In die kronieken heeft Jaquinet verscheidene gedichten ingelascht, waarvan hij er verscheidene opvordert als eigen werk. Op het verslag over de inneming van Thienen in de Chronyck van Nederlant laat hij verscheidene anti-Fransche en -Hollandsche hekeldichten volgen en onder één daarvan schrijft hij: ‘me fecit Jan Jaquinet’. Wij durven daar niet uit afleiden, dat al de gedichten, die daar over den veldtocht van 1635-36 voorkomen, van zijn hand zijn. Wij betwijfelen dit zelfs zeer sterk daar ze zoo slordig opgeschreven werden, vol fouten tegen spelling, taal en versificatie. De dichter-zelf zou zijn geesteskinderen met meer zorg behandeld hebben. Daar de nota ‘me fecit Jan Jaquinet’ maar onder één van die gedichten staat, moeten wij wellicht juist daarom aannemen dat de andere niet van hem zijn. Zekerheid bezitten wij daaromtrent evenwel niet en het is niet uitgesloten, dat enkele van de gedichten, die van Thienschen oorsprong schijnen te zijn, zooals b.v. De lange logen-Tong van Piet Noot-man met eeren ghecort door den Heer advocaat van Thienen, waarover wij verder spreken, wel uit de pen van Jaquinet vloeiden.
I. Het grootste dier gedichten vonden wij terug, veel vollediger en met beter verzorgden tekst, in een brochure getiteld: Den Hollandschen Jaw en de Fransche Krauwey, Ghedruckt int Jaer M. DC XXXV1). Zonder eenigen twijfel is de tekst in de Chronyck van Nederlant een zeer onbeholpen copij van deze brochure.
Het gedicht is een soort van rijmkronijk, waarin het verloop van den veldtocht van Frederik Hendrik tegen de Spaansche Nederlanden wordt verteld. De inneming en de verwoesting van Thienen maken er het belangrijkste deel van uit.
De schrijver spreekt eerst over het sluiten van het Hollandsch-Fransch verbond en het doel daarbij beoogd; over de voorbereiding in Holland, waar iedereen verplicht werd daarvoor geld te storten; en over de gedwongen inlijving van jong en oud in Frankrijk ‘om soo't getal te maken’. De
Franschen kwamen langs Luxemburg binnen om zich met de Hollanders te ‘versaemen’. Prins Thomas en graaf Bucquoy trokken uit om hen tegen te houden, doch werden verslagen ‘boven Huy de stadt’. Gelukkig bleven de Franschen na hun overwinning ter plaatse. Dit scheen wel Gods wil te wezen, want waren zij verder het land in gerukt, zij zouden het ‘sonder stoot’ hebben genomen. De Prins Kardinaal was voor ‘al soo grooten tocht’ niet gereed. Het volk ook had zich aan dergelijken inval niet verwacht en had meer getracht zijn steden te versieren met mooie gebouwen dan de vestingen te onderhouden. De kloosters hadden er alleen naar gestreefd om het aantal hunner leden te vermeerderen in den dienst des Heeren.
Nu plaatst de Prins Kardinaal zijn troepen en geschut langs den ‘Demerkant’1), maar op raad van Marquis van Aytona en Prins Thomas ontwijkt hij het gevecht tot hulptroepen zijn macht zouden komen versterken. Toen de Bondgenooten naar Thienen oprukten, waar Prins Ferdinand zijn hoofdkwartier had, trok hij zich terug naar Leuven, waar hij zich versterkte met hulp van ‘kleyn en groot’.
Dan zijn de Hollanders en de Franschen met ‘een turckx hert’ op Thienen afgekomen.
De schrijver aarzelt nu om te vertellen wat er toeu gebeurde.
Geen ‘eerbaar hert’ zal gaarne hooren het verhaal van ‘een soo branden groot, van een so rooven rouw’ en van ‘een soo moorden vreet’. ‘Een turckx hert, sou sulck geen wreedheyt toonen’. Maar toch ‘het moet geschreven syn’. Al ‘schudt en beeft en queelt en sucht’ de schrijver bij dit werk, toch gaat hij alles vertellen tot schande van ‘het hollants grauw’ en van het ‘fransch gesnorr’.
Daags na H. Sacramentsdag, terwijl veel burgers nog in de kerk baden, den 9 Juni, kwam de vijand voor de wallen. Hij eischte de stad op, onder bedreiging van verwoesting en uitmoording. De burgers wisten niet wat te doen. De huurlingen waren verdeeld in twee groepen. De eenen wilden de stad overgeven, de anderen niet. Toen werd hun bevel gegeven de wapens neer te leggen en te vluchten zoo goed als't ging. De burgers trachten een overeenkomst te treffen met de Hollanders, maar terwijl ze daar nog mede bezig waren, kwamen de vijandelijke troepen langs een anderen kant reeds de stad binnengedrongen en liepen door de straten, roepende: ‘Tue, tue! Slaat dood!’. Nu schildert de auteur al de wreedheden door de soldaten gepleegd. Mannen en vrouwen, oud en jong werden vermoord. In de groote kerk roofden de plunderende benden het goud- en zilverwerk, dat het volk daar placht te dragen in oorlogstijd. Het hoogwaardig Sacrament, dat nog
uitgestald stond, wierpen zij ten gronde en maakten zij tot buit. Zij plakten de gewijde hostiën op de poort van de kerk. Zij mengden er in de haver van hun paarden. Zij smeerden hun laarzen en hun paarden met de H. Olie; gooiden de kerksieraden in het vuur; sneden de ooren en den neus af van een Mariabeeld in de kerk; doorschoten het beeld van O.L. Vrouw der zeven weedommen tot zeven maal toe; stalen schilderijen, die zij naar Holland voerden om ze te verkoopen1; enz. Voor dat alles zijn ze gestraft geworden, verzekert de auteur, zinspelende op hetgeen bij den aftocht na het beleg voor Leuven gebeurde. Iedereen, die ze dolende aantrof langs het land, deed zijn best ze te dooden. Men heeft er zelfs verscheidenen uit wraak neus en ooren afgesneden. Dat was de wet der wedervergelding. Het ging hun ongeveer als dien geus Jan Swyck, die er zich op roemde naar Halle den neus van O.L. Vrouw te gaan afsnijden en voor hij dit had kunnen doen zelf den neus werd afgeschoten. De auteur verklaart gezien te hebben hoe men Hollanders en Franschen neus en ooren afsneed, die ‘de menschen kochten voor goet gelt’.
Dit geval van Jan Swyck, een soldaat van Olivier Temple, was in de 17e eeuw zeer bekend. Het gebeurde in 1580, volgens Justus Lipsius, die het onder de mirakelen van O.L.V. van Halle rangschikt in zijn Diva Virgo Hallensis2.
Tot de verwoestingen van Thienen terug keerende, vertelt hij hoe het gasthuis werd in brand gestoken, zoodat de zieken noode vluchten konden en er moesten sterven. Zij brandden ‘al wat vonck kost grijpen’ en schonden vrouw en maagd zonder eenige schaamte. Over dat schoffeeren geeft de schrijver allerlei ijselijke bijzonderheden, die ‘den reynen geest’ hem verbiedt verder uit te breiden. Door al die onmenschelijke daden werden de burgers aangezet om te vluchten naar Doornik of naar Gent of naar een andere versterkte stad. Ook de boeren vluchtten met vrouw, kinderen en vee. De kloosters op het platte land liepen ledig.
Velen trekken naar ‘de steden klein en groot’, waar allen op hooger bevel, burgers, studenten en monniken, met de schop in de hand moesten helpen om bolwerken en schansen op te werpen.
Toen er nu te Thienen niets meer overbleef ‘aen lyftoght en proviand’ wilde het leger van Frederik Hendrik naar Leuven trekken, maar langs een omweg over Florival, door het Soniënbosch, om de schansen en blockwerken van den prins te ontwijken. Onderweg staken de Hollanders en de Franschen alles in vuur en vlam en zetten hun gruweldaden voort, waarover de dichter
nogmaals zijn verontwaardiging uitspreekt. Toen de Prins Kardinaal vreesde, dat de vijand het op Brussel had gemunt, verliet bij Leuven ea ging haastig zijn troepen verdeelen in al de dorpen rondom Brussel, waar weer iedereen de Spaansche soldaten hielp om versterkingen op te werpen en de aanvallers te verdrijven. Zoo kon de Infant beletten, dat Brussel overrompeld werd.
Toen de vijand
heeft hij, steeds voortplunderend, het Soniënbosch verlaten en is met zijn ‘gansenen treyn’ voor Leuven verschenen.
Hier schonk de Heer het geluk der wapenen aan de verdedigers der stad. De dichter prijst de dapperheid van Preston en zijn lersche soldaten, die met succes bekroonde uitvallen deden, eu van Grobbendonck, die niet minder onversaagd was. Daar overvielen ook de ‘hongervorst’ en ‘prins dorst’ de troepen van Frederik Hendrik, die ‘beschaemdelyck’ moesten wijken. Zij mochten nu ‘haesop spelen’ en ‘haesenpooten’ aannemen,, want ook ‘Den Duytsch en den Cro-at’, de verwachte hulptroepen van den Infant, kwamen hen bestoken. Zij trokken met ‘gestilden hooghmoet’ naar het gebied der Staten, en onderweg kregen zij ‘grooten jouw’. 't Was iedereen een ‘lust te tieren en te iouwen’.
Het gedicht eindigt dan met een dank tot God, waarin een zekere verheffing van hart en geest met te loochenen is en weldadig aandoet na de ietwat gezochte platte woordspelingen van de vorige passage.
II. De Blauwe Scheen is een geestig spotdicht in den populairen toon over Frederik Hendrik's mislukte pogingen om Brabant te winnen, uitgegeven met verzonnen naam van drukker en plaatsaanwijzing: ‘Gedruckt tot Amsterdam op het hoecxken vande Creupelstraet / bij manck Joosken / gheswooren drucker van de quade tijdinghen int Jaer 1635’1. Zeker is dit geen Hollandsch gedicht en naar alle waarschijnlijkheid komt het van een Antwerpsche pers.
Onder dit berijmd pamflet-gedicht staat gedrukt: ‘Ghetrocken uyt de Brabbelinghe van Roomer Visscher’. Dit is eveneens een verzinsel, want in bedoeld werk van den dichter der Zinne-poppen2 komt er niets voor, dat maar eenigszins met het gedicht op de Blauwe Scheen van Frederik Hendrik kan vergeleken worden. Zelfs niet het zuiver erotisch gedicht Het Lof van een Blauwe Scheen, dat er in voorkomt3.
De Zuid-Nederlandsche dichter kan met zijn bewering niets anders bedoeld hebben, dan dat de toon van zijn gedicht luimig en spottend is als die van de Brabbelingh. Hij ook heelt hier als R. Visscher ‘met den narre-stock rondgeloopen’ om jok en kortswijl ten beste te geven.
Brabant, dat Frederik Hendrik veroveren wil, wordt op traditioneele wijze voorgesteld als het meisje, dat hij te vrijen verlangt, en had de Zuid-Nederlandsche dichter nu werkelijk Roemer Visschers Brabbelingh willen benuttigen, dan had hij daar heel gemakkelijk de noodige elementen kunnen
vinden om te toonen hoe aanlokkelijk die Spaansch-Brabantsche vrijster voor den Hollandschen vrijer was. Het is immers in het zevende ‘Schock van Quicken’, dat het aardige versje voorkomt, waaruit blijkt welk een grooten invloed de elegantie der Brabantsche vrouwen in Holland uitoefende:
Van dit alles maakt de Zuid-Nederlandsche dichter geen gebruik. Hij stelt alleen vast, dat Frederik Hendrik, de vrijer, een blauwe scheen heeft opgeloopen, en geeft daarvan de redenen op in een over het algemeen passende en doorzichtige allegorie. Zoolang de vrijer alleen was in het veld, was hij de baas, maar zoodra de vijand opkwam, ging de bangerik op de vlucht. Hij had iets ondernomen boven zijn macht. Hij was in zijn zwarte kleed niet aantrekkelijk genoeg; kon, met flerecyn gekweld en in pelsen gewikkeld, het meisje door zijnen persoon niet behagen1. Hij had de gunstige gelegenheid niet kunnen vatten en had bovendien de vrijster te slecht getracteerd, door brand te tichten in haar huis, de ‘dochters’ te ‘krachten’, zijn woord te breken, en allerlei andere euveldaden, die evenveel zinspelingen zijn op hetgeen te Thienen gebeurde. Hij had de hulp gevraagd van een ‘volcksken van seer lichten aert’, dat machtiger was dan hij en om dezelfde vrijster dong. Een vrijer, die ‘niet vrijen derft alleen’, die de universiteit (hier de stad Leuven) ontvluchtte vóór hij Ovidius' De arte amandi had ingestudeerd en pocht op wat hij nog niet bezit en bovendien nog veinst, kan niets anders dan een blauwe scheen oploopen.
Ten slotte krijgt Frederik den raad om, als hij nog uit vrijen gaat, den Leeuw. (Holland) niet meer te paren met den haan (Frankrijk). Met een zinspeling op de oude diersage, waaruit men leert dat de leeuwen voor het gekraai der hanen op de vlucht gaan1, wordt verzekerd, dat een dergelijk verbond nooit voordeelig kan zijn. Ook moet Frederik Hendrik niet meer iemands vrouw of bruid gaan opvrijen. Brabant is voor haren heer, den koning van Spanje, alleen.
Wij geven het volledig gedicht in de ‘Bijlagen’.
III. Zoölogische fantazijen in den aard van de onmogelijke samenwerking van leeuwen en hanen, zooals er in de laatste stroof van de Blauwe Scheen voorkomen, werden door andere, dichters tot heele pamfletten uitgewerkt. Dit is het geval in een stuk van C.V.E., uitgegeven te Brussel bij Anthoni Mercans ‘in't Straetken van der Elst thegen over het Begghijn-hoff’2. Uit den titel van dit spotgedicht, dat weer de Franschen wil treffen, blijkt al dadelijk, dat buiten den haan, de dieren hier een andere allegorische beteekenis krijgen: De Hane-vlucht ende haere gherechtighe straffe / Ende 't noyt-ghehoorde-Nieuws / Hoe den Hann met den Vos ghepaert is / tot groot verderf van de trouwe Nederlanden Die altesamen door het aenzien allen van den Arent ghevlucht zijn / eewighe schande ende oneer achterlaetende.
Er komt in C.V.E.'s gedicht ook een leeuw voor, maar hij vertegenwoordigt alleen de Zuidelijke Nederlanden. De Noordelijke worden voorgesteld door den vos. Het militair verbond van Holland met Frankrijk was de samenkoppeling van vos en haan. De Keizerlijke arend dreef ze op de vlucht. Uit dit spotgezang blijkt ook hoe' de Reinaert-de-Vos overlevering te onzent nog sterk voortleefde. Er worden rechtstreeksche zinspelingen op het beroemde dierenepos gemaakt.
Deze geest der Reinaerdie vinden wij terug in een gedicht, ook op een los blad met nog een paar andere3 uitgegeven, door denzelfden drukker Anthoni Mercans: Kluchtige Vrijagie oft t'samenspraeke tusschen Reynaert den Vos ende die Maeghte van Loven, nodende het belegh der selver stadt / Anno 1635 Op de wijse: Jan de Nivelle, oft / Lest gingh ick my vermaecken.
Reinaert is hier Frederik Hendrik, die met vossen en hanen de Leuvensche maagd zoekt te winnen!
Zoo dringt Reinaert aan, doch de maagd is met dit aanbod niet gediend. Zij wil ze buiten zien blijven, voor haar vestingen.
Ze konden ook blijven bij den Leuvenschen vestingtoren ‘Verloren kost’, waar ze nog te eten zouden vinden!
Maar Reinaert-Oranje weet hoe het daar verliep:
Op dien luchtigen, echt volkschen trant gaat de ‘kluchtige vrijagie’ voort.
De zoölogische verbeelding wordt nog heel wat spitsvondiger in een kort proza-pamflet, getiteld De Botte Schalckheyt der Hollandsche Vossen ende Fransche Kieviten ontdeckt ende in den vlucht gedreven door den Ferri-voraenschen Struysvoghel van Oostenryck3. Frederik Hendrik en de Hollanders heeten er ‘den grooten vos met alle de kleyne’; de Fransche veldheeren en hun soldaten zijn de ‘twee Smids (maréchaux) met veel lichte kieviten’. Zij vallen in Brabant om er hun holen en nesten te maken, alsook stallen voor het Kalf (Calvinisme). Zij vonden in Brabant al dadelijk een pluyme, die den Ferrivorans Strutio zich vrijwillig had laten ontvallen. Hierin ligt natuurlijk een zinspeling op de eerste successen der verbonden te Thienen. Er wordt inderdaad verteld dat ‘den vos’ die ‘pluyme’ verbrandde en ‘met deghene die daer waeren’ geleefd heeft zooals nooit een Turk of tyran het deed. Zoo wordt de heele veldtocht tot een soort dierenallegorie, waarin ten slotte de strutio, die tot verduidelijking van het zinnebeeld ook al eens Anstruche geheeten wordt, al het ijzer en staal der vossen en kievits opeet, met de hulp van den Italiaanschen Kleinmensch (Picolomini)!
Op een soortgelijke beeldspraak is nog gebouwd het gedicht Die neuswijsche Nijptangh/ van Cattus ende Gallus twee dieren versaemt / Hollandschen ende Fransoischen legher genaemt (Het is ghemist En 't ghelt verquist)1.
De Hollanders worden hier als katten voorgesteld in herinnering aan de Catti van Tacitus:
IV. W.S.D., die zich voorstelt als een Thiensche Maeght, helt een opgeschroefden klaagzang aan in onvervalschten rederijkersstijl over het lot van haar geplunderde moederstad. Het gedicht is getiteld: Een droevigh beklagh van een Thiensche Maeght over de Tyranny van de Francoisen ende Hollanders, alle hun schelmstucken verhalende met bloedighe tranen. Ghedruckt door het bestier / van swerten inck en wit papier. 16352). Niet alleen in den titel, maar ook nog op verscheidene plaatsen in het stuk zelf drukt de auteur er op dat zij een vrouw is. In dezelfde brochure komt nog een soortgelijk gedicht voor: Het sweermoedigh considereren / by ghebrocht met eenen poetelycken zin / het welck gheschiet is binnen de Stadt van Thienen: hoe zij geleeft hebben met die heylighe dinghen / ende oock van 't heylighe Sacrament / soo van den Hollander als Francoysen. Om voor kurieuse gheesten ghelesen te worden. Dit tweede stuk is met geen naamletters onderteekend, doch de stijl laat vermoeden, dat het van dezelfde hand is.
Allerlei overbekende rekwisieten uit de voorraadkameren van onze voedsterlingen der Muzen worden in het Droevigh Beklagh benuttigd om een denkbeeld te geven van de ontzetting, die de verwoesting van Thienen te weeg bracht. ‘God Jupijn’ wordt aangeroepen om met de bliksemkracht de wolken te doorscheuren en aldus te kennen te geven hoe het onmenschelijk bedrijf van den vijand hem mishaagt. ‘Son en Maen’ worden verzocht te treuren. Den ‘bracken dau’ der tranen wordt bevolen ‘uyt te barsten’, om te getuigen hoe ellendig het lot van Thienen is, dat ‘ander Troja’!
In dien stijl gaat het dan tegen de ‘Geusen’ en den ‘Francoys’, die fielten, die ‘vuyl Lichtmissen’, die hebben durven ondernemen, waaraan de schrijfster, ‘eerbaar maeght’ als zij zich zelf noemt, niet eens durft te denken. En toch somt het gedicht dan al de bekende gruweldaden op, te Thienen bedreven. Nooit hebben zelfs de Turken meer harteloosheid betoond. Ook de heiligschennissen, het vertrappen van het H. Sacrament, het uitstorten der H. Olie, der hostiën, enz., alles reeds in een hiervoren besproken gedicht opgegeven, worden weer geschandvlekt. ‘Waerom scheurt d'aerd nu niet om dese groote souden’! God heeft zijn wraak genomen te Leuven. Alles wat daar met den vijand gebeurde, was de vergelding voor zijn baldadieheden binnen Thienen.
Het swaermoedigh considereren is nog meer dan het voorgaande gedicht met mythologische sieraden (?) en conventioneele, zoogezegd dichterlijke beelden opgedirkt. Hier treft ons een voor den Rubenstijd zoo kenschetsende vermenging van Heidensche en Christelijke thema's.
‘O.L. Vrouw ter Thienen’, wordt vergeleken met de godin Ceres, terwijl Hertog de Châtillon en Prins Frederik Hendrik vereenigd worden in de figuur van Erysichton, den zoon van den Thessalischen koning Triopas. De omwegen om tot die vergelijking te komen waren niet bijster ingewikkeld. De Grieksche sage vertelt ons immers dat Erysichton een heilig, aan Ceres gewijd heester verwoest had en daarvoor bestraft werd, met een onverzadigbaren honser, die hem geheel ten onder bracht en hem noodzaakte zijn eigen ledematen te eten. Ceres's boschje werd gelijk gesteld met het heiligdom waar men O.L. Vrouw te Thienen vereerde en de heiligschennende daden der Hollandsche en Fransche troepen met de heiligschennis van Erysichton. De nederlaag van die legerbenden bij Leuven, gepaard met de kwellingen van honger en koude, die zij daarbij leden, is overeen te brengen met de straf van Erysichton.
Ceres' heester wordt ons zelfs geschilderd net alsof het een mirakuleuze, katholieke beevaartplaats was:
Het gedicht weidt dan weder uit over al de goddelooze daden, waarmede
de vijand in de Thiensche kerken zijn geweten bezwaarde. ‘Den oppersten Jupiter het Goddelijk wesen schoon’ besloot tot wraakneming en belastte Prins Ferdinand daar mede. Hij zou Erysichton en ‘al zijn adherenten’ de lenden breken en verjagen ‘uijt haer tenten’.
Naar echten retrozijnen-trant eindigt het gedicht met een acrostischon op den naam van Prins Ferdinand, waarin de heerlijkheden van den verwachten ‘peys en goeden vred'’ bezongen worden.
De verdienste van die vergelijking van Frederik Hendrik met Erysichton mogen wij niet geheel aan den dichter van Het Swaermoedigh consider en toeschrijven. Het is zeker, dat hij zooals zooveel andere rederijkers rechtstreeks of onrechtstreeks in de keuze van mythologische vergelijkingen den invloed van K. van Mander's Uytleggingh op den Metamorphosis Pub. Ovidii Nasonis1 heeft ondergaan. Daar wordt inderdaad het geval van Erysichton reeds voorgesteld als een bewijs van de straffen, die de ‘Godslasteraers en verachters gemeenlyc’ treffen ‘t'zij aen hun persoonen / oft goederen’2.
V. De Prins Kardinaal was pas drieëntwintig jaren oud, toen hem het landvoogdschap over de Spaansche Nederlanden door zijn broeder Philips IV werd toevertrouwd. In de spotternijen, die de Hollanders tegen hem richtten, werd van dien jeugdigen leeftijd herhaaldelijk gewag gemaakt en ‘het kind’ werd de geijkte schimpnaam, waarmede de vijand den jongen gouverneur en veldheer aanduidde3.
Op dat thema werd natuurlijk door de dichters gefantazeerd, niet alleen in liederen en satiren, maar ook in tooneelspelen. Er werden ‘in 't heymelijcke’. en ‘in 't publieke comedien ghespeeld’, waarin de Kardinaal Infant voorgesteld werd als een ‘kindeken in de wiegh’, dat gedurig moest gepaaid worden.
De Zuid-Nederlandsche dichters lieten niet na op dien spot te antwoorden. Wij vonden twee gedichten, op een los blad gedrukt1, die dezen hoon den Prins Infant aangedaan zoeken te wreken. Het eerste is getiteld: Het Sorghvuldig wieghen / ende t' ghedurigh paeyen / van t' kindeken in de wiegh / door sommighe goedhertighe Brabanders in t' heymelijcke ende eenighe / bermhertighe Hollanders in t' publieke Comedien ghespeelt. / Hoe de selve door 't overvloedige wieghen ende t' meningvuldigh paeyen, hebben ghemaeckt dat het niet en is moghelijck om in slaep te krijghen. Het tweede stuk is een Consolatie voor de Broederlijcke Wieghers om den prince van Oraigne te paeyen met de woorden die sy tot onsen Hoogh-gheboren Prince Cardinael ghesproken hebben,
Het Sorghvuldigh Wieghen begint met een gevatte zinspeling op de sage van den Brabantschen hertog Godevaart III2, die nog geen jaar oud, gedurende den slag van Hansbeek, in zijn wieg aan een eik gehangen, den strijdlust der Brabanders zoo aanvuurde, dat zij de overwinning op die van Grimbergen behaalden. Zoo de Prins Infant een kind is, dan is het er een als die Godevaert in de wieg, die de zegepraal aan de Brabanders verzekert.
De spotters zouden beter doen zich te bedenken, want zij weten niet wat hun te wachten staat. Het kind zal Holland in zijn macht krijgen.
En dan komt er een andere vergelijking, ditmaal aan de mythologie ontleend. De Prins Infant wordt voorgesteld als de pas geboren Hercules, die in de wieg, de twee reuzenslangen doodde, door de afgunstige Juno op hem afgezonden. De twee slangen zijn de Hollanders en de Franschen, beide tegelijk door den Infant verslagen.
Daar is ons nog een gedicht bekend, waarin de sage van Hercules in de wieg op den Prins Infant op dezelfde wijze wordt toegepast. In de Brabantsche strijdliteratuur rondom den veldtocht van 1635 onstaan, blijkt deze vergelijking dus wel een geliefkoosd thema. Het hier bedoelde gedicht bevindt zich in Den Hollandschen ende Franschen Bitebau2, met den titel: Ter eeren syn princeliicke Hoogheydt d' Infante Cardinael.
Niet alleen in verzen, maar ook in schilderijen werd de Prins Infant als slangendoodende Hercules voorgesteld. Dit was o.a. het geval op een triomfboog opgericht te Gent bij de blijde inkomst van Kardinaal Ferdinand aldaar4.
In Het hooge vliegen en t'leeghe dalen van Icarus5, een gedicht waarin Holland en Frankrijk in hun mislukte onderneming vergeleken worden bij den bekenden tragischen held der Ovidiaansche metamorphose, wordt de
Prins Kardinaal door zijn vijanden als kind bespot, door een Brabantschen rederijker andermaal als Hercules gevierd:
De Consolatie voor de Broederlycke Wieghers keert den spot eenvoudig om en stelt Prins Frederik Hendrik als het kind voor, dat moet gewiegd en gepaaid worden, daar het nu, na den tegenslag bij Leuven, van honger weent en roept om naar huis te mogen gaan. Voor den volkschen dichter bood dit thema een welgekomen gelegenheid om zich vroolijk te maken en hij doet het dan ook met een naïeve gulheid, die toch niet zonder verdienste is.
Eenmaal Frederik Hendrik als kind voorgesteld, kon niets de Brabanders beletten daar mee voort te gaan. Na de inneming van de Schenkeschans verschijnt weer een spotdicht met dezelfde scherts. Den Rollewagen van den Prince van Orangien (Gedruct buyten's Graven Hagen, Het Schans bij den Rollenwaghen)1.
VI. Onder de menigvuldige klachten en jammeringen, die uit de Spaansche Nederlanden opgingen, na de verwoesting van Thienen, is er een, waardoor wij bijzonder getroffen werden wegens den kijk, dien wij er krijgen
op den gemoedstoestand van die Zuid-Nederlanders, welke van Spanje niet hielden, maar door het onmenschelijke optreden van de Hollandsche troepen er toe gedreven werden toch de Spaansche politiek te verkiezen en den Prins Kardinaal te volgen. Wij bedoelen de Afbeeldinghe van den courtoisen Franschen ende ghenadighen Broeders-aert, gheschildert met het onnoosel bloedt der Borghers van Thienen. Midtgaders een Trompette verweckende alle Nederlanders ende vrome catholijcken / om goedt ende bloedt te waghen voor hun Gheloof ende Vaderlant. Ghedruckt tot Weenen / by Hendrick van Thienen in de Bloedt-straet1.
‘Aertrijck, locht en zee’ worden aangeroepen om te getuigen van den rampzaligen toestand van Nederland. De vijand moordt en plundert verwoed. Thienen is er een sprekend bewijs van. Haar burgers zijn verjaagd, haar krijgslieden gevangen, en het ergst van al, vrouwen en maagden, priesters en kloosterzusters onteerd en gedood. Is dat de courtoisie der Franschen, is dat de goedaardigheid der Hollandsche ‘broeders’? Het is onmenschelijk wat ze doen. De auteur beschrijft hoe kinderen onder de oogen van vader en moeder de hersens ingeslagen worden, en roept weer het medelijden in van ‘aertrijck, locht en zee’, wat hij heusch voor de hoogste uiting van de smart schijnt te houden.
In 't bijzonder tot de Hollanders richt de dichter de vraag, waarom zij zoo handelen? Is het om het goed te vergelden, dat hun de Zuid-Nederlanders deden, die toch maar ‘na rust en vred' verlanghen’?
Het past den Hollanders waarlijk niet te zingen van de Spaansche tyrannie en van de ‘Goetheydt van de Staten’. De Hertog van Alva was te verontschuldigen zoo hij vroeger de ‘roey’ in de hand nam. Hij was immers gezonden om het land te straffen. Maar de Hollanders, die opgeven te komen om hun ‘naeghebuer (te) beschermen’, hebben al een zonderlinge manier om hem in hun ‘bermhertigh ermen’ te nemen!
En dan schijnt de dichter weer op gemoedelijker toon aan het redeneeren te gaan. Niettegenstaande alles, noemt hij de Hollanders nog ‘vrienden’. ‘Noch sal ick u soo naemen, want immers zijn wij noch een volck een bloed te samen’. Wat heeft hen bewogen om zoo te handelen? Is het hun ketterij ? Heeft hun prins deze wreedheid gezogen uit de borst eener Fransche vorstin2.
Maar meer nog dan al hun gruweldaden verwijt hun de dichter vol bitterheid de lasteringen en den spot, die zij tegen den katholieken godsdienst richten. Dat kan hij niet dulden en nu steekt hij de ‘trompette’ om alle Spaansche Nederlanders eendrachtig ten strijde te roepen ter verdediging van hun kerk en vaderland. Hij wakkert zijn landgenooten aan om hun misnoegen tegen Spanje en den Spaanschen aard te temperen, want deze antipathie wordt maar gebruikt om hen te misleiden, verzekert hij.
Er is maar één middel om daar een einde aan te stellen: met Spanje vrede nemen en zich rondom den Prins Kardinaal scharen.
‘Volgt den Prins-Kardinaal’, besluit het gedicht, ‘Hij is de man, dien het vaderland noodig heef’.
In denzelfden geest is het gedicht opgesteld, dat wij op een los blad aantroffen onder den titel: Bedroeft Nederlant aensiet den bermhertigen, courtoysen aert vande Hollanders ende Franschen aen al de weerelt betoont, in het bermhertigh ende royael innemen vande stadt Thienen den IX. Junig M.DC.XXXV. De Rechte Waerheyt1.
Zoo vangt het gedicht aan. Verder somt het al de gruwelen op, die de Franschen te Thienen begingen en eindigt met de verklaring, dat Brabant in deze voorwaarden volstrekt niet wil hooren van de beloofde vrijheid en dan maar liever den Prins Kardinaal zal volgen.
VII. Veel bijval genoot blijkbaar ook het gedicht: Geus-Franschen Haes-op voor Loven (Den 3 Julius 1635)), dat wij behandelen met de gedichten over de gebeurtenissen te Thienen voorgevallen omdat het aanleiding gaf tot een polemiek in verzen, waarin het vooral ging over de verwoesting van deze laatste stad2.
De auteur van den Geus-Franschen Haes-op was voornemens niet meer te dichten omdat de voorgenomen belegering van Leuven door Hollanders en Franschen hem zoo neerdrukte, doch toen hem de tijding bereikte, dat de Alma-mater-stad ontzet, en de belegeraars op de vlucht geslagen waren, kwam bij hem de oude dichtlust weerom wakker. Hij kreeg last van de muzen om te openbaren hoe het spel voor Leuven was vergaan.
Hij deed het in den schertsend, hekelenden trant. De poging van de Fransch-Hollandsche legermacht om Leuven in te nemen stelt hij voor met een bekend, destijds bijna geijkt beeld, nl. het opvrijen van de Leuvensche ‘stedemaagd’ door Mars.
Thienen kon hem niet meer behagen, Diest en Aerschot trokken hem niet aan, om Brussel te winnen was er geen kans daar de Prins Kardinaal te scherp waakte, maar Leuven, die hier met den naam van de wijze Pallas getooid wordt, wilde hij volstrekt in zijn bezit krijgen. Met geweld komt hij voor de stad, laat er de Oranje- en lelievlaggen hoogmoedig waaien en zendt zijn trawanten uit om Pallas te manen hem haar vriendschap te schenken zoo ze niet als Thienen van maagd een ‘gheschonden Vrou’ wil worden. De maagd wijst Mars' averechtsche vriendelijkheden van de hand. Zij vindt hem te berooid, zijn troepen te afgemat en te uitgehongerd om hem maar eenigszins te vreezen. Zi] raadt hem integendeel aan zoo spoedig mogelijk haar omgeving te verlaten zoo hij niet wil, dat zij hem verjaagt en de Dyle verft met Fransch en Hollandsen bloed.
Van beeldspraak veranderende, laat de dichter aan degenen, die er zich mochten over verwonderen, Leuven deze nieuwe Fransche en Hollandsche heeren te zien weigeren, door Pallas zelf uitleggen waarom ze van die gasten niet wil. Deze passage is niet zonder zekeren gloed geschreven en behoort tot de beste deelen van het gedicht.
Hierop raadt Pallas de vreemde troepen nogmaals aan zich terug te trekken, zoo zij willen ontsnappen aan de slagen der Kroaten, die met Piccolomini ter hulp van den Kardinaal Infant waren aangekomen. Zoodra de Geus en de Frauschman dat hoorden, dachten zij dat het maar het best was te vluchten.
Terugkeerende op het eerste beeld, spot de schrijver met Mars, die zijn vrijster zoo gemakkelijk loslaat, en sluit met de volkswijsheid: Vrijt noyt boven uwen staet.
VIII. Dit gedicht zette in Holland kwaad bloed en lokte een hoog scheldend antwoord uit van Pieter Nootman. Volgens het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek was deze een Amsterdamsch rederijker (1601- †1652), die zich later in den Haag vestigde en daar als factor van ‘De Jonge Bataviers’ in 1629 naar aanleiding van de inneming van's Hertogenbosch den tekst schreef van een gelegenheidsstuk: Verthoningen over de heerlijcke... victorie van 's Hertogenbosch, beleydt door Frederick Henrick (Delft 1629,
herdrukt in 1630). Hij is ook de opsteller vau een pamflet tegen den Leuvenschen hoogleeraar Erycius Puteanus, die eerst in zijn De Induciis belgicis 1617 (z. pl. noch n.) en nadien in zijn Belli et pacis statera, qua indiciae auspicio regis inter provincias regias et faederatas tractari caeptae expenduntur (Leuven C. Coenesteyn, 1633) de Hollanders trachtte te overtuigen, dat het voor hen gewenscht was met den koning van Spanje vrede te sluiten. In zijn Oprechten Waegschaels-Evenaer (Den Haag, 1633) schaart Nootman zich naast Gaspar Barlaeus' Anti Puteanus (1633) en andere Hollanders, die de redeneeringen van den Leuvenschen professor verwierpen1.
De Geus-Franschen Haesop zocht hij te weerleggen in Orangens-Leliens-Blijf-Faem: ghebasuynt teghen den lasterlycke en Naemloose Loghen-dichter van den Geus en Franschen Haes-op. ('k Moet het boose Logens blaffen met de naeckte waerheyd straffen) (z.n.z.p.)2. Nootman valt de Spaensche-Basterd-Tongh aan, die Frederik Hendrik's eer had trachten te rooven, met allerlei soms erg gezochte scheldwoorden. Die ‘raesbol’, die ‘snorkend’ meent
Nootman bespot dus de gebrekkige verskunst van zijn tegenstander, terwijl hij hulde brengt aan twee Zuid-Nederlandsche rederijkers uit de 16e eeuw, Cornelis van Ghistele en Colijn van Ryssele, den auteur van den Spiegel der Minnen, die zijn bewondering wegdragen. De dichter van den Geus-Franschen-Haes-op is ‘een ezel aan de Lier’.
Nootman schrijft verder, dat er niet de minste reden was om te roepen, dat Leuven ontzet en Frederik Hendrik gevlucht was. Zoo de Hollandsch-Fransche troepen zich terug trokken was het geenszins uit vrees voor den Prins Kardinaal.
Nootman voorspelt dat Frederik Hendrik toch eens Leuven, de ‘Minervale Tempel’, zal binnen rukken, zooals hij het deed te Grol, te Maestricht en in Den Bosch.
De Prins Kardinaal, dat ‘wieghkind’, zal eerlang smeeken om naar zijn broertje, den Spaanschen koning Philips IV, te mogen wederkeeren. Hij zal gaan voelen dat het ‘hartsbegeeren’ van de Nederlanders is: geen Spanjaards meer, maar Nederlandsche Heeren.
Op de beschuldiging van brand, moord, plundering, ‘vrou - en maeghde kracht’ tegen de troepen van Frederik Hendrik aangevoerd, antwoordt Nootman, dat de Zuid-Nederlanders daar zelf de oorzaak van waren. Volgens de wetten van den krijg, beweert Nootman, mag een te zwakke stad, haar Heer niet ‘van (haar) muren keeren’. En met ‘Heer’ bedoelt hij, zooals blijkt uit een kantteeking, niet den eigen landsheer, maar den veldheer, dien men niet kan wederstaan. Met deze bedenkelijke redeneering wordt het geval van Thienen uitgelegd.
Het was dus haar halsstarigheid, die Thienen ten val bracht. Zoo ging het ook Maagdeburg, herinnert Nootman, hierbij zinspelend op de vreeselijke verwoesting dier stad door de troepen van den Oostenrijkschen keizer, onder het bevel van Pappenheim in 1631. Dat de schrijver van den Geus-Franschen-Haesop dit overwege, raadt Nootman, dan zal hij uit de nebbe van zijn loome pen geen ‘stygiaensch’ vergift meer laten leken en niet meer de schande worden van dit ‘rijm-rijcke Land’.
Nootman's gedicht lokte op zijn beurt berijmde weder-antwoorden uit in het Zuiden. Wij kennen er een paar.
De tekst van het eerste bevindt zich in een brochure getiteld: De lange logen Tongh van Pier Noot-man met eeren ghecort door den Heer Advocaet van Thienen aengaenden den Geus-Franschen Haes-op Ghestelt door den Advocaet,
ende Den Oraingien-Lelie-Blijf-Faem ghebasuynt door Pier Noot-mans. Ghedruckt in 't Jaer ons Heeren 16351.
Als inleiding tot zijn gedicht geeft de auteur de volgende nota:
Aen den Leser
Alsoo naer het voorvluchtigh vertrek van de Françoisen ende Geusen voor Loven, den 3 Julio 1635 seker Lief-hebber de selve voorvluchtigheyt mette waerheydt wat belachen hadde, in een Dicht ghenaemt, Den Geus-Franschen Haes-op voor Loven / soo is dat een sekeren Geuschen uyl de strael der waerheydt niet verdragen konnende, teghen het selve Dicht heeft beghinnen te blaesen, den Autheur daer van scheldende als een loghenaer, de wreetheyt van Thienen bedreven Thienen selver wijtende, ende den Koninghlycke Prince Cardinael niet spaerende: soo ist dat den boven-schreven Liefhebber de penne weder in de hant genomen heeft ende desen nacht-uijl' wat vernestelt de waerheydt klaerder ontdeckende, ende soude de laster-dicht van Pieter Nootmans, ghenaemt Orangie Lelie blijffaem hier voor ghedruckt hebben; maer is als den druck onweerdigh achtergelaeten. Alleen zal den Lezer weten, dat alle de woorden in dese naer volghende Dicht met claerder letteren gheschreven, syn oft laster-woorden, oft redenen; soo teghen den Prince, als teghen den Autheur, opgheworpen door Pier Noot-mans, maer nu door den Autheur selver met meerder recht Pieter Noot-man op den hals ghedrongen.
Vaert wel / leest ende verstaet.
In de Grove Loghen-Tonghe wordt Pieter Nootman o.m. gescholden voor ‘bastaert Antwerps kint’. Daar hij volgens het Nieuw Nederl. Biografisch Wdb. te Amsterdam geboren werd in 1601, meenen wij uit deze woorden te mogen afleiden, dat P. Nootman waarschijnlijk de zoon van een uitgeweken Antwerpenaar was.
Het gedicht is een felle scheldpartij: Nootman heet er ‘los gheschroefden cop’, ‘plompen loghendichter’, ‘vergalden bot’, ‘stouten blaffer’, ‘snotvinck’ en dies meer.
Hij wordt er vergeleken bij een beest, waarin de ‘lastertong’ der slang, de valsche streken van den vos en de wreedheid van den wolf vereenigd zijn. Dat noemt de Thiensche advocaat wat ‘sammelen in Nootman's raepen!’. En al mocht Nootman ‘bersten’ van spijt, hij moet Ferdinand's heldendaden bij de Schenkeschans en in de Betuwe nog eens hooren roemen. De slagen die de Hollanders en de Franschen daar treffen zijn de straf voor hun ‘Turcx bedrijf’ in Brabant en vooral te Thienen. Dat alles is nog maar een begin. Prins Ferdinand zal zijn werk voortzetten, en overmoedig roept de Thiensche advocaat uit:
Nootman moet echter geen wreedheden en gruweldaden vreezen van Prins Ferdinand en zijn troepen. Hij is veel te genadig. Nootman en de Hollanders zouden beter doen zich aan hem te onderwerpen.
Niettegenstaande die uitnoodiging om Prins Ferdinand te erkennen, kan de Thiensche advocaat toch niet nalaten de heele geschiedenis van al de wreedheden en goddeloosheden te Thienen gepleegd met een overvloed van bijzonderheden nog eens op te halen, met de verzekering, dat alles onder ‘eedt verklaerd’ is.
Hij weerlegt Nootman's bewering, dat de schuld van dat alles aan Thienen zelf zou liggen,
Thienen had geen schuld, 't Was alles ‘voorslagen raet’, verzekert de dichter aan Nootman en de Hollanders:
Maar het tegenovergestelde gebeurde. Het verzet werd krachtiger dan ooit.
De vergelijking van Thienen's lot met dat van Maagdeburg wordt ook weerlegd; Maagdeburg stak zich zelf in brand.
Het gedicht geeft tot besluit den raad aan Nootman om in het vervolg de waarheid niet meer met logendichten te bestrijden, en spottend klinkt het eindvers:
Het tweede gedicht tegen P. Nootman verscheen op een los blaadje, zonder naam van drukker noch plaats, doch onderteekend met de naamletters A.N. De titel luidt als volgt: Den uylen Bril voor den laster-dichter
P. Nootmans. Goet om het quaet ghesicht te beteren, en wel te zien den Geus en Franschen Haes-op1. Gheprint den 18. Julij / Anno 1635.
Het is een heftige scheldpartij tegen Nootman zonder kenschetsende bijzonderheden.
IX. a) F. Muller maakt in zijn Beredeneerde Beschrijving van Nederlandsche Historieplaten (Deel I, nr 1754) gewag van een koperplaat ontworpen door P. Nootman, gegraveerd door W. van de Lande, en uitgegeven ‘in 's Graven-Haghe, by Ludolph Breeckeveld, Boeck-drucker, woonende op 't Speuy, 1636’. Onder deze plaat liet P. Nootman een gedicht drukken, door hem geschreven en voorzien van het volgende opschrift: Uniti Belgii Hieroglyphicum oft Vereenickt-Neder-landts Zinnebeeld / aff-beeldende de Hooge Roem-waerde bescherminge Godes, waer mede onse Nederlanden, voor vardere Tyrannische in-breuck onser Vyanden, door den Wijs-begaefden en Zeghen-rijcken Raed der Ed. Hoogh-moghende Heeren die Staten Generaal der Vereenighde Nederlanden, en door het kloek beleydt van syn Excell. Fred'rick Henrick Prince van Oragnien, Vaderlyck tot noch toe bewaert zyn gheweest2. Het gedicht dagteekent uit de periode die valt tusschen de inneming van de Schenckeschans door den Prins Kardinaal en haar herovering door Prins Frederik Hendrik.
De plaat stelt de Hollandsche tuin voor, verdedigd door Frederik Hendrik tegen den Prins Kardinaal Ferdinand. Het gedicht geeft de beschrijving en de gewenschte commentaren bij de grafische voorstelling.
Na in zeer gezwollen stijl de Godheid aangeroepen te hebben opdat zij ‘zijn penne’ zou ‘stuyren’ en ‘haer blye drupp'len’ zouden getuigen hoe zijn ‘hert van blijdschap op moet hupp'len’ om de aan Nederland verleende hemelsche bescherming, toont Nootman ons hoe Frederik Hendrik de Vereenigde Provinciën verdedigt; de Tweedracht en het Geweld onder de voeten treedt; in den tuin den ‘schoon Oraignen-Boom’ plant, daar de steden Wesel, 's Hertogenbosch en Maestricht heeft vrijgevochten en met

SPOTPRENT
bij Uniti Belgii Hieroglyphicum,
gravure ontworpen door P. Nootman, geëtst door W. Van de Lande.
de voorzichtigheid de slang bewaard. Hij stelt Frederik Hendrik voor als de leeuw, die zijn klauw slaat naar ‘d'oogh-mic