Na Thienen verwoest te hebben, overmeesterden de verbonden Fransche en Hollandsche legers Diest (15 Juni 1635) en Aerschot (17 Juni). Bij het klooster van Florival trokken zij over de Dijle en kampeerden te St-Achtenrode, Ottenborch en Waver. Op 21 Juni waren zij te Tervueren en op 24 rukten zij naar Leuven, op.
De Prins Kardinaal had den ouden, dapperen Anton Schetz, baron van Grobbendonck, die zich vroeger bij drie belegeringen van 's Hertogenbosch en in een menigte gevechten onderscheiden had, tot Gouverneur van Leuven aangesteld. Hem stonden ter zijde Grobbendonck's eigen zoon, Lanceloot Schetz, van Grobbendonck, Baron van Wesemael, en Jan Koenraad van Aubermont, Heer van Ribaucourt, beide met hun regimenten, die Maestricht en 's Hertogenbosch hadden belegerd. Luitnant Eynhoudt met zes honderd Duitsche soldaten van het regiment van Graaf Adolf van Embden en de jonge, maar strijdlustige Iersche troepen van Kolonel Thomas O'Preston volledigden de groep van Leuven's verdedigers.
De Prins Kardinaal zelf hield zich met zijn volk in de buurt van Vilvoorde, doch vermeed een beslissenden slag te leveren, daar hij sterke hulptroepen uit Duitschland verwachtte, waarmede hij dan meester zou zijn over het verloop van den veldtocht.
De Fransche en Hollandsche legerbenden. verschenen voor Leuven op Sint Jan-Baptista's feestdag (24 Juni). De Prins van Oranje liet door een wapenheraut de overgave der stad eischen. Grobbendonck weigerde cordaat en drukte er tevens spottend zijn verwondering over uit, dat Frederik Hendrik zich aanstelde alsof hij zijn verworven naam en faam voor Leuven wilde verliezen.
Toen ging de strijd met zijn afwisselende episoden aan den gang.
Komt het nu door den roes der overwinning, ofwel door de aanwezigheid onder de verdedigers van talrijke studenten der Leuvensche Hoogeschool, wij weten het niet, maar zeker is het, dat alles wat over dit beleg voor Leuven door onze landgenooten werd geschreven een onloochenbaar karakter heeft van opgeruimde, frisch-vroolijke bravoure, die den heelen strijd voorstelt veel meer als een opgewekte sportoéfening dan als een tragische gebeurtenis. Alles valt mee, de dapperste daden worden verricht alsof het een spel was, het goed humeur der belegerden verzwakt geen oogenblik, het is werkelijk de krijg in feeststemming!
De geest treft ons reeds in een populair anecdotisch verslag over dat wapenfeit, rijk aan sappig vertelde, teekenende bijzonderheden: het Waerachtigh verhael van de Belegeringhe van Loven gheschiedt door de Hollanders en Franchoysen in 't Iaer ons Heeren 1635, met andere notabele Dinghen van hen, t' samenghevoeght, voor ende naer uytgherecht, verschenen te Antwerpen bij Jacob Mesens, op de Lombaardeveste, in de Gulden Bybel, Anno 1635, den 3 Augusti1.
De burgers, de studenten en de geestelijkheid nemen met de soldaten deel aan de verdedigingswerken. Allen zijn in de weer met schop en houweel om halve-manen, schansen, borstweringen en wallen op te werpen of grachten te delven, waar het door Grobbendonck werd bevolen. Elkeen wilde op de gevaarlijkste plaats post vatten en de gouverneur moest zelf de troepen op de wallen verdeelen ‘op datter geenen twist tusschen de soldaten oprysen en sonde’. Ribaucourt stond met zijn mannen tusschen de Brusselsche en de Heversche poort; Preston bij de Mechelsche en de Wyngaardpoort; Eynhoudt bij de Aerschotsche en de Diestsche poort; Wesemael bij de Thiensche en de Percksche poort.
De Leuvensche burgerij had maar één vrees! De onervarenheid van de jonge lersche huurtroepen. Men vond het verkeerd, dat zij op de gevaarlijkste plaats, vlak tegenover den vijand werden opgesteld. De oudere Waalsche en Duitsche soldeniers zouden daar beter gestaan hebben. Preston, hun bevelhebber, was echter vast besloten op dien strijdpost te blijven: ‘Seer cloeckmoedigh roept (hij) syn volck altesamen / ende vermaentse seer vierighlycken / seggende dat dit was d'eerste ghelegentheyt om eer te behalen / datse noydt in belegerde steden en hadden geweest / datse ghesteld waren om't spits af te bijten ende den vijant te bespotten. Dat niet alleen hun eere /, maer d'eer van alle Iersschen / welcke natie sy representeerden / hier in gelegen was / indien sy hen cloeck ende vroom thoonden: dat alle catholijcken
in Ierlandt groote blijschap souden maecken indien zij hen mannelyck ende vromelyck droegen; ter contrarie groote droefheyt / indien zij't metter schanden maeckten: dat hij hem oorlof gaf den krijgh te verlaten / indien datter iemant was die sich oft door onervarentheyt oft door vreese verschoonde: datse altemael die wilden blyven hen souden voor oogen stellen oft de stadt te beschermen / oft te sterven. Hierroepense eenvoudighlijck / datse sich ghewilligh ten strijde begeven hadden / niet door luyheidt / maer om eer ende glorie te cavelen; datse geensins en wilden wijcken / maer hem gehoorsaem zijn tot de leste druppel bloets / noch dat den vyant de stadt niet becomen en soude ten zy over hun doode lichamen’.
De studenten vormden een groep van ongeveer 1200 man. Zij stonden onder drie ‘capiteynen’; de theologanten onder ‘mijn Heere ab Angelis, Bosschenaer, Doctoor inder Godtheyt’; de anderen onder ‘Vignacourt, Doctoor in beyde de Rechten’, en Kedinga, ‘onlangs in den Duytschen krijgh / hier meer als over twintigh jaren soldaet’. Hun opperbevelhebber was ‘den wijd-beroemden Heere Robles, Prost tot S. Peeters / Cancellier van d'Universiteyt / ende der privilegien Conservateur’.
De vurigheid tot den strijd was bij de studiosi al even groot als bij de jonge Ieren. ‘Twee nachten warense in de Halle; den eersten nacht wast redelycken wel / maer den tweeden nacht hebbense gheprotesteerd datse wilden de wapenen afleggen ten waer datmense aende vesten wederom stelden / seggende dat in sulcke becommernissen geenen tydt en was om te rusten / ende de studie d'Oorloghe niet en gedoogde / principalyck soo naer; zijn dan daer naer ghedurighlyck op de Burcht ende op de vesten gheweest’.
Op 27 Juni werd een hevige aanval van de Franschen gelukkig afgeslagen. De vijand verloor meer dan duizend man. ‘Van onse zijuder twee gebleven / twee gequetst / ende twee borgers gequetst’. ‘Die van d'Universiteyt ende de Magistraat hebben (bij die gelegenheid) de soldaten mildelyck getracteerd / ghelyck oock sommige particuliere’.
Dagelijks waren er schermutselingen op verschillende punten en steeds met voordeel voor de belegerden. De Universiteit en de Magistraat gaven zich intusschen veel moeite ‘om de soldaten te spysen ende te vermaken’. ‘Jassenius, Doctoor inder Godtheydt / met Doctoor Paridanus’, voor de Hoogeschool; de burgemeesters en de burgers Pulle, Loonbeeck, Borghgrave en anderen, ‘besorghden de soldaten dagelycks van kaes / bier / ende soldt’.
Als een van de bewogenste momenten in den strijd wordt ons de aanval geschilderd van Prins Frederik Hendrik tegen den Verloren Cost, een hoogen toren op de stadsvesten, waarop zich Grobbendonck bevond om al de ondernemingen van den vijand gade te slaan. De belegerden antwoordden
met een tegenaanval, voorzichtig en handig voorbereid. Ze trokken er dapper op los. ‘Tscheen dat de soldaten ten danse ginghen?’ schrijft het Waerachtigh Yerhael. ‘Als sy over de grachte gecropen waren / ende achter't coren lagen / liet Grobbendonck een blad wit papier vanden Yerloren-cost vallen / tot teecken dat sy souden aenvallen’. De troepen van den Prins van Oranje werden uit hun werken geworpen en verloren 416 man, ‘nae's vyants eygen belijdt’. Op den Verloren-cost werden twee kanonnen geplaatst ‘om de Franschkens die achter den bergh van Calvarien laghen wacker te maecken. Met d'eerste scheuten treffen sy soo / dat de Franchoysen al dansende uyt hun barracken sprongen en ons volck seer deden lacchen’.
Aan buskruit en munitie hadden de belegerden geen overvloed, alhoewel ‘datmen met 2 meulens poeder maeckte / der welcker minste op eenen dagh 40 pondt groff / ende 20 pondt fijn poeder maeckte’. Dit was den Prins Kardinaal niet onbekend en hij zond een troep van omtrent 400 ruiters met kruit en lonten naar Leuven om de stad bij te staan. Ze kwamen langs omwegen, gedurende den nacht, tot aan de Tiensche poort. ‘Grobbendonck wel ondersoekende ofter geen verraet en schuylde / laetse in / ende steeckt vier uyt in teeken van goet succes. Den Wachtmeester draeght de tijdinge aen de Wyngaert poorte / dat ons secours aen de Thiensche poorte was. Hier beghinnen d'Ierschen in hun tael te roepen ende eenpaerlyck te schieten / segghende: Naer Parijs, naer Parijs; A moy, a moy. De studenten ende borgers op de vesten / van deze blijdschap verwondert; d'oorsake verstaende lossen oock al seffens. Bespotten de Francen / ende roepen: Naer Parys, naer Parys’.
Al die dagen bleef dezelfde opgewekte, blij-overmoedige geest onder de belegerden. Het Waerachtig Verhael geeft daar nog meer staaltjes van, die wij kortheidshalve niet alle meedeelen kunnen. Nog enkel het relaas van een krijgslist, die verteld wordt alsof het een spel gold, ‘T'is ghebeurt’, schrijft het Verhael, ‘dat eenen Hoogh-Duytsch sy selven verborghde achter eenen thuyn oft eenigh rijs van boomen / van waer hy ghemackelijck cost sieu wat den vyandt uytrechtede. Desen hadden sijn medegesellen ghedurigh in d'ooge. Als desen dan sagh dat den vyandt de wapen neder-legghende de schup inde handt nam / gaf syn medeghesellen een teecken. Terstont zijn sy stillekens aenghecomen ende hebben naer den vyandt gheschoten / ende zijn te rugghe ghetrocken eer den vyandt de wapen inde handt hadde. Alsser weder wat rust was / ende den vyandt aen het werck was / heeft den selver weder teecken ghedaen / ende sijn ghesellen zijn weder stillekens aenghecomen ende hebben nae den vyandt gheschoten / als voor / ende zijn weder te rugghe getrocken. Dit heeft geduert tot dat den Commissaris siende veel van sijne ghequetst ende doodt / het werck ghestaeckt heeft’.
Het Waerachtigh Verhael weet ook te vertellen over den nood aan drinkbaar water, waaronder de belegeraars leden. ‘Sy moesten allen hunnen dranck uyt de Dijle tappen, want daer was seer groot gebreck van bier door den heelen leger / soo datse moesten eenen pot water uyt de Dijle twee stuyvers / jae vier stuyvers doorgaens betalen. Hier uyt quam dat sy geen broodt / oft seer slecht gebacken van gestampt coren etende ende water spaerlijck genoech drinckende / met veele sieckten ende cranckheden overvallen wierden’. Dit is dan ook de voornaamste reden geworden van den aftocht der Hollanders en Franschen.
Toen de Ieren in den nacht van 4 Juli een uitval tegen de Franschen deden, vonden zij al hun schanswerken en batterijen ledig en van geschut ontbloot. Bij het aanbreken van den dag zag men van op den Verloren-cost-toren, dat de vijand het beleg had opgebroken en vertrokken was. Er was groote blijdschap bij soldaten, studenten en burgers; ‘de kinders ende dochters’ loopen met hoopen naar de verlaten werken. Na den middag kwamen er vier honderd Croaten te Leuven aan, de voorpost van de uit Duitschland aan den Prins Kardinaal gezonden hulptroepen. Onmiddellijk joegen ze met groot geweld'de vluchtenden op en brachten hun groote schade toe
De ontzetting der stad Leuven werd aan de wonderbare tusschenkomst van de Heilige Maagd toeschreven en om dit heuglijk feit te herdenken ging er van 1635 af elk jaar op den eersten dag van Juli een processie van dankzegging uit1.
I. Onder de menigvuldige studenten, die op de wallen de bedreigde stad verdedigden, waren stellig er enkele vaardige rijmers, die in satirische verzen hun vijandelijk gevoel tegen de Hollanders en de Franschen uitten. Naast de gedichten, waaruit onloochenbaar de geest van de rederijkers der Leuvensche
kamer, de Roose, spreekt, komen er enkele voor, die, te oordeelen naar hun geleerde toespelingen op wetenschap en academieleven, blijkbaar het werk zijn van een of andere studiosus. Zeker is dit het geval voor het grappige gedicht Den Ombyt van Loven ofte van de Belegeringe der Stadt van Loven / door den Hollantschen ende Franschen legher. (Den vierden druck / verbetert.), zonder naam van plaats of drukker1.
Het vroolijk hekelende karakter van dit stuk wordt al dadelijk opgegeven in een rijmpje op het titelblad, onder een houtsneetje, dat een ontbijtend gezelschap voorstelt:
De titel van het gedicht, eigenlijk een ‘spel’, een tweespraak, ‘tusschen eenen Pedaen ende eenen Boer’, is een zinspeling op een gezegde van den vijand, dat herinnerd wordt in de strophen 62-65. Na de verwoesting van Thienen zegden de Fransche en Hollandsche veldheeren, dat zij Leuven gingen nemen als ontbijt, Brussel als noenmaal en Antwerpen als avondeten. Bij de mislukking van hun onderneming lag de bespotting voor de hand, dat ze zonder den waard hadden gerekend.
Wij meenen, dat met ‘pedaen’ hier het Fransche ‘pédant’ bedoeld wordt, doch met de etymologische beteekenis. Immers pedante is in het Italiaansch een schertsende vervorming van pedagogo = pedagoog. Naar den Italiaanschen oorsprong van het woord sprak men eerst uit pedante, later pedant en pedan2. Uitgaande van deze laatste uitspraak kan de Nederlandsche vorm ‘pedaen’ ontstaan zijn, zooals plebaan uit pleban ontstond.
De pedaan vraagt aan den boer welke laam de Prins van Oranje geniet. Het is een koeiendief en een brandstichter, luidt het antwoord, met een toespeling op de brandschatting die de Prins in Brabant hield in het jaar 16223. De Franschman overtreft hem echter nog in de schelmerij. Daarop volgt dan een opsomming van al de wanbedrijven door de verbonden troepen te Thienen gepleegd. Vergeleken bij het geweld van dit ‘Antichrist gheslachte’, is het zoogezegde Spaansche juk wel licht.
Dan vraagt de pedaan hoe het komt, dat de Prins Kardinaal Thienen ontvluchtte. Zijn Waalsche troepen hadden nochtans gezworen, ‘le teste de Dieu!’, dat ze den Franschman gingen verjagen.
De boer geeft dan een antwoord, dat men eerder uit den mond van een studax zou verwachten. Wijken is niet altijd vluchten, verzekert hij; toen hij nog ‘onder meesters was’ en nog ‘pedanizeerde’1, las hij in het Epitome van Florus (Lucius Annaesus julius) hoe Fabius (Cunctator) in de Punische oorlogen Hannibal op die manier overwon.
Frederik Hendrik hoopte den Prins Kardinaal met twee legers te overrompelen, maar dit leerkind2 was hem te vlug, het werkte piano tot de verwachte hulptroepen uit Duitschland kwamen.
Nu dringt de boer aan opdat de pedaan op zijn beurt wat vertellen zou over het beleg voor Leuven en over Frederik Hendrik, den ‘Brandtstichter’, die reeds dertien jaren vroeger in Brabant het eerste ‘proefstuk gaf van zijn helsche scharen’ en het nog bonter aan boord legde dan Marten van Rossum in 1542. Deze herinnering aan de strooptochten van den Gelderschen kapitein en zijn belegering van de oude Academiestad wordt in de strijdgedichten van 1635 dikwijls herhaald.
De pedaan spot eerst met de geringe schade, die de ‘vijftien honderd’ kanonschoten op de stad Leuven gelost, hebben aangericht: wat puyn ‘van een quaeyen muer’, twee dooden, een boerin getroffen terwijl zij ‘haer koey gingh weyden’, wat schrik bij de Minnebroers ‘door't rammelen van leyen’ en wat gaten in de muren, waardoor nu de katers gemakkelijk zouden buiten geraken om op muizejachfc te gaan!
De boer wil meer inlichtingen. Daarop beschrijft de pedaan de plaatsing der troepen tusschen de verschillende poorten, de aanstelling der bevelhebbers en veel andere zaken meer, die heelemaal overeenkomen met het relaas uit het Waerachtigh Verhael. Hij teekent Grobbendock ‘oudt vaillant personage’, die Ribaucourt, Emden, Wesemael en Preston aanstelt. Vooral over de lersche jonge troepen weidt hij uit. Zij roepen voortdurend ‘Gretge, gretge’, wat in hun taal ‘Couragie’ wil zeggen, en volgen onverschrokken hun dapperen aanvoerder.
Verder gaat het over de medewerking van de burgers, studenten en religieuzen en over het goed humeur van al die troepen.
De Franschen lagen te Terbank, te Diependaal en in het kasteel van Heverlee. De Hollanders kampeerden te Herent, waar ‘d'amonitie lagh’ en waar Oranje keukens liet maken, kelders om er Delftsch bier in te leggen en ovens ‘om zoete-koeck te backen!’ Een ironische toespeling op het gebrek aan drank en brood bij zijn troepen.
Waarom ging de vijand naar Leuven als hij het op Brussel had gemunt? vraagt de boer.
De pedaan beweert dat er drie redenen waren. De vijand kwam een beevaart doen in het land ‘te St-Huybrecht in Ter-Vueren’1, maar hij verbrandde er de kerk, stal de sieraden op het kasteel en ‘schendde de Capucintkens’2. Zoo Père Joseph (Francois Leclere du Tremblay), de vurige Kapucijner, de zoogenaamde Eminence grise, vriend en raadsman van Richelieu, dit te weten kwam, merkt de pedaan ironisch op, zou hij er zich wel over ergeren en den Franschen maarschalk Châtillon bij den koning zeker van rooverij beschuldigen. De tweede reden waarom Leuven voor Brussel aangevallen werd, was dat het ontbijt toch voor het noenmaal moest genomen worden!
De derde reden was, dat Prins Frederik Hendrik, en de Fransche Maarschalken Châtillon en De Brezé te Leuven wilden promoveeren ea den ‘Meesters rock’ verkrijgen. Dit laatste is een spotthema, dat in deze strijdliteratuur rondom het beleg voor Leuven herhaaldelijk gebruikt wordt en waarop wij dadelijk nog meer nadruk zullen leggen.
Leuven wil van de drie promoveerlustigen niet hooren. De pedaan ontwikkelt de redenen met allerlei geestige zetten, die alleen te begrijpen zijn voor wie goed op de hoogte is van de universitaire zeden en gewoonten dier dagen.
Wij vinden er b.v. een zinspeling op het curriculum dat de student in godgeleerdheid moest doorloopen om eindelijk baccalaureus formatus te worden. Na drie jaren studie in den Bijbel en in Thomas van Aquino's
Summa werd de student eerst baccalaureus cursor. Na een tweede studieperiode en het afleveren van een handschriftelijk werk over een boek uit het Oude of het Nieuwe Testament kon hij baccalaureus sententiarius worden. Na het doorwerken van de twee eerste boeken der sententioe kon de hoogste graad van baccalaureus formatus verworven worden1.
De spottende zinspeling op cursor (looper) en de vlucht van de belegerende Hollanders en Franschen lag voor de hand en komt dan ook herhaaldelijk in onze gedichten voor.
De vijanden gingen op den loop omdat Piccolomini aankwam met zijn Croaten, die als echte duivels bekend stonden. Oranje vond het toen maar beter de ‘pedeanen’ te verlaten. Hij ging terug naar sijn ‘Pedagooghen’, naar de ‘Staten’. De studie te Leuven viel hen veel te zuur.
De Franschen wisten niet goed waarheen. Het gedicht hekelt dan nog zeer scherp hun verbond met de Calvinisten en hun kerkroof.
In Frankrijk zelf was er misnoegen onder de partij der streng-vrome katholieken tegen Richelien om wille van zijn bondgenootschap met de Hollandsche ketters. A fortiori was de ontstemming der Zuid-Nederlandsche katholieken over deze overeenkomst nog veel heftiger.
Père Joseph en Richelieu worden hierbij rechtstreeks aangevallen:
De pedaan vraagt dan aan de doctoren uit de Sorbonne of zij den kerkroof en den ‘infamen opzet’ van de Fransche troepen ‘absolveeren’.
En hier laat de pedaan de gelegenheid niet voorbij gaan om eraan te herinneren, dat verscheidene Fransche officieren, en Maarschalk de Châtillon in de eerste plaats, hugenoten waren. Deze toespeling komt in de pamfletten-literatuur over den veldtocht van 1635 herhaaldelijk voor1.
De pedaan verwijt de Franschen vooral, dat ze de katholieke Academie-stad aan de Calvinisten wilden overleveren:
Door hun verraderlijk optreden willen de Franschen het gezag der Spanjaards in de Nederlanden breken, maar daartegen komt de pedaan ook beslist op.
De pedaan voorziet de tegenwerping, dat hij niet bevoegd is om over die zaken te oordeelen. Men zal hem doen opmerken, dat zulks ‘materi van staet’ is en dat hij op dat gebied niet beslagen is. ‘Goed’, wederlegt dan de pedaan, ‘ik weet dat er een staatsphilosophie is, maar weet niets van staatstheologie’. En van zijn geleerdheid geeft hij blijk, door er aan te herinneren, dat er in de geschiedenis van het Christendom een voorbeeld te vinden is van
een godgeleerde die ook zoo verkeerd redeneerde, namelijk Willem van Occam. In den Franciskanerstrijd over de armoede schold hij Paus Johannes voor ketter, en steunde Keizer Lodewijk van Beieren hartstochtelijk in zijn strijd tegen het Pausdom.
En laat de Sorbonne ook al zulke onaanneembare leerstellingen ‘opgetimmerd’ hebben.
Deze laatste uitval is zeker gericht tegen de opvattingen van Richelieu betreffende de betrekkingen tusschen de katholieke kerk en den Staat. Hij was uit politiek opportunisme zeer toegevend tegenover de gereformeerden en wilde de hand hebben in de heele leiding der katholiek kerk in Frankrijk. Het parlement, de Sorbonne en de universiteit hielden zich, onder zijn ingeving, bezig met geestelijke zaken, zoodanig dat de bisschoppen herhaaldelijk met die lichamen in oneenigheid geraakten. Zijn staatsopvattingen volgden dezelfde lijn als de katholieke kerk, maar hij wilde de kerk in dienst van zijn staatkundige opvattingen hebben.
Het hoofdthema van Den Ombijt, namelijk de voorstelling van het beleg voor Leuven als een ontbijt, volgens het woord aan den Prins van Oranje toegeschreven, komt evenals de meeste andere thema's verscheidene malen terug in de politieke strijdgedichten, die wij hier behandelen1. In een gedicht, waarop wij later nog zullen terug komen, nl. Het Geusengheschreeuw behelsende hoe de Gommaristen / Mennisten ende Arminianen hebben gheroepen over die groote Victorie2, gebruikt de auteur deze zinspeling met echt volkschen humor. De Prins van Oranje, heet het daar, was eens op reis gegaan ‘om de Maeght van Loven te kussen’.
II. Twee Fransche liederen op de Leuvensche belegering zijn hoogst waarschijnlijk ook uit een studentenpen gevloeid. Ze komen beiden voor op een los blad, zonder naam van drukker noch jaartal, doch waarschijnlijk uitgegeven in 1635 te Brussel bij Ant. Mercans1.
Het eerste is getiteld: Chanson nouvelle sur l'assiegement, de Louvain, attenté par le Prince d'Orange & le Marquis de Chastillon Marechal de France, & le Marquis de. Hus, le 24 de Juin 1635 & delaissée le 4 de Juillet. Sur le chant, La Royne d' Angleterre, &c. ou bien, Diogenes le sage.
Dit lied vertelt de voornaamste gebeurtenissen van den heelen veldtocht in chronologische orde met bijzonderen nadruk op de gruweldaden te Thienen gepleegd. Dan komt het omstandig verhaal van het beleg voor Leuven: De voorbereiding aan beide kanten; het oprichten van de vijandelijke batterijen ‘dedans la criquerie’, het boschje met kriekenboomen waar Markies de Brézé, bij de hoeve van Diepenbeek, zijn tenten had opgeslagen, en bij de
kapel op den Calvarieberg; de aanstelling van Grobbendonck's medebevelhebbers en de inlijving van de burgers en de studenten. De uitvoerige behandeling van dit laatste punt verraadt den student-dichter.
Allen waren opgewekt, vroolijk, strijdlustig.
De nuttelooze beschieting van den Verloren-cost-toren (la tour peine perdue) en de verschillende poorten wordt bespot Met nadruk wordt gewag gemaakt van den dood van den Markies de Varennes, die sneuvelde bij een stormloop tegen de Leuvensche buitenwerken.
Dan komt de vreugde na den aftocht der vijanden. Het was ‘faut' d'amonition’, beweerden de Franschen toen ze moesten heengaan. Het was ‘faute de courage’ antwoordt de dichter. De eer van de overwinning wordt aan God en aan zijn Heilige Moeder gebracht en er wordt een luid vivat geroepen voor den Koning van Spanje, den Keizer van Duitschland, den Prins Kardinaal en al wie deel nam aan de verdediging van de stad, die haar ‘maagdelijkheid’ bewaarde.
Het tweede lied heet ook Chanson nouvelle, composée durant l'assiegement de la fameuse & florissante Université de Louvain. Sur le chant, Ie m'en va demain. Het zet in met een strophe rechtstreeks tot de studenten gericht.
Het zijn eerst de Franschen, die het moeten ontgelden omdat zij, gewoon in hun land wijn te drinken, hier het water uit de Dijle zoo duur moesten betalen.
Dan is het de beurt aan den Prins van Oranje, die zoo overmoedig had beweerd dat Leuven maar een ontbijt voor hem zou zijn.
Het spotthema van de mislukte Leuvensche promotie van den prins wordt hier ook even opgedischt met de bekende zinspeling op den te doorloopen cyclus der baccalaureus-studiën.
Zooals blijkt, zijn het in zekere maat dezelfde gedachten en grappige zetten als in Den Ombyt, die hier opnieuw gegeven worden.
De Châtillon, ‘tres bon Calviniste’, meende te Leuven te herhalen wat hij te Thienen had uitgericht, maar dit mislukte. Daar hij de menschen niet treffen kon, schoot hij, om zich te wreken, op Verloren-cost en op de muren der stad.
Het gedicht eindigt met een hartige verwensching der Franschen.
III. Wij hebben reeds herhaaldelijk het niet onaardige motief aangetroffen van de Leuvensche Academie, die de Hollanders en de Franschen weigert onder haar studenten op te nemen. Het komt episodisch voor in den Geus
Franschen Haes-op voor Loven, in Den Ombyt, in een van de Fransche Chansons Nouvelles, die wij alle reeds bespraken, in Den Hollantschen Willecom, en nog elders.
In een ander gedicht wordt dit thema de hoofdgedachte en zeer uitvoerig behandeld. Hier zijn het niet de Franschen en de Hollanders in het algemeen, die afgewezen worden, maar wel bepaald de Prins van Oranje, Frederik Hendrik.
Het stuk werd uitgegeven op een los blad zonder naam van plaats of drukker. Het rijmpje:
dat wij aantroffen op den Geus-Franschen Haes-op voor Loven, bevindt zich hier ook, zoodat wij daaruit meenen te mogen besluiten, dat beide gedichten wellicht van denzelfden dichter zijn, die het eerste stuk onderteekende met de spreuk: ‘Vryt noyt boven uwen staet’1.
Dit gedicht bevindt zich volledig in de ‘Bijlagen’.
In Den Hollantschen Willecom2 wordt dit thema nogmaals van een anderen kant bekeken.
Dit gedicht wordt voorgesteld als ‘waerachtichlijck uytleggende hoe aengenaem het aen de Hoochmoedighe Heeren Staten generael is, dat hunnen Prince van Oraignen, niet langer in Brabant gebleven en is’. Het stuk werd uitgegeven zonder naam van plaats of van drukker, doch met de volgende grappige pseudo-aanduidingen:
In dit gedicht wordt het voorgesteld alsof men zich in Holland ongerust maakte omdat Frederik Hendrik naar Leuven en niet naar Leiden op de Academie onderzoeken ging of hij Iustum Bellum voerde.
Te Leuven heeft men hem andere leerstellingen voorgehouden, die voor hem nadeeliger waren. En hoe kostelijk is die reis geweest! Het is maar goed, dat de prins terug gekeerd is. Hij had zich ook voorgenomen den Prins Kardinaal ‘Hollants te leeren!’ maar, jawel, de discipel heeft den meester op de vlucht gedreven!
Den Hollantschen Willecom ontwikkelt verder andere thema's. De Hollandsche Staten stellen hem voor zich niet langer meer aan de nederlaag en de schande bloot te stellen.
Niettegenstaande alles heeten de Staten hunnen prins welkom, maar ze begrijpen niet waarom hij ‘die lichte Fransen’ heeft mede gebracht. Zij dachten het ergste van dat volkje.
Herhaaldelijk maken de Brabantsche strijdgedichten uit de jaren 1635 en -36 zinspelingen op de moeilijkheden, die de Staten ondervonden om het noodige geld voor Frederik-Hendrik's veldtochten van de Hollandsche en Zeeuwsche bevolking te verkrijgen. Den Hollantschen Willecom drukt deze gedachte tamelijk geestig uit:
Er wordt nog voort gespot over den aftocht en over de totale mislukking van de plannen waarbij Holland en Frankrijk overeen gekomen waren om de Spaansche Nederlanden onder elkander te verdeelen.
Den Hollantschen Willecom is onderteekend met de spreuk: 't Was anders gheschickt.
In het Fransche pamflet: La Leçon que la noblesse Françoise et Hollandaise a appris a l'academie de Louvain, zonder drukkersnaam en met fictieve plaatsopgave ‘Imprimé à Paris M. DC. XXXV’1, wordt het thema van het studeeren te Leuven weer op een andere manier gebruikt en vooral op de Franschen toegepast. In dit vlugschrift komt o.a. een ironisch rekwest voor van de Academische Overheid te Leuven aan den Kardinaal de Richelieu2. Daarin wordt gezegd dat de Universiteit aan den Kardinaal zijn ‘escoliers’ (bedoeld wordt natuurlijk: zijn soldaten) terugzendt ‘un peu plus scavants qu'ils n'estoient, quand ils vindrent à Louvain’. Over hun geweldenarijen wordt geestig gezegd: ‘A la vérité ils furent un peu desbauchés à leur arrivée en ce pays: mais nous scavons que c'est l'ordinaire des escoliers de faire quelques friponneries, avant que de commencer les estudes’. De Kardinaal moet er zich niet over verwonderen zoo ze nog slechter terugkeeren. Velen hebben hier hun geld, hun kleederen, enkelen zelfs hun ooren gelaten3. Al die ongelukken werden veroorzaakt door het slecht gezelschap van ‘ellendige ketters’, waarin zij verkeerden. De professors van de hooge-school hebben sommige van die liederlijke studenten zoo hardhandig aangepakt, dat de anderen op de vlucht zijn gegaan. Het ergste wat Richelieu's studenten op hun geweten hebben is de heiligschennende verwoesting van Thienen, waar zij zich als suppoosten van den duivel hebben gedragen. Bij zoo iets heeft men moeite om te gelooven, dat de Kardinaal in Frankrijk beschouwd wordt als ‘une ferme colomne de l'église’.
Het pamflet begint met een brief van een ‘Fransch schrijvend maar Spaansch voelend hart’ A Son Altesse Royale van Frankrijk, waarin ook vóór alles geklaagd wordt over het anti-katholieke gedrag van de Fransche soldaten. De schrijver klaagt bitter over het beleg voor Leuven, dat hij noemt: ‘la levée de bouclier qu'ils out faict devant une ville, qui est le sejour seulement des Religions et des Muses’. Daarvoor werden ze reeds gestraft: ‘Ils ont faict experience, que la Minerve qui y réside, est une Pallas dans les occasions’. En dan gaat het tegen Richelieu, ‘ce cardinal, qui n'a rien de grand en soy que la dignité qu'il porte & qu'il ne merite pas’. Hij toont zich een vijand van de Kerk. ‘Ses principaux ministres sont
hérétiques’. God moge Frankrijk en zijn koning van dien ‘Anti-Cardinal’ bevrijden.
Het derde stuk in de hier besproken brochure is het gedicht La Leçon de Louvain aux François.
De Franschen komen af om te Leuven te studeeren.
Dit is een vergissing, antwoordt Leuven.
De studenten zijn nu op de vlucht en zijn erg boos op Richelieu, die ze zoo in den steek laat en alleen met woorden zal paaien.
Daarop volgt dan opnieuw een tamelijk barbaarsche, spottende zinspeling op de afgesneden ooren der Fransche soldaten, en een geestiger uitweiding over den gallischen haan.
En tot slot komt de volgende woordenspeling:
IV. De rederijkers uit de aloude kamer der Roose waren over de gebeurtenissen van het jaar 1635 en over het ontzet van hun stad al even geestriftig als de studenten der Alma mater. Meer dan een gedicht in de politieke literatuur, dat ons bezig-houdt, is uit die kamer gekomen en draagt er dan ook al de traditioneele kenmerken van.
Wij vestigen eerst de aandacht op het Rym-dicht ter eeren die Maeght Loven, verschenen ‘tot Brussel, by Anthoni Mercans, woonende in 't Straat ken vander Elst teghen over het Begghynhoff’ en opgedragen aan al de beschermers van de Leuvensche Kamer2. Ziehier de opdracht: ‘Toe-ghe-eyghent den eerbaren Marcus de Man, prince; den edelen Heer Borghe-meester Myn Heer Francoys de S. Victor, over-hooft-man; Peeter van Rivieren, rentmeester, onder-hooftman; Guillam Librechts, Coninck-staebel; midtsgaders alle Over-Dekens / Dekens / Facteur / ende alle Lieff-hebbers der oude ende edele Reden-rycke Kaemer de Roose binnen Loven. V.L.O.D.I.C.R.
Het Rym-dicht bevat vijf strophen, die elk met een letter van den naam Maria beginnen. ‘Nu magh men wel met eeren Loven loven’ luidt het eerste vers. Lovens vroomheid spant de kroon en daarom geniet Loven de goddelijke bescherming! Reeds in 1541 bleek zulks toen Marten van Rossem met zijn Geldersche benden de stad kwam belegeren en door de burgers en de studenten verjaagd werd3.
In 1583, toen Antwerpen, Brussel en Thienen in handen van de Calvinisten waren, was Leuven op het punt ook in hun handen te vallen. ‘Den vyand was doen boven die mueren / met 't Vendel in de handt’, maar hij werd door de Leuvenaars neergeveld. Dan wordt nog herinnerd aan de moeilijkheden met Prins Maunts en eindelijk aan het beleg in 1635.
Op het Rym-dicht volgt in dezelfde brochure Een nieuw Liedeken ter eeren die Maeght Loven. Of de wyse : Verhenght u Gheesten metter spoel. Het is een allegorische verwikkeling naar rederijkerstrant. God, Maria en Minerva beschermen de Leuvensche maagd tegen Mars, die haar met geweld zoekt te nemen. Hij liet zich helpen door Vulcanus, die appels zond van veertig poud, doch geene als Venus er naar Paris wierp. Leuven wierp dergelijke veertig-ponders terug, zoodat Geus-neef en de Franschman ‘desolaet’ moesten aftrekken.
Een derde gedicht bevindt zich nog in hetzelfde boekje: Een ander ter eeren den Prince Cardinael Ferdinandus Infante van Hispaingien / nopende het onrechtveerdigh Oorlogh des Koninghs van Franckrijck Ludovicus den XIII met zijn Hughenotten / ende den Prince van Oraignien met die Hollantsche Calvinisten teghen het Neder-Landt.
De dichter richt zich tot de ‘edel artisten en die de konste mint’ om ter eeren van den Prins Kardinaal Ferdinand te zingen.
De overeenkomst tusschen Frankrijk en Holland wordt herinnerd, de samenkomst der beide legers, hun eerste succes, de verwoesting van Thienen en al de ergerlijke daden daar bedreven. Eindelijk wordt nog een strophe aan het beleg en den aftocht van Leuven gewijd.
De herkomst uit de kamer der Roose wordt aangegeven in twee versjes, die op het gedicht volgen:
Onder het gedicht staat de kenspreuk: ‘Copt al naer t'best Rooselier’.
Het belangrijkste stuk dat uit de Leuvensche rederijkerskamer kwam is Die Triumph van den Lovenschen Willecom. Waertoe gheroepen worden allen die omliggende steden / om al-hier Godt te loven ende te dancken van het weldaet
d'welck hy ons bethoont heeft door het aanbidden van de H. Maeghet Maria. (Ghedruckt in't Jaer ons Heeren / M.DC.XXXV)1.
Leuven roept welkom tot al degenen, die, na het beleg, gedichten hebben geschreven tot haar eer. Zij biedt aan elk ‘van Rooskens, soet van geur een blom’. Dit vers met de woorden Rooskens, geur en blom in Romeinsche letters, waar al het overige in gothische letters gedrukt is, wijst er natuurlijk op, dat het lofgedicht uit de kamer der Roose afkomstig is.
De dichters worden uitgenoodigd om zich thans te verheugen in de overwinning en hulde te brengen aan den Prius-Kardinaal, Grobbendonck, Ribaucourt, Wesemael, Preston, Eynhout, den Rector, den Meyer, Mijnheer Van Winghe en den burgemeester.
Daarna worden de dichters één voor één vermeld niet bij name maar door opgave van den titel van het gedicht, dat zij op de gebeurtenissen van 1635-36 schreven. Zoo krijgen wij hier een rijk repertorium van politieke gelegenheidsgedichten niet alleen over het beleg voor Leuven, maar ook over de verwoesting van Thienen, de inneming van de Schencke-schans en alles wat bij dien veldtocht voor onze dichters bezingenswaardig was. Deze aanzienlijke lijst toont ons, dat in de 17e eeuw, zooals in de 16e, de rederijkers nog voor een groot deel de tolken waren van de openbare meening. Het lijdt immers geen twijfel, dat de meeste dichters, van wie hier een gedicht wordt opgegeven, tot de een of andere kamer van rhetorica behooren, evengoed als de Roselier, die hen hier verwelkomt, of Jakinet, dien wij reeds te Thienen onder de zangers aantroffen.
Wij nemen de passage uit Die Triumph, waarin al die gedichten aangestipt worden, volledig over en voegen er in voetnota de bibliografische identificatie van de ons bekende stukken bij. Dit kunnen wij gelukkig voor de meesten doen.
Met deze lange lijst is de reeks nog niet uitgeput. Dit weet de dichter van Die Triumph heel goed en hij richt zich dan tot al degenen, die hij mocht vergeten hebben om ze gezamentlijk uit te noodigen. Hij wendt zich nog in bijzonder tot twee groepen : de dichters die in het Fransch schreven en de dichters van Thienen.
Wat de eersten betreft, wilde de Leuvensche dichter ze eerst uit ‘korzeligheid’ niet uitnoodigen, maar hij weet niet of die dichters Franschen zijn of Walen, die even goed Fransch spreken, en besluit dan maar om ze toch te vragen. Wij hebben hier reeds de twee Chansons nouvelles besproken, waarschijnlijk door Fransch-sprekende Leuvensche studenten gedicht. Daarbuiten kennen wij nog Balet des Franchois et Hollandois en Brabant6, de Complainte du Prince d'Orange sur sa retraite de Louvain7 en de Relation triste et veritable des cruautéz et tyrannies que les deux armees Hollandoise & Françoise ont faict dans la Ville de Tillemont8.
Met buitengewone genegenheid is de Leuvensche rederijker bezield voor de dichters van Thienen. Hij prijst vooral de Afbeeldinghe van den covrtoisen. Franschen ende ghenadighen Broedersaert9, het Droevigh Beklagh van, een Thiensche Maeght10 en het Swaermoedigh Considereeren11.
Al die poëten zullen samen kermis vieren met de Rhetorica van Leuven en jubelen ter eere van den Prins Kardinaal, den redder van Brabant.
V. Sommige hekeldichten op Frederik Hendrik en zijn Leuveusche misrekening werden in den populairen toon der klaagzangen opgevat.
Dit is b.v. het geval met het stuk : Den Prins van Orangie beclaecht hem dat hij soo qualyck in Brabant heeft geleeft, ende dat hy soo schandelyck de stadt van Loven heeft moeten verlaten1. (Op een los blaadje met de kenspreuk: Wie soul dencken? en de melding: Cum Licentia.)
Frederik Hendrik heeft geen rust meer sedert hij voor Leuven moest vluchten. ‘O drayende Fortuyn!’ Wie had ooit gedacht dat zijn macht zoo ineens kon gebroken worden? Hij betreurt zijn branden en plunderen, zijn verbond met de Franschen. Hij herinnert zijn overwinningen op Maastricht, Den Bosch, Roermond en Venlo, en voelt nu bitter de nederlaag. Hij wenschte al terug te zijn te 's Gravenhage en bevrijd van de Franschen. De Staten zullen hem niet gaarne met die gasten terug zien. Het spijt hem vooral, dat hij juist die beschaming moest ondervinden voor ‘'t vest der papen’, voor ‘d'oustercke Papen Stadt’ zooals hij Leuven noemt. Hij herinnert aan de Brabantsche bespottingen, aan het Haesop Brandstichter tegen hem gericht, en aan het ‘Treeter en Honsvot’ tegen zijn Franschen ‘Compagnion’. Nu weet hij geen raad meer.
In denzelfden trant is het Fransche gedicht: Complainte du Prince d'Orange sur sa retraite de Louvain: Sur la voix dit Pastorale2, Zijn bondgenootschap met de Franschen wordt hem bitter verweten.
Hebben zij niet reeds den degen tegen hem getrokken, onder voorwendsel, dat hij niet vlug genoeg voortgang maakte en dat hun machtig leger aldus als rook verzwond?
Dan komt de spot tegen den prins zelf naar aanleiding van zijn vlucht. Hij leerde te Leuven van ‘Maistre Grobbendonck’ ‘le droit Canon’. Die van Thienen zullen van hem blijven spreken als van een ‘grand boutefeu’ en een ‘grand violeur’. God heeft hem gestraft.
Het is maar best, dat de prins aan niemand vertelle waar hij van daan komt, hij kan er geen eer bij halen.
Het best ware nog, dat hij zich aan den Prins Kardinaal kwam onderwerpen.