terug  begin  verderprepost
[p. 343]

XVI. Schimpdichten tegen Prins Frederik Hendrik

De persoonlijkheid van Frederik Hendrik wordt in een aantal Brabantsche gedichten fel gehekeld. In dit hoofdstuk bespreken wij enkele van de eigenaardigste dier persoonlijke aanvallen. Ze werden geschreven naar verschillende aanleiding, doch zijn in hoofdzaak bedoeld als schimpzangen tegen den prins.

1. Den Hollantschen ende Franschen Bitebau. Twee Leghers in Brabant onlancx met grauw verschenen Maer door de Spaensche son sijn sy subit ver dwenen. - Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus. - De berghen zijn bevrucht: wat komter voor den dagh (Het crogghen is ghedaen) een muysken met ghelagh. - Als ghy van berghen leest denckt dat die Franschen zijn, Soo sult ghy verre sien sonder belet te sijn1.

Dit gedicht, zonder opgave van plaats of drukkersnaam verschenen, is een doorloopende bespotting van de Hollandsche en Fransche legers en hun veldheeren, die als ‘bietebouws’ voorgesteld worden.

Het begint met een uitvoerige paraphrase van het bekende ‘parturiunt montes’, dat als motto wordt aangegeven. Daarop volgt de toepassing van deze fabel op den Prins van Oranje, die, met Brabant en Vlaanderen, allerlei eergierige plannen voorhad, doch bij de poging tot verwezenlijken deerlijk mislukte.

 
Hy had in fantasy verscheyden sinnebelden /
 
Daer Brabant 't schoon juweel lagh lieflyck in en spelden /
 
Ende die vlaemsche Bruydt van menigh helt bemint /
 
Ghelyck die in eenen droom veel goudt en schatten vint.
[p. 344]



illustratie
PORTRET VAN FREDERIK HENDRIK,
gravure van P. Pontius naar A. van Dyck


[p. 345]

De prins had echter den moed niet om alleen uit veroveren te gaan, hij vroeg de hulp van de Franschen.

 
Maer want hy niet en dorst alleen haer spreken aen /
 
Heeft met hem aengheleyt den Franschen courtisaen.
 
Op dat den appel schoon / soo 't scheynt / in zijnen naem
 
Met Lelien verciert sou wesen aenghenaem.

Maar die listen baatten niet, men kende de valsche beloften van Geus en Franschman. De ‘ghetrouwe patriotten’ weigerden op de voorstellen der vijanden in te gaan.

 
Ergo t' moest zyn ghewelt / men gingh de trommel slaen
 
Om met een grimmend' hert Neerlant verwinnen gaen
 
G'lijck Xerxes gaepte wyt om Grieclant in te slocken /
 
Maer eer hy 't had' gheproeft verslickte aen de broeken.

Overal bood men wederstand. Na de verwoesting van Thienen dacht de Prins van Oranje, dat alles hem en den Franschman ging in den schoot vallen.

 
Loven dry daghen werck / Brussel quam int passeren /
 
Mechelen sprack van selfs / k' en salt niet refuseren /
 
Daer naer Dermonde volght / en t' heele Landt van Waes /
 
Hulst is in onse handt / Antwerpen sonder aes.
 
Artois en Henegou sal winnen dien Helt
 
Die liever Venus saegh als Mars vechten in 't velt ..

De Prins van Oranje dacht zich reeds hertog van Brabant.

 
Schenckt, Prins, van Brussels gout u vrouw een carakant
 
Want sy gheworden is Ducesse van Brabant.

Maar de prins had gerekend zonder den waard. Hij verkwistte nutteloos veel duizenden. Zijn heele plan viel in duigen. Zoo hij na dit alles door de Staten bekeven wordt, geeft de dichter hem als raad:

 
Nemt de Philosophi van Loven t' uwer baten.

En zoo de Staten niet tevreden zijn, moet hij zijn troost maar bij de Synode zoeken.

De Franschen kunnen ook onverrichter zake naar huis keeren en aan Père Joseph vertellen wat ze uitrichtten.

 
Gaet henen Chastillon met uwen Franschen hoop /
 
Gaet weer naer Vranckryck t' spel is daer beter koop:
 
Want ghy toch dansen wilt / herstelt u snaren nu
 
By Joseph ongerust / oproerigh Richelieu.
[p. 346]



illustratie
HOUTSNEDE
bij Nieuws, T'Geusen Rou-Mael en Fransche-Courante (Verklaring op blz. 347).


[p. 347]

II. Voor de bekende uitdrukking ‘een blauwe scheen oploopen’, die in een door ons vroeger besproken gedicht op den mislukten veldtocht van 1635-36 en Frederik Hendrik wordt toegepast1, bestaat er een zuiver Brabantsch-Kempische weerga, nl. ‘met de kous op den kop thuis komen’ d.w.z. ergens met schade en schande van afkomen2. Deze laatste volksche zegswijze wordt herhaaldelijk gebruikt in de Brabantsche strijdliteratuur.

Ook plastisch werd ze voorgesteld in een houtsnede, verschenen in Nieuws, T'Geusen Rou-Mael en Fransche-Courante (Ghedruckt, Tot Delft / by den Courantier / 1635)3. Deze plaatsopgave is hier natuurlijk weer fictief en wij staan voor een zuiver Brabantsch pamflet. De tweede titel toont het duidelijk genoeg aan: Nacht-gevlucht des Frans en Geusen leghers, voor de stadt Leuven, door 't vroom, wijs, en voorzichtigh beleyt, (naest Godt) van den Prince Ferdinand, goedertieren, Natuerlijcken Heere der Nederlanden, den derden Julij, 1635.

De houtsnede, waarvan wij hierbij een reproductie geven, stelt allerlei feiten en personuages voor in verband met den veldtocht van 1635. Op den achtergrond onder de letter A zien wij de stad Thienen in brand. B stelt een rots voor met een uil er boven op. In de grot bevinden zich Hendrik van Bergh en sommige andere Zuid-Nederlandsche edellieden, die tegen den koning van Spanje samenzwoeren en op de hulp van de Hollanders en de Franschen rekenden, om hun plannen te verwezenlijken. Ziende wat al verwoestingen en geweldenarijen de vijandelijke legers aanrichtten, komen deze sameuzweerders tot de overtuiging dat ‘zij de uilen zijn’4. Bij D zien

[p. 348]

wij de Franschen op de vlucht. Zij voeren een courante uit, zegt de pamflettist. E toont ous de soldaten van den koning en den keizer, die de verbondenen verdrijven. F stelt den Prins van Oranje voor met hazenpooten en een brandstichters-fakkel, die hij tegen de aarde uitdooft. Hij knaagt aan ‘het hammeken is op’ en draagt de kous op het hoofd. De personnages, aangeduid door G, stellen de Hollandsche Staten voor, die ook de kous op den kop hebben. H is de vaas waarin de roeden ‘in de pis liggen’ en l is het ‘heerlyck Geusen-Bancquet’ bestaande uit lijken en doodshoofden.

De tekst van het Geusen-Rou-Mael is ingedeeld, naar het voorbeeld van een maaltijd, in een ‘pottagie’, verscheidene gerechten en schotels en het ‘banquet’ of nagerecht.

De ‘pottagie’ is het substantieëlste deel van het gedicht. Het ‘Nassousche bloet’, dat allerwegen brand stichtte en geweldenarijen bedreef, moest wijken voor Leuven. Zijn furie was ten einde. De prins stond niet meer voor begijntjes, maar voor mannen.

Het gedicht begint de opsomming van Frederik Hendrik's daden tegen Zuid-Nederland van af 1631 toen hij Vlaanderen en Brugge bedreigde. Het maakt gewag van zijn mislukte pogingen tegen Breda in 1634, en weidt dan uit over Thienen.

 
Theatre van verdriet / van wreetheyt uytghelesen;
 
Daer dien kroese kop / syn grimheyt moest uytspouwen...

Met de felste kleuren schildert de dichter hier de Thiensche gruwelen. Dat was de ondergang van Frederik Hendrik.

Hij had de Brabanders eerst gepoogd op zijn hand te krijgen met allerlei mooie beloften. Vooral over godsdienstverdraagzaamheid en vrijheid gaf hij hoog op.

 
Hy quam met soet ghevley / en vol fenijnsche streken /
 
Der wetten vryheyt eerst / aenbieden niet te breken;
 
Maintenu van 't gheloof / en yder sijnen staet /
 
Sprack hy / behouden sult / daerom my binnen laet.
 
'k Wil u niet tot slaven maecken / maer komt als vrinden /
 
Onthalen Frans met my / sult onser sachtmoet vinden /
 
Sult niemant vreemts subject / of kennen Heert' wesen /
 
Als 's lants-gheboren-volck / 't puyckjen uytghelesen.

Maar men deed opmerken, dat in Holland alle godsdiensten vrij waren, zelf de Joodsche, en alleen de katholieke verguisd werd, beschimpt en verstooten. Dit gaf Leuven ‘quaet bedencken’. De stad dacht ook aan de valsche beloften van Willem van Nassau aan de katholieken. Hij hield maar woord tot hij meester was en verdrukte nadien de katholieken zonder genade Leuven herinnerde zich dat, en had ook geen vertrouwen in het beroep, dat

[p. 349]

het eventuëel zou kunnen doen op de franschen, indien het, overheerd, eenmaal hetzelfde lot onderging. Men gaat geen hulp zoeken bij den duivel.

 
Derhalven Leuven versien / met Theologanten /
 
Met Juristen veel / en treffelijcke quanten /
 
Daer van 't Geus ghebroet / niet een heeft desghelijcken /
 
Die riepen stadigh aen / d' Geus men moeste wijcken.
 
Den Geus men moeste wycken / veel meer / ooc als de pest /
 
Indien men van 't vuyl gheboeft / niet wilden sijn vernest.
 
Datmen nerghens / vondt by d'schrift of Justiniaen /
 
Dat een ondersaet / syn Heer / Coninck / mocht verraen.

Leuven zou strijden voor ‘Godts ghebode leer’ en voor Prince Ferdinand, den eigen Heer, uit Keizer Karel's zaad geboren. Dat was het bescheid dat Leuven bracht. Toen Nassau dat vernam wierp hij de schapenvacht af en liet den wolf zien. Zijn opzet tegen Leuven mislukte. Er kwam hongersnood onder zijn troepen, zij vluchtten en de dichter van het Geusen-Rou-Mael beweert, dat er duizenden van die vluchtenden ‘met gelt’ vereerd werden om brood te koopen.

 
Siet Geus / ons Prins Ferdinand verwacht hier van den loon /
 
Doet syn vijant goet om te verwen 's Heniels vroon.

De vijand ‘spillebeende’ weg! Zoo Nassau ooit versterkte steden innam, beweert ons spotdicht, dan was het met behulp van schelmen zooals ‘Berghs-man den verrader’, zinspeling op Hendrik van Bergh, die in 1632 Venloo verliet, met slechts een zeer zwak garnizoen voorzien, toen Frederik Hendrik naderde, wat voor gevolg had dat de stad capituleerde. Dezen verrader worden dan de felste straffen toegewenscht, waaronder naar 's dichters opvatting de ergste zou zijn, dat ‘geen mensch, maar een Beer hem moest verslinden’. Dit verklaart op de houtsnede, juist onder C (Hendrik van Bergh), de aanwezigheid van een beer, die er echter niet zeer bloeddorstig uitziet!

De verrader, die ‘tot guide heeft ghedient’ moet nu maar samen met den vijand vluchten naar een oord waar ‘gras noch loover was / noch son och mane schynt’, en waar hij ‘stadigh branden’ zal. Bij de duivelen zal hij zijn waar hij past.

De verzen, die verder als gerechten en schotels van het Rouwmael opgedischt worden, zijn anders niet dan bespottingen van de Hollanders en de Franschen. Er ligt weinig oorspronkelijks in. Wij stippen er alleen een passage uit aan, waarin fel aangedrongen wordt op steun en getrouwheid voor Prins Ferdinand.

[p. 350]
 
Hoort nu vrienden al-te-samen / niemant uytghesondert
 
U Heere sijt ghetrou / eer den blixem op u dondert /
 
Eer hy u versmachten doet / met u kindren in d'wieghe /
 
Eer hy u tot polver brant / als aertsche stof doet vervlieghen.
 
Isser Priester / die wel bidt / ghedurich sal hy roepen /
 
Heere sterckt toch onsen Prins en wilt sijn hert verkloecken /
 
Isser Schrijver / die wel schrijft / laet hem sijn penne voeren /
 
Tot des Konincx loff / en eer / noch stellen 't lant in roeren.
 
Isser Ruyter in het velt / of een vromen Campioen /
 
Die neme Forten / Sterckten in / de wercken syn 't die 't doen.
 
Isser eenigh machtigh Heer / verheven inde state /
 
Dat hy hem ghtrouwlijck quijt / sijn Koninck / Prins te bate.
 
Isser Borgher / slecht en recht / die sal sijn lichaem gheven /
 
Eer syn Heer verdreven wert / en hy met kind'ren sneve,
 
Isser Landtman wel versien / met granen in sijn schuren /
 
Hy sal kijcken tweemael om / en sien / wie syn / syn buren.

En daarop volgt dan weer een heftige uitval tegen de verraders:

 
Isser erghens in een hoeck / verrader die noch schuyle /
 
Die kome voor den dagh / en sie / syn Meester pruylen.
 
En laet sijn boosheyt varen / wil hy niet / k'sal hem klampen /
 
Met noch verraders meer / kop op kop / en doen stampen
 
In een Mortier verplettert / en gheven dan te drincken /
 
Haren vader / van 't verraet / wiens beend'ren rotten / stincken /
 
Ten sy / sijnen mag'ren bast ghesterckt ghevult wert heden /
 
Met Clock-spijs / sop / en dranck / van veel verraders leden.

De getrouwen drinken op den Prins Kardinaal.

 
Doch ghy / die trouwlijck van herten dobbelt sijt ghemoet /
 
Drinckt nu / met santeen om / misschien watter dat toe doet.
 
Drinckt dat u Godt seghent / en roept hart / met luyder stemmen /
 
Vive le Prince Ferdinand: ist uyt? wilt eens hemmen.
 
Maer yder een / die gae nae huys / kijcken nae sijn kelder /
 
Want dit Rou-mael is t' slecht / daer is bier / noch wyntjen helder.

III. De spottende volksuitdrukking ‘de kous op het hoofd’ is het hooldthema geworden van een gedicht, waarin den draak gestoken wordt met al de misrekeningen en onvervulde beloften van Frederik Hendrik1.

De volledige titel luidt als volgt: Die Lustighe Kaus opt Hooft. Behelsende d'oprechte verclaeringhe van alle groote schatten ende Buyten, vercregen byden Prince van Oraingnien met zijne Fransche Hollanders, inde vermeende overinge van het Lant van Brabant, Vlaenderen, &c., met fictieve plaats- en

[p. 351]

drukkersnaam: Gedruckt inden Hage, by Peeter Janssen Broers, gesworen Drucker vande Hoochmogende Heeren Staeten 1635.

Prins Frederik Hendrik komt na den veldtocht uit Brabant terug, beladen met zwaren buit. Dan gaat men onderzoeken wat er in die vracht al te vinden is, doch het eenige van beteekenis, dat de prins meebracht, blijkt ‘de kous op het hoofde’ te zijn, d.w.z. de schande van de nederlaag. Men vindt er boerenkleederen en -gerief van de plunderingen; kolen uit den brand, dien de prins stichtte; ‘doosen vol van vrouwen cracht’, zinspeling op de schoffeering der vrouwen te Thienen; briefkens voor het hospitaal ten behoeve der zieke soldaten; ledige tonnen, die meer rieken naar water dan naar bier; Fransche vloeken, démentis en défis; schoenen ‘met hazensmeer bestreken’;

 
Fransche Haentens licht van veer,
 
Die comen troetlen t'Hollandts hoen.
 
Soo sy te Brussel wilden doen,
 
Hoe wel die Haentens van Parys
 
Niet en zijn van seer grooten prys,
 
Sy zijn heel mager uyt geteert,
 
S'en zijn het Hoendercot niet weert.
 
Moer hoe slecht dat het oeck al is,
 
't Is al waer van de Fransche mis.

Daar komt nog allerlei uit de zakken met buit, als b.v. Fransche pokken, schurft, lazerij en andere ziekten en ‘het vel van de beest, die noyt gevangen is geweest’.

En daarvoor hadden de Staten zooveel millioenen gegeven! Er moest toch nog iets anders meegebracht worden uit Brabant.

 
Laet my eens u Instructie lesen,
 
Laet my den Inventaris sien,
 
Dat sal het claerder ons bedien;
 
Off laet ons lesen het Tractaet
 
Tusschen den Frans en onsen Staet.
 
Daer stont al wat meer uytgedruckt,
 
My dunct ten is niet al geluckt,
 
My dunct dat daer al dapper feylt
 
Van datter wesen moest gedeylt.
 
Wel Loven, Brussel, Brugge en Gent,
 
Die en zijn hier noch niet bekent,
 
Antwerpen, Mechelen en Bredae,
 
Dat is hier oock al even nae.
 
Dermonden en 't Landt van Waes,
 
Dat is hier oock niet, lieven Baes.
 
Thienen, en Aerschot, Landen, Dist
 
Eens ingenomen, weer gemist,
 
Den wissel die wy gaven daer
[p. 352]



illustratie
TITELBLAD
van het Geusen-gheschreeuw.


[p. 353]
 
Die valt voorseecker wat te swaer.
 
Voor Loven gequist al ons cruyt,
 
En allen ons provisien uyt,
 
Met al die rest vant Magasyn,
 
Dat moet hier by memorie sijn.
 
Hier wordt nogal wat meer gemist
 
Daer men hier seer had op gebist.
 
Den Berch en al den grooten schat
 
Die was te Brussel in de Stadt,
 
Die schoon Iuweelen van het Hoff,
 
En al die meubels groot en groff,
 
En het rantsoen van elcke stadt
 
Op soo veel tonnen gouts geschat
 
Dat moet hier oock zijn by geleyt,
 
Gelijcmen aen ons had geseyt
 
Ick vind' hier uyt getrocken staen
 
Van dese dingen niet ontfaen.
 
Dus als ickt al well overleg,
 
My dunckt dat ick met reden seg,
 
Dat 't beste dat gy hebt gerooft
 
Dat is die schoone Kaus opt hooft.

IV. Het Geusen-gheschreeuw behelsende hoe de Gommaristen / Mennisten ende Arminianen hebben gheroepen over die groote Victorie / ende hoe sy hebben ghemuyckt over die kleyn glorie dit jaer in Brabant verkreghen. Hoe sy onder hun ghediscoureert hebben over den staet van 't Landt. (Den tweeden druck verbetert ende vermeerdert). Onderaan het titelblad, zonder opgave van plaats of drukker, het volgend rijmpje:

 
‘Dit is ghedicht, buyten Maestricht
 
En oock ghedruckt, als 't was misluckt
 
Den Holla-franschen aenslagh, op den selven dagh
 
Men maghse wel koopen, met groote hoopen
 
Om te draeghen, naer 's Graven-haeghen’1).

Het gedicht is opgevat als een samenspraak tusschen een Gommarist, een Mennist en een Arminiaan.

Ze gaan gedrieën al wandelende wat praten, en zien de menschen de Nieuwe Tydingh koopen met nieuws over den Brabantschen tocht van den prins. Zoo vernemen ze dat Thienen in brand staat, besluiten dadelijk dat de prins overwinnaar is en nu in Brabant al zal gaan verkrijgen wat hij wenscht.

 
Dit is noch al maar t' beghin
 
Den Prins die treckt het Lant voort in
[p. 354]

De Gommarist roept al victorieus:

 
Vive de Geus is nu het woort
 
Nu moeten al de Papen voort
 
Maer het is nu al ghedaen
 
Niemant en kan hem wederstaen
 
Thienen ghebrant tot stoff en assen
 
Sal Brabant doen op den haspel passen

De Arminiaan doet wel opmerken, dat het wreedaardig optreden van den prins niet zoo voordeelig is, want in de plaats van vrees en gedweeheid, verwekt het geweld soms heftig en volhardend verzet. De Gommarist is echter van een tegenovergesteld oordeel.

Beiden meenen dat Holland en Zeeland nu voor goed bevrijd zijn en in vrede zullen leven. Het geld, dat ze aan den prins voorschoten, zal in Brabant goede rente geven.

Zij lezen verder in de courant en vernemen dat Diest zich heeft overgegeven.

 
Compeer zijn dit gheen lieve dinghen
 
Moghen wy nu gheen Liekens singhen
 
Singhen lustigh met luyder stemmen
 
Oraignen sal noch Spaignen temmen
 
Oraignen is een groyenden boom
 
Hy wast wel over den Demerstroom
 
Hy sal ons deylen van zijn vruchten
 
Sy bly laet Brabant en Vlaenderen suchten
 
Die sullen op-brenghen veel meer ghelt
 
Als wy den Prins nu hebben ghelelt.

Zij lezen ook van de overgave van Aerschot. Nu gaat de prins naar Leuven. De Arminiaan kan zijn blijdschap niet bedwingen bij de gedachte dat de prins daar Hertog van Brabant zal worden.

 
Och Maet hoe wordt myn hert vervult
 
Den Prins wort daer als Hertogh gehult
 
Hy is nu Hertogh van Brabant
 
Dat is recht spijs naer zijnen tant
 
Hy sal sijn Hoff te Brussel hauwen
 
Hy sal den Spaignaert wel benauwen
 
Den Prins is Hertogh lieve Maet
 
En is dit gheenen groeten staet.

De prins krijgt bovendien nog Vlaanderen, de Franschman Artois en Henegouwen. Zoo is de regeling, die in de maand Maart tusschen de bond-genooten werd besproken en die nu zoo goed als in orde is. In breede trekken komt deze voorstelling overeen met het ontwerp van verdrag dat op ingeving

[p. 355]

van den handigen Franschen ambassadeur in den Haag, Hercule de Charnacé, was aangenomen. Daarbij zouden de in de Zuidelijke Nederlanden te veroveren gewesten verdeeld worden. Luxemburg, Fransch-Vlaanderen, Artois, Namen, Henegouwen, Doornik en Kamerijk zouden aan Frankrijk gegeven worden; de overige gewesten Vlaanderen, Brabant en Limburg zouden aan Holland komen. Deze regeling werd behouden in het offensief en defensief verdrag, dat op 8 Februari 1635 tusschen de Staten en Richelieu gesloten werd.

Dit vooruitzicht verheugt de drie vrienden zeer, en de Gommarist stelt voor daarop een glas te ledigen.

 
Laet ons een Pintjen drincken gaen
 
Laet ons hier op een weynigh letten
 
Laet ons hier op een pyp-je setten
 
Laet ons eens drincken op dees cans
 
De ghesontheyt van den Geus en Frans.

Gommarist en Arminiaan rekenen vooral op de vele ‘officien’ die nu in Brabant, Vlaanderen en Artois te krijgen of te koopen zullen zijn. De Gommarist heeft een zoon, die daar naar een betrekking uitziet.

 
T'is nu den tijdt fortunen te maecken
 
Mijn Zeun sal aen d'office gheraecken.

De Mennist zoekt die vreugde wat te bedwingen. De kans kan nog keeren. De Arminiaan en de Gommarist zijn integendeel zeker van de overwinning. Als zij lezen, dat het leger van den prins voor Leuven is gekomen, juicht de Gommarist het uit:

 
Loven is d'ombyt
 
Smorgens te Loven /te Brussel ten noene
 
Te Mechelen heeft hy niet te doene
 
De Stadt hoeft niet belegert te wese
 
Sy geeft heur selfs van groote vreese
 
Och Maet nu isser gheen twyffel aen
 
Het Liecken is uyt t' is nu ghedaen

Langzamerhand komt het drietal echter tot de kennis van den volledigen aftocht.

Mennist:
 
Ons volck schrijft noch uyt Ter-vueren
 
De Brusselaers zijn nu ons ghebueren
 
Den Prins die heeft hem vast vermeten
 
S. Jans dagh snoenens te Brussel t'eten.
Gommarist:
 
Siet ghy wel Maet / ick had het gheseyt
 
Dat Loven niet meer was / als d'ombyt.
[p. 356]
Arminiaen:
 
Wy hebben Ter-Vueren t'is deel van 't hof
 
Maeckt nu Lieckens / en singht hem lof
 
Die ons soo lustigh heeft verlost
 
Die nu te Brussel heeft den kost
 
Die nu te Brussel zijn hof op rydt
 
Dat hy ghewonnen heeft met den stryt
Gommarist:
 
Wy willen prysen dat edel bloet
 
Wy willen prysen zijn kloeck ghemoet
 
Wy legghen nu al ons twyfel neder
 
Den prins keert Hertog van Brabant weder.
Mennist:
 
Maet sullen wy een Hertogh inhaelen
 
Soo en moghen wy daer aen niet faelen
 
Wy moeten hem voor den eersten keer
 
Inhaelen / ontfanghen met groote eer
 
En maecken Arcken triumphant
 
Schrijven daer op van allen kant
 
Den Graef wirt prins en nu Hertogh.
Gommarist:
 
Dat u eerst behaeght / t'is eeren genoech
 
Laet ons dit siugen laet ons dat schrijven
 
Den prins moet Hertogh van Brabant blijven
Arminiaen:
 
Och Maet comt hier noch beter nieumaer
 
Wy bersten van achter dat is klaer.
Mennist:
 
Maer wat staet ghinder noch beneven?
Arminiaen:
 
Maet dat heeft Papist geschreven
 
Hy schrijft ons Leger is noch voor Loven
 
Dat en sal ick immers niet ghelooven.
Gommarist:
 
T'is een leughen dat is ghewis
 
Ick wed den prins te Brussel is
 
Te Brussel magh hy wat zijn ghebleven
 
Te Brussel zijn veel Officien te gheven.
 
Hy moet veranderen al die raeden
 
Hy en heeft het op Loven niet gheladen.
Arminiaen:
 
Wat sou hy te Loven soo langh doen
 
Ghister hielt hy te Brussel zijn noen
 
Ons Courante brenght het mede
 
Hy is te Brussel in de stede
 
K'set dobbel teghen enckel te gheven
 
Want t' is ons uyt Ter vueren gheschreven
Mennist:
 
Tervueren en is niet verre van daer.
Gommarist:
 
Ghelooft die tyding / die is waer
Arminiaen:
 
Hier is noch al naerder tydingh
[p. 357]
Gommarist:
 
Ick hoop t'sal zijn tot ons verblijdingh.
Arminiaen:
 
Van Brussel wordt veradverteert
 
Dat ons een Legher te rugh keert
 
Om weer te trecken naer Aerschot
Gommarist:
 
Maet looff-je dat soo siet-je sot
 
Wie magh uytstroyen dese cluyten
 
Dat zijn Papen oft zijn guyten
 
Die benyden 's Princen deught
 
Oft benyden onse vreught
 
Die benyden ons verblyden
 
Stelt die nieumaer toch ter zyden.
Mennist:
 
Diest en Aerschot, Loven daer by
 
Allen die Steden die hebben wy
 
Wie duyvel son ons Prins nu deeren
 
Wie sou ons Prins te rugh doen keeren
 
Men hoort toch van den Spaignaert niet
 
Hy vreest dat hy ons Legher siet.
Arminiaen:
 
Die tyding spreckt van Duytsch secours
Gommarist:
 
Die dat schreef die was jalours
 
Het is een narre oft t' is een geck
 
Ick acht die tydingh niet een dreck.
Mennist:
 
Maet laet ons een poos-jen swijghen
 
Wy sullen naerder tijdingh krijghen
 
Den courier sal ons gherieven
 
Hy brenght expresse Princen-brieven
 
Die mellen den Duytsch gearriveert
 
T' is tijdt den prins te rugghe keert.
Gommarist:
 
Maet ghenomen het waer nu soo
 
Beyde ons Leghers en zijn niet bloo
 
Ons prins is noch al meester in 't velt
 
Hy salse thoonen zijn ghewelt
 
Hy hoeft maer eens den Frans te waegen
 
Om die moffen in zee te jaeghen.
Arminiaen:
 
Ons prins en sal voor hun niet wijcken
 
Hy sal hun onder ooghen kijcken
 
Want gy magh: hy slaetse in route
 
Die niet ontloopt betaelt de boete /
 
Sulckx is de spraeck / t' ghemeyen advys
 
Want ons prins wyckt /hy is een lys.
Mennist:
 
Siet d'een Post compt op d'ander
 
Sy accorderen al op malkander
 
Wat willen wy roepen wat willen wy keken
[p. 358]
 
Sy segghen ons volck op moest breken
 
Sy braken op sy moesten wycken.
Arminiaen:
 
Soo mogen wy naer huys gaen stryken
 
Quade tijdingh is altijt waer
 
Wy hebben te vroeg gepocht myn Vaer.
Gommarist:
 
Och die tijdingh is te quaet
 
Siet hoe t' volck tuyswaert gaet
 
'T volck verliest nu heel den moet
 
'T is teecken de tijdingh is niet goet.
Arminiaen:
 
Is dat soo waer: ick hoop noch neen
 
Soo sinckt ons moet heel in den teen
 
Soo sinckt den moet heel in den schoen
 
Compeer wat sal u Zeun nu doen.

En nu komen de klachten los. De prins zal dan maar hertog geweest zijn in den geest, zooals de Pfalsgraaf eens koning was. Daarvoor was het niet, dat er zooveel geld werd uitgegeven.

Met een hertog zonder goed zijn zij niet gediend. De Gommarist zegt spottend, dat Brabant den intrest van al dat geld zal betalen, maar dat zij hem zelf zullen moeten halen. De Arminiaan is wanhopig over al dat verlies.

 
Den prins sal ons niet meer uytstrycken
 
Al sou hy Brabant noyt bekijcken
 
Wy hebben ons eyghen goet verset
 
Wy hebben ons eyghen winst verlet
 
Wy en hebben geen gelt noch goet gespaert
 
Maer siet Maet waer ons geldeken vaert
 
Ons inwoonders hebben 't al ghegeven
 
Seer luttel behouden om te leven
 
Sy hebben met heur sweet vergheert
 
Dat t' seffens in Brabant is verteert
 
Men acht niet hoe zy 't moeten haelen
 
Men seght: ick wil / men moet betalen
 
Soo haest als 't gheldeken is ghetelt
 
Soo treckt den Prins maer eens te velt
 
Hy comt haest weer / hy verovert niet
 
T' ghelt blijft achter / ghelyck ghy siet
 
Men doet gheen rekeningh / noch bewijs
 
T' blijft al aen d'oorlog / maect m'ons wijs.
Arminiaen:
 
Wy ondersaeten wy moetent al lijden
 
Wat de Staten verrotsen / verrijden
 
Is ons ghelt op / den Prins comt weer
 
Morghen predicktmen / gheeft al meer /
 
Ghy weet dit is zijn oude deunt-ie
[p. 359]
 
Hy sal wel sorghen voor zijn seunt-je
 
Maer sou hy wagen oft sou hy springen
 
Hy moet dat deunt-ie nu niet singhen.

Het is bekend, dat de prins dikwijls enkel met groote moeite de noodige gelden voor het onderhoud van zijn troepen kon verkrijgen. Holland gaf gewoonlijk het gemakkelijkst en verkreeg met behulp van de West-Indische Compagnie de gewenschte leeniugen en voorschotten. De overige provinciën waren steeds moeilijker tot geldsteun te bewegen.

Dat moet ophouden. De prins vraagt maar altijd geld, maar hij geeft niets in de plaats. En nu krijgen de Hollanders de Franschen nog te herbergen op den koop toe!

 
Ghy siet men brenghtse ons op den hals
 
Sy en konnen geen duyts / en wy geen wals
 
Wy en sullen malkanderen niet verstaen
 
Dees dinghen sullen my op 't herte slaen
 
Want comen sy hier / ons Vrouwen staen aen
 
Wy en mogen niet eens ten huyse uytgaen
 
Oft wy sullen zijn in groote pijn
 
Van vreese sy by ons Vroukens zijn

De drie vrienden zien het zeer donker in. De Fransche troepen zullen veel kosten van onderzoek en als zij niet meer betaald worden zullen zij ‘muyteneren’. De Spanjaard komt oprukken naar Holland en zal zich daar wel over het gebeurde te Thienen wreken. De felle Croaten zullen de Hollanders met dezelfde maat willen meten.

Nu komen de praters ertoe om Prins Maurits verre boven Prins Frederik Hendrik te verheffen. Hij was meer bezorgd om het welzijn der gemeente en trok niet zoo licht op avonturen uit. Wie is het dan toch, die den prins aldus beïnvloedt en hem aangeraden heeft Leuven aan te vallen? De Gommarist beschuldigt beslist een van de voornaamste militaire medewerkers van Frederik Hendrik, den ruiteraanvoerder Stakenbroek, het plan voor de belegering van Leuven opgevat te hebben. Dat zou Stakenbroek den prins alleen ingegeven hebben om het recht op de ‘thienden’ van Schyndel te krijgen. Ook de aanvoerders Morgan en Brederode waren erbij toen de prins zich zoo ‘fataal verslickte’.

De prins heeft zich vooral onderscheiden in het loopen. Hij zou met een haas kunnen wedijveren. Hij had zijn ‘mael’ wel bij zich, maar ze was ledig, hij had het geld in Brabant gelaten om bij het loopen niet gehinderd te worden. Hij en zijn soldaten liepen ook zoo vlug omdat hun maag niet overladen was. De Arminiaan fantazeert voort op het thema van het zware geld:

[p. 360]
 
Doen wy hem telde soo schoone gelde
 
Om dat hy sou trecken over t' Schelde
 
Doen had men t' gelt met groote hoopen
 
Doen costmen met eenen loop niet loopen
 
Te Brugge, te Gendt oft oock op 't Sas
 
Om dat onsen Prins dus gheladen was
 
Men rusten daerom langh by Maestricht
 
Tot dat de borse wat was ghelicht
 
T'is al ghelijck ghy hebt ghehoort
 
Sy en costen met allen dat gelt niet voort
 
T' gelt dat ons Prins doen noch behiel
 
Dat op den wegh noch lastigh viel
 
Moest hy daer naer ghelijck ick segghe
 
By Loven voor een ombyt aff-legghe
 
Om dan licht te loopen naer Dermonde
 
Men misten den wegh men liep te Ruermode.

De prins wil niet geweten hebben wat hij te Leuven heeft uitgericht. De Arminiaan vertelt het dan nog eens in een geestige, volksche taal, die zeker fel in den smaak der toenmalige Brabanders viel. Wij hebben deze passage medegedeeld in ons hoofdstuk over Leuven.

 

V. Van den Geusen Requiem zijn ons twee verschillende uitgaven bekend. De eerste komt voor samen met Die Neus-wijsche Nijptangh / Van Cattus ende Gallus twee dieren versaemt / Hollantschen ende Fransoischen Legher genaemt1; zonder naam van plaats noch uitgever. In de tweede komt de Geusen Requiem alleen voor, met de fictieve plaatsopgave: Ghedruckt voor Loven, onder den blauwen Hemel, in den Haes-op, 16352. Te oordeelen naar den druk lijkt deze laatste uitgave afkomstig uit de drukkerij van H. Velpius te Brussel.

Waarom is de prins uit Leuven terug gekeerd? vraagt het gedicht. Heeft hij er zoo gauw Latijn aangeleerd? Smaakt het Leuvensch bier hem wellicht niet? Of hinderde hem het geluid van het orgelspel? Hiermede wordt natuurlijk het kanonnenvuur bedoeld. René van Renesse, Graaf van Warfusée, die, zooals we reeds zagen, een van de voornaamste leiders was van de tegen Spanje misnoegde Zuid-Nederlandsche edelen, was in 1622 naar den Bosch gegaan en had daar pogingen aangewend bij den prins om hem te bewegen gezamenlijk met Frankrijk een inval in de Zuidelijke Nederlanden te doen. Hij had den prins den toestand in het Zuiden voorgesteld als zeer gunstig voor een dergelijke onderneming. Bij de uitvoering van dit plan liep alles mis. ‘Die orghel gaf soo grof gheluyt’ voor Leuven, dat de prins ‘zijn

[p. 361]

schuyt van kant’ moest steken. Het ontbijt te Leuven beviel niet. Den ‘Tienschen kees’ die ‘tusschen die tanden stack’, kon niet weggespoeld worden omdat het ‘Lovens bier ontbrack’! Grobbendonck hield de ‘Lovensche kan by d'oir’! De prins moest vertrekken.

 
't Was tyt voor u om gaen
 
Als de Duytsche Helden quamen aen
 
Met hunne maleflessche en kromme messen
 
Wat docht u van die tael / sy spraken al van fressen

Dan ging de prins naar Diest ‘laveren’, maar daar heeft het zeer vermaarde bier zijn ‘maeghe beswaert’!

De toestand der Hollandsche kas is bedenkelijk. Er zit niets meer in den Oost-Indischen spaarpot. Waar is er nu nog crediet te vinden? Men zal wat nieuws moeten zoeken. Een belasting op de neuzen en de ooren zou niet veel opbrengen.

 
Want daer zijnder veel in Brabant bleven
 
Door die Boeren zijnde ghedesespereert...

Niettegenstaande de gruweldaden te Thienen bedreven, heelt de Prins Kardinaal veel gewonde en zieke Hollandsche en Frausche soldaten te Brussel in het hospitaal doen verzorgen.

 
Siecken en ghequetsten in quantiteit
 
Sijn uyt compassie naer brussel gheleyt
 
Den goeden Prince Infante Cardinael
 
Heeft hun verleent het Hospitael
 
Wilt dit u herten noch niet bekeeren
 
En dien Prins met loff vereeren...

De dichter herinnert verder aan de oude prophetie, die voorspelde dat Oostenrijk eens de wereld van alle ketterijen zou zuiveren.

Niettegenstaande zijn verbond met de Franschen valt het Heynken niet mee, en als dan ‘den Hongerschen Helt’ zal afkomen, dan zal het nog veel slechter gaan. En dan komt nog ‘den Loranois ter baen’ met zijn ‘Kempenschen haen, die by Nordlinghen soo lustigh kraeyden’.

 
Dan magh Richelieu wel gaen studeren
 
Pour le Roy tres-chrestien te menteneeren
 
Hy moght met zijn bicht wel spreken
 
Van al zijn verraet en valsche treken...

En Frederik Hendrik en de ‘hooghvochtighe Heeren Staeten’ zijn er niet beter aan toe.

[p. 362]

VI. Een der felste spotgedichten tegen Frederik Hendrik, waarin hij niet alleen in zijn politieke en militaire daden, maar ook in zijn particulier leven scherp wordt aangevallen is: De schat-kist / der langh verborghen Renten / id est / d'Ondeught van Oraignen die komt nu als een presente in den / Schoot van Spaignen. / In manier van t' samen-koutinghe. / vergadert tusschen eenen Hollander ende Prins Hendruck. / van Oraignen. / Alias den Brandt-stichter (1635).

Op het titelblad bevindt zich het volgend rijmpje:

 
Gheprent van eenen Brabander /
 
Ghedicht van eenen Hollander /
 
Tot eer des Prins van Spaignen,
 
Tot schant des Prins Oraignen,
 
Die in Thienen stack den brandt,
 
Die door den Prince Ferdinant,
 
Verdreven wert uyt t' heele Lant,
 
Veriaeghet wert nu uyt Brabant,
 
Met alle zijn lichte Franssen,
 
Met alle zijn groote hanssen,
 
Die nu helaes moet segghen loen,
 
Die niet en heeft konnen op-doen,
 
Door secours des Arents macht,
 
Die hy niet en hadde verwacht.

De bevestiging, dat het gedicht door een Hollander zou gemaakt zijn is in tegenspraak met het beslist Brabantsche karakter van zijn taal.

De Hollander hoort allerwegen kwaad spreken over den Prins van Oranje. Iedereen scheldt hem voor ‘vagebond, vuylen snoo Trauwant, treyter, brandt-stichter’ enz. Hij is in Brabant gekomen met ‘natien noch lichter als hy’, met de Franschen, die wel goed zijn om ‘den haes te jaeghen’ of ‘de gans te werpen’ maar volstrekt niet om te vechten. Wat wil de prins toch aanvangen met dat gespuis, dat alleen denkt aan rooven, moorden, schoffeeren, enz. waardoor hij ook in kwaden naam kwam.

De prins verwondert er zich over zoo aangesproken te worden. Hij bekent dat zij hem bij de Brabanders ‘infaem’ gemaakt hebben door hun gedrag te Thienen.

 
Maer wats om eene stadt /
 
Is dat soo veel bysonders?

Deze vraag geeft den Hollander natuurlijk de gelegenheid om al den afschuw uit te spreken, waarmede de vernieling van Thienen de Brabanders vervulde.

 
Bysonders, Hoe derfdy seggen dat?
 
't Is duysentmael meer wonders
 
Dat d'aert niet open-berst
 
En in d'afgront der hellen
[p. 363]
 
Godt u daetelyck verspert
 
Met al u snoo ghesellen.

Nu merkt de dichter wel dat dit vreeselijk ‘kop-ghespins’ door Frederik Hendrik zelf werd uitgedacht. God zal zich te zijner tijd daarover wreken. Het branden der stad was den prins niet genoeg. Hij liet kloosterzusters onteeren, ‘Gods lidtmaten’, Gods ‘Bruyts’ schenden.

Tegen deze beschuldiging verzet zich de prins. Wegens den fellen rook van den brand kwam hij niet in de stad. Hij liet wel rooven en plunderen.

 
Maer Maeghden te verkrachten /
 
Off vrouwen te onteeren /
 
(Hy) noyt in syn gedachten
 
Had sulckx te commandeeren.

De Hollander antwoordt op deze verontschuldiging met een heftigen uitval tegen de bandeloosheid van prins Frederik Hendrik toen hij noch jong was:

 
Want Vrouwen te hantieren
 
Sulckx zydy wel ghewoon
 
Oft Dochters te schoffieren
 
Daer toe plaght u persoon
 
Sich lichtlijck te begheven /
 
Als ghy noch Jonghman waert /
 
Kan ick ghetuyghen gheven
 
U hoerachtigen aert
 
Te hebben wel bemerckt:
 
Waer in Maurus u Broeder1
[p. 364]
 
U ghenoegh heelt versterckt
 
En als een Hoere-broeder
 
U dickwils voor-gegaen.
 
En ghy, als een wilden droes
 
Met andere kleeren aen
 
Trock dickmaels nae 't Paddemoes
 
Een plaetse wel bekent /
 
Oft nae de Kasawaris /
 
Des Heeren Hoer convent /
 
En and're plaetsen meer / 't is
 
Een ieder kennelycken.
 
t' Paddemoes oft Lepelstraet
 
Oft t' Bovendaelsche wycken
 
t' Komt al op eenen graet.

De pamfletdichter, die zoo schreef over het verkeeren van ‘Mooi Heintje’ in verdachte buurten te Antwerpen, te Brussel en in den Haag, vond er dan ook al geen bezwaar in om te onderstellen, dat de prins aan de ontuchtige gruwelen te Thienen kon hebben meegedaan!

De prins geeft toe, dat hij, in zijn ‘voorgaende’ leven, zich ‘somwyl’ daartoe had ‘begheven’, maar hij vraagt den dichter om dat nu alles te laten rusten. Het is ‘nu soo langh gheleden’. Te Thienen heeft hij alleen laten brand stichten, meer niet. En dat deed hij om de ‘natien van Brabande’ bang te maken. Hij dacht immers spoedig heer van Brabant te worden en te te Brussel zijn leven te eindigen.

Met deze verwachtingen drijft de Hollander den spot door de klucht aan te halen van twee studenten, die zochten een boer te bedriegen en zelf bedrogen uitkwamen. De prins zal de Brabantsche steden niet winnen door bedrog en verraad. God zal dat verhinderen en hem straffen evenals voortijds Pharao, die met zijn heir in de Roode Zee omkwam.

De prins bekent, dat het er zoo begint naar uit te zien. Hij, die zich schier heer van Brabant waande, zal nu moeten vluchten. Dat is een schande, die hem de dood zal aandoen. En hij weet niet goed waarheen te vluchten.

 
Ieder is nu op de been
 
Om my te massacreren /
 
Waer ick loop / gaen / oft staen
 
Al warent maer de kindren
 
Sy soecken my te slaen /
 
Te krencken en te hindren.

Deze laatste verzen maken gebruik van de bekende voorstelling, van den Prins Kardinaal als een kind. De Hollander schertst natuurlijk over de kleinmoedigheid van Frederik Hendrik, die op de loop gaat voor een kind.

[p. 365]
 
Soo ghy ons Prins van Spaignen
 
Maer een kindt seght te zijn /
 
En stelt hem in de wieghe /
 
Jae soeckt hem met fenijn
 
En verraet te bedrieghen
 
Neen neen ten, is gheen kint
 
Dat wort ghy nu ghewaer.

Frederik Hendrik bekent dat hij zich inderdaad vergist heeft, doch beweert om zich te verontschuldigen, dat iedereen hem opgestookt heeft om Brabant te overrompelen.

 
Voorwaer ick was verblint
 
Ick seght en t' is klaer
 
Door veel opstoockers valsch
 
Die my nu soo ick merck
 
Sochten rechts om den hals
 
Te brenghen in Brabants perck /
 
Jae selfs de Heere Staeten
 
Lieten my noyt gherust
 
k' Liet my oock licht bepraeten,
 
Want ick had selver lust
 
Om kinderschool te houwen
 
Voor ongheleerde klercken
 
Om haer de kracht Nassauwe
 
En wijsheydt te doen mercken.
 
Maer och, t' is waer ick kent
 
Ick vind my selfs bedroghen /
 
Tis my een groot torment
 
Te sien nu voor myn ooghen /
 
Dat ick die Meester scheen
 
Nu selver ben maar knecht /
 
Jae minder als t' kindt kleen
 
Soo ick noemde t' onrecht
 
Den Prince Ferdinandt
 
Die sulckx doet anders blycken
 
Wie door zijn kloeck verstandt
 
My uyt sijn Landt doet wycken.
 
Hoe luttel peysden ick
 
Op d' Arents groote macht
 
Waer voor ick my verschrick
 
Als my komt in ghedacht
 
Dat hy soo haestelijck heeft
 
Tot hier toe konnen vlieghen.

God ondersteunt Prince Ferdinand, luidt het antwoord, want de snoode ‘trafijcken’ van Frederik Hendrik mishagen hem. Wiens hulp Oranje ook

[p. 366]

moge vragen, van Franschen, Schotten, van den duivel zelf, hij zal niets vermogen tegen de Croaten en hun geweld. Hun naam alleen drijft Frederik Hendrik reeds op de vlucht. Brabant zingt ‘gaudeamus’ en ‘Te Deum laudamus’. Dit is het einde van Oranje's begoochelingen.

Frederik Hendrik wenscht zich dood. Hij kan nergens meer ontkomen.

 
Och waer sal ick noch gaen /
 
Want ick met groote hoopen /
 
Vind over-al op de baen /
 
Veel Koningsche soldaeten /
 
En noch die ick meer vrees
 
Veel Keysersche Crowaeten.

En op de vraag van den Hollander of hij die werkelijk zoo vreest, klinkt het antwoord:

 
En soud ick die niet vreesen?
 
Een volck alsoo vaillant
 
Mannen soo uytghelesen
 
Jae die een gheheel lant
 
Door haer groote coeraegie
 
(En d'Ordre van Fernandt
 
Die als een kloecke paegie
 
Door zijn vernuft verstant
 
Haer soo wel weet te stieren)
 
Soude brengen heel t' onder.

Dan brengt de Hollander het nieuws dat de Schenckeschans ingenomen is, dat de Veluwe en de Betuwe in handen van Prins Ferdinand zijn, en dat het Sticht van Utrecht bedreigd is. Dat is de straf voor de ontrouw aan Koning en Heer van Frederik Hendrik en zijn voorvaderen. Het is de straf, herhaalt de Hollander nogmaals, voor hetgeen te Thienen gebeurd is.

 
Verrader is u naem
 
Een verrader was u vader
 
Die Godt en zijn Koningh t' saem
 
Hollant als een verrader
 
Onthouden heeft en noch
 
Verandert zijn gheloof /
 
Ea maeckt zijn zelven och!
 
Des Duyvels eyghen roof /
 
En oock al zijn geslacht
 
Eeuw'lyck ghebracht ter schanden.

Wie zijt gij dan, vraagt de prins, die ons zoo durft verachten en schandvlekken? Daarop geeft de auteur dan een aantal bijzonderheden over zijn persoonlijkheid en in een naamlettervers maakt hij zich zelf bekend. Hij

[p. 367]

beweert geboren te zijn te 's Gravenhage en ‘meest op-gevoet’ te Delft. Zoo komt het, dat hij zoo goed ingelicht is over het jongelingsleven van den prins. Hij kwam o.a. dikwijls op het hof, en zag daar, dat hetgeen hij ‘voor de lien met zijn handen’ maakte, door den prins met de tanden werd verscheurd. Uit een kantteekening van den auteur1 blijkt de bedoeling hier te zijn, dat de auteur bakker was. Het waren de broodjes door hem gemaakt, die de prins at. Zoo had hij hem, had hij het gewild, elken dag kunnen vergiftigen! Zijn naam lezen wij in het vers: ‘In Vree GI Leven Sult’: IVGILS, of I. van Gils.

 
Weet en dit seecker zyt
 
Ghy Prins van kleynder eeren
 
Dat ick wel derf mijn Stadt
 
En geboort-plaets u verhaelen /
 
In 's Graeven-Haegh weet dat
 
Wontmen my eerst in dwaelen /
 
Daer ghy houdt huys / van daer
 
Segh ick / ben ick gheboren
 
Te Delft meest op-gevoet
 
Van waer ghy zyt gheboren.
 
Ghekipt en uytghebroet /
 
k' Heb somwyl oock gheweest
 
Op 't Hof daer ghy brasseerde
 
Daer ghy dick onbevreest
 
Met u boelen boeleerden.
 
Jae k' heb dickmaels ghesien
 
Dat t' gheen ick met mijn handen
 
Ghemaeckt heb / voor de lien
 
Ghy scheurde met u tanden.
 
k' Had konnen alle daegh
 
U doen bersten en vergheven
 
Soo had gh' in s' Graeven-Haegh
 
Ghe-eyndight u boos leven
 
Leeft voort-aen met ghedult
 
Myn naem wilt hier oock mercken
 
In Vree GI. Leven Sult
 
By leecken ende klercken
 
Soo ghy wilt af-stant doen
 
Van quaet en ketterie
 
Jae sal naer mijn bevroen
 
Al u verraderie
 
U moorden, rooven, branden
 
En t' schenden van Gods Tempels
 
Al t' gheen ghy in veel Landen
[p. 368]


illustratie
TITELBLAD
van Alder-hande soorten van Hollansche ende Fransche Nevsen.


[p. 369]
 
Ghedaen hebt / tot exempels /
 
Strecken / iae tot meer eeren
 
Van u en Godt almachtigh
 
Dus wilt u haest bekeeren
 
Tot d' Heylighe Kerck eendrachtig.

De prins, verwonderd dat een Hollander hem zoo had durven aanspreken, zal over zijn bekeering eens nadenken, waarop de Hollander bij wijze van slot nog eens aandringt.

 
Och Prins wilt u wat spoen
 
Eert voor u wert de spaede
 
Heb ick somwyl misseyt
 
Teghens u reputaty
 
t' Gheen somwyl boven leyt
 
Moet uyt / al gheeft gheen graty
 
Alsoo het spreeckwoort duyt.
 
Maer k' bid des niet te minder
 
Dat Godt u als eeu Bruyt
 
Wilt brenghen sonder hinder
 
Daert altyt is victory
 
En vreught is sonder blaemen
 
In zyn Hemelsche glory
 
En ons altesaemen. Amen.

VII. Alder-hande soorten van Hollandsche ende Fransche Neusen van vrempde ghedaenten. (Vignet voorstellende een Fransen en een Hollandsch soldaat met zonderlingen neus) Ghedruckt ter Neusen / ontrent Bier