De persoonlijkheid van Frederik Hendrik wordt in een aantal Brabantsche gedichten fel gehekeld. In dit hoofdstuk bespreken wij enkele van de eigenaardigste dier persoonlijke aanvallen. Ze werden geschreven naar verschillende aanleiding, doch zijn in hoofdzaak bedoeld als schimpzangen tegen den prins.
1. Den Hollantschen ende Franschen Bitebau. Twee Leghers in Brabant onlancx met grauw verschenen Maer door de Spaensche son sijn sy subit ver dwenen. - Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus. - De berghen zijn bevrucht: wat komter voor den dagh (Het crogghen is ghedaen) een muysken met ghelagh. - Als ghy van berghen leest denckt dat die Franschen zijn, Soo sult ghy verre sien sonder belet te sijn1.
Dit gedicht, zonder opgave van plaats of drukkersnaam verschenen, is een doorloopende bespotting van de Hollandsche en Fransche legers en hun veldheeren, die als ‘bietebouws’ voorgesteld worden.
Het begint met een uitvoerige paraphrase van het bekende ‘parturiunt montes’, dat als motto wordt aangegeven. Daarop volgt de toepassing van deze fabel op den Prins van Oranje, die, met Brabant en Vlaanderen, allerlei eergierige plannen voorhad, doch bij de poging tot verwezenlijken deerlijk mislukte.

PORTRET VAN FREDERIK HENDRIK,
gravure van P. Pontius naar A. van Dyck
De prins had echter den moed niet om alleen uit veroveren te gaan, hij vroeg de hulp van de Franschen.
Maar die listen baatten niet, men kende de valsche beloften van Geus en Franschman. De ‘ghetrouwe patriotten’ weigerden op de voorstellen der vijanden in te gaan.
Overal bood men wederstand. Na de verwoesting van Thienen dacht de Prins van Oranje, dat alles hem en den Franschman ging in den schoot vallen.
De Prins van Oranje dacht zich reeds hertog van Brabant.
Maar de prins had gerekend zonder den waard. Hij verkwistte nutteloos veel duizenden. Zijn heele plan viel in duigen. Zoo hij na dit alles door de Staten bekeven wordt, geeft de dichter hem als raad:
En zoo de Staten niet tevreden zijn, moet hij zijn troost maar bij de Synode zoeken.
De Franschen kunnen ook onverrichter zake naar huis keeren en aan Père Joseph vertellen wat ze uitrichtten.

HOUTSNEDE
bij Nieuws, T'Geusen Rou-Mael en Fransche-Courante (Verklaring op blz. 347).
II. Voor de bekende uitdrukking ‘een blauwe scheen oploopen’, die in een door ons vroeger besproken gedicht op den mislukten veldtocht van 1635-36 en Frederik Hendrik wordt toegepast1, bestaat er een zuiver Brabantsch-Kempische weerga, nl. ‘met de kous op den kop thuis komen’ d.w.z. ergens met schade en schande van afkomen2. Deze laatste volksche zegswijze wordt herhaaldelijk gebruikt in de Brabantsche strijdliteratuur.
Ook plastisch werd ze voorgesteld in een houtsnede, verschenen in Nieuws, T'Geusen Rou-Mael en Fransche-Courante (Ghedruckt, Tot Delft / by den Courantier / 1635)3. Deze plaatsopgave is hier natuurlijk weer fictief en wij staan voor een zuiver Brabantsch pamflet. De tweede titel toont het duidelijk genoeg aan: Nacht-gevlucht des Frans en Geusen leghers, voor de stadt Leuven, door 't vroom, wijs, en voorzichtigh beleyt, (naest Godt) van den Prince Ferdinand, goedertieren, Natuerlijcken Heere der Nederlanden, den derden Julij, 1635.
De houtsnede, waarvan wij hierbij een reproductie geven, stelt allerlei feiten en personuages voor in verband met den veldtocht van 1635. Op den achtergrond onder de letter A zien wij de stad Thienen in brand. B stelt een rots voor met een uil er boven op. In de grot bevinden zich Hendrik van Bergh en sommige andere Zuid-Nederlandsche edellieden, die tegen den koning van Spanje samenzwoeren en op de hulp van de Hollanders en de Franschen rekenden, om hun plannen te verwezenlijken. Ziende wat al verwoestingen en geweldenarijen de vijandelijke legers aanrichtten, komen deze sameuzweerders tot de overtuiging dat ‘zij de uilen zijn’4. Bij D zien
wij de Franschen op de vlucht. Zij voeren een courante uit, zegt de pamflettist. E toont ous de soldaten van den koning en den keizer, die de verbondenen verdrijven. F stelt den Prins van Oranje voor met hazenpooten en een brandstichters-fakkel, die hij tegen de aarde uitdooft. Hij knaagt aan ‘het hammeken is op’ en draagt de kous op het hoofd. De personnages, aangeduid door G, stellen de Hollandsche Staten voor, die ook de kous op den kop hebben. H is de vaas waarin de roeden ‘in de pis liggen’ en l is het ‘heerlyck Geusen-Bancquet’ bestaande uit lijken en doodshoofden.
De tekst van het Geusen-Rou-Mael is ingedeeld, naar het voorbeeld van een maaltijd, in een ‘pottagie’, verscheidene gerechten en schotels en het ‘banquet’ of nagerecht.
De ‘pottagie’ is het substantieëlste deel van het gedicht. Het ‘Nassousche bloet’, dat allerwegen brand stichtte en geweldenarijen bedreef, moest wijken voor Leuven. Zijn furie was ten einde. De prins stond niet meer voor begijntjes, maar voor mannen.
Het gedicht begint de opsomming van Frederik Hendrik's daden tegen Zuid-Nederland van af 1631 toen hij Vlaanderen en Brugge bedreigde. Het maakt gewag van zijn mislukte pogingen tegen Breda in 1634, en weidt dan uit over Thienen.
Met de felste kleuren schildert de dichter hier de Thiensche gruwelen. Dat was de ondergang van Frederik Hendrik.
Hij had de Brabanders eerst gepoogd op zijn hand te krijgen met allerlei mooie beloften. Vooral over godsdienstverdraagzaamheid en vrijheid gaf hij hoog op.
Maar men deed opmerken, dat in Holland alle godsdiensten vrij waren, zelf de Joodsche, en alleen de katholieke verguisd werd, beschimpt en verstooten. Dit gaf Leuven ‘quaet bedencken’. De stad dacht ook aan de valsche beloften van Willem van Nassau aan de katholieken. Hij hield maar woord tot hij meester was en verdrukte nadien de katholieken zonder genade Leuven herinnerde zich dat, en had ook geen vertrouwen in het beroep, dat
het eventuëel zou kunnen doen op de franschen, indien het, overheerd, eenmaal hetzelfde lot onderging. Men gaat geen hulp zoeken bij den duivel.
Leuven zou strijden voor ‘Godts ghebode leer’ en voor Prince Ferdinand, den eigen Heer, uit Keizer Karel's zaad geboren. Dat was het bescheid dat Leuven bracht. Toen Nassau dat vernam wierp hij de schapenvacht af en liet den wolf zien. Zijn opzet tegen Leuven mislukte. Er kwam hongersnood onder zijn troepen, zij vluchtten en de dichter van het Geusen-Rou-Mael beweert, dat er duizenden van die vluchtenden ‘met gelt’ vereerd werden om brood te koopen.
De vijand ‘spillebeende’ weg! Zoo Nassau ooit versterkte steden innam, beweert ons spotdicht, dan was het met behulp van schelmen zooals ‘Berghs-man den verrader’, zinspeling op Hendrik van Bergh, die in 1632 Venloo verliet, met slechts een zeer zwak garnizoen voorzien, toen Frederik Hendrik naderde, wat voor gevolg had dat de stad capituleerde. Dezen verrader worden dan de felste straffen toegewenscht, waaronder naar 's dichters opvatting de ergste zou zijn, dat ‘geen mensch, maar een Beer hem moest verslinden’. Dit verklaart op de houtsnede, juist onder C (Hendrik van Bergh), de aanwezigheid van een beer, die er echter niet zeer bloeddorstig uitziet!
De verrader, die ‘tot guide heeft ghedient’ moet nu maar samen met den vijand vluchten naar een oord waar ‘gras noch loover was / noch son och mane schynt’, en waar hij ‘stadigh branden’ zal. Bij de duivelen zal hij zijn waar hij past.
De verzen, die verder als gerechten en schotels van het Rouwmael opgedischt worden, zijn anders niet dan bespottingen van de Hollanders en de Franschen. Er ligt weinig oorspronkelijks in. Wij stippen er alleen een passage uit aan, waarin fel aangedrongen wordt op steun en getrouwheid voor Prins Ferdinand.
En daarop volgt dan weer een heftige uitval tegen de verraders:
De getrouwen drinken op den Prins Kardinaal.
III. De spottende volksuitdrukking ‘de kous op het hoofd’ is het hooldthema geworden van een gedicht, waarin den draak gestoken wordt met al de misrekeningen en onvervulde beloften van Frederik Hendrik1.
De volledige titel luidt als volgt: Die Lustighe Kaus opt Hooft. Behelsende d'oprechte verclaeringhe van alle groote schatten ende Buyten, vercregen byden Prince van Oraingnien met zijne Fransche Hollanders, inde vermeende overinge van het Lant van Brabant, Vlaenderen, &c., met fictieve plaats- en
drukkersnaam: Gedruckt inden Hage, by Peeter Janssen Broers, gesworen Drucker vande Hoochmogende Heeren Staeten 1635.
Prins Frederik Hendrik komt na den veldtocht uit Brabant terug, beladen met zwaren buit. Dan gaat men onderzoeken wat er in die vracht al te vinden is, doch het eenige van beteekenis, dat de prins meebracht, blijkt ‘de kous op het hoofde’ te zijn, d.w.z. de schande van de nederlaag. Men vindt er boerenkleederen en -gerief van de plunderingen; kolen uit den brand, dien de prins stichtte; ‘doosen vol van vrouwen cracht’, zinspeling op de schoffeering der vrouwen te Thienen; briefkens voor het hospitaal ten behoeve der zieke soldaten; ledige tonnen, die meer rieken naar water dan naar bier; Fransche vloeken, démentis en défis; schoenen ‘met hazensmeer bestreken’;
Daar komt nog allerlei uit de zakken met buit, als b.v. Fransche pokken, schurft, lazerij en andere ziekten en ‘het vel van de beest, die noyt gevangen is geweest’.
En daarvoor hadden de Staten zooveel millioenen gegeven! Er moest toch nog iets anders meegebracht worden uit Brabant.

TITELBLAD
van het Geusen-gheschreeuw.
IV. Het Geusen-gheschreeuw behelsende hoe de Gommaristen / Mennisten ende Arminianen hebben gheroepen over die groote Victorie / ende hoe sy hebben ghemuyckt over die kleyn glorie dit jaer in Brabant verkreghen. Hoe sy onder hun ghediscoureert hebben over den staet van 't Landt. (Den tweeden druck verbetert ende vermeerdert). Onderaan het titelblad, zonder opgave van plaats of drukker, het volgend rijmpje:
Het gedicht is opgevat als een samenspraak tusschen een Gommarist, een Mennist en een Arminiaan.
Ze gaan gedrieën al wandelende wat praten, en zien de menschen de Nieuwe Tydingh koopen met nieuws over den Brabantschen tocht van den prins. Zoo vernemen ze dat Thienen in brand staat, besluiten dadelijk dat de prins overwinnaar is en nu in Brabant al zal gaan verkrijgen wat hij wenscht.
De Gommarist roept al victorieus:
De Arminiaan doet wel opmerken, dat het wreedaardig optreden van den prins niet zoo voordeelig is, want in de plaats van vrees en gedweeheid, verwekt het geweld soms heftig en volhardend verzet. De Gommarist is echter van een tegenovergesteld oordeel.
Beiden meenen dat Holland en Zeeland nu voor goed bevrijd zijn en in vrede zullen leven. Het geld, dat ze aan den prins voorschoten, zal in Brabant goede rente geven.
Zij lezen verder in de courant en vernemen dat Diest zich heeft overgegeven.
Zij lezen ook van de overgave van Aerschot. Nu gaat de prins naar Leuven. De Arminiaan kan zijn blijdschap niet bedwingen bij de gedachte dat de prins daar Hertog van Brabant zal worden.
De prins krijgt bovendien nog Vlaanderen, de Franschman Artois en Henegouwen. Zoo is de regeling, die in de maand Maart tusschen de bond-genooten werd besproken en die nu zoo goed als in orde is. In breede trekken komt deze voorstelling overeen met het ontwerp van verdrag dat op ingeving
van den handigen Franschen ambassadeur in den Haag, Hercule de Charnacé, was aangenomen. Daarbij zouden de in de Zuidelijke Nederlanden te veroveren gewesten verdeeld worden. Luxemburg, Fransch-Vlaanderen, Artois, Namen, Henegouwen, Doornik en Kamerijk zouden aan Frankrijk gegeven worden; de overige gewesten Vlaanderen, Brabant en Limburg zouden aan Holland komen. Deze regeling werd behouden in het offensief en defensief verdrag, dat op 8 Februari 1635 tusschen de Staten en Richelieu gesloten werd.
Dit vooruitzicht verheugt de drie vrienden zeer, en de Gommarist stelt voor daarop een glas te ledigen.
Gommarist en Arminiaan rekenen vooral op de vele ‘officien’ die nu in Brabant, Vlaanderen en Artois te krijgen of te koopen zullen zijn. De Gommarist heeft een zoon, die daar naar een betrekking uitziet.
De Mennist zoekt die vreugde wat te bedwingen. De kans kan nog keeren. De Arminiaan en de Gommarist zijn integendeel zeker van de overwinning. Als zij lezen, dat het leger van den prins voor Leuven is gekomen, juicht de Gommarist het uit:
Langzamerhand komt het drietal echter tot de kennis van den volledigen aftocht.
En nu komen de klachten los. De prins zal dan maar hertog geweest zijn in den geest, zooals de Pfalsgraaf eens koning was. Daarvoor was het niet, dat er zooveel geld werd uitgegeven.
Met een hertog zonder goed zijn zij niet gediend. De Gommarist zegt spottend, dat Brabant den intrest van al dat geld zal betalen, maar dat zij hem zelf zullen moeten halen. De Arminiaan is wanhopig over al dat verlies.
Het is bekend, dat de prins dikwijls enkel met groote moeite de noodige gelden voor het onderhoud van zijn troepen kon verkrijgen. Holland gaf gewoonlijk het gemakkelijkst en verkreeg met behulp van de West-Indische Compagnie de gewenschte leeniugen en voorschotten. De overige provinciën waren steeds moeilijker tot geldsteun te bewegen.
Dat moet ophouden. De prins vraagt maar altijd geld, maar hij geeft niets in de plaats. En nu krijgen de Hollanders de Franschen nog te herbergen op den koop toe!
De drie vrienden zien het zeer donker in. De Fransche troepen zullen veel kosten van onderzoek en als zij niet meer betaald worden zullen zij ‘muyteneren’. De Spanjaard komt oprukken naar Holland en zal zich daar wel over het gebeurde te Thienen wreken. De felle Croaten zullen de Hollanders met dezelfde maat willen meten.
Nu komen de praters ertoe om Prins Maurits verre boven Prins Frederik Hendrik te verheffen. Hij was meer bezorgd om het welzijn der gemeente en trok niet zoo licht op avonturen uit. Wie is het dan toch, die den prins aldus beïnvloedt en hem aangeraden heeft Leuven aan te vallen? De Gommarist beschuldigt beslist een van de voornaamste militaire medewerkers van Frederik Hendrik, den ruiteraanvoerder Stakenbroek, het plan voor de belegering van Leuven opgevat te hebben. Dat zou Stakenbroek den prins alleen ingegeven hebben om het recht op de ‘thienden’ van Schyndel te krijgen. Ook de aanvoerders Morgan en Brederode waren erbij toen de prins zich zoo ‘fataal verslickte’.
De prins heeft zich vooral onderscheiden in het loopen. Hij zou met een haas kunnen wedijveren. Hij had zijn ‘mael’ wel bij zich, maar ze was ledig, hij had het geld in Brabant gelaten om bij het loopen niet gehinderd te worden. Hij en zijn soldaten liepen ook zoo vlug omdat hun maag niet overladen was. De Arminiaan fantazeert voort op het thema van het zware geld:
De prins wil niet geweten hebben wat hij te Leuven heeft uitgericht. De Arminiaan vertelt het dan nog eens in een geestige, volksche taal, die zeker fel in den smaak der toenmalige Brabanders viel. Wij hebben deze passage medegedeeld in ons hoofdstuk over Leuven.
V. Van den Geusen Requiem zijn ons twee verschillende uitgaven bekend. De eerste komt voor samen met Die Neus-wijsche Nijptangh / Van Cattus ende Gallus twee dieren versaemt / Hollantschen ende Fransoischen Legher genaemt1; zonder naam van plaats noch uitgever. In de tweede komt de Geusen Requiem alleen voor, met de fictieve plaatsopgave: Ghedruckt voor Loven, onder den blauwen Hemel, in den Haes-op, 16352. Te oordeelen naar den druk lijkt deze laatste uitgave afkomstig uit de drukkerij van H. Velpius te Brussel.
Waarom is de prins uit Leuven terug gekeerd? vraagt het gedicht. Heeft hij er zoo gauw Latijn aangeleerd? Smaakt het Leuvensch bier hem wellicht niet? Of hinderde hem het geluid van het orgelspel? Hiermede wordt natuurlijk het kanonnenvuur bedoeld. René van Renesse, Graaf van Warfusée, die, zooals we reeds zagen, een van de voornaamste leiders was van de tegen Spanje misnoegde Zuid-Nederlandsche edelen, was in 1622 naar den Bosch gegaan en had daar pogingen aangewend bij den prins om hem te bewegen gezamenlijk met Frankrijk een inval in de Zuidelijke Nederlanden te doen. Hij had den prins den toestand in het Zuiden voorgesteld als zeer gunstig voor een dergelijke onderneming. Bij de uitvoering van dit plan liep alles mis. ‘Die orghel gaf soo grof gheluyt’ voor Leuven, dat de prins ‘zijn
schuyt van kant’ moest steken. Het ontbijt te Leuven beviel niet. Den ‘Tienschen kees’ die ‘tusschen die tanden stack’, kon niet weggespoeld worden omdat het ‘Lovens bier ontbrack’! Grobbendonck hield de ‘Lovensche kan by d'oir’! De prins moest vertrekken.
Dan ging de prins naar Diest ‘laveren’, maar daar heeft het zeer vermaarde bier zijn ‘maeghe beswaert’!
De toestand der Hollandsche kas is bedenkelijk. Er zit niets meer in den Oost-Indischen spaarpot. Waar is er nu nog crediet te vinden? Men zal wat nieuws moeten zoeken. Een belasting op de neuzen en de ooren zou niet veel opbrengen.
Niettegenstaande de gruweldaden te Thienen bedreven, heelt de Prins Kardinaal veel gewonde en zieke Hollandsche en Frausche soldaten te Brussel in het hospitaal doen verzorgen.
De dichter herinnert verder aan de oude prophetie, die voorspelde dat Oostenrijk eens de wereld van alle ketterijen zou zuiveren.
Niettegenstaande zijn verbond met de Franschen valt het Heynken niet mee, en als dan ‘den Hongerschen Helt’ zal afkomen, dan zal het nog veel slechter gaan. En dan komt nog ‘den Loranois ter baen’ met zijn ‘Kempenschen haen, die by Nordlinghen soo lustigh kraeyden’.
En Frederik Hendrik en de ‘hooghvochtighe Heeren Staeten’ zijn er niet beter aan toe.
VI. Een der felste spotgedichten tegen Frederik Hendrik, waarin hij niet alleen in zijn politieke en militaire daden, maar ook in zijn particulier leven scherp wordt aangevallen is: De schat-kist / der langh verborghen Renten / id est / d'Ondeught van Oraignen die komt nu als een presente in den / Schoot van Spaignen. / In manier van t' samen-koutinghe. / vergadert tusschen eenen Hollander ende Prins Hendruck. / van Oraignen. / Alias den Brandt-stichter (1635).
Op het titelblad bevindt zich het volgend rijmpje:
De bevestiging, dat het gedicht door een Hollander zou gemaakt zijn is in tegenspraak met het beslist Brabantsche karakter van zijn taal.
De Hollander hoort allerwegen kwaad spreken over den Prins van Oranje. Iedereen scheldt hem voor ‘vagebond, vuylen snoo Trauwant, treyter, brandt-stichter’ enz. Hij is in Brabant gekomen met ‘natien noch lichter als hy’, met de Franschen, die wel goed zijn om ‘den haes te jaeghen’ of ‘de gans te werpen’ maar volstrekt niet om te vechten. Wat wil de prins toch aanvangen met dat gespuis, dat alleen denkt aan rooven, moorden, schoffeeren, enz. waardoor hij ook in kwaden naam kwam.
De prins verwondert er zich over zoo aangesproken te worden. Hij bekent dat zij hem bij de Brabanders ‘infaem’ gemaakt hebben door hun gedrag te Thienen.
Deze vraag geeft den Hollander natuurlijk de gelegenheid om al den afschuw uit te spreken, waarmede de vernieling van Thienen de Brabanders vervulde.
Nu merkt de dichter wel dat dit vreeselijk ‘kop-ghespins’ door Frederik Hendrik zelf werd uitgedacht. God zal zich te zijner tijd daarover wreken. Het branden der stad was den prins niet genoeg. Hij liet kloosterzusters onteeren, ‘Gods lidtmaten’, Gods ‘Bruyts’ schenden.
Tegen deze beschuldiging verzet zich de prins. Wegens den fellen rook van den brand kwam hij niet in de stad. Hij liet wel rooven en plunderen.
De Hollander antwoordt op deze verontschuldiging met een heftigen uitval tegen de bandeloosheid van prins Frederik Hendrik toen hij noch jong was:
De pamfletdichter, die zoo schreef over het verkeeren van ‘Mooi Heintje’ in verdachte buurten te Antwerpen, te Brussel en in den Haag, vond er dan ook al geen bezwaar in om te onderstellen, dat de prins aan de ontuchtige gruwelen te Thienen kon hebben meegedaan!
De prins geeft toe, dat hij, in zijn ‘voorgaende’ leven, zich ‘somwyl’ daartoe had ‘begheven’, maar hij vraagt den dichter om dat nu alles te laten rusten. Het is ‘nu soo langh gheleden’. Te Thienen heeft hij alleen laten brand stichten, meer niet. En dat deed hij om de ‘natien van Brabande’ bang te maken. Hij dacht immers spoedig heer van Brabant te worden en te te Brussel zijn leven te eindigen.
Met deze verwachtingen drijft de Hollander den spot door de klucht aan te halen van twee studenten, die zochten een boer te bedriegen en zelf bedrogen uitkwamen. De prins zal de Brabantsche steden niet winnen door bedrog en verraad. God zal dat verhinderen en hem straffen evenals voortijds Pharao, die met zijn heir in de Roode Zee omkwam.
De prins bekent, dat het er zoo begint naar uit te zien. Hij, die zich schier heer van Brabant waande, zal nu moeten vluchten. Dat is een schande, die hem de dood zal aandoen. En hij weet niet goed waarheen te vluchten.
Deze laatste verzen maken gebruik van de bekende voorstelling, van den Prins Kardinaal als een kind. De Hollander schertst natuurlijk over de kleinmoedigheid van Frederik Hendrik, die op de loop gaat voor een kind.
Frederik Hendrik bekent dat hij zich inderdaad vergist heeft, doch beweert om zich te verontschuldigen, dat iedereen hem opgestookt heeft om Brabant te overrompelen.
God ondersteunt Prince Ferdinand, luidt het antwoord, want de snoode ‘trafijcken’ van Frederik Hendrik mishagen hem. Wiens hulp Oranje ook
moge vragen, van Franschen, Schotten, van den duivel zelf, hij zal niets vermogen tegen de Croaten en hun geweld. Hun naam alleen drijft Frederik Hendrik reeds op de vlucht. Brabant zingt ‘gaudeamus’ en ‘Te Deum laudamus’. Dit is het einde van Oranje's begoochelingen.
Frederik Hendrik wenscht zich dood. Hij kan nergens meer ontkomen.
En op de vraag van den Hollander of hij die werkelijk zoo vreest, klinkt het antwoord:
Dan brengt de Hollander het nieuws dat de Schenckeschans ingenomen is, dat de Veluwe en de Betuwe in handen van Prins Ferdinand zijn, en dat het Sticht van Utrecht bedreigd is. Dat is de straf voor de ontrouw aan Koning en Heer van Frederik Hendrik en zijn voorvaderen. Het is de straf, herhaalt de Hollander nogmaals, voor hetgeen te Thienen gebeurd is.
Wie zijt gij dan, vraagt de prins, die ons zoo durft verachten en schandvlekken? Daarop geeft de auteur dan een aantal bijzonderheden over zijn persoonlijkheid en in een naamlettervers maakt hij zich zelf bekend. Hij
beweert geboren te zijn te 's Gravenhage en ‘meest op-gevoet’ te Delft. Zoo komt het, dat hij zoo goed ingelicht is over het jongelingsleven van den prins. Hij kwam o.a. dikwijls op het hof, en zag daar, dat hetgeen hij ‘voor de lien met zijn handen’ maakte, door den prins met de tanden werd verscheurd. Uit een kantteekening van den auteur1 blijkt de bedoeling hier te zijn, dat de auteur bakker was. Het waren de broodjes door hem gemaakt, die de prins at. Zoo had hij hem, had hij het gewild, elken dag kunnen vergiftigen! Zijn naam lezen wij in het vers: ‘In Vree GI Leven Sult’: IVGILS, of I. van Gils.

De prins, verwonderd dat een Hollander hem zoo had durven aanspreken, zal over zijn bekeering eens nadenken, waarop de Hollander bij wijze van slot nog eens aandringt.
VII. Alder-hande soorten van Hollandsche ende Fransche Neusen van vrempde ghedaenten. (Vignet voorstellende een Fransen en een Hollandsch soldaat met zonderlingen neus) Ghedruckt ter Neusen / ontrent Bier