
Simon Vinkenoog, Hugo Claus en Louis Paul Boon als lezers van de Playboy, 1955. Boon (1912-1979) publiceerde in 1954 het eerste deel van zijn eenmanstijdschrift Boontje's reservaat, dat in vijf deeltjes verscheen in de Boekvink-reeks. In 1953 verscheen het eerste deel van zijn omvangrijke - experimentele - tweeluik De Kapellekensbaan (1953), drie jaar later gevolgd door deel twee, Zomer te Ter-Muren (1956). ‘De meeste van mijn werken zijn in een stortvloed geschreven. Om over het ontstaan te piekeren, daarvoor is mijn tijd nog niet gekomen. Ik trek enkele hoofdlijnen, maar voor de rest is het toch een scheepgaan op zee. Dat is juist het opwindende voor mij; het wordt een avontuur. Van het werk van mensen die plichtsgetrouw elke avond een uur verderbreien moet ik niets hebben: ik word gedreven naar Céline, Miller, mannen die in een storm schrijven. Maar nu moet ik ook bekennen dat ik nog nooit twee werken op dezelfde manier geschreven heb. Er zijn werken die ik in een lawine neergeschreven heb, en andere die ik welbewust volgens plan uitwerkte. [...] In De Kapellekensbaan zijn er gedeelten die werkelijk in een zondvloed eruitgekomen zijn. Maar er zijn ook momenten van stilstand, van hier heb ik geen lust meer, hier ben ik het beu, tot een nieuwe golf de auteur voortgejaagd heeft’ (Boon in: Tirade, december 1960, p.336-337).
Foto Ed van der Elsken/nlmd

Brief van Louis Paul Boon aan uitgever Bert Bakker [1954] op briefpapier van het Gentse socialistische dagblad Vooruit, waar Boon in 1954 Richard Minne opvolgde als redacteur cultuur. Boon schrijft Bakker: ‘Eerst en vooral, ik schaam me omdat ik nog steeds niets heb gemaakt voor Maatstaf, maar ter verdediging mag ik wel aanvoeren dat het werk op de krant mij soms tot over de oren kruipt. Tot iets degelijks komt het dan ook haast nooit meer.’
Collectie nlmd

Omslag van Ping pong (1954) van S. Carmiggelt (1913-1987), een bloemlezing uit bijdragen die grotendeels onder het pseudnoniem Kronkel werden geschreven in Het Parool. Carmiggelt vindt zichzelf een natuur ‘die wel behoefte heeft aan de dwang van een krant. Als ik niet zou móeten, zou ik misschien toch wel schrijven, maar je begint dan met een heel andere “outfit”. Als je niet hoeft en je bent letterkundige dan moet je in beginsel een meesterwerk schrijven. Dat is héél wat, terwijl het prettige van een krant juist het onpathetische is. Het wordt morgen gehaald, hè, en dan moet je er binnen dat kader iets van maken of niet. Dat vind ik wel prettig’ (in: J. Bernlef en K. Schippers Wat zij bedoelen, 1965, p. 13).
Omslag Bertram A.Th. Weihs/Collectie De Arbeiderspers

Omslag van Natuurgetrouw (1954), een bundel van Hugo Claus, met schetsen, verhalen, fabels, gregueria's, metamorphoses, dialogen, dagboekbladen, een reisbeschrijving, drie gedichten en een brief. Eveneens in 1954 verscheen van zijn hand in het Nieuw Vlaams Tijdschrift een toneelstuk, getiteld ‘Een bruid in de morgen’.
Collectie Koninklijke Bibliotheek

Dichter, prozaschrijver, toneelschrijver, regisseur en schilder Hugo Claus (1929) in het atelier van Paul Huf, 1954. ‘Zijn gezicht heeft onregelmatige trekken, zijn haar is gemodelleerd à la Gertrude Stein, en profil lijkt hij een beetje op haar, hij spreekt in korte essentiële zinnetjes, zo ongeveer de manier waarop Hemingway schrijft, zijn conversatie is aangenaam, deels door het gebruik van een aantal grappig aandoende Vlaamse uitdrukkingen, deels door een verhalend element, hij kleedt zich stijlvol in Italiaanse kleren, misschien iets te stijlvol voor zijn type: een enigszins brede, kortgebouwde, corpulente jongen met een wijze van glimlachen die vrouwen wel charmant zullen vinden’ (Hans de Vaal in: Boek van nu, november 1953).
Foto Paul Huf/nlmd

Simon Carmiggelt, 26 maart 1954. ‘Mijn vrouw uit de stukjes en mijn vrouw uit de werkelijkheid komen natuurlijk niet overeen. Men zei - na Hamlet - toch ook niet tegen Shakespeare: Wat hoor ik nou, heeft uw oom uw pa vergiftigd? De vinnigheid van mijn vrouw-op-papier heeft een technische achtergrond. Ik speel de rol van de dupe en voor de zwart-witwerking moet zij wel agressief zijn. Was ze in werkelijkheid zo, dan nam ik echt een andere’ (Carmiggelt in: Elseviers Weekblad, 31 maart 1962).
Foto Nico Jesse/Nederlands Fotoarchief nfa

Omslag van Nieuwe nonchalante notities (1954) van journalist/schrijver Jacques Gans (1907-1972). Gans leidde jarenlang in binnen- en buitenland (Parijs, Londen) een bohémienbestaan. In 1951 werd hij medewerker van de Haagse Post met een rubriek ‘Nonchalante notities’, die in 1953 onder dezelfde titel werden gebundeld. In 1955 werd hij columnist bij De Telegraaf. Omslagillustratie Van Looij/Collectie Koninklijke Bibliotheek

Marnix Gijsen (pseudoniem van J.A.A. Goris, 1899-1984) op het balkon van zijn woning aan de Fifth Avenue, New York 1954. Gijsen woonde sinds het uitbreken van de tweede wereldoorlog in de Verenigde Staten. Hij publiceerde in 1954 de roman De lange nacht en de verhalenbundel Wat de dag meebrengt. Zijn verhalen noemde hij ‘getransformeerde biografieën’. ‘Dat zijn allemaal dingen die ik beleefd heb of die ik van dichtbij gezien heb. Maar in het leven zijn de meeste dingen niet afgerond. De fictie dient in de roman om het geheel af te ronden. Ik vind het feit dat het autobiografisch is of fictief is niet van belang. Nu ben ik nog in leven, maar als ik vijftig jaar dood zal zijn, welk belang heeft dat dan of het een getuigenis is of een geromanceerde geschiedenis?’ (Gijsen in: Beroepsgeheim, 1975, p.309-310).
Collectie nlmd

Omslag (voor- en achterkant) van Bent u ook zo'n vader? van Henri Knap (1911-1986), een bundel grappige schetsen over het ouderschap. Knap gaf het boek een motto mee van Samuel Johnson: ‘Het is een kwellende overdenking voor een mens, een vergelijking te maken tussen wat hij heeft gedaan en wat hij had kunnen doen.’
Omslag ontwerp Charles Boost/Collectie nlmd

Inez van Dullemen (1925) debuteerde in 1949 met Ontmoeting met de andere. Er volgden nog twee novellen, Het wiel (1950) en Het verzuim (1954). Het verzuim werd in 1955 bekroond met de Prozaprijs van de Gemeente Amsterdam.
Foto Spaarnestad Fotoarchief

Albert Helman (pseudoniem van Lou Lichtveld, 1903) achter zijn bureau, 1954. Helman publiceerde in 1954 Spokendans. ‘De roman of novelle is gevaarlijk, je kunt niet clausuleren als in een filosofisch tractaat. Welbeschouwd spreken alle romanfiguren onzin, in die zin dat ze niet scherp definiëren. Maar dat is ook niet het doel van de roman, het doel is dat de lezer Anklang vindt, resonantie en afweer, zelfherkenning maar niet volledig - dan moest je hem zijn eigen leven vertellen. Het beste wat je bereiken kunt is dat de lezer zich een stuk van zijn eigen levensopvatting bewust wordt. Als parabel is de roman een prachtig middel’ (Helman in: Haagse Post, 24 maart 1979).
Foto anp/Spaarnestad Fotoarchief

Doorslag van een brief van A. Marja (pseudoniem van A.Th. Mooij, 1917-1964) aan Hans Warren, 5 augustus 1954. Marja refereert aan een artikel over Warren, door hem in de Wereldkroniek gepubliceerd. Warren schreef daarover in zijn Geheim dagboek 1954-1955: ‘Wat is mijn vader toch een eigenaardige man. Nog nooit heeft hij iets in me gewaardeerd of bij voorbeeld gezegd: “Het valt me van je mee, ik geloof dat je wat kunt.” Maar naar aanleiding van een onbeduidend artikel als dat van Marja in de Wereldkroniek van 31 juli zegt hij triomfantelijk: “We worden nog beroemd...” en hij laat het aan iedereen lezen’ (p.114). Een aantal van Marja's artikelen uit de Wereldkroniek werd in 1954 gebundeld in Buiten het boekje. Geschreven portretten van vrienden en vakgenoten. Warren (1921) publiceerde in 1954 de dichtbundels Vijf in je oog en Leeuw lente.
Collectie nlmd

Omslag van De familie Doorsnee (1954), indertijd Nederlands bekendste radio-feuilleton, waarvoor de teksten werden geschreven door Annie M.G. Schmidt (1911). De familie Doorsnee werd op 9 oktober 1954 door leerlingen van de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten vereerd met de Academie-prijs. Het hoorspel was van 13 oktober 1952 t/m 21 april 1958 wekelijks te beluisteren op de Vara-radio.
Omslagillustratie Wim Bijmoer/Particuliere collectie

Marie-Sophie Nathusius (1906) biedt de helpende hand op de Montessori kleuterschool in Amstelveen, september 1954. Nathusius, geboren in Amsterdam in een Duitsjoods gezin, volgde een balletopleiding in Zürich en Berlijn. Op haar drieëntwintigste stapte zij over naar het toneel, speelde veel in Duitsland maar keerde in 1933 vanwege het opkomend nazisme naar Nederland terug. Ze trouwde met acteur Jan Teulings, met wie ze in de oorlog naar Zwitserland vluchtte. Na de oorlog vertaalde ze veel toneelstukken en hoorspelen.
Nathusius debuteerde op haar achtenveertigste met de novelle De partner (1954), die lovend werd ontvangen en bekroond werd met de Prozaprijs van de Gemeente Amsterdam (1955).
Foto particuliere collectie/ nlmd

Annie M.G. Schmidt op bezoek bij haar ‘familie Doorsnee’ in de studio, 29 augustus 1953. Van links naar rechts Wim Ibo, initiatiefnemer en regisseur van het hoorspel; Hetty Blok, die de rol van Sjaantje van Alles vervulde; Cees Laseur, die samen met Sophie Stein voor de rol van het ouderpaar Theo en Mien tekende en Annie M.G. Schmidt, die bijna zes jaar lang de teksten van deze succesvolle serie schreef. Schmidt publiceerde in 1954 nog een bundel gedichten voor volwassenen, Weer of geen weer. Ook verscheen er - natuurlijk - van haar het nodige voor de jeugd: De lapjeskat (met illustraties van Wim Bijmoer) en De groe-ten van Jip en Jan-neke (met illustraties van Fiep Westendorp).
Foto Frits Gerritsen/nlmd