terug  begin  verderprepost
[p. 96]

De schrijvers van detectives in beeld



illustratie
W.H. van Eemlandt (pseudoniem van W.H. Haasse, 1889-1955) links en Willem van Iependaal (pseudoniem van Willem van der Kulk, 1891-1970), 1955. Van Iependaal ergerde zich dusdanig aan de boeken van Hendrik Voordewind (De commissaris vertelt, De commissaris vertelt verder en De commissaris vertelt door) dat hij zich genoodzaakt zag tot de ‘snaakse’ reactie De commissaris kan me nog meer vertellen (1951). Foto Ben van Meerendonk/ ahf/Stichting iisg/nlmd



illustratie
Omslag van Een Rubens op drift, een verhaal waarmee Van Eemlandt zijn tijd vooruit was. Een schilderijendiefstal uit het Rijksmuseum in opdracht van een miljonair. Het boek is opgedragen aan zijn vrouw.
Omslagontwerp Doeve/Particuliere collectie




illustratie
Omslag van Dood in schemer van W.H. van Eemlandt. Van Eemlandt debuteerde op vierenzestigjarige leeftijd met Arabeske in purper (1953). De door hem geïntroduceerde ‘speurder’, commissaris Aart van Houthem, zou drie jaar lang in maar liefst twaalf boeken misdaden oplossen. Hij werd in zijn werk zo levensecht beschreven dat Van Eemlandt door politiekorpsen in den lande regelmatig werd uitgenodigd om lezingen te geven over de misdaadbestrijding.
Omslagontwerp Doeve/ Particuliere collectie


[p. 97]



illustratie
Oud-politiecommissaris Hendrik Voordewind (1887-1972). ‘“Schrijf een boek over je belevenissen; niemand weet zoveel van de onderwereld als jij”, zeiden vrienden van commissaris Voordewind [...] Commissaris Voordewind gaf weliswaar elke uitgever nul op het rekest, maar toen er één juist een kop thee langer bleef zitten dan zijn voorgangers zei hij toch ja. [...] “Ik timmerde er op mijn machine een stelletje verhalen uit in procesverbaal-stijl en zond de kopij ongecorrigeerd naar zijn huis.” Het boek kwam nog uit ook. “Hoeveel denk je dat ik er verkocht heb?” vroeg de uitgever een maand later door de telefoon. “Vijftig”, zei de commissaris. Het bleef stil aan de andere kant. “Nou, misschien vijfentwintig.” “Tweeduizend”, klonk het juichend uit de hoorn. Toen was het hek van de dam. “Ik heb mijn geld nog nooit zo makkelijk verdiend,” vertelt de commissaris’ (De Tijd, 3 augustus 1957).
Foto Particam Pictures/Henk Jonker/Spaarnestad Fotoarchief




illustratie
Omslag van IJsvogel en de rebel (1954) van Bob van Oyen (pseudoniem van Jan van Beek, 1919). Van Oyen debuteerde in 1953 in de misdaadliteratuur met Na afloop moord, dat bekroond werd in de detectiveprijsvraag van Bruna. In zijn boeken introduceerde hij kapitein Victor IJsvogel van de Koninklijke Nederlandse Marechaussee. ‘Het aantal boeken over deze originele speurder bleef maar tot vijf beperkt, maar de omgeving waarin ze spelen en de gekruide taal die er soms in gebezigd wordt, bewijzen dat er inmiddels in het Nederlandse detectivewereldje iets veranderd was’ (Jan C. Roosendaal in: Moord en doodslag, p. 250).
Omslagontwerp Dick Bruna/ Particuliere collectie




illustratie
Omslag van Vrijwel op slag (1953) van C. Buddingh' (1918-1985). Buddingh' schreef het artikel ‘De Nederlandse detectiveroman’ (in: Vandaag ii, oktober 1954), waarin hij het genre in het algemeen én een aantal Nederlandse auteurs in het bijzonder zeer kritisch bespreekt. ‘De Nederlandse detective hoort, wil zij een eigen sfeer en karakter hebben, m.i. in een Nederlandse omgeving, onder Nederlandse mensen te spelen, en de door een Nederlander gepleegde moord tot klaarheid worden gebracht.’
Omslagontwerp Dick Bruna/ Particuliere collectie


[p. 98]



illustratie



illustratie
Hildegard Saskia Monsma (1906-1964), bovenste foto, en Margrete Anna Wierdels-Monsma (1892-1964) zijn getuige van het huwelijk van Hildes dochter. Onder haar eigen naam schreef Margrete Wierdels-Monsma in de tweede helft van de jaren veertig twee historische romans, Klokke Roeland (1946) en Het lachen van Dionusios (1949). Geen van beide dames wilde tijdens hun leven hun pseudoniem prijsgeven. Het resultaat was een dubbelleven van bijna veertien jaar. ‘Als er plotseling bezoek kwam, terwijl Marga nog zat te schrijven, rekte Hilda de ontvangst in de hal tot haar zuster het papier uit de machine gerukt en met de rest van het manuscript in een la had geveegd’ (Haagse Post, 2 mei 1964).
Particuliere collectie/nlmd


[p. 99]



illustratie
Omslag van Koffie verkeerd van Martin Mons. Aanvankelijk had de uitgever bezwaar tegen de titel aangezien men bij ‘koffie verkeerd’ niet direct aan een detectiveroman zou denken. De dames Monsma hielden echter vast (‘ze waren bepaald koppig bij de correctie’), zoals in een brief van Hilde Monsma aan Sijthoff te lezen is: ‘De titel zou ik liever zo laten. Er bestaat een detectiveverhaal van Wilkie Collins, een verhaal dat tot de klassieken op dit gebied wordt gerekend en dat is getiteld: the biter bit. Tegen deze titel zou haast in nog grotere mate het bezwaar gelden dat de firma Sijthoff oppert tegen koffie verkeerd, ik heb echter van een dergelijk bezwaar nog nooit horen reppen’ (1 juni 1954 / collectie ub Leiden).
Omslagontwerp E. Wijnans/ Collectie Intermedia bv




illustratie
Brief van Hilde Monsma aan de heer Waasdorp van uitgeverij Sijthoff over aanvullende honoraria voor een aantal detectiveromans, 24 juli 1954. De carnavalsmoord, het debuut van de zusters Monsma, verscheen in 1952. Het boek ontstond uit een soort weddenschap. ‘Marga meende dat iedereen met een beetje verstand wel een detective zou kunnen schrijven’ (Haagse Post, 2 mei 1964).
Collectie Universiteitsbibliotheek Leiden


[p. 100]



illustratie
Omslag van Het mysterie van Marck en Bismarck van Lennart van Vlaardingen. De detectiveroman verscheen als deel 2 in de Widétet-Reeks van uitgeverij Strengholt.
Omslagontwerp Frans Mettes/ Particuliere collectie




illustratie
Omslag van Circus Mikkenie, de vijfentwintigste Havank. Het boek is opgedragen aan Frans Mikkenie, de directeur van het Nationale Nederlandse Circus, en zijn vrouw Vibeke. Mikkenie overleed op 25 juli 1954. Kwade tongen beweerden na publikatie dat Havank zijn pen meer in de alcohol dan in de inkt had gedoopt. De schrijver zelf vertrouwde een van zijn vrienden toe: ‘Als detective is het natuurlijk een rotboek, maar toch hecht ik eraan omdat het in Leeuwarden speelt’ (In de schaduw van Havank, p. 47). Omslagontwerp Dick Bruna/ Particuliere collectie.



illustratie
Josine Reuling (1899-1962) leidde tijdens haar jeugd een zwervend bestaan; haar ouders waren operazangers die voornamelijk in Frankrijk en Rusland werkten. In 1916 keerde zij met haar vader - haar moeder was inmiddels overleden - terug naar Nederland. Tijdens de tweede wereldoorlog verbleef zij in het zuidwesten van Frankrijk. De ervaringen die zij in het buitenland opdeed verwerkte zij in verschillende romans. Ook schreef zij een paar kinderboeken. Voor haar detectiveroman Poeder en parels (1953) kreeg zij de troostprijs in de detectiveprijsvraag van Bruna. In een interview met Marijke van Raephorst vertelt ze: ‘[...] voor dat genre ben ik blijkbaar niet in de wieg gelegd. Toen ik het oude tantetje moest laten vermoorden vond ik dat zó ellendig dat ik haar maar liet leven... Nu noemde een vriend criticus het “een jongensboek met een moraal”!’ (Libelle 1955, nr. 13, p.12).
Foto Spaarnestad Fotoarchief


[p. 101]



illustratie
Havank (pseudoniem van H.F. van der Kallen, 1904-1964) poserend met zijn echtgenote Cynthia Isobel Trevor Vickers en poedel Nicholas Nickleby, 20 februari 1953. De poedel, genoemd naar een personage van de door Havank zeer bewonderde Dickens, betekende alles voor de schrijver, ‘zeker in de jaren dat hij, zoals hij zelf eens zei, door “God, alleman en Cynthia” verlaten was. [Havank en zijn Engelse vrouw leefden jarenlang gescheiden van elkaar.] De langdurige ziekte van Nicko, zoals de troetelnaam van het dier was, moet Havank schatten geld hebben gekost. Hij is er namelijk, toen een Leeuwarder dierenarts geen heil meer zag in verdere behandeling, vele malen per trein mee op en neer naar de veeartsenijkliniek in Utrecht gereisd. Zonder resultaat: Nicko bleek niet te redden’ (In de schaduw van Havank, p.51). Het beestje overleed op 28 april 1958 en werd begraven op Dekema State te Jelsum bij Leeuwarden. Foto Ben van Meerendonk/ahf/Stichting iisg/nlmd

[p. 102]



illustratie
Omslag van Parels voor Nadra (1953) van Joop van den Broek (1926). Van den Broek ontving voor deze detectiveroman de eerste prijs in de in 1952 door uitgeverij Bruna uitgeschreven prijsvraag voor misdaadverhalen. ‘Er waren honderdnegenenzestig inzenders, er zaten daar ook nog wat bekende schrijvers uit die tijd bij, die dachten, die tweeduizend gulden, dat doe ik wel even. Om me te verrassen stuurden ze het telegram dat ik de eerste prijs had op Sinterklaasavond. Ik woonde toen in Rotterdam. Maar er hadden al zoveel zwarte jongetjes gebeld om pepernoten naar binnen te gooien dat we niet meer opendeden, dus ik vond het telegram pas de volgende dag’ (Vrij Nederland, 18 oktober 1982).
Particuliere collectie




illustratie
Omslag van Passagiers voor Casablanca (1954) van Joop van den Broek. Evenals in Parels voor Nadra is hier de ‘speurder’ de fotograaf Lex van der Tuyn-Walema. ‘Volgens handboeken heb ik met Van der Tuyn in Nederland de antiheld geïntroduceerd. Hij wordt inderdaad nogal eens op zijn bek geslagen. Maar die opvatting komt voort uit het feit dat Van der Tuyn wil weten wat wáár is, en dan niet in de zin van het Wetboek van Strafrecht’ (Vrij Nederland, 18 oktober 1982). Eveneens in 1954 verscheen van Van den Broek Oponthoud in Rome, ditmaal met hoofdpersoon Nick Tebra. Omslagontwerp Dick Bruna/Particuliere collectie



illustratie
Foto van Joop van den Broek op de achterkant van Parels voor Nadra. ‘Mijn eerste boeken verschenen nog met een hard kaftje, als Boek van de Maand. Die kosten ƒ 2,50. Een paar jaar later werden het Zwarte Beertjes, die kosten ƒ 1,50. Daarvan kreeg Joop van den Broek vijf procent. Schandelijk weinig? Achteraf is dat zo. Maar ik heb nog heerlijke herinneringen aan de oude Abs Bruna. Wat je tekort kreeg aan honorarium dat kreeg je in feesten en cadeau's’ (Vrij Nederland, 18 oktober 1982).
Particuliere collectie


[p. 103]



illustratie
‘Propagandist van de misdaadliteratuur’ Ab Visser schreef in 1953 de detective Uitnodiging tot moord. ‘In zeer geringe mate is het boek ook een persiflage op het speurdersverhaal - o.m. door de in navolging van Agatha Christie boven elk hoofdstuk geplaatste coupletjes uit bakerrijmen, welke hier een zekere ironische functie vervullen’ (Buddingh' in: Vandaag ii, p.242).
Foto Edith Visser/Collectie nlmd




illustratie
Omslag van Een kogel voor Oedipus van Tjalling Dix (pseudoniem van prof. dr. Libbe Gerrit van der Wal, 1901-1973). Een van de ‘professoren-detectives’ in ons land, met inspecteur Joris de Corthe als speurder. De Corthe figureert eveneens in Dix' tweede detective Moord op het eindexamen (1957). Een kogel voor Oedipus ‘lijkt mij een van de beste Nederlandse speurdersromans, welke tot nog toe het licht zagen en ook een van de mooiste voorbeelden volgens welke het genre zich te onzent gunstig zou kunnen ontwikkelen.’ We krijgen ‘een verrassende en toch volkomen gefundeerde oplossing, terwijl de schrijver bovendien volkomen “fair” heeft gespeeld’, dat wil dus zeggen dat we zelf de dader hadden kunnen aanwijzen als we maar snugger genoeg waren geweest. ‘Ik hoop dan ook dat Tjalling Dix nog menig uurtje aan zijn professorale werkzaamheden zal kunnen onttrekken, om ons op meerdere crime stories van dit niveau te vergasten’ (Buddingh' in: Vandaag ii, p.240).
Particuliere collectie




illustratie
Omslag van De kat kwam weer (1953) van Rico Bulthuis (1911). Auteur, journalist en poppenspeler Bulthuis schreef de detective eigenlijk bij wijze van grap in de maanden oktober-december 1951. Inspecteur Paul Piquet figureert ook in het in 1952 gepubliceerde De klokkenmaker van Budapest. Bulthuis publiceerde naast romans ook scenario's voor het poppentheater en studies over de geschiedenis en theorie van het poppenspel. Over zijn vriend en collega-auteur Johan Fabricius schreef hij in 1959 een biografie.
Particuliere collectie


prepostterug  begin  verder