Het eerste wat ik van Annie gelezen heb - eigenlijk moet je geloof ik schrijven het eerste dat, maar ik voel me lekkerder bij het eerste wat. Alles wat ik schrijf wordt gecensureerd, dus je hebt kans dat het uiteindelijk toch het eerste dat wordt - het eerste dus wat ik van Annie gelezen heb waren de Impressies van een simpele ziel. Dat waren stukjes in Het Parool, voor het eerst gebundeld in februari 1951. Ze zullen dus in 1948 of 1949 in de krant hebben gestaan.
Wat mij in die stukjes trof was dat ze in het Nederlands geschreven waren. Dat komt in Nederland bijna niet voor. Je kunt bij wijze van spreken de verzamelde werken van Vestdijk doorlezen en je zult daarbij zelden op een echte Nederlandse zin stuiten. Het zijn neutrale zinnen, die net zo goed Franse, Duitse of Engelse zinnen zouden kunnen zijn. Ik ken bij Vestdijk eigenlijk maar één echte Nederlandse zin. Dat is de zin ‘Zwijg als je tegen me spreekt!’, uitgesproken door een moeder tegen haar zoon in Else Böhler, Duits dienstmeisje.
In de Impressies van Annie kwam je voortdurend van die echte Nederlandse zinnen tegen, zinnen die je je onmogelijk in het Frans, Duits of Engels kon

Dominee J.D. Schmidt en G.M. Schmidt-Bouhuijs, de ouders van Annie M.G. Schmidt, met de tuinman en de dienstbode in de tuin van de pastorie te Kapelle, Zuid-Beveland, ± 1910.

Annie M.G. Schmidt werd geboren op 20 mei 1911. Op deze foto is ze ongeveer acht jaar oud. Rechts van Annie de dienstbode Wanne in Zeeuws kostuum.
voorstellen, zoals ‘Ik heb altijd van dat moeilijke haar gehad. Als kind had ik al van dat moeilijke haar. Mijn zuster heeft van dat makkelijke haar.’ Of ‘Eet nou door, zo meteen staan ze op de stoep en boven ligt een schoon overhemd voor je.’
Je zegt misschien: dit is gewone spreektaal, en dat is ook zo. Maar Annie kan niet alleen met spreektaal wonderen doen. Ze schrijft ook: ‘Mijn beeldschone verloofde is onder een sneltrein geraakt en ik kan haar nooit vergeten.’ Of (over de heldin van een kasteel- of doktersroman): ‘Zij is niet mooi. Haar trekken zijn zelfs onregelmatig te noemen.’ Of (over een hospita): ‘Ze gluurt, ook al is het haar aard niet, want het is haar vak.’
Goed is ook deze, over de ‘psychologisch-pedagogische’ rubriek van een damesblad: ‘Jokt uw kleine wel eens? Gaat opa wel eens alleen naar de bioscoop?’ Vooral die opa is goed. Je zou niet weten wat ertegen is als hij af en toe eens naar de bioscoop gaat, maar je voelt hoe die bioscoopgang voor de lezeres van Libelle iets onheilspellends heeft en haar naar hulp doet zoeken in die rubriek.
‘Toen we helemaal boven op die berg waren, kon je me wel uitwringen, maar weet je wat zo énig was?’ Zo'n zin vind je niet bij Vestdijk.
Bij herlezing van die Impressies heb ik ook de zin teruggevonden, die destijds, in 1948 of 1949, diepe indruk op me gemaakt heeft. Zeer diepe indruk, mag ik wel zeggen, en ik weet nog steeds niet waarom. Dat stukje heet ‘De psychologie van het damestoilet’. Annie vertelt in dat stuk dat een vrouw die in een café in een moeilijk gesprek gewikkeld is, in het damestoilet een rustpunt vindt, een ‘retirade pour mieux sauter’. ‘Even voor de spiegel staan en zachtjes zeggen: Ha, daar ben ik, dag meid, wees niet te voortvarend!’
Ik weet nog hoe diep ik onder de indruk was van dat ‘ha, daar ben ik, dag meid’. Een stuk van mijn wereldbeschouwing stortte in elkaar. Ik kreeg het gevoel van iemand die op het punt staat zich af te vragen, waar precies zijn leven een verkeerde wending heeft genomen. Veertig jaar nadenken over de vraag waarom dat zinnetje mij zo aangreep, heeft mij geen stap dichter bij een antwoord
gebracht. Zelf heb ik nooit ‘ha, daar ben ik’ gedacht als ik in de spiegel keek. Ik dacht en denk altijd: ‘Daar heb je die zak weer.’ Maar daar gaat het niet om.
Nu we toch over oude tijden spreken: het is bekend dat je in de straten van Nederland een kanon kon afschieten als De familie Doorsnee werd uitgezonden. Of het waar is van dat kanon weet ik niet, want niemand haalde het in zijn hoofd om bij de luidspreker weg te gaan en op straat te kijken. Van die serie herinner ik me, behalve de eerste regel van het beroemde lied ‘Ik ben Ali Cyaankali’ een scène waarin de familie Doorsnee zich opmaakt om naar de schouwburg te gaan. Vader Doorsnee werd gespeeld door Cees (spreek uit: Sees) Laseur. En toevallig blijkt dat een zekere Cees Laseur meespeelt in het stuk dat de familie wil gaan zien. Vader Doorsnee heeft niet zoveel zin. Hij moppert: ‘Cees. Cees. Wie heet er nou Cees.’
Dat is een heel eenvoudige vondst. Maar ik ben hem in de wereldliteratuur nergens anders tegengekomen. Dus laat ons zeggen een Nederlands stuk uit 1950, waarin als het doek opgaat Jansen, gespeeld door Albert van Dalsum, met zijn vrouw uit de Gijsbrecht thuiskomt en bij het uittrekken van zijn jas zegt: ‘Hoe vond jij die Van Dalsum nou? Ik vond dat hij het er wel erg dik op lei.’
Er is nog een derde ding dat diepe indruk op mij gemaakt heeft. Dat was bij de musical De dader heeft het gedaan. Tegen het eind heb je daar op het toneel een rond tafeltje, en aan dat tafeltje zitten een slechte man, ik geloof een dokter of een tandarts, en een zeer haaie, zeer gisse, zeer snelle en buitengewoon elegante dame. Op dat tafeltje staan twee kopjes koffie. Het kunnen ook twee glaasjes sherry geweest zijn. Eentje voor de slechte man, eentje voor de elegante dame.
Nu begrijp je al wat er gaat gebeuren: de slechte man doet vergif in het kopje of het glas - laten we nu maar zeggen het kopje - van de dame. De dame merkt dat en verwisselt als de man even niet oplet de kopjes.
Een vulgair gegeven, dat je misschien al bij Shakespeare vindt. Maar nu. Je zou verwachten dat

Annie M.G. Schmidt, ± 1941. In 1932 begon Annie M.G. Schmidt met een opleiding voor bibliothecaresse. Vanaf 1936 was ze werkzaam in de bekende Nutskinderleeszaal in de Wijde Steeg te Amsterdam. In 1941 werd ze directeur van de Openbare Leeszaal in Vlissingen.

Brief van Annie M.G. Schmidt, directeur van de plaatselijke Openbare Leeszaal, aan het College van Burgemeester en Wethouders van Vlissingen, d.d. 30 april 1945. Ze pleit voor het inrichten van een leeszaaltje voor kinderen.
die slechte man een tablet vergif in dat kopje laat vallen, of, iets ouderwetser, uit een klein flesje het vergif in dat kopje giet. Maar nee. Hij opent een keukenkastje, haalt daar een zoutvaatje uit en strooit daaruit het vergif in het kopje. Een prachtige vondst, want bij vergiftiging denk je altijd aan de zin ‘zij strooide arsenicum over zijn eten’, en bij ‘strooien’ denk je aan dat zoutvaatje, maar dat is een kinderachtige gedachte, en je denkt gauw weer aan een tablet of een flesje. Hier treedt dat zoutvaatje voor het eerst vrij op.
Maar nu! De elegante dame, uiteraard gespeeld door Conny Stuart, zit met haar benen over elkaar, half van dat tafeltje af naar ons toegekeerd, en kan onmogelijk met haar hand bij het kopje van de slechte man komen. En toch moet zij dat kopje pakken en met haar eigen kopje, waar dat vergif in zit, verwisselen.
Hier raakte ik, in Carré, in dezelfde benauwdheid die mij ook altijd beving in de Stadsschouwburg op het eind van de Gijsbrecht: alles lijkt verloren. De vluchtwegen zijn versperd, het ziet ernaar uit dat

openbare leeszaal / en bibliotheek / Vlissingen / Bella-mypark 43 / Vlissingen, 30 april 1945 / [Nadere inlichtingen / verzoeken / Afgedaan / VD.] / Aan / Edelachtbare Heeren burgemeester / en Wethouders der Gemeente Vlissingen. / Ondergeteekende, A.M.G. Schmidt, / directrice der openbare Leeszaal en Bibliotheek alhier / wendt zich tot Uw college met het volgende: / De ongeregelde schooltijden en de / beperkte speelterreinen in onze stad doen de behoefte / voelen aan goede ontspanning voor de jeugd. / Een van de middelen om aan deze / behoefte te voldoen is het inrichten van een / kinderleeszaaltje, een plaats dus, waar aan kinderen / in een rustige omgeving onder deskundige leiding / gelegenheid wordt gegeven tot het lezen van goede / lectuur. / Weliswaar heeft de openbare Leeszaal / hier ter stede een afdeeling voor kinderen doch deze / afdeeling was tot nu toe ondergebracht in een deel van / de studiezaal hetgeen aanleiding gaf tot beswaren. / Een kleine zaal achter de leeszaalruimte/ kan thans als kinderleeszaal worden ingericht / en reeds is aan dit plan een begin van uitvoering / gegeven. Maar het blijkt dat dit kosten met zich / mede zal brengen waarvan te vreezen is dat zij de / financieele draagkracht der leeszaal te boven zullen gaan. // In Middelburg wordt een kinderleeszaal / ingericht onder auspicieën van de Zeeuwsche / Volksuniversiteit. De daarvoor bestemde localiteit / wordt in orde gebracht door de gemeente Middelburg. / Gelet op het feit dat een op deskundige wijze / ingerichte jeugdleeszaal wel tot de speciale / gemeentebelangen behoort, vindt ondergeteekende / in het hierboven genoemde reden van Uw college / te mogen verzoeken wel Uwe medewerking te / willen verleenen opdat uit de gemeentefinancieën / steun verleend worde bij de uitvoering van boven- / genoemd plan. / 't Welk doende enz. / A.M.G. Schmidt / Directrice Openbare Leeszaal / en Bibliotheek / Vlissingen.
heer Gijselbrecht dezelfde weg op zal gaan als vader Gozewijn en een hele rij Klarissen. Dat gaat nooit goed, dacht ik op dat punt altijd, straks wordt hij aan het zwaard geregen. Maar zo loopt de Gijsbrecht niet af! Dat kan niet! Hij moet gered worden op het eind. Maar hoe in godsnaam? Iedere keer - tussen twee keren gingen vaak enkele jaren voorbij - kwam de engel Gabriël voor mij als een verrassing.
Zo ging het nu ook. Op het moment dat er niets meer aan te doen leek - de schurk stond op het punt om ‘Cheers!’ te zeggen of ‘Here's to crime!’ en

Annie M.G. Schmidt debuteerde in november 1938 in Opwaartsche wegen met het gedicht ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten...’, later ook wel getiteld ‘Leeszaal’. Het gedicht werd op 25 oktober 1946 opnieuw gepubliceerd in het tijdschrift voor de jeugd Ruim baan. Ruim baan (1945-1946) stond onder redactie van Henriëtte van Eyk, Wim Hora Adema en A. Viruly. De tekening is van Bep Wagner.
Conny Stuart had dat kopje al bijna in de hand, en dat kopje van de schurk staat veel te ver weg - zet ze met een ongelooflijk elegant gebaar haar wijsvinger op het tafelblad en laat zij dat tafelblad een halve slag draaien. Ze doet dat als de schurk net even niet kijkt. Allebei nemen ze een flinke slok en de schurk is er geweest. Doek.
Maar misschien hebben die twee dingen: dat zoutvaatje en dat ronddraaiende tafelblad, niets met Annie te maken? Misschien heeft de regisseur dat bedacht? Dat kan wel zijn, maar ik zet die twee dingen op het conto van Annie: als je tekst goed genoeg is, vallen sommige andere dingen vanzelf op hun plaats.