Hoe leg je Annie M.G. Schmidt aan een buitenlander uit?
Je begint te vertellen hoe ze na de oorlog het stof van braafheid en gezapigheid uit de Nederlandse jeugdliteratuur wegblies en hoe zij de toon zette voor de komende decennia. Wat haar betreft zouden de klanken luchtig zijn, met regelmatig een dissonant, waar het publiek rechtop van in de stoel zou schieten. Uiteraard heb je het over humor en verbeeldingskracht, over verzet tegen autoriteit en burgermoraal en over literair vakvrouwschap, en het is moeilijk om een hiërarchie aan te brengen in de epitheta dwars, onconventioneel, oorspronkelijk, nuchter, ironisch en anarchistisch. Je vermeldt haar grote en durende populariteit, somt alle prijzen en onderscheidingen op en schetst als klap op de vuurpijl hoe zelfs die volwassenen die het kinderboek beschouwen als het te verwaarlozen speelhoekje van de literatuur, de schrijfster met eerbied en waardering behandelen.
Zal de arme, onwetende buitenlander er wijzer van worden?
De beste uitleg zou uiteraard te vinden zijn in een stapel boeken, maar echt hoog is die niet, in verhouding tot het belang dat wij als Nederlanders aan het werk van Annie Schmidt hechten. We hebben bij voorbeeld Jip en Janneke in het Arabisch en Waaidorp in het Tsjechisch te bieden (A.M.G. heet daar Schmitova). Wiplala is er in verschillende talen, waaronder Grieks (in transcriptie: Ho kurios Gop-lala) en het meest verspreid is Minoes in acht talen: Zweeds, Noors, Spaans, Catalaans, Duits, Italiaans, Grieks en Frans (Cette mystérieuse Minouche). Pluk van de Petteflet, Otje en Heksen en zo bestaan echter alleen in het Spaans en het Duits. Het zal misschien opvallen dat de grote afwezige het Engels is. Er bestaan wel oude vertalingen van Jip en Janneke, Abeltje, Floddertje en Waaidorp, maar daaruit zal de lezer een wazig en incompleet beeld van Annie Schmidt krijgen.
De auteur beklaagde zich daar zelf al over, toen haar in 1988 in Oslo de belangrijkste internationale onderscheiding op kinderboekengebied, de Hans Christian Andersenprijs werd uitgereikt. Zij sprak

Brief van Annie M.G. Schmidt, d.d. 16 maart 1956, aan A.Th. Mooij (Theo), beter bekend onder zijn pseudoniem A. Marja. In de oorlog zat Mooij in Yerseke op Zuid-Beveland, niet ver van Kapelle, waar de vader van Schmidt dominee was. Zelf was ze toen bibliothecaresse in Vlissingen.
16 maart '56 / Lieve Theo, / Wat was ik ontroerd door je / stukje over mijn vader! Ik was / er honderdmaal blijer mee dan / met welke critiek dan ook. / Hartelijk dank; ik heb het ook aan / mijn moeder gestuurd, die nu weer / in Kapelle woont bij haar oude / gedienstige. Ik kreeg namelijk / uit alle windstreken het stukje / toegestuurd. Afgezien van de ‘vader’ kwestie vond ik het een / prachtig artikel. / Je moet eens 'n keer aankomen. Zo ver / zit je niet van me vandaan! Gaat het / je goed? Ik lees wel eens wat van je / en ik houd altijd nog erg van je / gedichten. Maar ik ben zelf op / 't moment vergaand in de broodschrijverij / werk me rot aan alle opdrachten en voor / de rest heb ik alleen contact met twee of / drie Parool-mensen, verder zit ik thuis / bij m'n man en m'n jongetje en ben een / saaie grijze huismus. / Ben je weer getrouwd? Nou ik hoop / het allemaal eens uitvoeriger te horen. / Dag. En tot ziens. En je stukje / over mijn vader bewaar ik zorgvuldig / ten eeuwigen dage. Liefs van je / Annie
bij die gelegenheid een origineel en geestig dankwoord uit, in de vorm van een brief aan Andersen, waaruit ik het hier van belang zijnde citeer: ‘It is a bit curious and frustrating to make a speech in English, when my best books are not available in that language. The international jury had to read my work in German or Japanese or Danish, perhaps to their irritation. The Dutch ibby (International Board of Books for Young People) kept saying: O, she's very popular in Holland. So is football, the jury replied, but because she is on the nomination list since 1960, we'll take the risk. And so they did.’ Terzijde zij opgemerkt dat het dankwoord zelf een uiterst beknopte, maar treffende kennismaking biedt met Annie Schmidts schrijf- en denkwijze.
Het is interessant om uit deze paar regels af te leiden welke boeken de schrijfster zelf als haar beste beschouwt. Afgaande op de lijst van (ontbrekende) vertalingen zouden dat dus Wiplala, Minoes, Pluk van de Petteflet, Heksen en zo en Otje zijn. Persoonlijk zou ik elke buitenlander in welke taal dan ook in de eerste plaats willen laten kennis maken met de kinderversjes. Daar ligt voor mij de kern van het werk. Daar is de toon gezet, het vak geleerd en de basis gelegd, waarop Schmidts oeuvre verankerd ligt in de Nederlandse cultuur. Tussen 1950 en 1960 - overigens ook de tijd van De familie Doorsnee en Pension Hommeles - werden meer dan driehonderd kindergedichten geschreven, in 1987 verzameld in de kloeke, finale bundel Ziezo. Maar ja... tante Trui en tante Toosje met thee en beschuitjes op de canapee, Heldere Griet die het Haarlems mannenkoor door de chloor haalt, juffrouw Van Lije uit Hillegersberg die haar leven wijdt aan het breien van slobbroekjes, Arie Zurezult uit Wassenaar die in de oudejaarsnacht het hele huis opblaast - ‘het was een klap die men kon horen / tot in de buurt van Apeldoren’ - en het fijnbesnaarde paard uit Dedemsvaart, dat zo mooi viool kan spelen: Hollandser kan het niet! Toch zijn er, o wonder, van deze verzen tweeënveertig in het Engels vertaald, die onder de titel Pink Lemonade in 1981 verschenen bij de Amerikaanse uitgeverij




Wm. B. Eerdmans. Als veel belangrijks in het leven gebeurde het bij toeval.
De vertaalster Henrietta ten Harmsel werd in 1922 in Amerika geboren als kind van emigrantenouders. Tot 1985 was zij hoogleraar Engels aan het Calvin College (een soort Amerikaanse Vrije aniversiteit) in Grand Rapids, Michigan. Zij promoveerde op Jane Austen, schreef een boek over Revius en vertaalde naast zijn poëzie ook gedichten van Jeremias de Decker en sonnetten van P.C. Hooft. Hiervoor ontving ze in 1985 de Martinus Nijhoff-prijs. Toen de vertaalster eens zeeën van tijd had vanwege een gebroken voet - lang leve de gebroken voeten, daar hebben we ook Pippi Langkous aan te danken - probeerde ze voor haar plezier iets heel anders dan haar zeventiende-eeuwse poëten. Annie Schmidt bleek enthousiast over het resultaat en zo ontstond Pink Lemonade in een oplage van tienduizend exemplaren, die inmiddels uitverkocht zijn. De uitgeefster overweegt een herdruk. Voor vertaalde poëzie van een in Amerika onbekende dichter lijkt dat geen slecht resultaat.
De Nederlander die met Annie Schmidt is groot geworden en die Pink Lemonade in handen krijgt laat het er van schrik haast weer uit vallen. Groot worden met Annie Schmidts versjes betekent namelijk ook dat de zwarte, enigszins hobbelige en eigenzinnige lijnen van Wim Bijmoer op het netvlies gegrift staan. Wie de bekende regels hoort ziet onmiddellijk de kleine, naar het karikaturale neigende tekeningen, met een voorliefde voor uitgesproken neuspartijen. Hij ziet groothoofdige kindertjes, opgedirkte koningen en koninginnen, bolle mevrouwen met brede boezem en paarden met langgerekte hoofden. Bij Pink Lemonade is het titelgedicht bepalend voor de kleur van de als prentenboek uitgegeven bundel. Op het druk versierde omslag knalt je van een roze vlak de boektitel tegemoet in het geelst denkbare geel. Het binnenwerk is per dubbele pagina om en om uitgevoerd in full colour en zwart-wit met zeer roze steunkleur. Ook illustratrice Linda Cares houdt van karikaturale accenten, die haar werk qua lijn vaart

‘Uit met juffrouw Knoops’ is een verhaal van Schmidt, dat voor het eerst in 1955 werd gepubliceerd in de door haar samengestelde bloemlezing De Ark. Juffrouw Knoops heeft een hoed met een voile en een halsbontje van rode vos. De illustratie is van Jenny Dalenoord.

In 1989 werd Uit met juffrouw Knoops afzonderlijk uitgegeven, nu met kleurillustraties van Fiep Westendorp. ‘Je zou zeggen dat de vos leefde.’
en humor geven. Op de vierkleurenpagina's ontstaat er echter zo'n woeste hutspot - die het midden houdt tussen Mexicaanse en Oosteuropese volkskunst - dat de lust tot lezen je tijdelijk vergaat.

Vóór de vraag naar het hoe van de vertaling komt de minstens zo belangrijke vraag naar het wat. Ziezo draagt als ondertitel: De 347 kinderversjes. Dat is de omvang die Annie Schmidt zelf vaststelde voor het ‘corpus’ van haar gedichten voor kinderen, toen Tine van Buul en Reinold Kuipers de bundel samenstelden. Henrietta ten Harmsel vertaalde er tweeënveertig van en bepaalde daarmee Schmidts gezicht in Amerika. In een vraaggesprek met Vrij Nederland geeft de vertaalster haar visie op het werk waar ze zich mee bezighield: ‘Die kindergedichten zijn allemaal integer. Ze zijn “sound”, ze zeggen iets over het leven dat klopt, dat goed is. Kindergedichten moeten opvoedend zijn, jazeker, maar zo dat de kinderen het niet merken [...] Het hoeft niet altijd een boodschap te zijn. Het moet iets zijn over hoe de wereld in elkaar zit, hoe het gaat in het leven en hoe gek andere mensen soms zijn. Niet over hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn, maar hoe zij is. Annie Schmidt heeft altijd iets goeds te zeggen voor het leven in haar gedichten en verhaaltjes, een soort spirit for life.’.
Ten Harmsel geeft als keuzecriterium de vertaalbaarheid aan en hield zich voor dat Amerikaanse kinderen de versjes leuk moesten vinden. Dientengevolge zijn alle bundeltjes vertegenwoordigd, maar is Het beertje Pippeloentje integraal afgevallen, want ‘het heeft niets in het Engels’. Het lijkt me waarschijnlijk dat hier mede een leeftijdscriterium gespeeld heeft. Ook in het Nederlands vormt het beertje-met-de-pet in het totaal van het oeuvre een soort eilandje van eenvoud, dierbaarheid en intimiteit, waar het vooral voor de allerkleinsten goed toeven is. Binnen het verzameld werk voor de verzamelde lezers heeft Pippeloen uiteraard zijn plekje. Een keuze die beoogt de auteur te introduceren zoekt nog een lezerspubliek, probeert zich daarop te richten en wil dus de leeftijden niet te sterk uiteen laten lopen.
Door Ten Harmsels bril, dat wil zeggen via de door haar gekozen gedichten naar Annie Schmidt kijkend, vind ik het beeld niet helemaal kloppen, een tikkeltje te roze gekleurd. Het titelgedicht - ‘Daarginds in de tuin van de Franse markies zijn

Fiep Westendorps versie van de gemene man met de lange hals in Uit met juffrouw Knoops (1989).
heel geheimzinnige paden...’ reken ik niet tot 's schrijfsters meesterwerken. Het hoort bij de categorie solide, fantasievolle en vriendelijke kinderpoëzie. Daarbij passen bij voorbeeld ook het varkentje Lanterfant dat vanwege zijn luiheid 's avonds geen knolletjes te eten krijgt, de dieren die voor de boerderij zorgen wanneer de boer en de boerin naar de stad zijn, het bedje waarin Jan 's avonds naar Milaan rijdt, en zo zijn er nog meer. Annie M.G. Schmidt wordt hier opgediend als Pink Lemonade, maar zelf deed ze de vijver vol priklimonade. En priklimonade doet haar karakter meer recht. Gelukkig komt de dwarse, opruiende kant ook voldoende aan bod. We treffen de kip Cato die de smetteloos witte legwereld schokt met een kleurig paasei, zebra Mac Flopje in zijn geruit hansopje, het varkentje uit Soest dat zo'n voortreffelijk typiste is en het aanzwellend geklets over Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan, die de kraan liet open staan. In een artikel in Children's Literature beschrijft Ten Harmsel Annie Schmidts ‘constant desire to bring the worlds of reality and imagination together’ en belicht ze de raakvlakken met Hans Christian Andersen. Zo belandden in Pink Lemonade de gelukkige echtverbintenis tussen de pook en de tang, het girafje dat maar steeds niets ziet aan de andere kant van de muur, terwijl de wezeltjes zeker weten dat er van allerlei prachtigs is, en ‘De tijd van elfjes is voorbij’, ‘one of Annie Schmidt's finest poems’.

De vertalingen zelf zijn bewonderenswaardig. Ze getuigen van respect voor Schmidts binding met ritme en rijm en ook al staat er op de titelpagina ‘translated and adapted’, mijns inziens volgt Ten Harmsel de merkwaardige personen en gebeurtenissen waar mogelijk met grote trouw. Bij voorbeeld in de laatste strofen van Little Miss Lickapan / Vingertje-Lik:
Waar van bewerking sprake is, is deze vindingrijk en in stijl, zoals in het vers van de harp spelende freule, waar niemand naar luisteren wil:


Natuurlijk kon niet al het moois behouden blijven. In ‘the bad bee’ is het grapje van de ‘bozige bij’ verdwenen en ‘The best child I have ever known / was Peter Henry Hagelstone’ bevat aanzienlijk minder suiker dan ‘Het zoetste kind dat ik ooit zag / was Pieter Hendrik Hagelslag’, terwijl Hagelstones bruid Miss Blossomberry in keurigheid niet op kan tegen ‘ene juffrouw Balkenbrij’. Het vers over het wandelend meubilair eindigt met de klok en de lamp die thuis moeten blijven: ‘Tja, zo is het in dit leven: wie geen poten heeft blijft thuis’ tegenover ‘For that's the way it is: the ones who don't have legs stay home.’ Het Engels mist het subtiele verschil tussen benen en poten. Schmidts onuitputtelijke namenbron - de freule van Roets-Fiedereele, de vlieg Eulalie, de kip Cato - is in het Engels niet te evenaren. De vele kleur bepalende plaatsen - Zaltbommel, Hillegersberg, Amerongen en Koog aan de Zaan - hebben voor Amerikaanse lezers geen functie en werden vervangen door zo maar ergens op de wereldkaart te prikken. Een willekeurig zinnetje, dat mij trof als het ‘toppunt van Schmidt’ ‘en spoedig lag de ganse school / in 't tuintje bij de rode kool’ (uit het oliebollen bakkende vrouwtje in de Peel) veranderde in ‘And soon they went a-groaning and / A-moaning down the street’.
Ter illustratie zocht ik nog een mooi gedicht in de door Ten Harmsel zo gewaardeerde Andersen-traditie.
Tot slot nog dit. In het eerder genoemde interview met Vrij Nederland verklaart de Amerikaanse hooggeleerde dat ze in totaal zestig gedichten heeft uitgekozen en dat ze ‘de vertaalbare er nu wel heeft uit gehaald’. Van 15 tot 20 januari vond in Rotterdam het eerste Story International (de pendant van Poetry International) plaats, waar het werk van Annie Schmidt centraal stond en door auteurs uit dertien verschillende landen werd vertaald. Naast enkele sprookjes uit Heksen en zo en een paar Jip en Janneke-avonturen waren daar ook kinderversjes bij. Volgens de organisatoren pasten die uitstekend op Story International, omdat ze zo verhalend van aard zijn. Een van de eersten die opdook, was het in Amerika verguisde Pippeloentje: ‘Schau das Bärchen Pippelmoffel auf dem Schuh und dem Pantoffel’. Een aanstekelijk vertaler bleek de Engelsman Anthony Horowitz. Hij zette zich handenwrijvend van plezier aan het werk, zoals blijkt uit ‘De prinses en het egeltje’. Er presenteren zich vele vrijers voor de prinses:
Maar hare hoogheid kiest een egeltje, omdat ze ervan overtuigd is dat dat nog wel in een blondgelokte prins zal veranderen. Helaas:


Op verzoek van Annie Schmidt zelf ging de meeste aandacht naar ‘Wat is dat, mevrouw Van Gelder?’ Naast de Schmidtiaanse bestaan daar nu versies van in het Engels, Frans, Duits, Spaans, Russisch, Tsjechisch, Japans, Chinees, Perzisch en Sranan Tongo. Ter vergelijking volgt hier het laatste couplet, waarin meneer Verhagen heel goed heeft begrepen dat hij een mevrouw met grommende beren in haar kelder maar beter met rust kan laten.


Aan vergelijkende, waarderende opmerkingen wil ik mij niet wagen. Dit vertaalproject heeft in elk geval het ongelijk bewezen van iedereen die al sinds jaar en dag met zorgelijk gefronste wenkbrauwen beweert dat de kinderpoëzie van Annie Schmidt onvertaalbaar zou zijn. Henrietta ten Harmsel typeerde die poëzie als ‘de komedie van het leven van alledag’. De alledaagsheid mag dan oerhollands zijn, de komedie van het leven is universeel, zoals ook het talent van de schrijfster die ons dat laat zien.