Om in de stemming voor dit stuk te komen ga ik naar de kinderboekenafdeling van een grote bibliotheek. Je hebt er van die prettige werknissen bij het raam. In de voorleesruimte schuin achter me roezemoest een klas. Een juf zegt, kribbiger dan goed is voor de gezelligheid: ‘Ja, ik wil nú beginnen.’ Na twee minuten weet je het; dit is verloren moeite. Het boek is uitleggerig geschreven, de voorleesstem klinkt afstandelijk, er komt geen sfeer, de klas blijft rommelen.
Nee, dan Annie Schmidts juffrouw Steketee, die zelfs een aardrijkskundeboek zo boeiend kon voorlezen, dat ze zich zes leeuwen van het lijf hield.
En ik denk terug aan mijn eigen juf die ons, een roerig stelletje, aan haar voeten kreeg met één welgemikt ‘Riet-pe-tie-oe klonk het over de gracht’. Natuurlijk, ze las met verve, maar Thijssens Jongensdagen láát zich dan ook goed voorlezen. Dat geldt al helemaal voor Kees de jongen. Een kwestie van stijl.
In catalogussen van bibliotheken, aanbiedingen van uitgevers, materiaal voor de leesbevordering gaat het over de inhoud, over ‘het spanningsveld tussen de wereld van kinderen en volwassenen’, over herkenbaarheid van problemen en desnoods over de illustraties. Maar zelden of nooit kom je te weten of een boek zich vlot, ongemakkelijk of slecht laat voorlezen. Toch niet zó onbelangrijk.




Goed, bijna iedereen weet dat kinderen indommelen bij te lange beschrijvingen van situaties, personen, achtergronden. De voorlezer moet het hebben van actie, afwisseling, sfeer, dialoog. Maar dan nog is er dat raadsel van de stijl, waardoor het ene boek zich zoveel beter laat beluisteren dan het andere. In ieder geval, tegenover de honderden auteurs die iets leerzaams of hartroerends te melden hebben, staan relatief weinig trefzekere stilisten als Kuijer, Wilmink, Matsier, Joke van Leeuwen, Midas Dekkers of de vertaalster van Dahl, Huberte Vriesendorp, om het onbillijk genoeg nu maar bij die paar voorbeelden te laten.
Ook Annie Schmidt heeft dat feilloze gevoel voor wat ‘bekt’, zoals het toneel dat noemt. De spreektaal is haar heilig, zo zei ze tegen haar buitenlandse collega's tijdens het vertaalproject van Story International '91, dat aan haar was gewijd. ‘Please use the spoken language in your translations.’ En ze deden het.
Het is niet toevallig dat de Jip en Janneke's, de Abeltje's, de Wiplala's, Heksen en zo, Minoes en Otje op school vaak als voorleesboek worden gekozen. Zelfs wanneer je niet zo'n begaafde voorlezer bent, laten die verhalen zich naar behoren brengen. In Schmidts dialogen spreken personages, zoals ze gebakken of gestemd zijn. En de beruchte stukken matte tekst, die je het contact met je publiek doen verliezen, kom je bij haar eenvoudig niet tegen. Geen overbodige uitweidingen; de vaart zit en blijft erin.
‘“Maar jongen,” riep de koning verschrikt. “Zo'n mooie verloofde van koninklijken bloede en dan nog helemaal zonder kwade gedachten. Denk eens aan!”
“Tja,” zei de prins, “het is best mogelijk dat ze geen kwade gedachten heeft. Maar als u het mij vraagt, heeft ze helemaal geen gedachten. Geen kwade, maar ook geen goede.”
“Kom, wat hindert dat?” riep de koning luchtigjes. “Ze wordt later koningin en een koningin hoeft geen gedachten te hebben.”’


Een dergelijke natuurlijkheid van taal helpt lezer en luisteraar.
Ook de gedichten hebben dat vanzelfsprekende. Of ze nu met korte regels
of met lange beginnen
Met dat aanstekelijke ritme en die directheid van zegging krijgt de voorlezer al veel mogelijkheden.
Onverslijtbaar als ze zijn, worden de gedichten jaar in jaar uit in onderwijsopleidingen gebruikt. Begrijpelijk, want die poëzie vertelt niet alleen

‘toen keek de koning door 't sleutelgat, / en wat zag hij daar? Het is niet te geloven: / daar stond Piramente weer ondersteboven.’ Voor de bundeling in Dag, meneer de kruidenier (1960) werd het vers door Wim Bijmoer van een nieuw plaatje voorzien.
wonderlijke en leuke verhalen, ze is ook zo enorm rijk aan stemmingen en emoties, van dromerigheid tot en met razernij. Ergo, ideale oefenstof.
Aan de voorleestechniek, aan articulatie en intonatie van de meeste aanstaande meesters en juffen ontbreekt het een en ander. Dat was altijd al zo, maar misschien is flink oefenen in deze tijd wel harder nodig. Het voortgezet onderwijs deed vroeger meer aan voordracht, toneel, poëzie. Voordrachtswedstrijden op school, interscolaire toernooien, toneeluitvoeringen zijn uit de mode geraakt. Daar staat tegenover dat poëzie-schrijfwedstrijden populairder lijken te worden. Ik vraag me af of het zo'n goede ruil is. Veel pabo-studenten blijven lang huiverig zich bij het voorlezen te geven. Humor levert heel wat problemen op en menigeen weet met zorgelijk stemgeluid Schmidts vrolijkste gedichten om zeep te helpen.
Opleidingen doen er natuurlijk goed aan zich

‘Wel, wel, zo sprak de dominee, dit is een Technisch Wonder, / zo'n televisietoestel, echt een wonder, dames Groen! / Wanneer je dit één keer gezien hebt, kun je niet meer zonder. / Ik zie heel duidelijk een man. Wat gaat die man nu doen?’ Het versje verscheen met het plaatje van Wim Bijmoer in Het Parool van 9 januari 1954.

‘O, zei het schaap Veronica, hij gaat een lezing houen, / een lezing over suikerbieten! Heel erg interessant! / O juist, zeiden de dames Groen... eh... hoe ze die verbouwen. / Hij laat de suikerbieten zien. Hij heeft ze in zijn hand.’ Voor Het hele schaap Veronica (1960) voorzag Wim Bijmoer het vers van een nieuwe illustratie.
door al die onbeholpenheid niet te laten afschrikken. Studenten moeten ruimschoots gelegenheid krijgen routine op te doen. Een juf of meester die niet goed voorleest, doet een klas te kort en zal kinderen ook niet goed kunnen helpen met voorlezen of voordragen. Over dit soort dingen kan Annie Schmidt meepraten. Ze is vaak in scholen en bibliotheken uitgenodigd. En dan is er altijd wel een kind dat een versje mag opzeggen of voorlezen. Maar klinken doet het niet. ‘Er is eigenlijk nooit aan gewerkt,’ zegt de schrijfster.

Voorlezen, voordragen, zingen, het lijkt wel of basisscholen er steeds minder voor voelen. Het zijn bezigheden waarbij kinderen in actie komen en actie kan iets gevaarlijks zijn voor de orde.
Veel minder riskant is een betrekkelijk nieuw onderdeel van het taalonderwijs: de luisterles. Ook daar wordt Annie Schmidt voor gebruikt. Voor me ligt het proefwerk van Pim Landman, leerling van een lagere technische school. Hij heeft eerst mogen luisteren naar liedjes uit Ja zuister, nee zuster en moest er de belangrijkste feiten van noteren. Dan krijgt hij zijn opdracht. ‘Raadpleeg je aantekeningen. Let op. Als er een vraag moet worden beantwoord, dan doe je dat direct onder die vraag op dit papier. Eerst een lijntje.’
Poes, poes, poes
Waarom is deze kat zo merkwaardig?
Pim: Deze kat is zo merkwaardig, omdat ze blauw was.
Van wie bleek de kat ten slotte te zijn?
Pim: De kat bleek ten slotte van de schooljuffrouw te zijn.
Enzovoort. Pim kreeg een acht. In het commentaar op dit soort luisterlessen noemt een Utrechts Pedagogisch Centrum ‘Annie Schmidt goed voor een levendig stuk taalonderwijs’. Waarvan akte.
Gelukkig zijn er scholen die haar werk meer recht doen, waar kinderen van tijd tot tijd zelf haar boeken en gedichten ten gehore brengen, waar aandacht wordt besteed aan de techniek die je

Van 17 oktober 1961 tot 8 mei 1962 nam Annie M.G. Schmidt deel aan het humoristische radioforum Hou je aan je woord. Slechts twee keer verscheen zij in de televisieversie van dit programma, op 28 oktober en op 25 november 1961. Van links naar rechts Victor E. van Vriesland, Godfried Bomans, Karel Jonckheere, Henri Knap en Annie M.G. Schmidt.
Foto Frits Gerritsen.
daarvoor nodig hebt. Hoe feestelijk dat kan toegaan, bleek in de bovenbouw van een heel gewone basisschool. Het ging om


De klas was verdeeld in viertallen. Ieder kind had een tekst. De kinderen moesten vier rollen in het gedicht ontdekken: de bulderende koning, de huilende hofdame, de kwieke koksmaat en de verteller. Articulatie en intonatie werden geoefend. Eerste voorleesronde. Deze koning kon nog wat bozer, die hofdame zieliger. ‘Jij moet daar beter uitspreken, jij raffelt nog een beetje. Ja, je denkt toch zeker niet dat het in één keer goed gaat? Vraag dat maar eens aan toneelspelers.’
Tweede leesronde. Rolwisseling. In tijd van een halfuur groeiden aanvankelijk hakkelende lezers uit tot woedende koningen, wenende hofdames, vlotte vertellers, die vertrouwd waren geraakt met hun tekst en goed uit hun woorden konden komen.
Praktische juffen en meesters die zo'n les kunnen organiseren, die kinderen opgewekt helpen hun leestechniek te verbeteren, mensen die zelf de mogelijkheden van zo'n gedicht aanvoelen, je wenst ze iedere school toe.
