|
|
|
| |
Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern
In een zekere oppositie tot de Bentinck-boeken staat Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern. Kroniek van een leven (1989). Het is het leven van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Wordt in de Bentinck-boeken getoond hoe ‘gewoon’ het leven van ‘groten’ is, in Schaduwbeeld volgen we de weg van een min of meer gewone jongen naar grootheid. De titel loopt over van bescheidenheid en dienstbaarheid. Wie of wat het is en waarover het gaat, blijft mysterieus. De toevoeging ‘kroniek van een leven’ maakt het niet duidelijker. Een kroniek is een ietwat primitieve, min of meer willekeurige, chronolo-

Omslag van de eerste druk van Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern (1989), opgedragen aan Jan [van Lelyveld], met een motto van de Franse filosoof Paul Ricoeur (geb. 1913): ‘La vie est en quête d'un récit’. Het boek is - zoals de ondertitel ook vermeldt - een kroniek van het leven van Joan Derk van der Capellen (1741-1784). Op de omslagfoto het washuis van het Huis Appeltern, het enig overgebleven deel van Van der Capellens landgoed.
Omslag J. Tapperwijn, omslagfoto Bert Nienhuis. Collectie Querido
| | | | gische opsomming van feiten, niet bijeengehouden in de greep van een doelgericht verhaal. ‘Een leven’ benadrukt de gewoonheid, alsof het beschreven leven zich eigenlijk in niets van andere onderscheidt. Het willekeurige van de kroniek, gepaard aan het willekeurige van het onbepaalde lidwoord, naast de schaduw en het geheim wekt bepaald de nieuwsgierigheid op naar degene wiens levensverhaal in de volgende bijna vijfhonderd bladzijden wordt uitgemeten. Of wordt het tegendeel bedoeld? Hoe gewoon is Joan Derk van der Capellen tot den Pol?
In de inleiding brengt de auteur een bezoek aan de heerlijkheid Appeltern, die te huur staat. Van de oorspronkelijke gebouwen is niet veel meer over. Ze mij-

Portret van Joan Derk van der Capellen, Heer van den Pol, circa 1787. De gravure werd jaren na zijn dood gemaakt naar een verloren gegaan portret waarvoor Van der Capellen in 1783 poseerde.
Gravure van L.J. Cathelin naar J.A. Kaldenbach. Collectie Provinciaal Overijssels Museum, Zwolle
mert over de man wiens eigendom dit ooit was, de man die waarschijnlijk, hoewel misschien niet alleen, in de jaren tachtig van de achttiende eeuw de felle brochure Aan het volk van Nederland schreef, en die nationaal en internationaal van betekenis was voor de democratische beweging.
Een schaduwbeeld is volgens de achttiendeeeuwse fysiognomist Lavater ‘zowel de minst sprekende, de “vlakste”, als de meest waarachtige en natuurgetrouwe afbeelding van een gezicht [...]’ (Schaduwbeeld, p. 15) Maar, werpt Haasse tegen, een silhouet mag dan waarachtig zijn, het geeft nooit de volledige, gecompliceerde en tegenstrijdige werkelijkheid weer. Joan Derk van der Capellen tot den Pols officiële schaduwbeeld is edel, hij kreeg het profiel van een Romeins tribuun, maar de werkelijkheid heeft ook aanleiding gegeven tot kwalificaties als ‘heethoofdig en dweepziek’. Zal de kroniek, bedoeld als een onbevooroordeeld verslag van zijn leven, beide kanten belichten?
Aan het volk van Nederland was een lont in een kruitvat. De reactie van het gezag, dat de brochure verbood, bepaalde misschien meer nog dan de inhoud het belang ervan. Het verscheen in 1781 en was gericht tegen de stadhouder Willem v en zijn raadgevers en had tot doel oude vrijheden en rechten te verdedigen. Het anonieme pamflet werd toegeschreven aan Van der Capellen, die zich al eerder had uitgesproken voor de Amerikaanse opstand en die in zijn eigen provincie Overijssel tegen de zogenaamde drostendiensten was opgetreden. Hij had een zekere reputatie, maar toch is er alle aanleiding te veronderstellen dat het epitheton ‘tribuun der burgerij’, waar hij zeer mee was ingenomen, minder grif aan hem zou zijn verleend, als Van der Capellen uitsluitend bekend zou zijn geworden om zijn doordrijverij inzake de afschaffing van de drostendiensten. Daaruit sprak zonder twijfel zijn rechtschapenheid en een consequente trouw aan een beginsel, maar de zaak was meer een symbolische dan een wezenlijke misstand.
Het auteurschap van Aan het volk van Nederland is altijd door Van der Capellen zelf ontkend, en in die hardnekkige mystificatie door iemand die naar eigen zeggen volkomen afgeleefd en uitgeput was en
| | | |
in feite niets te verliezen had, schuilt een merkwaardige tegenspraak, zoveel te meer omdat hij niet laf was en vrees voor represailles misschien wel reëel was, maar niet bepalend voor zijn houding behoefde te zijn.
Hoe kunnen we onze door de moderne psychologie bepaalde opvattingen over een historisch personage koppelen aan het beeld dat zo iemand van zichzelf kon hebben? Welk contrast levert dat op en hoe beïnvloedt dat ons oordeel? We hebben geleerd waarde te hechten aan de jeugd. Sindsdien zoeken biografen ook daar de bron van het latere handelen. De kinderjaren van beroemdheden zijn om voor de hand liggende redenen veelal slecht gedocumenteerd. Het nadeel daarvan is dat de neiging kan bestaan een te grote betekenis te hechten aan datgene wat wel bekend is. Het voordeel is dat een overmatige belangstelling voor een mogelijke pathologie zich niet uit kan leven. Over de kinderjaren van Joan Derk van der Capellen tot den Pol is weinig bekend, maar wat we weten levert aanknopingspunten, die veel van zijn latere houding verklaren en die hem vandaag de dag tot cliënt van het Riagg zouden bestempelen. Of dan Aan het volk van Nederland zou zijn geschreven is zeer de vraag.
Op grond van summiere gegevens weet Haasse een beeld te schetsen, dat bestaat uit psychologische ‘educated guesses’. Als X, dan is Y een mogelijke reactie. Of als Y, dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat X daarvan de oorzaak was. Als Joan Derks vader een ijzervreter was, die zijn ziekelijke enig kind met weinig warmte en aandacht verwende, dan is de verkrampte poging van Joan Derk erbij te horen en iets te betekenen daar het mogelijke gevolg van. Kenmerkend daarvoor zijn de machinaties om te worden toegelaten tot de Overijsselse ridderschap, waartoe hij rechtens niet behoort.
Streven naar erkenning door de vader, zo luidt een opvatting, kan een verborgen drijfveer zijn voor het nastreven van maatschappelijk succes. Voldoen aan een onmogelijk verwachtingspatroon levert innerlijke conflictstof op, die gemakkelijk leidt tot uitputting en overspanning. Die rode draad in het leven van Joan Derk van der Capellen, die duidelijk door Haasse is aangebracht - want juist de beschrijving
Brief van Joan Derk van der Capellen aan zijn achterneef Robert Jasper van der Capellen tot de Marsch, d.d. 19 mei 1784.
Collectie Rijksarchief Gelderland, Arnhem. Familiearchief Van der Capellen inv.nr.469
Zwol den 19 Mey 1784/ Waardste Vriend. Hartelijk dank/ voor het toegezondene. De Drost Lindenhof/ en ik hebben er ons op vergast. Dit is wel/ de stoutste taal die er nog gesprooken/ is. Het gaat met mijne vrouw ongemeen/ voorspoedig, doch ik ben zoo totaal/ geëpuiseerd dat ik volstrekt niets meer/ kan en op raad van den Doctor/ voor eerst mij van alle werk hoege-/ naamd moet onthouden. Eene/ opeenstapeling van allerlei om-/ standigheden mij sedert eenige maanden onafgebrooken bejegend heeft me zadaning ter/ neder geslagen dat ik het in lange/ niet zal te boven zijn. Het was waaragtig/ ook meer dan een mensch kon uitstaan./ Deeze weinige regelen hebben mij reeds/ afgemat. Ik heb het commando van/ ons genootschap om wat rust te hebben/ aan den volgenden officier overgedragen,/ en zal mij waarschijnlijk van dien post/ geheel ontdoen. Ik ben steeds Uw Vriend/ U Bekend
| | | |
In de nazomer van 1773 maakt stadhouder prins Willem Veen tournee om de regeringen van de provincies te overtuigen van de noodzaak forse sommen bijeen te brengen voor de uitbreiding van de landmacht. Het voorstel stuit vooral in het noordoosten op veel tegenstanders. In Zwolle woont hij op 2 september 1773 de Extra Landdag bij van de Staten van Overijssel, waar het kersverse lid van de Staten, jonker Joan Derk van der Capellen, een advies uitbrengt in verband met het verzoek om financiële steun. De stadhouder-prins verwacht een positief advies, aangezien hij zich het jaar daarvoor nog persoonlijk sterk heeft gemaakt voor de toelating van Van der Capellen tot de Staten van Overijssel. Hij komt echter bedrogen uit: Van der Capellen keert zich tegen de uitbreiding van de landmacht. Zijn advies - waarvan hier het slot - stelde hij van tevoren op papier; het werd na de vergadering bij de notulen gevoegd.
Collectie Rijksarchief Gelderland, Arnhem. Familiearchief Van der Capellen inv.nr. 669
van Van der Capellens jeugd is bij gebrek aan documenten zo vol verbeeldingskracht en inlevingsvermogen dat hij het hele boek door klinkt - zet aan het denken over de aard van de sympathie die we hem toedragen. Het lijkt erop dat ons huidige begrip van de werking van de menselijke geest een paternalistisch, en ietwat arrogant ‘verstehen’ bewerkstelligt, dat onvoldoende rekening houdt met een historische werkelijkheid. De houding van de vader oogst afkeuring, omdat het vaderschap ons inziens een andere inhoud dient te hebben. Vaders behoren te weten welke invloed zij hebben op de tere kinderziel. De strijd van Joan Derk roept een specifiek soort medelijden op, omdat wij hem zien worstelen met een gevoel waarvan hij de oorzaak niet kan kennen. Hij weet nog niet wat wij weten over de werking van de geest en de mogelijkheden voor herstel van geleden schade, althans hij kan het niet met onze termen benoemen en in zekere zin bestaat datgene wat geen naam heeft niet. Hij kan het tij niet keren. Hij is, in onze ogen, slachtoffer. Wij begrijpen hem op onze voorwaarden en niet op de zijne. Dat vertekent het beeld.
Die vertekening wordt rechtgetrokken door een opvallende kunstgreep in Schaduwbeeld: de introductie van hoofdstukken over tijdgenoten die allen een meer of minder prominente rol in het leven van Van der Capellen of op het wereldtoneel speelden. Het panorama wordt verbreed, Van der Capellens stem klinkt in een groter koor en hij verkeert bepaald niet in slecht gezelschap: Mirabeau, John Adams, John Wilkes, De Beaumarchais. Zo krijgt hij de eer, maar ook de ‘schuld’ die hem toekomt. Die tijdgenoten bezitten, ondanks een in sommige gevallen even ‘moeilijke jeugd’, een joie de vivre, een onverstoorbaarheid soms, een warme hartstocht die bij Van der Capellen ontbreekt. De hoofdstukken over hen ademen avontuur, terwijl in Van der Capellens leven op de achtergrond de constipatie waaraan hij leed zijn krampachtige, onbuigzame houding lijkt te hebben bepaald. Hij kon zijn beperkingen niet overwinnen. De lezer had hem graag een goede therapeut gegund.
Ook in Schaduwbeeld gebruikt Haasse het presens historicum. We zitten dicht op de huid van de tijd.
| | | |
Begin van een brief van Joan Derk van der Capellen aan zijn achterneef Robert Jasper van der Capellen tot de Marsch, mei 1784. De brief wordt geschreven vanuit het huis van de drost van IJsselmuiden, de heer Pallandt van Zuithem, in de Bloemendalstraat te Zwolle. Joan Derk had zijn huis in Zwolle reeds verkocht, aangezien hij zich samen met zijn vrouw Hillegonda en dochter Anna Elisabeth (Betje) voorgoed wilde vestigen in Appeltern. Door de slechte gezondheid van Hillegonda werd de verhuizing naar Appeltern uitgesteld. Tegen ieders verwachting in overleed Joan Derk eerder dan zijn vrouw, op 6 juni 1784.
Collectie Rijksarchief Gelderland, Arnhem. Familiearchief Van der Capellen inv.nr.469
Vrijdag [Mei 1784]/ Waardste Vriend/ Wij dagten met mijne vrouw alles te boven te/ zijn; in agt dagen was er geen bloed gekoomen/ zij bevond zig ongemeen wel, en ziet deezen/ morgen te vier uuren geeft zij op nieuw/ bloed op, en het bloed is ongemeen geïnf/ lammeerd, dat het bij de voorigen/ aderlaatingen niet was. Ik heb nu een/ zwaar hoofd over den uitslag, en verwagte/ dat er eene teering op volgen zal. Ik/ zelf ben van den eersten dag dat wij/ hier bij den Drost gelogeerd hebben/ niet gezond geweest. voorleeden maandag/ dagt ik het ook te boven te zijn, doch/ eene kleine wandeling in het mooiste/ weer der wereld heeft mij weer met/ den neus in 't bedde geworpen./ Ik ben voorgister ook gelaaten, en/ bevinde mij nu redelijk, doch/ moet mij voor het minste tochtje/ wagten. Onze situatie is wel/ onaangenaam; en dat in dit critieke/ / tijdstip [...] [Vaarwel Ik kan niet meer, en ben na hartelijke complimenten Uw vriend U Bekend.]
| | | |
De kroniekschrijver presenteert. Hij behoort niet, zoals een biograaf, te verklaren. Een al te bescheiden houding van de auteur, die correspondeert met de bescheidenheid van de titel. Maar ze doet meer dan ze suggereert. De ‘Coda’ herstelt de afstand door het gebruik van de verleden tijd, met daarin-even-de terugkeer naar het presens van de algemeen geldende uitspraak: ‘Neemt men het vergrootglas weg, dan wijken de gestalten terug in hun achtergrond, het panorama van de geschiedenis. De details worden onzichtbaar, alleen de grote lijnen blijven. Er is geen presens meer, dat even een illusie schiep van nu en hier, en van aanwezigheid - er is alleen nog “toen” en “daar”: verleden tijd.’ (Schaduwbeeld, p.462) Op ingenieuze wijze combineert Hella Haasse het ‘nu’ met het ‘toen’, de illusie met de werkelijkheid.
We kunnen nooit afstand doen van de kennis die tussen nu en toen is verworven en onbevangen, dat wil zeggen met alle beperkingen van een contemporaine beschouwer, naar het verleden kijken. We zijn niet meer de mensen die wij waren. Het verleden is van ons vervreemd. Hella Haasse is zich na een jarenlange intieme omgang met de geschiedenis maar al te zeer bewust van de voetangels en klemmen die de weg naar de kennis van het verleden bemoeilijken; dat verklaart haar evenwichtsoefeningen op de rand van werkelijkheid en fictie, dat verklaart het extensieve gebruik van documenten die zij met de moed van een krachtige verbeelding in een bezield verband plaatst. Opdat wij vertrouwd raken met het vreemde en ons om het vertrouwde verwonderen.
In augustus 1981 verhuizen Hella Haasse en haar man Jan van Lelyveld naar Frankrijk. Zij vestigen zich in het plaatsje Saint-Witz, dertig kilometer ten noorden van Parijs, in het departement Val d'Oise. ‘Frankrijk begint voor mijn gevoel pas werkelijk, wanneer men van de immense golvende hoogvlakte der voedsel-cultures in het gebied van de Somme afdaalt naar de vallei van de Oise,’ schrijft Haasse in Ogenblikken in Valois (1982). Hier zit Haasse achter haar schrijftafel in haar huis in Saint-Witz. Op tafel ligt het manuscript van Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern, over het leven van de patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol.
Foto Flip Franssen. Collectie Querido
|
|
|