't Woord ‘boschneger’ wordt door ons dikwijls gebruikt, en iemand onbekend met onze geschiedenis of onze toestanden kan allicht eene verkeerde uitlegging aan dat woord geven. Plaatst men dit woord bijvoorbeeld naast ‘boschproduct’ of het door de inlanders veel gebruikte ‘boschvarken’, dan krijgt het woord ‘boschneger’ eene beteekenis waar in den tegenwoordigen tijd niet meer aan mag worden gedacht. Om aan den oorsprong te komen een klein brokje geschiedenis.
Bij den inval der Franschen onder Cassard werd Suriname gebrandschat d.w.z. de inwoners moesten eene belasting betalen naar verhouding van hunne bezittingen. Onder de bezittingen werden ook de slaven gerekend. Vele slavenhouders, om hun deel aan de schatting te verkleinen, zonden een deel hunner slaven naar de bosschen, in de verwachting van terugkeer als het gevaar zou geweken zijn. De slavenhouders hadden evenwel niet gerekend op 't gevoel van vrijheid, dat in de borst van elken mensch huist. Welnu, dat gevoel in 't hart der zwarten is oorzaak geweest, dat den slavenhouders eene groote teleurstelling werd bereid, want toen de vijand was afgetrokken, wilden de van hun vrijheid genietenden zich niet weder onder het juk der slavernij krommen.
Niet alleen dat deze weggezonden slaven grootendeels voor altijd voor de meesters verloren gingen, maar ook anderen, met gegronde of vermeende grieven tegen hunne meesters, sloten zich bij de weggezondenen aan, en er ontstond eene macht, die op zekere tijden voor de kolonie een dreigend gevaar werd. Plantages werden geplunderd en slaven en slavinnen weggevoerd; beleedigingen, vroeger ondervonden, werden gewroken; in 't kort: de kolonie verkeerde dikwijls in spanning en vrees, wegens feiten, die gepleegd waren of konden gepleegd worden. Het Bestuur zond dikwijls troepen af tegen deze ex-slaven, nu Marrons geheeten, maar, op eenige kleine schermutselingen na, kon er niets gedaan worden om de zaken tot de vorige orde terug te brengen of om de dikwijls overmoedigen te tuchtigen. Ten laatste was het bestuur genoodzaakt met de Marrons als met
eene oorlogvoerende natie vrede te sluiten, en om rust en vrede te bewaren, aan den opperhoofden eene soort schatting in den vorm van presenten te betalen. Neemt men de ondringbaarheid onzer wouden in aanmerking, de geringheid der troepenmacht, die door Nederland in de kolonie worden gehouden, de onbekendheid met het terrein, en zooveel andere zaken meer, dan mag aan het bestuur niet verweten worden, dat het de eer onzer vlag niet hoog heeft gehouden door verdragen met muiters te sluiten.
Hoe het ook zij verdragen werden gesloten en de Marrons dus als een onafhankelijk volk erkend. Naar men weet, zijn de slaven uit verschillende deelen van Afrika hier aangevoerd. Dat er dus verschil was in taal, enz. laat zich begrijpen, ook dat met elkander overeenstemmende stammen zich bij elkander aansloten. Op deze wijze verklaart zich het best de onderscheiding in verschillende stammen nog heden ten dage.
Waren de boschnegers - ik blijf ze zoo noemen - toen zij door de blanken werden verontrust, genoodzaakt heel diep landwaarts te trekken om hunne kostgronden aan te leggen, en mochten ze toen met recht met den naam van ‘boschnegers’ bestempeld worden, naderhand zetten zij zich neder dicht aan de oevers der rivieren, waar dorpjes ontstonden.
Deze nederzettingen hebben geene verandering gebracht in den naam, en de nakomelingen der weggeloopen slaven heeten nog altijd ter onderscheiding van stad- en plantage-negers, ‘bosch’ negers.
Over elk dorp voert nu een ‘kapitein’ het gezag, terwijl verscheidene dorpen van één stam vereenigd staan onder een groot opperhoofd, graman d.i. gouverneur geheeten.
Het spreekt haast van zelf, dat hoewel het bewezen is, dat ook deze negers vatbaarheid hebben voor beschaving en ontwikkeling, de beschaving er zeer laag staat.
En hiermee neem ik afscheid van de geschiedenis om U te voeren op een veld, waar ik mij beter bewegen kan.
Napoleon op St. Helena in... neen, dat mag ik niet zeggen, Hildebrand heeft uitgeroepen: ‘Napoleon op St. Helena.... En al zei ik nu ook: Napoleon op St. Helena at eens gebakken ham met kievitseieren, men zou mij toch van plagiaat beschuldigen, omdat die groote meester de drie eerste woorden in die volgorde heeft gebruikt! Dus maar: Napoleon in zijn onderbroek.... Maar dat mag ik ook niet, want het kan gebeuren, dat dames dit stuk in handen krijgen, weet je, en een onderbroek! foei, wat een woord! Maar dan mag ik niet voortgaan, want de man, dien ik je wil voorstellen, heeft broek noch onderbroek aan.
Twee dagen geleden landde hij aan op een erf in de Saramaccastraat, deftig gekleed, evenals onze beroemde stamvader, met dit onderscheid evenwel, dat de reeds lang bekende vijgebladeren, die een heerlijken geur van zich gaven, moeten worden weggedacht, en in stede daarvan moet gesteld worden een lapje, dat veel overeenkomst heeft met de vlag van een zekeren kleinen Staat in de Stille Zuidzee, en waarvan de geur, die den middenweg niet houdt tusschen vijgebladeren en extract de Mocadore niet geschikt is, om ons een hoogen dunk te geven van de hoeveelheid ons bekende reukwaters, die deze despoot er op na houdt; wiens talrijke volgelingen, met uitzondering der vrouwelijke, die prachtige koralen aan de enkels en veelkleurige lappen om de lendenen hebben, allen in de prachtige uniform van hetzelfde regiment gestoken zijn, en die, evenals hun groot-commandore en evenals de vrouwelijke gezellen, den prijs zouden winnen, indien er een wedstrijd werd gehouden met een buidelrat om de eigenaardige invloeden, die op elke reukzenuw, buiten de hunne - en van de buidelrat natuurlijk ook - kan worden uitgeoefend, en die bij een zenuwtoeval den ‘dienst van opwekkingsmiddel’ moeten doen, of bij een opgewekt gestel een zenuwtoeval moeten veroorzaken.
Lezer ik zal mij niet aan een tweeden zin als den zooeven gestelden wagen, en daarom sla ik alles over, wat ik zeggen wilde - alles met betrekking tot de ‘landing’ - ook uit voorzichtigheid, weet je uit voorzichtigheid!
Nu dan: twee dagen zijn om en vandaag zal 't Groot-Opperhoofd zijne opwachting maken bij Zijne Excellentie den Gouverneur. 't Is 8 uur 's morgens. Van het aanstaand bezoek is reeds iets uitgelekt, en talrijke kijkers en kijksters staan om het huurrijtuig, dat op Zijne Hoogheid wacht. Eindelijk, daar verschijnt hij! Hoe zal ik hem U beschrijven.... Dat mag ik weer niet schrijven, want Multatuli heeft die woorden al gebruikt. Die oude schrijvers zijn heel lastig, ze hebben precies geschreven wat ik zou willen schrijven. Kortweg dan: Hij is veel deftiger dan toen hij aan wal kwam. Hij is nu gekleed in een officiersjas - model schutterij - en zwarte broek met goud galon.
Hij heeft schoenen aan de voeten en een generaalshoed of -steek of hoe dat ding ook heeten mag, ruim met goud afgezet, op 't hoofd. Zijne handen in witte handschoenen... kostelijk: hij ziet er kranig uit! In zijne onmiddellijke nabijheid bevindt zich de adjudant zijner Hoogheid met den staf met zilveren knop - het kenmerk zijner waardigheid - welke staf veel overkomst heeft met dien van een tamboer-majoor. Ook nog: zijn neefje, de oudste zoon zijner zuster die erfgenaam is zijner waardigheid en zijner bezittingen. De erfopvolging bij de Boschnegers is anders dan bij ons. Niet de oudste zoon erft of volgt op,
maar de oudste zoon van de oudste zusters. De reden van deze zonderlinge erfopvolging is een grondige.
Bij deze menschen is het huwelijk onbekend, en hoewel de ‘trouw’ mogelijk nog minder verbroken wordt dan bij de beschaafden, heeft de man uit deze ook in Mormonisme levende stammen toch de zekerheid, dat het kind van eene zuster van ‘zijn’ bloed is, terwijl hij niet weten kan van dat van een zijner vrouwen.
Ik sprak daar zooeven van onmiddellijke nabijheid. Men wane niet, dat de genoemden vóór of ter zijde staan. Zulks zou tegen de etikette wezen welke, ‘achter’ voorschrijft.
Ook de overige volgelingen staan nu in meer of mindere mate ‘presentable’ op de stoep, nederig en bewonderend kijkend naar hun half-God.
Van Zijne waardigheid bewust, stapt die ‘half-God’ tot bij het rijtuig. Op het, waarschijnlijk met het doel om te bespotten of te plagen: ‘Odie mi Granman’, ‘goeden dag mijn Gouverneur’ van de verzamelde stadslui, ontbloot hij gracieus het hoofd, buigt naar alle windstreken, zoo hoffelijk als een koning zou gedaan hebben, en stapt dan, na zich met zwier gedekt te hebben, in 't rijtuig, waarvan de kap nu wordt neergelaten, en dat bij de verwijdering door een langgerekt oe! of ee! achtervolgd wordt!
Wat tusschen Zijne Excellentie en Zijne Hoogheid besproken wordt, kan ik U niet zeggen. Maar gij behoudt het recht zulks te eischen, zoodra ik er mede in kennis word gesteld. Tot zoolang neem ik afscheid van Zijne Hoogheid!