terug  begin  verder
[p. 44]

De soesa.

Als iemand 19 tonen uit een viool kan halen, waarvan de even cijfers het angstig gemiauw van een katje van vier dagen oud, dat buikpijn heeft, en de oneven het snorkend geluid van een oud varken nabootst - zoo vlug op elkander, dat vóór de ramp geheel overzien is, zij geheel over is - op de laatste noot na, die altijd eindigen moet als het gillend gejank van een volwassen kat, die een trap op haar staart krijgt - dan hoor je: Kunst!

Als iedfmand een stier teekent, damp uit zijn neusgaten blazend zoo natuurlijk, dat een Chineesche sterrenkundige, den vorm van de geteekende ‘damp’ beschouwende, zonder aarzeling verklaart: ‘een komeet’ - dan hoor je: Kunst!

Als iemand een gedicht van vier regels heeft geschreven met vier maal de maat van een trippelwals en waarvan de eindwoorden der regels respectievelijk zijn: trompet, mond gezet, fanfare, zonder snaren - kunst!

Als iemand een vrouw, zes kinderen en een maandelijksch inkomen van ƒ60.- heeft en geene schulden maakt - dan is het: kunst!

Als iemand een rijksdaalder op een bajonet zet en daarop met zijn kop gaat staan - kunst!

Katoen opeten en gekleurde linten uit den mond halen - kunst! Een kip ontleden - kunst! Gillen, dat men op 30 M. afstand aan een zenuwtoeval moet denken - kunst! Alles is kunst!

En toch, m'n lieve menschen, ik zeg je, niets van dit alles is 't. Weet je wat kunst is? Ik wil 't zeggen: een soesa! Een soesa is kunst - echte kunst - ja, een soesa!

Wat is dat? Je kijkt me zoo beteuterd aan! Je weet niet wat dat is?

Maar daarom hoeft ge nog zoo'n gezicht niet op te zetten. Eén mensch kan niet alles weten, niet waar? Zet je gezicht weer in gewone plooi en ik zal je uitleggen wat soesa is. Maar ge moet niet denken, dat ik te werk zal gaan, als wanneer je me vroeg wat een ham is, en ik ten antwoord gaf: een gerookt kwart varken. Ik weet dan wat gebeuren zou. Een aaaa! ten teeken dat je 't nu weet, zou alles zijn, en dat wil ik niet! Ik zal je alles doen weten, maar precies op dezelfde wijs als een goochelaar, die je een kunstje gaat vertoonen, maar altijd eene preek er bij houdt. Zie je, dat is mijne kunst!

[p. 45]

Zang en dans hebben een groote verwantschap bij de Afrikanen, zoo zelfs dat ik naar onze begrippen feitelijk niet weet onder welke der tweegenoemde hunne ‘uitspanning’ te rangschikken. Mag ik dus spreken van zingende dans of van dansende zang? Neen, dat gaat niet, maar nu ge reeds een begrip hebt van mijne meening, zal ik maar kortweg spreken van ‘dans’.

Ze zijn: bangna of doe, lakoe en..... soesa! Ik zal - doe ik U er genoegen mee? - als Victor Hugo handelen: de hoofdzaak geheel er buiten laten, en eerst eene kleine beschrijving geven van andere dingen die er toevallig bijkomen. Ik zal U dus maar kortelijk iets meedeelen van bangna en lakoe om U dan een blik te laten werpen op hetgeen ik ‘kunst’ genoemd heb.

Bangna is eigenlijk: gecostumeerd - improviseerend - dramatisch zang-bal! Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik nog nooit zoo'n woord heb gehoord, maar eenmaal moet het toch de wereld ingezonden worden, en waarom zal ik de man niet zijn? Vóórdat ik van den dans verhaal, en daarmee de verklaring geef, van die door mij gebruikte uitdrukking, beschrijf ik de muziekinstrumenten: een 1 Meter lange, holle cylinder aan één kant met een vel als bij een trom gedekt; dan nog eene soort rammelaar (saka) uit biezen gevlochten, waarin wat vruchtzaden, en verder niets meer!

Bij elke bangnapartij bevindt zich de zoogenaamde bangi - eene van snijwerk voorziene kast, waarin eene gleuf, als bij een spaarpot, waardoor de bezoekers naar verkiezing wat geld in het kastje kunnen werpen.

Op dit kastje worden ook de kaarsen geplaatst, die bij helder weer soms de eenige kunstverlichting uitmaken. Nu de dans!

De deelnemers zijn bij dezen arristocratischen dans gecostumeerd. Onder begeleiding van trom en saka begint de zang, alsook eene soort trippelende beweging met de voeten, nu eens vóór- dan weer zijwaarts. Één der bezoekers, als burger gekleed, doet zich bijvoorbeeld hooren: ‘De tijden zijn slecht, ik heb honger en val flauw, o - o - o - o - o -, wat door allen herhaald wordt, terwijl de toongever het hoofd laat hangen, een peroon voorstellende, die ziek is. Aan de beenen is evenwel van het ‘ziek zijn’ niets waar te nemen, daar de dansende beweging aangehouden wordt. Uit de menigte komt dan de dokter, die al dansende den zieke beschouwt en zijn uitspraak doet hooren, welke eveneens herhaald wordt. Vervolgens komen rechters, koningin en wie weet wat nog al aan de beurt, die wat improviseeren, welke improvisatie telkens een nieuw lied voor de verzameling vormt. Het geheel maakt een aardig effect maar is voor oningewijden haast onbegrijpelijk.

Heb ik bangna den dans voor de aristocraten genoemd, sprekende van de lakoe zou men die naar verhouding de gemeene kunnen noemen. De trom van de bangna is er ook bij, maar

[p. 46]

instede van de saka ziet ge de kwakwabangi - een houten bank, waarop de maat geslagen wordt. Bewegingen worden bij deze dus waargenomen, die zouden kunnen doen denken dat men moedwillig de fatsoenlijke toeschouwers wil verwijderen en deuntjes gehoord, die geenszins met de zedelijkheid zijn overeen te brengen. Heel dikwijls hebben ook spot- of schimpliederen hun ontstaan aan dezen dans te danken.

En nu, Hocus, Pocus, Imperatus!

Daar zijn we er! Nu de soesa! Kunst! Ja, voorwaar kunst! De kunst waarbij de voeten werkzaam zijn als de op- en neergaande stoomzaag in volle werking! De kunst, waarbij de oogen uit te voeren beweging van een tegenstander in een duel meer dan bliksemsnel moet waarnemen. Neen, dat is het niet, want men kan dikwijls de oogen niet zien! Dan is het de kunst, waarbij in een ondeelbaar oogenblik de voet van den één met een helderen klank op den grond wordt geslagen, terwijl een ander tegelijkertijd hetzelfde doet, zonder vooraf gewaarschuwd te zijn, en toch zoodanig dat beide slagen één klank vormen. 't Is mogelijk eene kunst door gewoonte, waarneming, gevoel of wat men wil, maar 't is kunst!

Stel U voor twee menschen, waarvan de een - om maar iets te noemen - de letters van het alfabet naar willekeurige orde opnoemt, terwijl de ander den gedachtengang des anderen als moetende raden, hetzelfde doet, zoodanig dat de klanken uit twee monden één klank vormen.

Of stel je voor twee met den rug tegen elkander staande piano's waarvoor twee menschen op hetzelfde oogenblik dezelfde toetsen aanslaan, naar verkiezing - zonder afspraak - zonder regel! Stel je voor...Genoeg! Ik heb al genoeg kunstjes verkocht en je aan den praat gehouden, ik zal U nu eene beschrijving van de soesa geven.

't Spel of de dans wordt door twee mannen uitgevoerd, maar verscheidene paren kunnen terzelfder tijd soesa dansen, hoewel het eene paar niets met het andere te maken heeft, zooals twee duels tegelijk op eene plaats kunnen plaats vinden.

Het zijn dus twee kampioenen, die tegenover elkander staan, terwijl de plaats van een verslagene telkens door een ander wordt ingenomen. Begin met U voor te stellen twee mannen op zoowat 1 M afstand tegenover elkander. Om die twee zijn mannen en vrouwen, die van tijd tot tijd zacht zingen en die nu en dan een woord van aanmoediging of van bewondering in slechts eene syllabe ‘ai’ uitgedrukt, doen hooren, welke syllabe evenwel uitgedrukt als: ‘Dat is het!’ ‘Uitstekend!’ ‘Ga zoo voort!’

De slagen van de vier bloote voeten der dansers op den harden grond veroorzaken een onophoudelijk geklap, veel overeenkomst hebbende met dat van een in brand staand pak chi-

[p. 47]

neesche voetzoekers. De manoeuvre door den rechter voet van den eenen danser uitgevoerd wordt terzelfder tijd uitgevoerd door den linker van den anderen, zonder ophouden, zonder regel, bliksemsnel! Op willekeurige oogenblikken wordt dit geklap voor een seconde onderbroken en een soort uitval gedaan, d.i. een been wordt met een luiden slag van den voet op den grond vooruitgebracht. Alsdan moet de tegenstander hetzelfde doen in omgekeerde richting, zoodat de een den rechtervoet vóór-heeft en de ander den linker. Het niet gelijktijdig uitvoeren der passen doet den uitgedaagde de partij verliezen en toeschouwer worden, terwijl de opengevallen plaats door een ander wordt ingenomen. Twee goede soesa-dansers kunnen het wel een uur tegenover elkander uithouden, en dikwijls wordt gestaakt, alleen om aan een ander ook een kansje te geven.

Zeker koning zei bij de daden van een zijner heiden: ‘Geef mij honderd zulke mannen en ik verover de wereld.’

Weet ge, wat ik daartegenover stel? Geef mij honderd zulke soesa-dansers en ik adverteer reeds morgen het perpetuum mobile, al is het ook niet het echte, want ik geef u de verzekering, dat er geene merkbare teekenen van vermoeidheid zijn waar te nemen, en dat het wat hard blazen, als om in de longen ingehouden lucht - want er is haast geen tijd voor ademhaling - uit te storten, reeds voldoende is om de dansers geheel te restaureeren. De gewone kleeding der inlanders is een broek en een hemd of boezeroen zonder meer. Wordt, bij gunstig weer, tot een soesa, d.i. kampstrijd besloten, dan hoeft men die schikkingen niet te treffen, als wij bij een bal. De boezeroen wordt uitgegooid, de broekspijpen hoog opgetrokken, en men is klaar! Van vrees voor kouvatting is bij deze geharde menschen geen sprake, want hoewel de huid glimt van het door de buitengewone beweging geperste zweet, - hoewel het lichaam verhit en de nacht koud is, men handelt niet als met een paard na een wedren, maar zij die eenmaal aan de dans hebben deelgenomen, blijven in dezelfde plunje als bij den dans. In het meer beschaafde Nickerie-District heb ik op een Nieuwjaarsavond gezien, dat op eene uitdaging voor een soesa de deftig gekleeden in een oogenblik schoenen en kleeren op een hoop neerwierpen en over elkander stonden op dezelfde wijze als ik tevoren heb aangegeven.

Wel een bewijs dat de dans niet kan uitgevoerd worden in dezelfde kleeding als wij een Schotsche polka maken moeten.

De soesa, ten slotte, maakt op mij den indruk, dat hij eene waardige plaats zou innemen bij de Olympische spelen, als hij maar bij de oude Grieken bekend was!

terug  begin  verder